Circulaire 2022/C/19 betreffende de wijzigingen aangebracht op het vlak van procedure inkomstenbelastingen door de wet van 27.06.2021 houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van de wet van 18.09.2017..
|
Samenvatting Deze circulaire bespreekt de door de wet van 27.06.2021 (BS 30.06.2021) gewijzigde artikels op het vlak van procedure inkomstenbelastingen. |
Commentaar op de artikelen 86 t.e.m. 88, 96, 105, 107 en 109 van de wet van 27.06.2021 houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van de wet van 18.09.2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten (BS 30.06.2021).
FOD Financiën, 14.02.2022
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Taxatieprocedure en Verplichtingen
I. Wettelijke bepalingen – Wet van 27.06.2021 (BS 30.06.2021) (hierna 'W')
II. Gewijzigde artikels op het vlak van procedure inkomstenbelastingen
A. Wijziging
1. Gecoördineerde wettekst
2. Bespreking
3. Inwerkingtreding
B. Wijziging
1. Gecoördineerde wettekst
2. Bespreking
3. Inwerkingtreding
C. Wijziging
1. Gecoördineerde wettekst
2. Bespreking
3. Inwerkingtreding
D. Wijziging
1. Gecoördineerde wettekst
2. Bespreking
3. Inwerkingtreding
E. Wijziging
1. Gecoördineerde wettekst
2. Bespreking
3. Inwerkingtreding
F. Wijziging
1. Gecoördineerde wettekst
2. Bespreking
3. Inwerkingtreding
I. Wettelijke bepalingen – Wet van 27.06.2021 (BS 30.06.2021) (hierna 'W')
Art. 86. In artikel 302, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juni 2013, worden de woorden "de aanslagbiljetten" vervangen door de woorden "de in het eerste lid bedoelde mededelingen" en worden de woorden "kennisgeving van het aanslagbiljet." vervangen door de woorden "kennisgeving van deze mededelingen.".
Art. 87. In artikel 333, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 11 februari 2019, worden de woorden "artikel 354, eerste lid" vervangen door de woorden "artikel 354, eerste en vijfde lid" en de woorden "artikel 354, vijfde lid." vervangen door de woorden "artikel 354, zesde lid.".
Art. 88. In artikel 354 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 februari 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de zin "Wanneer voor de toepassing van de vennootschapsbelasting en van de belasting van niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen 233 en 248 wordt gevestigd, de belastingplichtige anders dan per kalenderjaar boekhoudt, wordt de termijn van drie jaar verlengd met eenzelfde tijdperk als dat welke is verlopen tussen 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd en de datum van afsluiting van het boekjaar in de loop van hetzelfde jaar." opgeheven;
2° een nieuw lid wordt ingevoegd tussen het vierde lid en het vijfde lid, dat het zesde lid wordt, luidende:
"Wanneer de belastingplichtige anders dan per kalenderjaar boekhoudt, wordt voor de toepassing van de vennootschapsbelasting, de belasting van niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen 233 en 248 wordt gevestigd, de roerende voorheffing of de bedrijfsvoorheffing, de in het eerste tot derde lid bedoelde termijn verlengd met eenzelfde tijdperk als dat welke is verlopen tussen 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd en de datum van afsluiting van het boekjaar in de loop van hetzelfde jaar.".
Art. 96, laatste lid. De Koning bepaalt de inwerkingtreding van artikel 86.
Art. 105. In artikel 315bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt tussen het derde en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:
"Onverminderd het recht van de belastingplichtige om mondelinge inlichtingen te vragen of te geven, heeft de voorlegging van boeken en bescheiden bedoeld in artikel 315 eerste lid, voor de natuurlijke personen en rechtspersonen bedoeld in het eerste lid, eveneens betrekking op de terbeschikkingstelling van die boeken en bescheiden via een beveiligd elektronisch platform van de FOD Financiën.".
Art. 107. In artikel 337, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wetten van 6 juli 1994, 15 maart 1999, 25 april 2014, 25 december 2017 en 13 april 2019, worden de woorden "daaronder begrepen de parketten en de griffies van de hoven en van alle rechtsmachten, en van de Gemeenschappen en de Gewesten en" vervangen door de woorden "aan de parketten en de griffies van de hoven en van alle rechtscolleges, aan de administraties van de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten, evenals".
Art. 109. In artikel 444, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juni 2017, worden de woorden "of laattijdig aangegeven" ingevoegd tussen de woorden "de op het niet aangegeven" en de woorden "inkomstengedeelte verschuldigde belastingen, ".
