Circulaire nr. AKRED 1/2004 (AFZ 6/2004) d.d. 24.02.2004



Wijziging WZGT
Verzekeringen
Wegvervoer
Zee- en binnenvaart
Art. 1752 en 1762 WZGT


In het Belgisch Staatsblad van 14 mei 2003 (Ed. 2) (en erratum Belgisch Staatsblad van 22 mei 2003) werd de wet van 22 april 2003 tot wijziging van de artikelen 175 2 en 176 2 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen betreffende het wegvervoer en de zee- en binnenvaartverzekeringen bekendgemaakt.

Deze wet is de concretisering van het protocolakkoord dat op 14 september 2000 werd afgesloten met de vakorganisaties en vakbondsorganisaties uit deze sector in de Ronde Tafel van het Wegvervoer. Het akkoord bevat vier maatregelen inzake de jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten:

1° verlaagd tarief van 1,40 % op de verzekeringspremies met betrekking tot de vervoerde goederen, ongeacht waar (binnenlands of internationaal) en op welke wijze (ter zee, binnenvaart, te land of te lucht) er vervoerd wordt (voorheen was voor binnenlands vervoer ter zee, te land of te lucht het tarief 9,25%);

2° verlaagd tarief van 1,40 % op de premies van verzekeringen die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid en de materiële schade dekken van autovoertuigen die aangewend worden voor een taxidienst of voor verhuring met bestuurder, autobussen en autocars met hun aanhangwagens en motorvoertuigen met een maximaal toegelaten massa van meer dan 3,5 ton en minder dan 12 ton die uitsluitend bestemd zijn voor het wegvervoer;

3° volledige vrijstelling van de taks voor de verzekeringen inzake zeevaart en binnenvaart die geen betrekking hebben op de goederen (voorheen was het tarief 9,25 %);

4° volledige vrijstelling van de taks voor de voertuigen en samenstellen van voertuigen met een maximaal toegelaten massa van ten minste 12 ton die uitsluitend bestemd zijn voor het wegvervoer (voorheen was het tarief 1,40 %);

De wet is van toepassing op de premies die vanaf 1 januari 2000 vervallen (artikel 5). In artikel 4 wordt dan ook in een teruggavenregeling voorzien voor de taks die werd betaald op de premies die vervallen in de periode van 1 januari 2000 tot de dag van de inwerkingtreding van deze wet.

Voor de inwerkingtreding van deze wet werd er geen specifieke bepaling opgenomen. Bijgevolg treedt ze in werking op de tiende dag nadat zij in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt (14 mei 2003), namelijk op 24 mei 2003.

Deze circulaire bevat een eerste commentaar op de nieuwe bepalingen.

In bijlage 1 wordt de wet opgenomen en in bijlage 2 vindt U de gecoördineerde tekst van de gewijzigde artikelen.

* *
*
COMMENTAAR.
1/ Voorafgaande opmerking: plaats van het risico en Belgische belastingheffing inzake transportverzekeringen.
Alvorens de nieuwe bepalingen te bespreken past het de Belgische bevoegdheid inzake indirecte belastingen op verzekeringsovereenkomsten - welke gefundeerd is op een aantal Europese richtlijnen - in herinnering te brengen. [Zie aanschrijving nr. 22 van 7 september 1990 van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen.]

Artikel 46, § 2, van de derde richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn) bepaalt dat, onverminderd een latere harmonisatie, elke verzekeringsovereenkomst uitsluitend onderworpen aan de indirecte belastingen en parafiscale heffingen op verzekeringspremies die bestaan in de lidstaat waar het risico is gelegen in de zin van artikel 2, onder d) van richtlijn 88/357/EEG.

Deze richtlijn bepaalt ook dat de roerende zaken die zich in een op het grondgebied van een Lidstaat gelegen onroerende zaak bevinden, met uitzondering van commerciële transitogoederen [Het koninklijk besluit van 7 mei 2002 betreffende het vervoer van zaken over de weg omschrijft in artikel 1, 2°, "transitovervoer" als "een in artikel 3 van de wet van 3 mei 1999 betreffende het vervoer van zaken over de weg bedoelde werkzaamheid verricht door eenzelfde onderneming en dor middel van eenzelfde motorvoertuig of eenzelfde sleep, waarbij het Belgisch grondgebied wordt doorkruist, zonder te laden of te lossen op dit grondgebied".], een in die lidstaat gelegen risico vormen, ook al worden de onroerende zaak en de inhoud daarvan niet door dezelfde verzekeringspolis gedekt.

