Circulaire nr. Ci.RH.241/466.405 van 12.10.1995

CIRC 12.10.95/1
Bull. nr. 755, pag. 3079
INTEREST
Gewone interestaftrek.

TERMIJN VAN ERFPACHT
Aftrek van termijnen van erfpacht.

TERMIJN VAN OPSTAL
Aftrek van termijnen van opstal.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2.
INHOUDSTABEL Nr I. WETTEKSTEN....................................................1 II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE..........................................2 III. VOLGORDE VAN AANREKENING......................................3 IV. AFTREKBEPERKING...............................................6 V. WEERSLAG VAN ART. 4, W 6.7.1994...............................7 VI. VOORBEELDEN...................................................8 VII. INWERKINGTREDING.............................................11
Deze circulaire verstrekt commentaar op de art. 4 en 16, 4°, W 6.7.1994 houdende fiscale bepalingen.
I. WETTEKSTEN
Art.
4, W 6.7.1994
1. Artikel 14 van hetzelfde Wetboek (WIB 92), wordt vervangen door de volgende bepalingen:
Artikel 14. Van de inkomsten van onroerende goederen worden afgetrokken mits zij in het belastbare tijdperk zijn betaald of gedragen:
de interest uit hoofde van schulden die specifiek zijn aangegaan om die goederen te verkrijgen of te behouden, met dien verstande dat interest betreffende een schuld die voor één enkel onroerend goed is aangegaan, van het totale bedrag van de onroerende inkomsten kan worden afgetrokken;
de termijnen en de waarde van ermee gelijkgestelde lasten met betrekking tot de aanschaffing van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten, met uitsluiting van de in artikel 10, § 2, vermelde rechten van gebruik.
Onverminderd de toepassing van artikel 104, 9°, is het totale bedrag van de in het eerste lid vermelde aftrekken beperkt tot het overeenkomstig de artikelen 7 tot 13 bepaalde onroerende inkomen.
Deze aftrekken worden bij voorrang en evenredig afgetrokken van de andere inkomsten van onroerende goederen dan het voor woningaftrek in aanmerking komende kadastraal inkomen.
Art.
16, 4°, W 6.7.1994
In artikel 104 van hetzelfde Wetboek (WIB 92), gewijzigd bij artikel 81 van de wet van 28 december 1992 en bij artikel 18 van de wet van 18 juni 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
.....
.....
.....
het eerste lid, 11° en het tweede lid worden opgeheven.
Art.
91, W 6.7.1994
...
(9e lid)
De artikelen .... 4, 16, 4°, ... zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 1995.
II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE
2. Art. 4, W 6.7.1994 houdende fiscale bepalingen (BS 16.7.1994 - V 2323 - Bull. 742), bepaalt, in de geest van de Hervormingswet 1988, dat de aftrek van de termijnen en de waarde van ermee gelijkgestelde lasten met betrekking tot de aanschaffing van een recht van erfpacht of van opstal of van gelijkaardige onroerende rechten (met uitsluiting van de in artikel 10, § 2, WIB 92, vermelde rechten van gebruik) (Hierna eenvoudigheidshalve "termijnen" genoemd.), voortaan alleen op de inkomsten van onroerende goederen en niet meer op het totale netto- inkomen (oud art. 104, 1ste lid, 11°, WIB) wordt verricht.
Voormeld art. 4 stelt dus een einde aan een onlogische toestand en stemt het stelsel van de aftrek van de voormelde termijnen af op dat van de interesten van schulden die specifiek zijn aangegaan om onroerende goederen te verkrijgen of te behouden.
III. VOLGORDE VAN AANREKENING
3. Art. 14, 3de lid, WIB 92, bepaalt dat de aftrekbare bedragen bij voorrang en evenredig worden afgetrokken van de andere inkomsten van onroerende goederen dan het kadastraal inkomen dat voor woningaftrek in aanmerking komt. Die bepaling bevestigt dus de administratieve praktijk m.b.t. interestaftrek (cf. Circ. 20.9.1989, Ci.D.19/402.192 - 9e aflevering - II/20 en II/21).
De aanrekening gebeurt overeenkomstig de volgende regels:
a)
de termijnen en interesten worden samengeteld;
b)
het totaalbedrag wordt eerst afgetrokken van de andere inkomsten van onroerende goederen dan het voor woningaftrek in aanmerking komende KI;
c)
het eventueel saldo wordt vervolgens van het voor woningaftrek in aanmerking komende KI afgetrokken.
Bovendien gelden ter zake nog de volgende regels.
4.