II. Gewijzigde artikels op het vlak van procedure inkomstenbelastingen
A. Wijziging artikel 302, WIB 92 (art. 86, W)
1. Gecoördineerde wettekst
Art. 302. Al de mededelingen betreffende de aangifte en de controle, alsmede de aanslagbiljetten betreffende de inkomstenbelastingen moeten in gesloten omslag aan de belastingschuldigen gezonden worden.
In afwijking van het vorige lid kan de belastingplichtige, mits hij een uitdrukkelijke verklaring in die zin aflegt, er evenwel voor opteren om de in het eerste lid bedoelde mededelingen uitsluitend door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, te ontvangen. In dit geval geldt de aanbieding via dergelijke procedure als rechtsgeldige kennisgeving van deze mededelingen. Wanneer het aanslagbiljet betrekking heeft op een gemeenschappelijke aanslag als bedoeld in artikel 126, § 1, moeten beide belastingplichtigen zich uitdrukkelijk akkoord hebben verklaard.
De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de in het eerste lid bedoelde procedure.
2. Bespreking
De wijziging van art. 302, WIB 92, kadert binnen de modernisering van de FOD Financiën
Op het vlak van inkomstenbelastingen kan momenteel enkel het aanslagbiljet op elektronische wijze aan de belastingplichtige worden aangeboden indien de belastingplichtige uitdrukkelijk heeft gekozen voor dergelijke wijze van mededeling.
In de toekomst (de wijziging van artikel 302, WIB 92, is nog niet in werking getreden op het moment van publicatie van deze circulaire) is het de bedoeling om de administratie toe te laten om naast het aanslagbiljet ook alle mededelingen betreffende de aangifte en controle op elektronische wijze aan te bieden, op voorwaarde dat de belastingplichtige uitdrukkelijk voor dergelijke wijze van mededeling heeft gekozen.
De aanbieding van mededelingen via de procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, zal als rechtsgeldige kennisgeving van deze mededelingen gelden.
3. Inwerkingtreding
De koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van voormelde wijziging van art. 302, WIB 92, teneinde de administratie toe te laten haar werkmethodes aan deze nieuwe mogelijkheid aan te passen (artikel 96, W). Tot op heden is de datum van inwerkingtreding nog niet bepaald.
B. Wijziging artikel 333, tweede lid, WIB 92 (art. 87, W)
1. Gecoördineerde wettekst
Art. 333, tweede lid. Bedoelde onderzoekingen mogen zonder voorafgaande kennisgeving worden verricht gedurende het belastbaar tijdperk evenals in de termijn bedoeld in artikel 354, eerste en vijfde lid en in de termijn bedoeld in artikel 354, zesde lid.
2. Bespreking
Dit is een technische wijziging omdat in artikel 354, WIB 92, een nieuw vijfde lid is ingevoegd en het vijfde lid het zesde lid is geworden (zie punt C).
3. Inwerkingtreding
Voormelde wijziging van art. 333, WIB 92, treedt in werking op de tiende dag na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad, meer bepaald op 10.07.2021.
C. Wijziging artikel 354, WIB 92 (art. 88, W)
1. Gecoördineerde wettekst
Art. 354. Bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van aangifte, of wanneer de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten, gesteld bij de artikelen 307 tot 311, mag de belasting of de aanvullende belasting, in afwijking van artikel 359, worden gevestigd gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waar voor de belasting is verschuldigd.
Deze termijn wordt met vier jaar verlengd in geval van inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.
Wanneer in een land opgenomen in de lijst van staten zonder of met een lage belasting bedoeld in artikel 307, § 1/2, derde lid, met uitzondering van de landen waarmee een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting werd gesloten en op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende staten, gebruik wordt gemaakt van juridische constructies die ertoe strekken de herkomst of het bestaan van het vermogen te verhullen, wordt de in het eerste lid bedoelde termijn met zeven jaar verlengd in geval van een inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek of van ter uitvoering ervan genomen besluiten.
De onroerende voorheffing, de administratieve boete en, voor zover ze niet binnen de in artikel 412 gestelde termijn zijn betaald, de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing mogen eveneens worden gevestigd binnen de termijn bepaald in de drie vorige leden.
Wanneer de belastingplichtige anders dan per kalenderjaar boekhoudt, wordt voor de toepassing van de vennootschapsbelasting, de belasting van niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen 233 en 248 wordt gevestigd, de roerende voorheffing of de bedrijfsvoorheffing, de in het eerste tot derde lid bedoelde termijn verlengd met eenzelfde tijdperk als dat welke is verlopen tussen 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd en de datum van afsluiting van het boekjaar in de loop van hetzelfde jaar.