Artikel 2, d) van de tweede richtlijn 88/357/EEG van de Raad van 22 juni 1988 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, tot vaststelling van bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten en houdende wijziging van richtlijn 73/239/EEG (tweede richtlijn), legt voor de bepaling van de plaats van het risico vier criteria vast.

Deze criteria werden in artikel 176^2, tweede lid, van het WZGT bij artikel 11 van de wet van 20 juli 1990 houdende economische en fiscale bepalingen [Bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 augustus 1990.] als volgt ingevoegd:

" Voor de toepassing van het eerste lid, 11°, wordt als plaats van het risico aangemerkt:
a) de Staat van registratie, wanneer de verzekering betrekking heeft op voer- en vaartuigen van om het even welke aard;
b) de Staat waar de goederen zich bevinden, wanneer de verzekering betrekking heeft:
- hetzij op onroerend goed;
- hetzij op onroerend goed en op de inhoud daarvan, voor zover deze door dezelfde verzekeringspolis wordt gedekt;
- hetzij op roerende goederen die zich bevinden in een onroerend goed, met uitzondering van commerciële transitogoederen, ook al worden het onroerend goed en de inhoud daarvan niet door dezelfde verzekeringspolis gedekt;
c) de Staat waar de verzekeringnemer de overeenkomst heeft gesloten, indien het overeenkomsten betreft met een looptijd van vier maanden of minder die betrekking hebben op tijdens een reis of vakantie gelopen risico's, ongeacht de branche;
d) de Staat waar de verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats heeft, of, indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is, de Staat waar zich de vestiging van deze rechtspersoon bevindt waarop de overeenkomst betrekking heeft, in alle andere gevallen.".

Indien overeenkomstig deze criteria de plaats van het risico in België gelokaliseerd wordt, is de Belgische verzekeringstaks verschuldigd. Opgemerkt moet worden dat indien roerende goederen - waaronder de vervoerde goederen begrepen worden - worden verzekerd door een verzekeringnemer die zijn gewone verblijfplaats in België heeft of, indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is, de overeenkomst betrekking heeft op de vestiging van deze rechtspersoon in België, de plaats van het risico zich in België bevindt overeenkomstig artikel 176 2, tweede lid, d), WZGT. De jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten is dan ook in België verschuldigd.

* *

*

2/ Bespreking van de nieuwe maatregelen.
2.1/ Verlaagd tarief: verzekeringen betreffende de vervoerde goederen (art. 175^2, eerste lid, 1°, WZGT).
Artikel 175 2, eerste lid, 1°, WZGT onderwerpt bepaalde verzekeringen in verband met het vervoer van goederen aan het verlaagd tarief van 1,40 %.

2.1.1. Nationaal en internationaal vervoer worden gelijkgesteld.
Voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet werden de verzekeringen inzake zeevaart en de verzekeringen tegen de risico's van vervoer te land of te lucht, wanneer zij betrekking hebben op goederen, belast aan het tarief van 1,40 % taks op de premies, indien zij betrekking hadden op goederen in internationaal vervoer (artikel 175 2, eerste lid, 1°, WZGT) [Voor wat betreft de binnenvaart werden sedert de wet van 5 juli 1998 de verzekeringen die betrekking hebben op de ingeladen goederen zowel in nationaal als in internationaal vervoer onderworpen aan het tarief van 1,40 %.]. Dergelijke verzekeringen in verband met binnenlands vervoer van goederen werden belast aan het tarief van 9,25 %.

Artikel 2 van deze wet wijzigt artikel 175 2, eerste lid, 1°, WZGT teneinde de verzekeringen inzake zeevaart en de verzekeringen tegen de risico's van vervoer te land of te lucht, wanneer zij betrekking hebben op goederen, zowel in nationaal als internationaal vervoer te onderwerpen aan het tarief van 1,40 % [Het ten 1° en het ten 2° van artikel 175 2, eerste lid, WZGT werden samengevoegd.].

