Circulaire nr. Ci.RH.421/470.196 dd. 01.06.1999

CIRC 01.06.99/1

Circulaire nr. Ci.RH.421/470.196 dd. 01.06.1999


Bull. nr. 794, pag. 1886

VENNOOTSCHAPSBELASTING
Belastbare grondslag in de Ven.B.


Commentaar op het KB 23.09.1992 op de jaarrekening van de kredietinstellingen en het KB 17.11.1994 betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen : fiscale gevolgen van de boekhoudkundige regels m.b.t. arbitrageverrichtingen met vastrentende beleggingseffecten.

Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2 + en 2.

1. Overeenkomstig de quasi gelijkluidende bepalingen van art. 35ter, § 5, KB 23.9.1992 op de jaarrekening van de kredietinstellingen (V 2200 Bull. 722) en art. 27bis, § 4, KB 17.11.1994 betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen (V 2349 - Bull. 746) mogen de kredietinstellingen en de verzekeringsondernemingen "een waarderingsmethode gebruiken waarbij de minder- en meerwaarden uit de verkoop van vastrentende beleggingseffecten in het kader van arbitrageverrichtingen, gespreid in resultaat worden genomen samen met toekomstige opbrengsten uit de arbitrage.

In dit geval worden minder- en meerwaarden in de resultatenrekening tegengeboekt en in afwachting van hun toerekening opgenomen in de rekeningen waarin de gekochte effecten zijn geboekt. De betrokken minder- en meerwaarden worden op basis van het constante reëlej aarlijkse rendement toegerekend aan de renteopbrengsten van vastrentende effecten, over de periode die loopt tot de dichtstbijzijnde vervaldag van de gekochte of verkochte effecten. Bij een latere verkoop van de gekochte effecten moet het resterende bedrag in de daarop betrekking hebbende correctierekening integraal worden verwerkt in het resultaat van het boekjaar waarin die verkoop heeft plaatsgehad, tenzij de verkoop geschiedt in het kader van een nieuwe arbitrage. In dit geval mag dat resterende bedrag overeenkomstig deze paragraaf gespreid in resultaat worden genomen, samen met de inkomsten uit de nieuwe arbitrageverrichting, voor zover hierdoor de oorspronkelijke periode van verwerking in de resultatenrekening niet wordt verlengd.

2. In nr 14, circ. 13.10.1995, zelfde referte (Bull. 755) werd reeds vermeld dat op het fiscale vlak deze regels indruisen tegen het eenjarigheidsbeginsel dat inhoudt dat minderwaarden slechts in aftrek van de winst mogen komen van het belastbare tijdperk waarin ze zijn geleden.

Een dergelijk standpunt zou erop neerkomen dat de naar aanleiding van een arbitrageverrichting geleden minderwaarde slechts als beroepskost zou kunnen worden aanvaard voor het gedeelte ervan dat in naleving van de boekhoudkundige bepalingen in resultaat wordt genomen in het boekjaar waarin de voormelde minderwaarde wordt geleden.

3. De Administratie kan er evenwel mee instemmen dat voor de vaststelling van de belastbare grondslag voor het boekjaar waarin de minderwaarde wordt geleden rekening wordt gehouden met een negatieve reserve ten belope van het verschil tussen de geleden minderwaarde en het tijdens dat boekjaar in resultaat genomen gedeelte ervan. Tijdens de volgende belastbare tijdperken zal de belastbare grondslag worden verhoogd door een opneming van deze negatieve reserve in dezelfde verhouding en voor een bedrag gelijk aan het gedeelte van de minderwaarde dat overeenkomstig de boekhoudwetgeving naar de resultatenrekening moet worden overgeboekt.

NAMENS DE MINISTER :


Voor de Directeur-generaal
De Directeur,


G. DELSOIR