Circulaire nr. 9 (AFZ/2001/1131 - Dos. 208) d.d. 07.05.2002
Wetboek der successierechten
Vlaamse Gewest
Decreet van het Vlaams Parlement van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002
Wijziging van de artikelen 50, 56 en 60bis, § 9, W. Succ.
In het Belgisch Staatsblad van 29 december 2001 (3de ed.) werd het decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002, bekendgemaakt. Deze tekst werd vervangen door een andere versie (cf. Erratum, B.S., 14 februari 2002, blz. 5487).
Artikel 45 van het decreet vervangt artikel 50 van het Wetboek der Successierechten - Vlaamse Gewest. Daardoor worden alle verkrijgingen tussen stiefouders en stiefkinderen gelijkgesteld met verkrijgingen in rechte lijn. Bovendien wordt de gelijkschakeling tussen gehuwden en samenwonenden verder doorgetrokken.
Artikel 46 van het decreet heeft tot doel de regeling inzake de verminderingen voor kleine verkrijgingen uit nalatenschappen te verbeteren en te verduidelijken (vervanging van artikel 56 W.Succ. - Vlaamse Gewest).
Tenslotte trekt artikel 47 van het decreet het artikel 31 van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001, in. Het betreft een technische correctie met betrekking tot de schuldafrekening in de nalatenschappen van familiale ondernemingen (artikel 60bis, § 9, W.Succ. - Vlaamse Gewest).
Deze artikelen zijn in werking getreden op 1 Januari 2002 (cf. artikel 74 van het decreet).
In bijlage 1 gaat een uittreksel uit het decreet. De gecoördineerde versie van de gewijzigde artikelen van het Wetboek der Successierechten - Vlaamse Gewest vindt u in bijlage 3.
Hierna volgt een eerste commentaar.
1. Artikel 50 W.Succ. - Vlaamse Gewest : gelijkstellingen met een verkrijging in rechte lijn
1.1. Teksten
1.1.1. Oude tekst van artikel 50 W.Succ. - Vlaamse Gewest
De tekst van het oude artikel 50 W.Succ. - Vlaamse Gewest, zoals gewijzigd bij decreet van 20 december 1996, luidde:
De tekst van het nieuwe artikel 50 W.Succ. - Vlaamse Gewest luidt:
Het oude artikel 50 W.Succ. - Vlaamse Gewest was omwille van verschillende redenen het voorwerp van kritiek. Zoals het tweede lid geredigeerd was, werd het tarief "rechte lijn" enkel toegepast op verkrijgingen door kinderen "van de langstlevende echtgenoot". Gelet op die formulering was de volgorde van overlijden van de stiefouder en de ouder bepalend voor het tarief dat toepasselijk was in de relatie stiefouder-stiefkind (zie ook Aanschr. 1/1997 van 24 maart 1997). De mogelijkheid van vooroverlijden van het stiefkind was niet voorzien. Als het een legaat gemaakt had aan zijn stiefouder, werd dat legaat tegen het tarief "tussen anderen" belast.
De nieuwe tekst houdt rekening met de verbreiding van samenlevingsvormen buiten het huwelijk. Bovendien werd aan het artikel een meer logische structuur gegeven.
Voor de bepaling van het tarief is de in het nieuwe artikel 50, eerste lid, voorziene gelijkstelling maar van belang indien artikel 48 op zich geen toepassing vindt, met andere woorden indien een kind en een persoon, gehuwd of samenwonend met de ouder van dit kind, niet kunnen beschouwd worden als "samenwonenden" in de zin van artikel 48, vijfde lid.
De gelijkstellingen met verkrijgingen in rechte fijn zijn beperkt tot de verkrijgingen door de in artikel 50 vernoemde personen; dit zijn de stiefouder, het stiefkind en de samenwonende partner van de ouder van het land. Verkrijgingen door andere personen (bv. door afstammelingen van het stiefkind) of van andere personen (bv. van de ouder van de stiefouder ofvan de samenwonende partner van de ouder van het kind) vallen buiten het toepassingsgebied van deze bepaling.
1.2.1. Artikel 50. eerste lid. W.Succ. - Vlaamse Gewest
Aan de hand van een aantal schema's wordt het mechanisme van artikel 50, en de samenhang tussen dit artikel en het artikel 48, W. Succ. - Vlaamse Gewest, belicht.
SCHEMA 1
Waarbij :
Mogelijke situaties:
1) sO, O en K wonen, als nieuw samengesteld gezin, samen.
Op het moment van het overlijden van ofwel sO ofwel van K is het zelfs niet vereist dat de stiefouder en de ouder van het kind nog samenwonen, op voorwaarde dat laatstgenoemden niet uit de echt gescheiden zijn.
SCHEMA 2
Waarbij :
Mogelijke situaties:
1) P, 0 en K wonen, als nieuw samengesteld gezin, samen.
Waarbij :
Mogelijke situaties:
1) P, 0 en K wonen, als nieuw samengesteld gezin, samen.
Het eerste lid van het oude artikel 50 W.Succ. - Vlaamse Gewest is in het nieuwe artikel het tweede lid geworden. Het is inderdaad logischer eerst de situatie van de gehuwden en samenwonenden te bekijken en pas dan deze van de echtgescheidenen en de van tafel en bed gescheidenen.
De verkrijging tussen uit de echt gescheiden of van tafel en bed gescheiden personen, wordt, zoals in het oude artikel, gelijkgesteld met een verkrijging tussen echtgenoten indien er gemeenschappelijke afstammelingen zijn.
Bovendien worden, zoals in het eerste lid van het nieuwe artikel, eveneens de nieuwe samenlevingsvormen buiten het huwelijk geregeld. Een verkrijging tussen ex-samenwonenden wordt gelijkgesteld met een verkrijging tussen samenwonenden indien er gemeenschappelijke afstammelingen zijn.
Om het voordeel van de gelijkstelling te genieten moet de ex-samenwonende legataris bewijzen dat hij met de erflater heeft samengewoond. Aangezien het gaat om ex-samenwonenden kunnen de voorwaarden ter bepaling van de samenwoning uit art. 48 W.Succ. - Vlaamse Gewest per definitie niet van toepassing zijn. Art. 48, vijfde lid, gaat inderdaad uit van een samenwoning "op de dag van het openvallen van de nalatenschap" wat hier niet het geval is: de samenwoning was reeds beëindigd.
Art. 50, tweede lid, W.Succ. - Vlaamse Gewest voorziet dus in een bijzondere definitie. Afgezien van de voorwaarde van het hebben van een gemeenschappelijke afstammeling, moet de ex-samenwonende legataris bewijzen:
1° dat hij overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het burgerlijk wetboek met de erflater heeft samengewoond,
of
2° dat hij met de erflater gedurende minstens één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. Hij kan dit bewijs leveren door alle middelen maar met uitzondering van de eed.