2.1.2. Welke verzekeringen?
De Memorie van toelichting bij artikel 2 van de wet [Gedr. St. Kamer, Doc 50 2299/001, 2002-2003, p. 5.] is duidelijk: het betreft de verzekeringen die door de toenmalige vice-eerste- minister werden gepreciseerd in het verslag van de Kamercommissie voor het Bedrijfsleven van 23 februari 1994 bij het wetsontwerp (de latere wet van 16 maart 1994) houdende wijziging van sommige bepalingen van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst. De verzekering voor goederenvervoer dekt het volgende:

  • het vervoer, maar ook de tijdelijke opslag van de goederen vóór, tijdens en na het transport, wanneer de dekking voor deze opslag is vervat in dezelfde verzekeringsovereenkomst als die voor het transport zelf;
  • de contractuele aansprakelijkheid van de vervoerder voor de getransporteerde goederen, en
  • de bagage- en verhuisverzekeringen.
De term "verzekering voor goederenvervoer" duidt dus niet enkel op de goederenverzekering (ook cargo- of faculteitenverzekering genoemd) maar ook op de verzekering die de contractuele aansprakelijkheid van de vervoerder ten overstaan van de ladingbelanghebbende dekt voor schade die aan de goederen werd veroorzaakt (zoals bijvoorbeeld de C.M.R.-polis in het kader van het internationaal wegvervoer).

Onder de toepassing van het verlaagd tarief worden bijgevolg niet onderworpen:

  • verzekeringen die betrekking hebben op personenvervoer;
  • verzekeringen die de aansprakelijkheid van de vervoerder dekken voor schade die door de vervoerde goederen aan derden wordt toegebracht (voor het wegvervoer geregeld door de W.A.M.);
  • verzekeringen die het financieel verlies dekken dat geleden wordt door de gebrekkige of de niet-nakoming van de vervoerovereenkomst;
  • verzekeringen die betrekking hebben op het vervoermiddel of op de voor het vervoer dienende uitrusting.
2.1.3. Welke goederen?
Alle mogelijke soorten goederen kunnen deel uitmaken van het vervoer. Zoals blijkt uit de memorie van toelichting bij artikel 2 van de wet zal de verzekering van de reis- en handbagage die wordt vervoerd ter gelegenheid van een personenvervoer het fiscaal regime volgen van de verzekering voor goederenvervoer, en dus onderworpen worden aan het tarief van 1,40 %.

De aandacht moet gevestigd worden op het bijzondere geval van de containers die noch als vervoerde goederen noch als vervoermiddel kunnen worden beschouwd [Voor de toepassing van de BTW worden containers niet langer als vervoermiddelen beschouwd: zie Ministeriële Beslissing nr. E.T. 95.212 van 1 december 1999, BTW-revue, nr. 151, p. 433.]. Zij moeten als tot vervoer dienend materieel worden beschouwd. Bijgevolg kan de verzekering van de containers niet genieten van het verlaagd tarief van de taks van 1,40 %, en zal zij onderworpen worden aan het tarief van 9,25 % [Ministeriële Beslissing nr. E.T.T. 949 van 16 mei 1995.].

Evenwel, indien de containers deel uitmaken van de uitrusting van een binnenschip of van een zeeschip, kunnen ze genieten van de vrijstelling van de jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten dat voorzien is voor de cascoverzekeringen van zeeschepen en binnenschepen [Ministeriële Beslissing nr. E.T.T. 1011 van 2 december 1996.].

Indien de containers geen deel uitmaken van de uitrusting van het (lucht)vaartuig is het basistarief van 9,25 % van toepassing.

2.2/ Verlaagd tarief: verzekeringen betreffende motorvoertuigen (art. 175^2, eerste lid, 2°, WZGT).
Artikel 175 2, eerste lid, 2°, WZGT onderwerpt een aantal verzekeringen van welbepaalde categorieën van motorvoertuigen aan het verlaagd tarief van 1,40 %.