Evenredige omdeling
Wanneer het totaalbedrag van de termijnen en interesten lager is dan het totaal van de sub 3, b, bedoelde inkomsten wordt dit bedrag evenredig afgetrokken (In andere gevallen is de evenredige omdeling overbodig (zie voorbeeld 1 sub 8).) van de inkomsten die betrekking hebben op:
  • andere in België gelegen onroerende goederen dan de voor woningaftrek in aanmerking komende woning;
  • in het buitenland gelegen onroerende goederen die tegen het verlaagd tarief worden belast (art. 156, WIB 92);
  • in het buitenland gelegen onroerende goederen die ingevolge internationale overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting zijn vrijgesteld en alleen in aanmerking komen om de aanslagvoet op de overige inkomsten te bepalen (art. 155, WIB).
5.
Toepassing van de bijkomende interestaftrek
Wanneer het totaalbedrag van de termijnen en interesten hoger is dan het totaal van de inkomsten van onroerende goederen (totaal sub 3, b en c) en voldaan is aan de voorwaarden voor de bijkomende interestaftrek, wordt het bedrag dat rechtstreeks van de inkomsten van de onroerende goederen wordt afgetrokken geacht achtereenvolgens voort te komen van:
de termijnen en de interesten die enkel voor de gewone interestaftrek van art. 14, WIB 92 in aanmerking komen;
de interesten die ook voor de bijkomende interestaftrek van art. 104, 9°, en 115 en 116, WIB 92 in aanmerking komen.
Die volgorde laat een maximale bijkomende interestaftrek toe.
IV. AFTREKBEPERKING
6. Het totaalbedrag van de voornoemde aftrekbare bedragen is beperkt tot de netto-inkomens van de onroerende goederen van het belastbare tijdperk waarin ze zijn betaald of gedragen, onverminderd de toepassing van art. 104, 9°, WIB 92 (bijkomende interestaftrek voor nieuwbouw en voor vernieuwbouw).
Het gedeelte van die aftrekbare uitgaven dat het totaal van de netto- inkomens van onroerende goederen overtreft, mag niet worden overgedragen om te worden afgetrokken van gelijkaardige inkomsten van een ander belastbaar tijdperk.
V. WEERSLAG VAN ART. 4, W 6.7.1994
7. De wijzigingen die voormeld art. 4 aan de wettelijke bepalingen van art. 14, WIB 92, heeft aangebracht, hebben de opheffing van art. 104, 1ste lid, 11°, en 2de lid, WIB 92, tot gevolg.
VI. VOORBEELDEN
Voorbeeld 1
8. Een gehuwde belastingplichtige, zonder kinderen ten laste, is eigenaar van de volgende onroerende goederen:
a)
een in België gelegen onroerend goed, gebruikt als eigen woning, met een geïndexeerd KI van 150.000 F;
b)
een in Frankrijk gelegen onroerend goed waarvan de huurwaarde 180.000 F bedraagt (Vrijgesteld bij verdrag.);
c)
een in België gelegen onroerend goed in erfpacht genomen voor een periode van 27 jaar, tegen betaling van jaarlijkse termijnen van 10.000 F en met een geïndexeerd KI van 48.000 F en dat aan een natuurlijke persoon wordt verhuurd die het voor privé-doeleinden gebruikt.
De belastingplichtige heeft in de loop van het belastbaar tijdperk 250.000 F interesten betaald.
Bepaling van de belastbare basis
Gegevens:
  • Onroerend goed verhuurd aan een natuurlijk persoon: Geïndexeerd KI: 48.000 x 125 % (Toepassing art. 7, § 1, 2°, a, tweede gedachtenstreep, WIB 92) = 60.000 F
  • In Frankrijk gelegen onroerend goed: 180.000 F
  • Eigen woning: 150.000 F
  • Erfpacht termijnen: 10.000 F
  • Interesten: 250.000 F
Inkomsten van onroerende goederen
- Andere onroerende goederen dan de voor woningaftrek in aanmerking komende woning 240.000 F - Eigen woning 150.000 F --------------------------------------------------------------------- - Totalen = 240.000 F 150.000 F - Totaalbedrag van de termijnen en interesten (10.000 F + 250.000 F = 260.000 F) - 240.000 F - 20.000 F ------------- ------------ - Blijft = 0 F 130.000 F - Woningaftrek 136.800 ( Bedrag van 120.000 F en 10.000 F, geïndexeerd voor aj. 1995.) + 11.400 (Bedrag van 120.000 F en 10.000 F, geïndexeerd voor aj. 1995.) = 148.200 beperkt tot 130.000 F - 130.000 F ------------ - Belastbaar = 0 F ---
Het totaalbedrag van de termijnen en interesten wordt eerst van de inkomsten van de andere onroerende goederen dan de voor woningaftrek in aanmerking komende woning afgetrokken. Aangezien het totaalbedrag van de termijnen en interesten hoger is dan het totaalbedrag van de inkomsten van die andere onroerende goederen, is de evenredige omdeling overbodig (zie voetnoot bij nr 4).