Wanneer de belastingplichtige, zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, overeenkomstig de artikelen 366 tot 371 een bezwaarschrift heeft ingediend, wordt die termijn verlengd met een tijdperk dat gelijk is aan de tijd die is verlopen tussen de datum van het indienen van het bezwaarschrift en die van de beslissing van de adviseur-generaal of de gedelegeerde ambtenaar, zonder dat die verlenging meer dan zes maanden mag bedragen.
2. Bespreking
Voor bepaalde belastingplichtigen die geen boekhouding per kalenderjaar houden, geldt sedert 31.12.2002 dat de 3-jarige aanslagtermijn (en de daarmee samenhangende mogelijke verlengingen) wordt verlengd met eenzelfde tijdperk als dat welke is verlopen tussen 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd en de datum van afsluiting van het boekjaar in de loop van hetzelfde jaar.
De wijziging van art. 354, WIB 92, beoogt het toepassingsgebied te verduidelijken van voormelde reeds bestaande principe.
Voormelde verlenging van de aanslagtermijn wordt in een nieuw vijfde lid geplaatst waarbij expliciet verwezen wordt naar alle belastingen waarop deze bepaling van toepassing is. Dus naast de vermelding van de vennootschapsbelasting en van de belasting niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen 233 en 248 wordt gevestigd, worden ook de bedrijfsvoorheffing en de roerende voorheffing uitdrukkelijk vermeld.
3. Inwerkingtreding
Voormelde wijziging van art. 354, WIB 92, treedt in werking op de tiende dag na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad, meer bepaald op 10.07.2021.
D. Wijziging artikel 315bis, WIB 92 (art. 105, W)
1. Gecoördineerde wettekst
Art. 315bis. De natuurlijke personen en rechtspersonen die een beroep doen op een informaticasysteem of elk ander elektronisch apparaat om de boeken en bescheiden waarvan de voorlegging is voorgeschreven door artikel 315, geheel of ten dele, te houden, op te stellen, toe te zenden of te bewaren, zijn eveneens verplicht, op verzoek van de administratie, ter plaatse, de dossiers met betrekking tot de analyses, de programma's en het beheer van het gebruikte systeem, alsook de informatiedragers en alle gegevens die zij bevatten, ter inzage voor te leggen.
De op de informatiedragers geplaatste gegevens moeten in een leesbare en verstaanbare vorm ter inzage worden voorgelegd.
Wanneer de administratie hen erom verzoekt, zijn de in het eerste lid bedoelde personen verplicht op hun uitrusting en in bijzijn van de ambtenaren van de administratie, kopies te maken in de door die ambtenaren gewenste vorm van het geheel of een deel van voormelde gegevens, alsook de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om het bedrag van de belastbare inkomsten te bepalen.
Onverminderd het recht van de belastingplichtige om mondelinge inlichtingen te vragen of te geven, heeft de voorlegging van boeken en bescheiden bedoeld in artikel 315 eerste lid, voor de natuurlijke personen en rechtspersonen bedoeld in het eerste lid, eveneens betrekking op de terbeschikkingstelling van die boeken en bescheiden via een beveiligd elektronisch platform van de FOD Financiën.
De bepalingen van artikel 315, derde lid, zijn van toepassing op de bewaring van de dossiers met betrekking tot de analyses, de programma's en het beheer van het gebruikte systeem, alsook op de informatiedragers en alle gegevens die zij bevatten. In afwijking van deze bepalingen verstrijkt de bewaartermijn, ten aanzien van de gegevens met betrekking tot de analyses, de programma's en het beheer van informaticasystemen of elk ander elektronisch apparaat, op het einde van het zevende jaar of boekjaar volgend op het belastbaar tijdperk waarin het in die gegevens omschreven systeem werd gebruikt.
De in dit artikel vermelde verplichtingen gelden eveneens wanneer de gegevens waar de administratie om verzoekt, zich digitaal in België of in het buitenland bevinden.
2. Bespreking
De artikelen 315 en 35bis, WIB 92, voorzien in de verplichting voor eenieder die onderhevig is aan de inkomstenbelastingen om de boeken en bescheiden noodzakelijk voor het bepalen van de belastbare inkomsten voor te leggen.
Deze verplichting tot voorlegging van documenten wordt historisch verwezenlijkt zonder verplaatsing.