Ook hier is, in tegenstelling tot art. 48, vijfde lid, niet voorzien in een (weerlegbaar) wettelijk vermoeden. In geval van een dergelijk vermoeden zou de controletaak van de administratie zeer gecompliceerd zijn. Ze zou het tegenbewijs moeten leveren in het kader van een feitelijke situatie (het al dan niet gevoerd hebben van een gemeenschappelijke huishouding) die zich mogelijks vele jaren voor het overlijden heeft voorgedaan.
2. Artikel 56. W.Succ. - Vlaamse Gewest: verminderingen
2.1. Teksten
2.1.1. Oude tekst van artikel 56 W.Succ. - Vlaamse Gewest
De tekst van het oude artikel 56 W.Succ. - Vlaamse Gewest, zoals laatst gewijzigd bij decreet van 1 december 2000, luidde (3) :
De tekst van het nieuwe (4) artikel 56 W.Succ. - Vlaamse Gewest luidt:
De volgende wijzigingen werden aangebracht:
Artikel 46 van het decreet realiseert de in de Circ. 6/2002 (8) aangekondigde intrekking van de wijziging die, bij het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001, werd aangebracht aan artikel 60bis W.Succ. - Vlaamse Gewest.
[(8) Zie de punten 2 en 3 van de genoemde circulaire.]
De wijziging aangebracht door het decreet van 6 juli 2001 wordt dus geacht nooit te hebben plaatsgevonden.
Namens de Minister:
De Adjunct-administrateur-generaal van de belastingen,
Jean-Marc DELPORTE
BIJLAGE 1
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 29 december 2001
21 DECEMBER 2001. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002 (9)
[(9) De tekst zoals vervangen door de herpublicatie in het Belgisch Staatsblad van 14 februari 2002.]
Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :
HOOFDSTUK I. - Algemeen
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
...
HOOFDSTUK VII. - Financiën
...
Afdeling IV. - Successierechten
Art. 45. Artikel 50 van het Wetboek der successierechten, vervangen bij decreet van 20 december 1996, wordt vervangen door wat volgt :
« Artikel 50. Een verkrijging tussen een stiefouder en een stiefkind wordt gelijkgesteld met een verkrijging in rechte lijn. Dezelfde gelijkstelling geldt voor de verkrijging tussen een kind van een persoon die met de erflater samenwoont en de erflater, evenals voor een verkrijging tussen een persoon die met een ouder van de erflater samenwoont en de erflater. In het laatste geval van gelijkstelling voldoet de legataris aan de vereiste van samenwonen met een ouder van de erflater, indien hij met die ouder op de dag van het overlijden overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het burgerlijk wetboek samenwoonde, of indien hij bewijst, door alle middelen maar met uitzondering van de eed, dat hij met die ouder op het ogenblik van het overlijden reeds sedert één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding voerde.
Een verkrijging tussen uit de echt gescheiden of van tafel en bed gescheiden personen en een verkrijging tussen ex-samenwonenden wordt alleen indien er gemeenschappelijke afstammelingen zijn gelijkgesteld met een verkrijging tussen echtgenoten of tussen samenwonenden. De ex-samenwonende legataris moet om het voordeel van de gelijkstelling te genieten bewijzen dat hij met de erflater heeft samengewoond overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het burgerlijk wetboek of, door alle middelen maar met uitzondering van de eed, dat hij met de erflater gedurende minstens één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. »
Art. 46. Artikel 56 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij decreet van 20 december 1996 en gewijzigd bij decreet van 15 juli 1997, 30 juni 2000 en 1 december 2000, wordt vervangen door wat volgt :
« Artikel 56. De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van een verkrijging in de rechte lijn, tussen echtgenoten of tussen samenwonenden worden, indien de netto-verkrijging niet meer bedraagt dan 50.000 EUR, verminderd met 500 EUR vermenigvuldigd met [1 - (netto-verkrijging / 50.000)].
De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van een verkrijging door een broer of zuster worden, indien de netto-verkrijging groter is dan 20.000 EUR en niet meer bedraagt dan 75.000 EUR, verminderd met 2.500 EUR vermenigvuldigd met [1 - (netto-verkrijging / 75.000)]. Indien de netto-verkrijging gelijk is aan of minder is dan 20 000 EUR, worden die rechten verminderd met 2.000 EUR vermenigvuldigd met (netto-verkrijging / 20.000).
De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van de samengenomen verkrijgingen door andere personen dan erfgenamen in de rechte lijn, de echtgenoot, samenwonenden of broers en zusters worden, indien de som van hun netto-verkrijgingen groter is dan 12.500 EUR en niet meer bedraagt dan 75.000 EUR, verminderd met 2.500 EUR vennenigvuldigd met [1 - (som van de netto-verkrijgingen / 75.000)]. Indien de som van hun nettoverkrijgingen gelijk is aan of minder is dan 12.500 EUR, worden die rechten verminderd met 2.000 EUR vermenigvuldigd met (som van de netto-verkrijgingen/12.500). De overeenkomstig dit lid bekomen vermindering wordt omgeslagen over de betrokken erfgenamen in verhouding tot hun aandeel in de samengenomen verkrijgingen.
Is het recht van overgang bij overlijden verschuldigd voor verkrijgingen als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, dan geldt dezelfde rechtenvermindering met dien verstande dat dan rekening gehouden wordt met de bruto-verkrijging.
De door een kind van de overledene verschuldigde rechten worden verminderd met 75 EUR voor elk vol jaar dat nog moet verlopen tot het de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. De door de overlevende echtgenoot of samenwonende verschuldigde rechten worden verminderd met de helft van de verminderingen die de gemeenschappelijke kinderen overeenkomstig dit lid genieten. Deze verminderingen zijn van toepassing ongeacht de netto-verkrijgingen van de rechthebbenden en bovenop de vermindering waarop ze krachtens het eerste of het vierde lid recht hebben.»
Art. 47. Artikel 31 van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001 wordt ingetrokken.
...
HOOFDSTUK XVIII. - Slotbepaling
Art. 74. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2002, met uitzondering van de artikelen 6, 7 en 10, 3° die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2001.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 21 december 2001.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
Voor de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie,
S. STEVAERT, afwezig,
De Vlaamse minister van Werkgelegenheid en Toerisme,
R. LANDUYT
Voor de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen,
Mevr. M. VOGELS, afwezig,
De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw,
Mevr. V. DUA
De Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport, Brusselse Aangelegenheden en Ontwikkelingssamenwerking,
B. ANCIAUX
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
Mevr. M. VANDERPOORTEN
De Vlaamse minister van Werkgelegenheid en Toerisme,
R. LANDUYT
De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw,
Mevr. V. DUA
De Vlaamse minister van Financiën en Begroting, innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening,
D.VANMECHELEN
De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid,
P. VAN GREMBERGEN
Voor de Vlaamse minister van Economie, Buitenlandse Handel en Huisvesting,
J. GABRIELS, afwezig,
De Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening,
D. VAN MECHELEN
BIJLAGE 2
(Voorstel van) decreet houdende wijziging van het Wetboek der successierechten en het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, wat de invoering van de euro betreft, (nog niet gepubliceerd op 1 wei 2002)
Tekst aangenomen door de plenaire vergadering, (Parl. St., Vl. Parl., nr. 1054 (2001-2002) - 3)
Artikel 1
Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Artikel 2
In artikel 56 van het Wetboek der successierechten, vervangen bij het decreet van 21 december 2001, worden, wat het Vlaamse Gewest betreft, de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid worden de woorden "20.000 EUR telkens vervangen door de woorden " 18.750 EUR;
2° in het derde lid worden de woorden "2.500 EUR" vervangen door de woorden "2.400 EUR.