Voorbeeld 2
9. Zelfde gegevens als voorbeeld 1, maar de interesten bedragen slechts 190.000 F.
Inkomsten van onroerende goederen
- Andere in België gelegen onroerende goederen dan de eigen woning: 60.000 F - In het buitenland gelegen onroerende goederen, vrijgesteld bij verdrag 180.000 F - Eigen woning 150.000 F ------------------------------------------------------------------------ - Totalen = 60.000 F 180.000 F 150.000 F - Totaalbedrag van de termijnen en interesten (10.000 F + 190.000 F = 200.000 F) 60.000 F 200.000 F x --------- - 50.000 F 240.000 F 180.000 F 200.000 F x --------- - 150.000 F 240.000 F ------------------------------------------------------------------------- - Blijft = 10.000 F 30.000 F 150.000 F - Woningaftrek (zie vb. 1) - 148.200 F ----------- - Belastbaar 10.000 F 30.000 F 1.800 F -------- -------- -------
Het totaalbedrag van de termijnen en interesten is lager dan de andere inkomsten van onroerende goederen dan het voor woningaftrek in aanmerking komende KI. Bijgevolg moet het totaalbedrag hier evenredig worden afgetrokken van de andere inkomsten van in België gelegen onroerende goederen en van de inkomsten van in het buitenland gelegen onroerende goederen die bij verdrag zijn vrijgesteld.
Voorbeeld 3
10. Een belastingplichtige die niet gehuwd is en geen kinderen ten laste heeft is eigenaar van de volgende onroerende goederen:
a)
een in België gelegen onroerend goed, gebruikt als eigen woning met een geïndexeerd KI van 120.000 F;
b)
een in België gelegen handelsgebouw in erfpacht genomen voor een periode van 27 jaar tegen betaling van jaarlijkse termijnen van 150.000 F, niet verhuurd en met een geïndexeerd KI van 48.000 F.
De belastingplichtige heeft in de loop van het belastbaar tijdperk 100.000 F interesten betaald. Die interesten zijn als volgt samengesteld:
  • 5.000 F interesten i.v.m. een niet-hypothecaire lening die voor de gewone interestaftrek in aanmerking komen;
  • 95.000 F interesten die voor de bijkomende interestaftrek in aanmerking komen.
Bepaling van de belastbare basis
Gegevens: - Niet verhuurd handelsgebouw: geïndexeerd KI: 48.000 x 125 % (Toepassing van art.7, § 1, 1°, a, 2de gedachtenstreep, WIB 92 (niet verhuurd gebouw).) 60.000 F - Eigen woning 120.000 F - Erfpacht termijnen 150.000 F - Interesten: enkel voor gewone aftrek 5.000 F ook voor bijkomende aftrek 95.000 F
Inkomsten van onroerende goederen
- Andere onroerende goederen dan de voor woningaftrek in aanmerking komende woning 60.000 F - Eigen woning 120.000 F ------------------------------------------------------------------------ - Totalen = 60.000 F 120.000 F - Totaalbedrag van de termijnen en interesten (150.000 F + 5.000 F + 95.000 F= 250.000 F beperkt tot 180.000 F) - 60.000 F - 120.000 F ------------ ------------- - Belastbaar = 0 F 0 F --- ---
Interesten die voor de bijkomende interestaftrek in aanmerking komen
a)
Het bedrag van 180.000 F dat rechtstreeks van de inkomsten van de onroerende goederen is afgetrokken bestaat uit:
150.000 F erfpachttermijnen
5.000 F interesten die alleen voor de gewone aftrek in aanmerking komen
25.000 F interesten die in principe ook voor de bijkomende aftrek in aanmerking komen.
b)
Interesten die beschikbaar blijven voor de bijkomende interestaftrek
95.000 F (totaal) - 25.000 F (reeds afgetrokken voor de gewone aftrek) ---------- = 70.000 F --------
VII. INWERKINGTREDING
Overeenkomstig art. 91, 9de lid, W 6.7.1994 houdende fiscale bepalingen, treden de nieuwe bepalingen (art.4 en 16, 4°, van dezelfde wet) in werking met ingang van het aj. 1995.
Voor de Directeur-generaal:
De Auditeur-generaal,
V. KINDT.