Door te bepalen dat de boeken en bescheiden zonder verplaatsing moeten worden voorgelegd, heeft de wetgever de belastingplichtige de last willen besparen deze te moeten overbrengen naar een andere plaats. De verplichting tot voorlegging ter plaatse houdt niettemin in dat de belastingplichtige steeds middelen en mensen moet vrijmaken om een bezoek ter plaatse door de fiscale ambtenaar mogelijk te maken.
Het nieuwe vierde lid van art. 315bis, WIB 92, bepaalt dat voortaan de verplichting tot voorlegging eveneens betrekking heeft op de terbeschikkingstelling van boeken en bescheiden via een beveiligd elektronisch platform van de FOD Financiën.
Dankzij de ontwikkeling van de informatica de laatste jaren kan het ongemak van een controle ter plaatse voor de belastingplichtige in grote mate worden weggenomen door de boeken en bescheiden elektronisch over te maken, wanneer die boeken en bescheiden in een elektronisch formaat worden gehouden. De wil om de belastingplichtige met de invoering van dit lid niet overmatig te belasten, wil ook zeggen dat de administratie van deze mogelijkheid oordeelkundig gebruik zal maken, in het licht van de feitelijke omstandigheden van elk geval.
De verwijzing in artikel 315bis, vierde lid (nieuw), WIB 92, naar de in het eerste lid vermelde natuurlijke personen en rechtspersonen betekent dat het uitsluitend de personen betreft 'die een informaticasysteem of enig ander elektronisch systeem gebruiken om de boeken en bescheiden waarvan de voorlegging is voorgeschreven in uitvoering van artikel 315 geheel of ten dele te houden, op te stellen, toe te zenden of te bewaren'.
In de mate dat bedoelde personen geen beroep doen op een informaticasysteem zijn zij uitgesloten van de toepassing van dit nieuwe lid. Met andere woorden, deze elektronische terbeschikkingstelling heeft enkel betrekking op boeken en bescheiden die digitaal beschikbaar zijn. De boeken en bescheiden die enkel op papier worden gehouden, dienen enkel op papier te worden medegedeeld en vallen dus niet binnen het toepassingsgebied van art. 315bis, vierde lid (nieuw), WIB 92. Derhalve dient, indien de boekhouding slechts deels elektronisch wordt gehouden, deze ook slechts deels elektronisch ter beschikking te worden gesteld.
Het spreekt voor zich dat, wanneer een belastingplichtige daarom is verzocht, de boeken en bescheiden die elektronisch worden gehouden, eveneens door de lasthebber aangeduid door de belastingplichtige ter beschikking kunnen worden gesteld van de administratie op het elektronisch platform in de zin als bedoeld in artikel 315, vierde lid (nieuw), WIB 92.
Bovendien voert het nieuwe vierde lid slechts een bijkomende wijze van overdracht van de gegevens in. Het wijzigt niet de bestaande fiscale onderzoeksbevoegdheden waarover de administratie beschikt en verhindert in geen enkel geval dat door de administratie een controle ter plaatse wordt uitgevoerd vóór of nadat de gegevens ter beschikking zijn gesteld op een elektronisch platform.
Tevens voert de zinsnede 'Onverminderd het recht van de belastingplichtige om mondelinge inlichtingen te vragen of te geven' geen nieuwe of bijkomende rechten in het leven voor de belastingplichtige, maar deze heeft betrekking op de reeds bestaande mogelijkheid voor de belastingplichtige om mondeling in dialoog te treden met de fiscale controleur. De belastingplichtige kan, bijvoorbeeld, uitleg vragen bij zijn dossier of kan vragen stellen wat het verdere verloop van de procedure betreft.
De voorleggingsplicht inzake btw (art. 61, § 1, W.BTW) werd op gelijkaardige wijze aangepast.
3. Inwerkingtreding
Artikel 315, vierde lid (nieuw), WIB 92, treedt in werking op de tiende dag na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad, meer bepaald op 10.07.2021.
E. Wijziging artikel 337, tweede lid, WIB 92 (art. 107, W)
1. Gecoördineerde wettekst
Art. 337, tweede lid. De ambtenaren van de administratie belast met de vestiging, of deze belast met de inning en de invordering, van de inkomstenbelastingen en van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie oefenen hun ambt uit wanneer zij aan andere administratieve diensten van de Staat, aan de parketten en de griffies van de hoven en van alle rechtscolleges, aan de administraties van de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten, evenals aan de in artikel 329 bedoelde openbare instellingen of inrichtingen, inlichtingen verstrekken welke voor die diensten, instellingen of inrichtingen nodig zijn voor de hun opgedragen uitvoering van wettelijke of reglementaire bepalingen.