Artikel 4
Dit decreet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002.
BIJLAGE 3
Gecoördineerde tekst van de artikelen 50, 56 en 60bis, § 9, van het Wetboek der successierechten - Vlaamse Gewest. zoals hij van toepassing is met ingang van 1 januari 2002.
Art. 50
(decreet van 20 december 1996, artikel 15, vervangen bij decreet van 21 december 2001, artikel 45)
Een verkrijging tussen een stiefouder en een stiefkind wordt gelijkgesteld met een verkrijging in rechte lijn. Dezelfde gelijkstelling geldt voor de verkrijging tussen een kind van een persoon die met de erflater samenwoont en de erflater, evenals voor een verkrijging tussen een persoon die met een ouder van de erflater samenwoont en de erflater. In het laatste geval van gelijkstelling voldoet de legataris aan de vereiste van samenwonen met een ouder van de erflater, indien hij met die ouder op de dag van het overlijden overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het burgerlijk wetboek samenwoonde, of indien bij bewijst, door alle middelen maar met uitzondering van de eed, dat hij met die ouder op het ogenblik van het overlijden reeds sedert één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding voerde.
Een verkrijging tussen uit de echt gescheiden of van tafel en bed gescheiden personen en een verkrijging tussen ex-samenwonenden wordt alleen indien er gemeenschappelijke afstammelingen zijn gelijkgesteld met een verkrijging tussen echtgenoten of tussen samenwonenden. De ex-samenwonende legataris moet om het voordeel van de gelijkstelling te genieten bewijzen dat hij met de erflater heeft samengewoond overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het burgerlijk wetboek, of, door alle middelen maar met uitzondering van de eed, dat hij met de erflater gedurende minstens één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd.
Art. 56
(decreet van 20 december 1996, artikel 18, vervangen bij artikel 3 van het decreet van 15 april 1997 en gewijzigd bij artikel 2 van het decreet van 17 juni 1997, artikel 3 van het decreet van 15 juli 1997, artikel 13 van het decreet van 7 juli 1998, artikel 3 van het decreet van 1 december 2000 en artikel 46 van het decreet van 21 december 2001)
De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van een verkrijging in de rechte lijn, tussen echtgenoten of tussen samenwonenden worden, indien de netto-verkrijging niet meer bedraagt dan 50.000 EUR, verminderd met 500 EUR vermenigvuldigd met [1 - (nettoverkrijging / 50.000)].
De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van een verkrijging door een broer of zuster worden, indien de netto-verkrijging groter is dan 18.750 EUR en niet meer bedraagt dan 75.000 EUR verminderd met 2.500 EUR vermenigvuldigd met [1 - (nettoverkrijging / 75.000)]. Indien de netto-verkrijging gelijk is aan of minder is dan 18.750 EUR, worden die rechten verminderd met 2.000 EUR vermenigvuldigd met (netto-verkrijging / 20.000).
De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van de samengenomen verkrijgingen door andere personen dan erfgenamen in de rechte lijn, de echtgenoot, samenwonenden of broers en zusters worden, indien de som van hun netto-verkrijgingen groter is dan 12.500 EUR en niet meer bedraagt dan 75.000 EUR, verminderd met 2.400 EUR vermenigvuldigd met [1 - (som van de nettoverkrijgingen / 75.000)]. Indien de som van hun nettoverkrijgingen gelijk is aan of minder is dan 12.500 EUR, worden die rechten verminderd met 2.000 EUR vermenigvuldigd met (som van de nettoverkrijgingen / 12.500). De overeenkomstig dit lid bekomen vermindering wordt omgeslagen over de betrokken erfgenamen in verhouding tot hun aandeel in de samengenomen verkrijgingen.
Is het recht van overgang bij overlijden verschuldigd voor verkrijgingen als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, dan geldt dezelfde rechtenvermindering met dien verstande dat dan rekening gehouden wordt met de bruto-verkrijging.
De door een kind van de overledene verschuldigde rechten worden verminderd met 75 EUR voor elk vol jaar dat nog moet verlopen tot het de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. De door de overlevende echtgenoot of samenwonende verschuldigde rechten worden verminderd met de helft van de verminderingen die de gemeenschappelijke kinderen overeenkomstig dit lid genieten. Deze verminderingen zijn van toepassing ongeacht de netto-verkrijgingen van de rechthebbenden en bovenop de vermindering waarop ze krachtens het eerste of het vierde lid recht hebben.
Art. 60bis
(...)
§ 9. Onder nettowaarde wordt verstaan de waarde van de activa of aandelen verminderd met de schulden, behalve die welke specifiek werden aangegaan om andere goederen te verwerven of te behouden.
Vlaamse Gewest
Decreet van het Vlaams Parlement van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002
Wijziging van de artikelen 50, 56 en 60bis, § 9, W. Succ.
In het Belgisch Staatsblad van 29 december 2001 (3de ed.) werd het decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002, bekendgemaakt. Deze tekst werd vervangen door een andere versie (cf. Erratum, B.S., 14 februari 2002, blz. 5487).
Artikel 45 van het decreet vervangt artikel 50 van het Wetboek der Successierechten - Vlaamse Gewest. Daardoor worden alle verkrijgingen tussen stiefouders en stiefkinderen gelijkgesteld met verkrijgingen in rechte lijn. Bovendien wordt de gelijkschakeling tussen gehuwden en samenwonenden verder doorgetrokken.
Artikel 46 van het decreet heeft tot doel de regeling inzake de verminderingen voor kleine verkrijgingen uit nalatenschappen te verbeteren en te verduidelijken (vervanging van artikel 56 W.Succ. - Vlaamse Gewest).
Tenslotte trekt artikel 47 van het decreet het artikel 31 van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001, in. Het betreft een technische correctie met betrekking tot de schuldafrekening in de nalatenschappen van familiale ondernemingen (artikel 60bis, § 9, W.Succ. - Vlaamse Gewest).
Deze artikelen zijn in werking getreden op 1 Januari 2002 (cf. artikel 74 van het decreet).
In bijlage 1 gaat een uittreksel uit het decreet. De gecoördineerde versie van de gewijzigde artikelen van het Wetboek der Successierechten - Vlaamse Gewest vindt u in bijlage 3.
Hierna volgt een eerste commentaar.
