Addendum dd 26.10.2009 aan de Circulaire nr. Ci.RH.421/566.524 (AOIF nr. 42/2004-AFZ nr. 18/2004) dd 23.12.2004

Addendum dd 26

Addendum dd 26.10.2009 aan de Circulaire nr. Ci.RH.421/566.524 (AOIF nr. 42/2004-AFZ nr. 18/2004) dd 23.12.2004

Vennootschapsbelasting

Belastbare grondslag in de Ven.B

Vrijgestelde wins.

Erkend Belgisch audiovisueel werk

Investering in de audiovisuele nijverheid

Tax shelter

Aan alle diensten van de sector taxatie.

I. INLEIDING

1. Deze circulaire past de volgende punten van de circulaire
AOIF 42/2004 - AFZ 18/2004 van 23.12.2004 met betrekking tot de "Tax Shelter" aan als volgt :

- de mogelijkheid voor dezelfde belastingplichtige, om onder bepaalde voorwaarden en binnen bepaalde grenzen, meerdere raamovereenkomsten af te sluiten voor de financiering van eenzelfde audiovisueel werk gespreid over twee opeenvolgende belastbare tijdperken of tijdens hetzelfde belastbare tijdperk;

- de mogelijkheid dat fictiefilms die worden uitgezonden in afleveringen met een duurtijd van minder dan 52 minuten het regime van de "Tax Shelter" kunnen genieten;

- de mogelijkheid om een "verkoopoptie" toe te kennen met betrekking tot de rechten die zijn verbonden aan de productie en de exploitatie van een erkend audiovisueel werk (equity) die de vennootschap investeerder heeft verworven.

II . Het afsluiten van meerdere raamovereenkomsten door dezelfde investeerder voor eenzelfde audiovisueel werk

2. Zoals werd verduidelijkt door de Minister van Financiën in zijn antwoord op de vraag om uitleg van 22.6.2006 (Vraag nr. 3-1733 gesteld door de heer Senator Collas van 22.6.2006, Hand., Senaat, 2005-2006, nr. 3-172, ­ blz. 46-49), sluit artikel 194ter, WIB 92, de mogelijkheid van het gelijktijdig of opeenvolgend afsluiten van meerdere raamovereenkomsten door dezelfde investeerder voor eenzelfde film niet uitdrukkelijk uit.

3. Gelet op inzonderheid hetgeen voorafgaat, worden het vijfde en zesde lid van punt 19 van de circulaire AOIF 42/2004 - AFZ 18/2004 vervangen als
volgt :

"Het bestaan van meerdere raamovereenkomsten voor eenzelfde werk betekent dat het geheel van de financiële middelen die nodig zijn voor de realisatie van het werk (met inbegrip van de leningen) op een bepaald moment ter beschikking moeten zijn van de productievennootschap en dat in principe die middelen door de productievennootschap volledig moeten worden aangewend voor de rechtstreekse financiering van het werk. Bijgevolg mogen de financiële middelen die worden verkregen in uitvoering van een of meerdere aanvullende raamovereenkomsten niet dienen om de leningen die werden verkregen in uitvoering van voorheen afgesloten raamovereenkomsten terug te betalen.

Mits naleving van de in artikel 194ter, WIB 92, gestelde grenzen en voorwaarden, kan een investeerder tijdens hetzelfde belastbare tijdperk of tijdens twee opeenvolgende belastbare tijdperken meerdere opeenvolgende raamovereenkomsten afsluiten voor de financiering van eenzelfde audiovisueel werk.

In geval van ondertekening van opeenvolgende raamovereenkomsten door dezelfde investeerder voor eenzelfde film is de toepassing van artikel 194ter,
WIB 92, onderworpen aan de inlassing in de raamovereenkomst van de verbintenis van de producer om niet over te gaan tot enige terugbetaling van de geleende bedragen in uitvoering van een voorheen met betrekking tot dat werk afgesloten raamovereenkomst, zolang de bedragen die zijn gestort in het kader van een latere raamovereenkomst door de producer niet werden ontvangen en gebruikt voor de film. Het niet naleven van die verbintenis heeft tot gevolg dat de raamovereenkomst niet in aanmerking zal kunnen worden genomen voor de toepassing van artikel 194ter, WIB 92 (zie artikel 194ter, § 4, eerste lid, 4° in fine, WIB 92).