2.2.1. Welke verzekeringen?
Het betreft de verzekeringen burgerlijke aansprakelijkheid en de verzekeringen die de materiële schade dekken met inbegrip van "diefstal" en "brand", maar met uitsluiting van de dekking "rechtsbijstand". De dekking "rechtsbijstand" blijft onderworpen aan het basistarief van 9,25 %.

2.2.2. Welke voertuigen?
2.2.2.1. Motorvoertuigen die op basis van een vergunning aangewend worden hetzij voor een taxidienst hetzij voor verhuring met bestuurder.
Artikel 175 2, eerste lid, 2°, eerste gedachtestreep, WZGT onderwerpt de voormelde verzekeringen inzake motorvoertuigen die, op basis van een vergunning, aangewend worden hetzij voor een taxidienst hetzij voor verhuring met bestuurder aan het verlaagd tarief van 1,40 %.

a) Inzake taxidiensten gaat het om:

  • in het Vlaamse of Waalse Gewest, de motorvoertuigen die voor een taxidienst worden aangewend indien de door de wet van 27 december 1974 betreffende de taxidiensten opgelegde voorwaarden worden nageleefd en de taxidienst ingericht wordt krachtens een in overeenstemming met deze wet afgeleverde vergunning.
  • In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de motorvoertuigen die worden aangewend voor de exploitatie van een taxidienst door middel van één of meer motorvoertuigen, van op de openbare weg of op elke andere niet voor het openbaar verkeer opengestelde plaats die zich op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevindt, indien de door de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur opgelegde voorwaarden worden nageleefd, en de dienst ingericht wordt krachtens een in overeenstemming met deze ordonnantie afgeleverde vergunning.
b) Voor wat betreft de verhuring met bestuurder is eveneens de wetgeving als vermeld onder a) van toepassing.

Voor het Vlaamse en Waalse Gewest worden de omschrijving en de voorwaarden van verhuring van voertuigen met bestuurder bepaald in het koninklijk besluit van 19 maart 1975 betreffende de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur.

Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden de voorwaarden bepaald in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 1997 houdende bepaling van de luxe-criteria en de eisen qua comfort waaraan de voertuigen ingezet voor de exploitatie van een verhuurdienst van voertuigen met chauffeur moeten voldoen.

Het spreekt voor zich dat de dienst voor het verhuren van voertuigen met bestuurder ingericht wordt krachtens een in overeenstemming met voormelde wetgeving afgeleverde vergunning.

2.2.2.2. Autobussen en autocars met hun aanhangwagens.
Artikel 175 2, eerste lid, 2°, tweede gedachtestreep, WZGT onderwerpt de voormelde verzekeringen inzake autobussen en autocars aan het verlaagd tarief van 1,40 %.

Bedoeld worden de autobussen en autocars zoals omschreven in artikel 1, § 2, punt 8 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de motorvoertuigen en hun aanhangwagens moeten voldoen. Een autobus of autocar wordt hierin omschreven als elk motorvoertuig opgevat en gebouwd voor het vervoer van personen dat noch een personenwagen noch een auto voor dubbel gebruik, noch een minibus is.

Trolleybussen worden voor de toepassing van de jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten gelijkgesteld met autobussen en autocars. Aanhangwagens die voor de koppeling aan autobussen of autocars worden bestemd (bijvoorbeeld bagagewagens) worden eveneens bedoeld [Memorie van toelichting, Gedr. St. Kamer, Doc 50 2299/001, 2002-2003, p. 6.].

2.2.2.3. Motorvoertuigen uitsluitend bestemd voor het vervoer van goederen over de weg met een MTM van meer dan 3,5 ton en minder dan 12 ton.
Artikel 175 2, eerste lid, 2°, derde gedachtestreep, WZGT onderwerpt de voormelde verzekeringen van motorvoertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor het vervoer van goederen en die een maximaal toegelaten massa hebben die meer dan 3,5 ton bedraagt en minder dan 12 ton aan het verlaagd tarief van 1,40 %.

