Circulaire AAFisc Nr. 21/2013 dd. 30.05.2013 (Ci.RH.81/627.190 en E.T.124.229)

Circulaire AAFisc Nr. 21/2013 dd. 30.05.2013 (Ci.RH.81/627.190 en E.T.124.229)

Algemene administratie van de FISCALITEIT

Dienst Taxatieprocedure en verplichtingen

Aan alle taxatieagenten.

Inkomstenbelastingen.

Belasting over de toegevoegde waarde.

Commentaar op de bepalingen van de wet van 14.1.2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie (BS 31.1.2013) met o.a. de wijziging van art. 327, § 1, WIB 92 en art. 93quaterdecies, § 1, W.BTW.

Taxatieprocedure

Fiscale fraude

Opsporingsonderzoek

Inzage van stukken uit het gerechtelijk dossier

Afschrift van stukken uit het gerechtelijk dossier

Meldingsplicht voor het openbaar ministerie

I. ALGEMEEN

1. De wet van 14.1.2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie (BS 31.1.2013) voorziet in:

a) bepalingen tot wijziging van het Wetboek diverse rechten en taksen, het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de Algemene wet inzake douane en accijnzen, het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en het Wetboek van de registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de bevoegdheid van het openbare ministerie tot het verlenen van inzage of afschrift te voorzien;

b) de schorsing van de verjaring van de strafvordering telkens de onderzoeksrechter of de kamer van inbeschuldigingstelling beslist dat bijkomende onderzoekshandelingen moeten worden verricht;

c) een wijziging van artikel 2 van de wet van 28.4.1999 tot aanvulling, wat de bestrijding van de fiscale fraude betreft, van het KB nr. 185 van 9.7.1935 op de bankcontrole en het uitgifteregime voor titels en effecten en van de wet van 9.7.1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, althans wat de Nederlandse versie van de tekst betreft.

2. Onderhavige circulaire behandelt de wijzigingen aangehaald in voormeld:

- nummer 1 a), evenwel enkel wat de inkomstenbelastingen en BTW betreft;

- nummer 1 c).

De schorsing van de verjaring van strafvordering wordt niet behandeld.

II. WIJZIGING ART. 327, WIB 92 EN ART. 93QUATERDECIES, W.BTW

3. Artikelen 4 en 5 van voormelde wet wijzigen respectievelijk art. 93quaterdecies, § 1, W.BTW en art. 327, § 1, WIB 92. Meer bepaald wordt het tweede lid van art. 327, § 1, WIB 92 en het derde lid van art. 93quaterdecies, § 1, W.BTW vervangen door:

"Van de akten, stukken, registers en bescheiden of inlichtingen in verband met gerechtelijke procedures mag evenwel geen inzage of afschrift worden verleend zonder uitdrukkelijke toelating van het openbaar ministerie."

4. Vóór de wijziging van art. 93quaterdecies, § 1, W.BTW en van art. 327, § 1, WIB 92 kon de toelating tot inzage van stukken van de gerechtelijke procedure enkel verleend worden door de federale procureur, de procureur-generaal of de auditeur-generaal. Voortaan kan deze toelating worden verleend door het openbaar ministerie belast met het dossier. De vraag tot toelating moet dus rechtstreeks worden gericht aan de procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de federale procureur of de procureur-generaal, naargelang het orgaan van het openbaar ministerie dat het dossier behandelt.

Verder werd aan art. 93quaterdecies, § 1, W.BTW en art. 327, § 1, WIB 92 toegevoegd dat de toelating ook vereist is voor het nemen van een afschrift van voormelde stukken. De vraag tot toelating dient dit dus voortaan ook expliciet te vermelden.

III. WIJZIGING ART. 2 VAN DE WET 28.4.1999

5. Art. 2 van de wet van 28.4.1999 voorziet in een meldingsplicht voor bepaalde ambtenaren van het openbaar ministerie aan de Minister van Financiën in geval van vermoeden van fiscale fraude.

6. In het oorspronkelijke art. 2 in de Nederlandse versie van de wet van 28.4.1999 was er sprake van een meldingsplicht wanneer er bij ambtenaren van het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken "een strafzaak aanhangig is". In de Franse tekst daarentegen heeft men het over een meldingsplicht voor "les officiers du ministère public près les cours et tribunaux qui sont saisis d'une information". De draagwijdte van deze bepaling verschilt dus tussen de Nederlandse en Franstalige versie van de tekst, wat leidde tot onduidelijkheid en rechtsonzekerheid.

7. Art. 8 van de wet van 14.1.2013 maakt een einde aan dit verschil: de woorden "strafzaak aanhangig" worden vervangen door de woorden "opsporingsonderzoek ingesteld".

IV. INWERKINGTREDING

8. De wet bepaalt geen specifieke datum van inwerkingtreding. Bijgevolg zijn bovenvermelde wijzigingen van toepassing vanaf 10.2.2013 (10 dagen na de publicatie in het BS).

Voor de Administrateur-generaal van de Fiscaliteit,

Luc DELEENHEER

Auditeur-generaal van financiën