Voor de berekening van de termijnen die aanvangen op de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst moet slechts rekening worden gehouden met één enkele raamovereenkomst, namelijk de eerste voor de termijnen zoals bedoeld in artikel 194ter, § 1, 3°, en § 4, eerste lid, 7° en 7°bis, WIB 92, en de laatste voor de termijn van onoverdraagbaarheid van § 4, eerste lid, 3° van hetzelfde artikel.

Omwille van controleredenen wordt het aantal raamovereenkomsten dat dezelfde belastingplichtige voor eenzelfde audiovisueel werk kan afsluiten beperkt tot 2."

III . Fictiefilms die in 52 minuten of minder worden uitgezonden

4. Die wijziging vloeit eveneens voort uit het antwoord dat door de Minister van Financiën werd verstrekt op de hiervoor vermelde vraag om uitleg.

5. Als gevolg van het door de Minister van Financiën verstrekte antwoord, wordt een punt 26bis ingelast in de circulaire AOIF 42/2004 - AFZ 18/2004 dat luidt als volgt :

"Zoals werd verduidelijkt door de Minister van Financiën in zijn antwoord op de vraag om uitleg van 22.6.2006 (Vraag nr. 3-1733 gesteld door de heer Senator Collas van 22.6.2006, Hand., Senaat, 2005-2006, nr. 3-172, blz. 46-49), verschilt de kwalificatie "lange fictiefilm voor televisie" van het begrip "duur van de uitzending van een televisieserie", voor zover dat laatste in de eerste plaats afhangt van de keuze van de uitzender en niet van de aard van het werk.

Aangezien artikel 194ter, WIB 92, geen limiet bepaalt op dat vlak en er een overeenstemming moet zijn met de gangbare duur van de televisieprogramma's - huidige duurtijd van 52 minuten met een evolutie naar een kortere duurtijd van
22 minuten - worden de fictiefilms die worden uitgezonden in afleveringen van 52 minuten en minder beschouwd als audiovisuele werken in het kader van de toepassing van artikel 194ter, WIB 92, voor zover de fictiefilm in zijn geheel (uitgezonden in één of meer keren) een duurtijd heeft van meer dan 52 minuten. Met andere woorden alle afleveringen van dezelfde reeks (die elk afzonderlijk een duurtijd van 52 minuten of minder mogen hebben) moeten deel uitmaken van dezelfde productie en in hun geheel eenzelfde plot ontwikkelingen met een duurtijd van meer dan 52 minuten om in aanmerking te komen voor de toepassing van artikel 194ter, WIB 92."

IV . Toekenning van een verkoopoptie

6. Die wijziging is het gevolg van verschillende beslissingen van de Dienst Voorafgaande Beslissingen die de toekenning van een verkoopoptie aan de vennootschap investeerder binnen het regime van de "Tax Shelter" hebben toegelaten.

7. Bijgevolg wordt een punt 56bis in de circulaire AOIF 42/2004 -AFZ 18/2004 ingelast dat luidt als volgt:

"De wet verbiedt niet dat een optie wordt voorzien die de investeerder toelaat om zijn rechten aan een derde of aan de productievennootschap over te dragen tegen betaling van een overeengekomen uitoefenprijs.

Het is dus toegestaan dat de raamovereenkomst voorziet dat een put optie wordt toegekend aan de investeerder.

Die optie biedt de investeerder, met name de houder van de optie, de mogelijkheid om, indien hij dat wenst, zijn aandeel in de rechten op de netto-opbrengsten van de exploitatie van het werk aan de emittent van de optie over te dragen die gehouden is door een aankoopverbintenis die voorziet in een vooraf bepaalde uitoefenprijs.

Een dergelijke optie kan zuiver defensief van aard zijn, dat wil zeggen dat de optie wordt gewaardeerd voor een bedrag dat de investeerder toelaat om zijn risico op verlies na de terugbetaling van de lening en de verkrijging van het fiscaal voordeel te dekken. De optie kan eveneens zo worden gewaardeerd dat de investeerder een minimumrendement verkrijgt dat lager is dan het minimumrendement van een risicoloze belegging.

De uitoefenprijs van de optie mag in geen geval het algemeen risico ten name van de investeerders volledig doen verdwijnen en kan inzonderheid afhankelijk zijn van de termijn van de terbeschikkingstelling van de fondsen (in de vorm van
equity) door de investeerders.

Indien op de datum waarop de optie wordt uitgeoefend de investeerder reeds inkomsten uit equity heeft geïnd of verkregen, moet de optieprijs worden verminderd met het bedrag van die inkomsten."

De Minister,

D. REYNDERS