1/ eerste voorwaarde: de motorvoertuigen moeten uitsluitend bestemd zijn voor het vervoer van goederen over de weg. Een dergelijk voertuig blijft onderworpen aan het verlaagd tarief zelfs in geval van gecombineerd vervoer, bijvoorbeeld met spoorvervoer [Artikel 1, 3°, van het koninklijk besluit van 7 mei 2002 betreffende het vervoer van zaken over de weg definieert het begrip "gecombineerd vervoer" als "het goederenvervoer waarbij het begin- of eindtraject wordt afgelegd over de weg en waarbij een voertuig, een afneembare laadbak of een container van 20 voet (6,096 meter) en meer worden verzonden per spoor, over de binnenwateren of over zee". Artikel 1, 4°, van hetzelfde koninklijk besluit definieert het begrip "afneembare laadbak" dan weer als "het voor de lading bestemde deel van een voertuig dat van het voertuig kan worden afgenomen en hierop weer worden vastgemaakt".].

Met "vervoer van goederen" wordt bedoeld: elk vervoer van goederen of zaken dat, in principe, het laden of het lossen van de inhoud van het voertuig impliceert.

2/ tweede voorwaarde: de maximaal toegelaten massa (MTM) van het motorvoertuig moet meer bedragen dan 3,5 ton en minder dan 12 ton.

Artikel 1, 5°, van het koninklijk besluit van 7 mei 2002 betreffende het vervoer van zaken over de weg definieert het begrip "de maximaal toegelaten massa" als "de technisch toelaatbare maximummassa van een voertuig die wordt vermeld op het proces-verbaal van goedkeuring van dit voertuig of op een gelijkwaardig document".

De maximaal toegelaten massa (MTM) is een technisch gegeven dat betrekking heeft op een bepaald motorvoertuig, vastgesteld in functie van objectieve criteria, en, in voorkomend geval, beperkt is door (Europese) reglementeringen inzake gewichten en afmetingen. Het betreft aldus een objectief en onveranderlijk gegeven, vermits het niet wordt beïnvloed door eventueel aan het motorvoertuig aangebracht wijzigingen.

De MTM is in feite de optelsom van de tarra (gewicht in ledige toestand) en van het laadvermogen van het motorvoertuig.

De MTM wordt vermeld op het schouwingsbewijs - deel A (zie commentaar op artikel 7 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen) - dat in principe aan elk voertuig wordt toegekend. Bovendien, wanneer een motorvoertuig goedgekeurd is om een aanhangwagen of een oplegger te trekken, zal dit document eveneens de "MTM sleep" vermelden, die de weergave is van de totale MTM van het samenstel bestaande uit het trekkend motorvoertuig en het getrokken voertuig [Een "sleep" is volgens artikel 2, 9°, van voormelde wet van 3 mei 1999 "elke groep voertuigen die aan elkaar gekoppeld zijn met het doel door één en dezelfde kracht te worden voortbewogen". Wanneer een sleep uit een trekker en een oplegger bestaat wordt hij geleed voertuig genoemd.].

2.2.2.4. Aanhangwagens. [Zie en vergelijk hierna 2.4.2. en vooral 2.4.2.2. en 2.4.2.5.]

Artikel 2, 7°, van de wet van 3 mei 1999 betreffende het vervoer van zaken over de weg definieert het begrip "aanhangwagen" als "elk vervoermiddel over land, behalve spoorvoertuigen, dat bestemd is om door een motorvoertuig te worden getrokken".

Het tweede lid van artikel 175 2, WZGT, behoeft in feite geen verdere commentaar: aanhangwagens met een MTM van meer dan 3,5 ton en minder dan 12 ton worden, voor de toepassing van de jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten, gelijkgesteld met de motorvoertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor het vervoer van goederen over de weg met een MTM boven de 3,5 ton en beneden de 12 ton. Bijgevolg wordt op voormelde verzekeringen voor deze aanhangwagens het verlaagd tarief van 1,40 % toegepast.

2.3/ Vrijstelling: verzekeringen inzake zeevaart en binnenvaart (art. 176^2, eerste lid, 9°, WZGT).
Het nieuwe artikel 176 2, eerste lid, 9°, WZGT voorziet in een vrijstelling van de jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten voor verzekeringen inzake zeevaart en binnenvaart, andere dan deze vermeld in de artikelen 175 2, 1° en 176 2, 10° WZGT.