1. Artikel 50 W.Succ. - Vlaamse Gewest : gelijkstellingen met een verkrijging in rechte lijn
1.1. Teksten
1.1.1. Oude tekst van artikel 50 W.Succ. - Vlaamse Gewest
De tekst van het oude artikel 50 W.Succ. - Vlaamse Gewest, zoals gewijzigd bij decreet van 20 december 1996, luidde:
"Het percentage van het recht tussen echtgenoten is niet van toepassing wanneer de echtgenoten uit de echt of van tafel en bed gescheiden zijn tenzij zij gemeenschappelijke kinderen of afstammelingen hebben.1.1.2. Nieuwe tekst van artikel 50 W.Succ. - Vlaamse Gewest
Dit zelfde percentage van het recht is eveneens van toepassing op verkrijgingen door de kinderen van de langstlevende echtgenoot van de overleden echtgenoot."
De tekst van het nieuwe artikel 50 W.Succ. - Vlaamse Gewest luidt:
"Een verkrijging tussen een stiefouder en een stiefkind wordt gelijkgesteld met een verkrijging in rechte lijn. Dezelfde gelijkstelling geldt voor de verkrijging tussen een kind van een persoon die met de erflater samenwoont en de erflater, evenals voor een verkrijging tussen een persoon die met een ouder van de erflater samenwoont en de erflater. In het laatste geval van gelijkstelling voldoet de legataris aan de vereiste van samenwonen met een ouder van de erflater, indien hij met die ouder op de dag van het overlijden overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het burgerlijk wetboek samenwoonde, of indien hij bewijst, door alle middelen maar met uitzondering van de eed, dat hij met die ouder op het ogenblik van het overlijden reeds sedert één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding voerde.1.2. Analyse van de wijzigingen
Een verkrijging tussen uit de echt gescheiden of van tafel en bed gescheiden personen en een verkrijging tussen ex-samenwonenden wordt alleen indien er gemeenschappelijke afstammelingen zijn gelijkgesteld met een verkijging tussen echtgenoten of tussen samenwonenden. De ex-samenwonende legataris moet om het voordeel van de gelijkstelling te genieten bewijzen dat hij met de erflater heeft samengewoond overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het burgerlijk wetboek of, door alle middelen maar met uitzondering van de eed, dat hij niet de erflater gedurende minstens één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd."
Het oude artikel 50 W.Succ. - Vlaamse Gewest was omwille van verschillende redenen het voorwerp van kritiek. Zoals het tweede lid geredigeerd was, werd het tarief "rechte lijn" enkel toegepast op verkrijgingen door kinderen "van de langstlevende echtgenoot". Gelet op die formulering was de volgorde van overlijden van de stiefouder en de ouder bepalend voor het tarief dat toepasselijk was in de relatie stiefouder-stiefkind (zie ook Aanschr. 1/1997 van 24 maart 1997). De mogelijkheid van vooroverlijden van het stiefkind was niet voorzien. Als het een legaat gemaakt had aan zijn stiefouder, werd dat legaat tegen het tarief "tussen anderen" belast.
De nieuwe tekst houdt rekening met de verbreiding van samenlevingsvormen buiten het huwelijk. Bovendien werd aan het artikel een meer logische structuur gegeven.
Voor de bepaling van het tarief is de in het nieuwe artikel 50, eerste lid, voorziene gelijkstelling maar van belang indien artikel 48 op zich geen toepassing vindt, met andere woorden indien een kind en een persoon, gehuwd of samenwonend met de ouder van dit kind, niet kunnen beschouwd worden als "samenwonenden" in de zin van artikel 48, vijfde lid.
De gelijkstellingen met verkrijgingen in rechte fijn zijn beperkt tot de verkrijgingen door de in artikel 50 vernoemde personen; dit zijn de stiefouder, het stiefkind en de samenwonende partner van de ouder van het land. Verkrijgingen door andere personen (bv. door afstammelingen van het stiefkind) of van andere personen (bv. van de ouder van de stiefouder ofvan de samenwonende partner van de ouder van het kind) vallen buiten het toepassingsgebied van deze bepaling.
1.2.1. Artikel 50. eerste lid. W.Succ. - Vlaamse Gewest
Aan de hand van een aantal schema's wordt het mechanisme van artikel 50, en de samenhang tussen dit artikel en het artikel 48, W. Succ. - Vlaamse Gewest, belicht.
SCHEMA 1
|
sO Hw O K |
| sO : | stiefouder; |
| O : | ouder; |
| K : | kind (van O); |
| Hw : | sO en O zijn gehuwd |
| sO - - - - -> K : | sO is erflater; K is legataris |
| K - - - - -> sO : | K is erflater; So is legataris |
1) sO, O en K wonen, als nieuw samengesteld gezin, samen.
In geval van overlijden van ofwel sO (en K is legataris van s0) ofwel K (en s0 is legataris van K), wordt het legaat belast tegen het tarief "tussen samenwonenden" indien sO en K kunnen beschouwd worden als "samenwonenden" in de zin van art. 48, vijfde lid, W. Succ. - Vlaamse Gewest.2) sO en K kunnen niet beschouwd worden als "samenwonenden" in de zin van art. 48, vijfde lid, W. Succ. - Vlaamse Gewest.
Hetzelfde tarief is van toepassing indien 0 zou vooroverleden zijn. Immers, voor de verkrijgingen tussen sO en K is het enkel van belang dat de erflater en de legataris "samenwonen".
sO - - - - -> KVoor het toepassen van het tarief "in rechte lijn" speelt, in geval van overlijden van ofwel sO (en K is zijn legataris) ofwel K (en sO is zijn legataris), de volgorde van overlijden van de stiefouder of van de ouder van het kind geen rol meer.
Onder de oude regeling zou dit legaat (onder de voorwaarde dat 0 niet vooroverleden is) belast worden tegen het tarief "rechte lijn" (oud art. 50, tweede lid).
Het nieuwe art. 50 stelt de verkrijgingen tussen een stiefouder en een stiefkind onvoorwaardelijk gelijk aan een verkrijging in rechte lijn.
K - - - - -> sO
Onder de oude regeling werd deze situatie niet voorzien. Het legaat werd belast tegen het tarief "tussen anderen".
Waar het oude art. 50 dus slechts in één richting werkte, is dit nu anders (cf. "een verkrijging tussen (1) een sfiefouder en een stiefkind ... "). Het legaat aan sO wordt krachtens artikel 50 gelijkgesteld met een verkrijging in rechte fijn.
[(1) Alleen in de eerste zin van het eerste lid van het nieuwe artikel 50 is het woord "tussen" als wederkerig te lezen. Het woord "tussen" (dat twee maal voorkomt) in de volgende zin van dat lid, heeft - zoals uit de context blijkt - in geen van de onderscheiden gevallen dat wederkerig karakter. De schema's illustreren dit duidelijk.]
Op het moment van het overlijden van ofwel sO ofwel van K is het zelfs niet vereist dat de stiefouder en de ouder van het kind nog samenwonen, op voorwaarde dat laatstgenoemden niet uit de echt gescheiden zijn.
SCHEMA 2
|
P Sw O K |
Waarbij :
| P : | Partner van O; |
| O : | ouder; |
| K : | kind (van O); |
| Sw : | P en O zijn samenwonend; |
| P - - - - -> K : | P is erflater; K is legataris |
1) P, 0 en K wonen, als nieuw samengesteld gezin, samen.