2. Bespreking
De ambtenaren van de administratie belast met de vestiging, of deze belast met de inning en de invordering, van de inkomstenbelastingen en van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie zijn buiten het uitoefenen van hun ambt, verplicht tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande alle zaken waarvan zij wegens de uitvoering van hun opdracht kennis hebben (artikel 337, WIB 92). Hetzelfde principe geldt met betrekking tot de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde (artikel 93bis, W.BTW).
Wanneer de ambtenaren belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen inlichtingen verstrekken aan de administratieve diensten en openbare instellingen en inrichtingen vermeld in art. 337, 2de lid, WIB 92, onder de voorwaarden vermeld in diezelfde bepaling, oefenen zij hun ambt uit.
De lokale besturen (meer bepaald de administraties van de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten) waren voor de inwerkingtreding van het artikel 107 van de wet van 27.06.2021 niet opgenomen in artikel 337, 2de lid, WIB 92.
Concreet betekende dit dat voormelde bepaling de fiscale ambtenaren of fiscale administratie niet toelieten om fiscale inlichtingen te verstrekken aan deze lokale besturen.
In artikel 337,2de lid, WIB 92, worden nu de administraties van de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en gemeenten toegevoegd aan de administratieve diensten waaraan fiscale inlichtingen kunnen worden verstrekt onder welbepaalde voorwaarden.
Meer bepaald kunnen, overeenkomstig voormelde bepalingen, aan de administraties van de voormelde lokale besturen enkel die inlichtingen verstrekt worden die de betreffende lokale besturen nodig hebben voor de hun opgedragen uitvoering van wettelijke of reglementaire bepalingen.
Het komt aan deze lokale besturen toe daarvan het bewijs te leveren zodat de FOD Financiën kan beoordelen of aan de wettelijke voorwaarden is voldaan en of de gevraagde gegevens kunnen worden verstrekt zonder schending van het fiscaal beroepsgeheim.
Het is tevens belangrijk er op te wijzen dat de personen die deel uitmaken van de diensten waaraan de fiscale administratie inlichtingen van fiscale aard heeft verstrekt, de bekomen inlichtingen niet kunnen gebruiken buiten het kader van de wettelijke bepalingen voor de uitvoering waarvan ze zijn verstrekt, en dit overeenkomstig artikel 337, 5de lid, WIB 92. Op grond van deze bepaling zijn voormelde personen bovendien tot dezelfde geheimhouding verplicht als de fiscale ambtenaren.
Het beroepsgeheim inzake btw (art. 93bis W.BTW) werd op gelijkaardige wijze aangepast.
3. Inwerkingtreding
Voormelde wijziging van artikel 337, tweede lid, WIB 92, treedt in werking op de tiende dag na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad, meer bepaald op 10.07.2021.
F. Wijziging artikel 444, WIB 92 (art. 109, W)
1. Gecoördineerde wettekst
Art. 444, eerste lid. Bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van de aangifte of in geval van onvolledige of onjuiste aangifte, worden de op het niet aangegeven of laattijdig aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen, bepaald voor enige verrekening van de voorheffingen, de belastingkredieten, het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting en de voorafbetalingen, vermeerderd met een belastingverhoging die wordt bepaald naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding, volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld en gaande van 10% tot 200% van de op het niet aangegeven of laattijdig aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen.
2. Bespreking
Op basis van artikel 444, WIB 92, wordt een belastingverhoging toegepast bij een onvolledige of onjuiste aangifte, bij het ontbreken van een aangifte en bij een laattijdig ingediende aangifte.
De belastingverhoging wordt berekend op de belasting verschuldigd op de niet aangegeven inkomsten.
Voor het geval van laattijdig aangegeven inkomsten wordt de berekeningsbasis van de belastingverhoging nu geëxpliciteerd.
Zowel in het geval van niet aangifte als in het geval van laattijdige aangifte zijn de aan te geven inkomsten immers niet opgenomen in een geldige aangifte en zijn deze inkomsten te beschouwen als niet aangegeven inkomsten waarop de belastingverhoging wordt berekend.
3. Inwerkingtreding
Voormelde wijziging van artikel 444, eerste lid, WIB 92, treedt in werking op de tiende dag na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad, meer bepaald op 10.07.2021.
Interne ref.: 731.884