In geval van overlijden van P (en K is legataris van P), wordt het legaat belast tegen het tarief "tussen samenwonenden" indien P en K kunnen beschouwd worden als "samenwonenden" in de zin van art. 48, vijfde lid, W. Succ. - Vlaamse Gewest.2) P en K kunnen niet beschouwd worden als "samenwonenden" in de zin van art. 48, vijfde lid, W. Succ. - Vlaamse Gewest.
Hetzelfde tarief is van toepassing indien 0 zou vooroverleden zijn. Immers, voor de verkrijgingen tussen P en K is het enkel van belang dat de erflater en de legataris "samenwonen".
Vóór de wijziging van art. 50 werd dit legaat belast tegen het tarief "tussen anderen".SCHEMA 3
Krachtens het nieuwe art. 50 is er een gelijkstelling met een verkrijging in rechte lijn indien P en 0 op de dag van het overlijden samenwonen. De voorwaarden waaraan deze samenwoning moet voldoen zijn deze van art. 48, vijfde lid, W. Succ. - Vlaamse Gewest
P en 0 worden dus als "samenwonenden" beschouwd indien:
1° 0 (de ouder van legataris K) op de dag van het overlijden (van P), overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het burgerlijk wetboek, met P wettelijk samenwoont;
of
2° 0 (de ouder van legataris K) op het ogenblik van het overlijden (van P) reeds sedert één jaar ononderbroken met P samenwoont en er een gemeenschappelijke huishouding mee voert. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de erflater (P), aansluitend op de bedoelde periode van één jaar tot op de dag van het overlijden, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.
Met andere woorden, indien de ouder van K en de erflater beschouwd worden als "samenwonenden" in de zin van art. 48, vijfde lid, dan wordt het legaat aan K gelijkgesteld met een verkrijging in rechte lijn en dienovereenkomstig belast.
Dit betekent meteen dat er geen gelijkstelling is indien P en 0 niet meer samenwonen omwille van het vooroverlijden van 0. Bovendien, en behoudens het geval dat P en 0 "wettelijk samenwonen", is er in principe geen gelijkstelling indien één van de partners in een rusthuis verblijft terwijl de andere nog thuis is (in dit laatste geval kan, indien aan de voorwaarden voldaan is, overmacht ingeroepen worden - zie daarover Circ. 9/2000 van 21 september 2000).
|
P Sw O K |
| P : | Partner van O; |
| O : | ouder; |
| K : | kind (van O); |
| Sw : | P en O zijn samenwonend; |
| K - - - - -> P : | K is erflater; P is legataris |
1) P, 0 en K wonen, als nieuw samengesteld gezin, samen.
In geval van overlijden van K (en P is legataris van K), wordt het legaat belast tegen het tarief "tussen samenwonenden" indien K en P kunnen beschouwd worden als "samenwonenden" in de zin van art. 48, vijfde lid, W. Succ. - Vlaamse Gewest.2) K en P kunnen niet beschouwd worden als "samenwonenden" in de zin van art. 48, vijfde lid, W. Succ. - Vlaamse Gewest.
Hetzelfde tarief is van toepassing indien 0 reeds vooroverleden is. Immers, voor de verkrijgingen tussen K en P is het enkel van belang dat de erflater en de legataris "samenwonen".
Vóór de wijziging van art. 50 werd dit legaat belast tegen het tarief "tussen anderen".1.2.2. Artikel 50. tweede lid. W.Succ. - Vlaamse Gewest
Krachtens het nieuwe art. 50 is er een gelijkstelling met een verkrijging in rechte lijn indien P en 0 op de dag van het overlijden van K samenwonen.
De voorwaarden waaraan deze samenwoning moet voldoen kunnen niet deze van art. 48, vijfde lid, W. Succ. - Vlaamse Gewest zijn. Art. 48, vijfde lid, gaat immers uit van de samenwoning met de erflater, terwijl in deze situatie de erflater (K) vreemd is aan de vereiste samenwoning tussen P en 0. Vandaar dat art. 50 voorziet in een eigen definitie van wat onder "samenwonenden" dient te worden verstaan.
De legataris (P) moet bewijzen:
1° dat hij met 0 (de ouder van erflater K) op de dag van het overlijden (van K) overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het burgerlijk wetboek samenwoonde;
of
2° dat hij met 0 (de ouder van K) op het ogenblik van het overlijden (van K) reeds sedert één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding voerde. Hij kan dit bewijs leveren door alle middelen, maar met uitzondering van de eed.
De legataris die niet "wettelijk samenwoont" met de ouder van het kind, moet bewijzen dat hij gedurende minstens één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd met die ouder.
Dat bewijs kan geleverd worden met alle middelen, behalve de eed. Het ingeschreven zijn op hetzelfde adres in het bevolkingsregister (2) kan zeker als belangrijk element in de bewijsvoering naar voor gebracht worden, doch die inschrijving is op zich niet voldoende maar anderzijds ook geen noodzakelijke vereiste. Anders dan in art. 48 volgt uit die inschrijving op hetzelfde adres in dit geval dus geen wettelijk vermoeden van gemeenschappelijke huishouding.
[(2) Met betrekking tot de inschrijving in de bevolkingsregisters: zie ook Circ. 3-4/2002 van 17 januari 2002, onder 3.1.]
Artikel 50 voorziet in dit geval evenmin in een mildering van de vereiste van ononderbroken samenwoning bij overmacht. P en 0 moeten in de meest strikte betekenis van het woord effectief samenwonen.
Het eerste lid van het oude artikel 50 W.Succ. - Vlaamse Gewest is in het nieuwe artikel het tweede lid geworden. Het is inderdaad logischer eerst de situatie van de gehuwden en samenwonenden te bekijken en pas dan deze van de echtgescheidenen en de van tafel en bed gescheidenen.
De verkrijging tussen uit de echt gescheiden of van tafel en bed gescheiden personen, wordt, zoals in het oude artikel, gelijkgesteld met een verkrijging tussen echtgenoten indien er gemeenschappelijke afstammelingen zijn.
Bovendien worden, zoals in het eerste lid van het nieuwe artikel, eveneens de nieuwe samenlevingsvormen buiten het huwelijk geregeld. Een verkrijging tussen ex-samenwonenden wordt gelijkgesteld met een verkrijging tussen samenwonenden indien er gemeenschappelijke afstammelingen zijn.
Om het voordeel van de gelijkstelling te genieten moet de ex-samenwonende legataris bewijzen dat hij met de erflater heeft samengewoond. Aangezien het gaat om ex-samenwonenden kunnen de voorwaarden ter bepaling van de samenwoning uit art. 48 W.Succ. - Vlaamse Gewest per definitie niet van toepassing zijn. Art. 48, vijfde lid, gaat inderdaad uit van een samenwoning "op de dag van het openvallen van de nalatenschap" wat hier niet het geval is: de samenwoning was reeds beëindigd.
Art. 50, tweede lid, W.Succ. - Vlaamse Gewest voorziet dus in een bijzondere definitie. Afgezien van de voorwaarde van het hebben van een gemeenschappelijke afstammeling, moet de ex-samenwonende legataris bewijzen:
1° dat hij overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het burgerlijk wetboek met de erflater heeft samengewoond,
of
2° dat hij met de erflater gedurende minstens één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. Hij kan dit bewijs leveren door alle middelen maar met uitzondering van de eed.
Ook hier is, in tegenstelling tot art. 48, vijfde lid, niet voorzien in een (weerlegbaar) wettelijk vermoeden. In geval van een dergelijk vermoeden zou de controletaak van de administratie zeer gecompliceerd zijn. Ze zou het tegenbewijs moeten leveren in het kader van een feitelijke situatie (het al dan niet gevoerd hebben van een gemeenschappelijke huishouding) die zich mogelijks vele jaren voor het overlijden heeft voorgedaan.
2. Artikel 56. W.Succ. - Vlaamse Gewest: verminderingen
2.1. Teksten
2.1.1. Oude tekst van artikel 56 W.Succ. - Vlaamse Gewest
De tekst van het oude artikel 56 W.Succ. - Vlaamse Gewest, zoals laatst gewijzigd bij decreet van 1 december 2000, luidde (3) :
[(3) De omzetting in EUR werd gerealiseerd door artikel 40 van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001 (B.S., 10 oktober 2001) - dit artikel trad in werking op 1 januari 2002.]2.1.2. Nieuwe tekst van artikel 56 W.Succ. - Vlaamse Gewest
"De som der rechten berekend volgens Tabel 1 van artikel 48 en artikel 60bis in hoofde van een door de wet tot de erfenis geroepen erfgenaam in de rechte lijn, tussen echtgenoten of tussen samenwonenden wordt voor elk netto-erfdeel dat de 50.000 EUR niet overtreft verminderd met 500 EUR vermenigvuldigd met de coëfficiënt bekomen door 1 - [erfdeel/50.000].
Ten gunste van de kinderen die de leeftijd van 21 jaar niet hebben bereikt wordt er, ongeacht de omvang van het netto-erfdeel, een vermindering verleend van 75 EUR op de rechten berekend volgens Tabel 1 van artikel 49 en artikel 60bis, voor elk vol jaar dat nog moet verlopen tot zij de leeftijd van 21 jaar bereiken en ten gunste van de overlevende echtgenoot of samenwonende ten belope van de helft van de overeenkomstig deze alinea berekende verminderingen die de gemeenschappelijke kinderen samen genieten.
De som der rechten berekend volgens Tabel II van artikel 48 en artikel 60bis in hoofde van een verkrijging door een broer of zuster wordt voorzover het aldus belaste erfdeel groter is dan 20.000 EUR en de 75.000 EUR niet overtreft verminderd met 2.500 EUR vermenigvuldigd met 1 - [erfdeel/75.000]. Wanneer het aldus belaste erfdeel kleiner is dan of gelijk is aan 20.000 EUR wordt deze som verminderd met 2.000 EUR vermenigvuldigd met [het erfdeel/20.000].
De som der rechten berekend volgens Tabel Il van artikel 48 en artikel 60bis in hoofde van verkrijgingen door alle andere erfgenamen dan erfgenamen in rechte lijn of echtgenoten, samenwonenden, broers of zusters wordt voorzover het totaal der aldus belaste erfdelen groter is dan 12.500 EUR en de 75.000 EUR niet overtreft, verminderd met 2.500 EUR vermenigvuldigd met 1 - [totaal van deze erfdelen/75.0001. Wanneer het totaal der aldus belaste erfdelen kleiner is dan of gelijk is aan 12.500 EUR wordt deze som veniünderd met 2.000 EUR vermenigvuldigd met [totaal van deze erfdelen/12.5001.
De volgens het vorige lid bekomen vermindering wordt omgeslagen over de betrokken erfgenamen in verhouding tot de door hen verkregen erfdelen."
De tekst van het nieuwe (4) artikel 56 W.Succ. - Vlaamse Gewest luidt:
[(4) Tekst zoals gewijzigd door het (voorstel van) decreet houdende wijziging van het Wetboek der successiercchten en het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, wat de invoering van de euro betreft, nog niet gepubliceerd op 1 mei 2002, cf.: Parl. St. VI. Parl., nr. 1054 (2001-2002) - 3, zie bijlage)]2.2. Analyse van de wijzigingen
"De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van een verkrijging in de rechte lijn, tussen echtgenoten of tussen samenwonenden worden, indien de netto-verkrijging niet meer bedraagt dan 50.000 EUR, verminderd met 500 EUR vermenigvuldigd met [1 - (netto-verkrijging /50.000)].
De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van een verkrijging door een broer of zuster worden, indien de netto-verkrijging groter is dan 18.750 EUR (5) en niet meer bedraagt dan 75.000 EUR, verminderd met 2.500 EUR vermenigvuldigd met [1 - (netto-verkrijging/75.000)]. Indien de nettoverkrijging gelijk is aan of minder is dan 18.750 EUR (6), worden die rechten verminderd met 2.000 EUR vermenigvuldigd met (netto-verkrijging / 20.000).
[(5) Het oorspronkelijk bedrag van 20.000 EUR werd, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002, vervangen door artikel 2, 1°, van het decreet vermeld onder voetnoot 1.
(6) Id.]
De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van de samengenomen verkrijgingen door andere personen dan erfgenamen in de rechte lijn, de echtgenoot, samenwonenden of broers en zusters worden, indien de som van hun netto-verkrijgingen groter is dan 12.500 EUR en niet meer bedraagt dan 75.000 EUR, verminderd met 2.400 EUR (7) vermenigvuldigd met [l - (som van de netto-verkrijgingen / 75.000)]. Indien de som van hun nettoverkrijgingen gelijk is aan of minder is dan 12.500 EUR worden die rechten verminderd met 2.000 EUR vermenigvuldigd met (som van de netto-verkrijgingen/12.500). De overeenkomstig dit lid bekomen vermindering wordt omgeslagen over de betrokken erfgenamen in verhouding tot hun aandeel in de samengenomen verkrijgingen.
[(7) Het oorspronkelijk bedrag van 2.500 EUR werd, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002, vervangen door artikel 2, 2°, van het decreet vermeld onder voetnoot 1.]
Is het recht van overgang bij overlijden verschuldigd voor verkrijgingen als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, dan geldt dezelfde rechtenvermindering met dien verstande dat dan rekening gehouden wordt met de bruto-verkrijging.
De door een kind van de overledene verschuldigde rechten worden verminderd met 75 EUR voor elk vol jaar dat nog moet verlopen tot het de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. De door de overlevende echtgenoot of samenwonende verschuldigde rechten worden verminderd met de helft van de verminderingen die de gemeenschappelijke kinderen overeenkomstig dit lid genieten. Deze verminderingen zijn van toepassing ongeacht de nettoverkrijgingen van de rechthebbenden en bovenop de vermindering waarop ze krachtens het eerste of het vierde lid recht hebben."
De volgende wijzigingen werden aangebracht:
1. Onder de oude tekst was vereist dat de erfopvolgers in recht lijn door de wet tot de erfenis moesten zijn geroepen. De zinsnede uit het oude artikel "... in hoofde van een door de wet tot de erfenis geroepen erfgenaam..." komt in het nieuwe artikel niet meer voor.3. Wijziging van artikel 60bis, § 9, W.Succ. - Vlaamse Gewest
Voortaan kunnen de verkrijgingen in rechte lijn, tussen echtgenoten of tussen samenwonenden, ongeacht of deze verkrijgingen voortvloeien uit een wettelijke of testamentaire devolutie, van dezelfde rechtenvermindering genieten. Dus kunnen ook een kleinkind, een ouder, een grootouder die ingevolge een testamentair beding tot de nalatenschap komen of ingevolge een fictiebepaling geacht worden legataris te zijn, genieten van de rechtenvermindering. De rechtenvermindering geldt eveneens voor de verkrijgingen die ingevolge artikel 50 met een verkrijging in rechte lijn worden gelijkgesteld.
2. Het artikel werd in overeenstemming gebracht met de huidige stand van de wetgeving en werd taalkundig en structureel aangepast.
De oude tekst ging uit van "De som der rechten berekend volgens Tabel (I of II) van artikel 48 en artikel 60bis ... ". De verwijzing naar artikel 60bis werd in de nieuwe tekst weggelaten omdat dit artikel nu geformuleerd is als een vrijstellingsbepaling.
Uiteraard wordt de rechtenvermindering voor de verkrijgingen in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden toegepast op het samengeteld bedrag van de rechten berekend over het netto-aandeel in de onroerende goederen en over het netto-aandeel in de roerende goederen. Het is niet omdat in de tekst van het eerste lid het woord "som" is weggelaten dat dit anders zou zijn.Het eerste, tweede en derde lid zijn van toepassing op de rechten van successie. De tekst is opgesplitst naargelang het gaat om verkrijgingen in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden, om verkrijgingen door een broer of een zuster, en om verkrijgingen door anderen.
Het recht van overgang bij overlijden wordt behandeld in het vierde lid.
Tenslotte wordt de vermindering ten gunste van de kinderen van de overledene en het bijkomend voordeel voor de overlevende echtgenoot of samenwonende, behandeld. Deze laatste verminderingen zijn van toepassing op zowel het recht van successie als op het recht van overgang bij overlijden en zijn onafhankelijk van de grootte van de verkrijging.
3. Zoals hoger vermeld wordt in de nieuwe tekst duidelijk gesteld dat de verminderingen ook van toepassing zijn op het recht van overgang bij overlijden.
Artikel 46 van het decreet realiseert de in de Circ. 6/2002 (8) aangekondigde intrekking van de wijziging die, bij het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001, werd aangebracht aan artikel 60bis W.Succ. - Vlaamse Gewest.
[(8) Zie de punten 2 en 3 van de genoemde circulaire.]
De wijziging aangebracht door het decreet van 6 juli 2001 wordt dus geacht nooit te hebben plaatsgevonden.
Namens de Minister:
De Adjunct-administrateur-generaal van de belastingen,
Jean-Marc DELPORTE
BIJLAGE 1
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 29 december 2001
21 DECEMBER 2001. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002 (9)
[(9) De tekst zoals vervangen door de herpublicatie in het Belgisch Staatsblad van 14 februari 2002.]
Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :
HOOFDSTUK I. - Algemeen
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
...
HOOFDSTUK VII. - Financiën
...
Afdeling IV. - Successierechten
Art. 45. Artikel 50 van het Wetboek der successierechten, vervangen bij decreet van 20 december 1996, wordt vervangen door wat volgt :
« Artikel 50. Een verkrijging tussen een stiefouder en een stiefkind wordt gelijkgesteld met een verkrijging in rechte lijn. Dezelfde gelijkstelling geldt voor de verkrijging tussen een kind van een persoon die met de erflater samenwoont en de erflater, evenals voor een verkrijging tussen een persoon die met een ouder van de erflater samenwoont en de erflater. In het laatste geval van gelijkstelling voldoet de legataris aan de vereiste van samenwonen met een ouder van de erflater, indien hij met die ouder op de dag van het overlijden overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het burgerlijk wetboek samenwoonde, of indien hij bewijst, door alle middelen maar met uitzondering van de eed, dat hij met die ouder op het ogenblik van het overlijden reeds sedert één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding voerde.
Een verkrijging tussen uit de echt gescheiden of van tafel en bed gescheiden personen en een verkrijging tussen ex-samenwonenden wordt alleen indien er gemeenschappelijke afstammelingen zijn gelijkgesteld met een verkrijging tussen echtgenoten of tussen samenwonenden. De ex-samenwonende legataris moet om het voordeel van de gelijkstelling te genieten bewijzen dat hij met de erflater heeft samengewoond overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het burgerlijk wetboek of, door alle middelen maar met uitzondering van de eed, dat hij met de erflater gedurende minstens één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. »
Art. 46. Artikel 56 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij decreet van 20 december 1996 en gewijzigd bij decreet van 15 juli 1997, 30 juni 2000 en 1 december 2000, wordt vervangen door wat volgt :
« Artikel 56. De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van een verkrijging in de rechte lijn, tussen echtgenoten of tussen samenwonenden worden, indien de netto-verkrijging niet meer bedraagt dan 50.000 EUR, verminderd met 500 EUR vermenigvuldigd met [1 - (netto-verkrijging / 50.000)].
De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van een verkrijging door een broer of zuster worden, indien de netto-verkrijging groter is dan 20.000 EUR en niet meer bedraagt dan 75.000 EUR, verminderd met 2.500 EUR vermenigvuldigd met [1 - (netto-verkrijging / 75.000)]. Indien de netto-verkrijging gelijk is aan of minder is dan 20 000 EUR, worden die rechten verminderd met 2.000 EUR vermenigvuldigd met (netto-verkrijging / 20.000).
De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van de samengenomen verkrijgingen door andere personen dan erfgenamen in de rechte lijn, de echtgenoot, samenwonenden of broers en zusters worden, indien de som van hun netto-verkrijgingen groter is dan 12.500 EUR en niet meer bedraagt dan 75.000 EUR, verminderd met 2.500 EUR vennenigvuldigd met [1 - (som van de netto-verkrijgingen / 75.000)]. Indien de som van hun nettoverkrijgingen gelijk is aan of minder is dan 12.500 EUR, worden die rechten verminderd met 2.000 EUR vermenigvuldigd met (som van de netto-verkrijgingen/12.500). De overeenkomstig dit lid bekomen vermindering wordt omgeslagen over de betrokken erfgenamen in verhouding tot hun aandeel in de samengenomen verkrijgingen.
Is het recht van overgang bij overlijden verschuldigd voor verkrijgingen als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, dan geldt dezelfde rechtenvermindering met dien verstande dat dan rekening gehouden wordt met de bruto-verkrijging.
De door een kind van de overledene verschuldigde rechten worden verminderd met 75 EUR voor elk vol jaar dat nog moet verlopen tot het de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. De door de overlevende echtgenoot of samenwonende verschuldigde rechten worden verminderd met de helft van de verminderingen die de gemeenschappelijke kinderen overeenkomstig dit lid genieten. Deze verminderingen zijn van toepassing ongeacht de netto-verkrijgingen van de rechthebbenden en bovenop de vermindering waarop ze krachtens het eerste of het vierde lid recht hebben.»
Art. 47. Artikel 31 van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001 wordt ingetrokken.
...
HOOFDSTUK XVIII. - Slotbepaling
Art. 74. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2002, met uitzondering van de artikelen 6, 7 en 10, 3° die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2001.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 21 december 2001.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
Voor de Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie,
S. STEVAERT, afwezig,
De Vlaamse minister van Werkgelegenheid en Toerisme,
R. LANDUYT
Voor de Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen,
Mevr. M. VOGELS, afwezig,
De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw,
Mevr. V. DUA
De Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport, Brusselse Aangelegenheden en Ontwikkelingssamenwerking,
B. ANCIAUX
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
Mevr. M. VANDERPOORTEN
De Vlaamse minister van Werkgelegenheid en Toerisme,
R. LANDUYT
De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw,
Mevr. V. DUA
De Vlaamse minister van Financiën en Begroting, innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening,
D.VANMECHELEN
De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid,
P. VAN GREMBERGEN
Voor de Vlaamse minister van Economie, Buitenlandse Handel en Huisvesting,
J. GABRIELS, afwezig,
De Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening,
D. VAN MECHELEN
BIJLAGE 2
(Voorstel van) decreet houdende wijziging van het Wetboek der successierechten en het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, wat de invoering van de euro betreft, (nog niet gepubliceerd op 1 wei 2002)
Tekst aangenomen door de plenaire vergadering, (Parl. St., Vl. Parl., nr. 1054 (2001-2002) - 3)
Artikel 1
Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Artikel 2
In artikel 56 van het Wetboek der successierechten, vervangen bij het decreet van 21 december 2001, worden, wat het Vlaamse Gewest betreft, de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid worden de woorden "20.000 EUR telkens vervangen door de woorden " 18.750 EUR;
2° in het derde lid worden de woorden "2.500 EUR" vervangen door de woorden "2.400 EUR.
Artikel 4
Dit decreet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002.
BIJLAGE 3
Gecoördineerde tekst van de artikelen 50, 56 en 60bis, § 9, van het Wetboek der successierechten - Vlaamse Gewest. zoals hij van toepassing is met ingang van 1 januari 2002.
Art. 50
(decreet van 20 december 1996, artikel 15, vervangen bij decreet van 21 december 2001, artikel 45)
Een verkrijging tussen een stiefouder en een stiefkind wordt gelijkgesteld met een verkrijging in rechte lijn. Dezelfde gelijkstelling geldt voor de verkrijging tussen een kind van een persoon die met de erflater samenwoont en de erflater, evenals voor een verkrijging tussen een persoon die met een ouder van de erflater samenwoont en de erflater. In het laatste geval van gelijkstelling voldoet de legataris aan de vereiste van samenwonen met een ouder van de erflater, indien hij met die ouder op de dag van het overlijden overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het burgerlijk wetboek samenwoonde, of indien bij bewijst, door alle middelen maar met uitzondering van de eed, dat hij met die ouder op het ogenblik van het overlijden reeds sedert één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding voerde.
Een verkrijging tussen uit de echt gescheiden of van tafel en bed gescheiden personen en een verkrijging tussen ex-samenwonenden wordt alleen indien er gemeenschappelijke afstammelingen zijn gelijkgesteld met een verkrijging tussen echtgenoten of tussen samenwonenden. De ex-samenwonende legataris moet om het voordeel van de gelijkstelling te genieten bewijzen dat hij met de erflater heeft samengewoond overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het burgerlijk wetboek, of, door alle middelen maar met uitzondering van de eed, dat hij met de erflater gedurende minstens één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd.
Art. 56
(decreet van 20 december 1996, artikel 18, vervangen bij artikel 3 van het decreet van 15 april 1997 en gewijzigd bij artikel 2 van het decreet van 17 juni 1997, artikel 3 van het decreet van 15 juli 1997, artikel 13 van het decreet van 7 juli 1998, artikel 3 van het decreet van 1 december 2000 en artikel 46 van het decreet van 21 december 2001)
De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van een verkrijging in de rechte lijn, tussen echtgenoten of tussen samenwonenden worden, indien de netto-verkrijging niet meer bedraagt dan 50.000 EUR, verminderd met 500 EUR vermenigvuldigd met [1 - (nettoverkrijging / 50.000)].
De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van een verkrijging door een broer of zuster worden, indien de netto-verkrijging groter is dan 18.750 EUR en niet meer bedraagt dan 75.000 EUR verminderd met 2.500 EUR vermenigvuldigd met [1 - (nettoverkrijging / 75.000)]. Indien de netto-verkrijging gelijk is aan of minder is dan 18.750 EUR, worden die rechten verminderd met 2.000 EUR vermenigvuldigd met (netto-verkrijging / 20.000).
De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van de samengenomen verkrijgingen door andere personen dan erfgenamen in de rechte lijn, de echtgenoot, samenwonenden of broers en zusters worden, indien de som van hun netto-verkrijgingen groter is dan 12.500 EUR en niet meer bedraagt dan 75.000 EUR, verminderd met 2.400 EUR vermenigvuldigd met [1 - (som van de nettoverkrijgingen / 75.000)]. Indien de som van hun nettoverkrijgingen gelijk is aan of minder is dan 12.500 EUR, worden die rechten verminderd met 2.000 EUR vermenigvuldigd met (som van de nettoverkrijgingen / 12.500). De overeenkomstig dit lid bekomen vermindering wordt omgeslagen over de betrokken erfgenamen in verhouding tot hun aandeel in de samengenomen verkrijgingen.
Is het recht van overgang bij overlijden verschuldigd voor verkrijgingen als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, dan geldt dezelfde rechtenvermindering met dien verstande dat dan rekening gehouden wordt met de bruto-verkrijging.
De door een kind van de overledene verschuldigde rechten worden verminderd met 75 EUR voor elk vol jaar dat nog moet verlopen tot het de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. De door de overlevende echtgenoot of samenwonende verschuldigde rechten worden verminderd met de helft van de verminderingen die de gemeenschappelijke kinderen overeenkomstig dit lid genieten. Deze verminderingen zijn van toepassing ongeacht de netto-verkrijgingen van de rechthebbenden en bovenop de vermindering waarop ze krachtens het eerste of het vierde lid recht hebben.
Art. 60bis
(...)
§ 9. Onder nettowaarde wordt verstaan de waarde van de activa of aandelen verminderd met de schulden, behalve die welke specifiek werden aangegaan om andere goederen te verwerven of te behouden.
(...)
Bron: FisconetPlus