2.3.1. Welke verzekeringen?
De memorie van toelichting verwijst naar de verzekeringen die worden bedoeld in de artikelen 191 en 276 van boek II van het Wetboek van koophandel, evenals de verzekeringen die worden afgesloten bij de "Protection Indemnity Clubs" (P clubs) [Memorie van toelichting, Gedr. St. Kamer, nr. 50 2298/001, 2002-2003, p. 6.].

Ingevolge artikel 175 2, eerste lid, nieuw, WZGT worden de verzekeringen voor goederenvervoer onderworpen aan het verlaagd tarief van 1,40 % en bij toepassing van artikel 176 2, eerste lid, 10°, WZGT blijven de cascoverzekeringen van zeeschepen en binnenschepen vrijgesteld.

De vrijstelling van artikel 176 2, eerste lid, 9°, WZGT, geldt bijgevolg voor de aansprakelijkheidsverzekeringen en persoonsverzekeringen die worden aangegaan door reders en bevrachters en rechtstreeks verband houden met de risico's van het zeevervoer of de binnenvaart.

Bijvoorbeeld:

  • de verzekering die de buitencontractuele aansprakelijkheid dekt van de vervoerder jegens derden voor het eigenlijke zeevervoer of het eigenlijke vervoer door middel van binnenvaart;
  • de persoonsverzekeringen [Onder meer de dekking van de risico's: ongevallen, ziekte, overlijden, ...] tegen zeegevaren van bemanning en passagiers;
  • de verzekering tot dekking van botsingsaverij;
  • de verzekering tot dekking van schade aan havenapparatuur;
  • de verzekering tot dekking van veroorzaakte vervuiling;
  • de verzekering tot dekking van bergingskosten;
  • … .
De "Protection Indemnity Clubs" (P Clubs) zijn onderlinge verzekeringsassociaties van reders [Kennisgeving ingevolge artikel 19, lid 3, van Verordening nr. 17 van de Raad in de zaak nr. IV/30.373/D-1 - P Clubs - International Group Agreement, EG-Publicatieblad C 322, p. 31.]. De verzekeringen die bij dergelijke P Clubs worden afgesloten betreffen verzekeringen tot dekking van diverse vormen van aansprakelijkheid waar een scheepseigenaar of bevrachter van zee- of binnenschepen aan wordt blootgesteld (contractschade en claims van derden).

Bijvoorbeeld:

  • letsel of overlijden van de bemanning, passagiers en andere personen;
  • botsingsaverij aan schepen;
  • overige schade aan eigendommen van derden (haveninfrastructuur);
  • vervuiling;
  • vrachtschade;
  • bergings- en lichtingskosten;
  • … .
Deze risico's - meestal verzekerd in dezelfde polis - evolueren bestendig en de polissen worden dan ook regelmatig aangepast zodat voor de aangeboden verzekeringen slechts de algemene omschrijving "aansprakelijkheidsverzekeringen inzake zeevaart en binnenvaart" kan worden gebruikt. Dergelijke polissen dekken meestal eveneens de aansprakelijkheid voor de vervoerde goederen (verzekering cargo) welke aan de taks van 1,40 % onderworpen is (artikel 175 2, eerste lid, 1°, WZGT). De administratie neemt aan dat het proportioneel deel van de "P"-premie dat betrekking heeft op de aansprakelijkheid voor de lading forfaitair bepaald wordt op 25% van deze premie.

2.3.2. Welke vaartuigen? [Zie en vergelijk circulaire nr. 18/2003 van 25 augustus 2003, p. 6 en 7.]

Het betreft de zeeschepen en binnenschepen die worden omschreven in artikel 1 en artikel 271 van boek II van het Wetboek van koophandel.

Artikel 1 van boek II van voormeld wetboek bepaalt dat als zeeschepen worden beschouwd " alle vaartuigen van ten minste 25 ton, bestemd of gewoonlijk gebruikt voor personen- of goederenvervoer, visserij, sleepvaart of enige andere winstgevende scheepvaartverrichting ter zee.".

Artikel 271 van boek II van voormeld wetboek bepaalt dat als binnenschepen worden beschouwd " de vaartuigen, gewoonlijk gebruikt of bestemd voor de vaart in de binnenwateren ten behoeve van personen- of goederenvervoer, visserij, sleepvaart, baggerwerk of enige andere winstgevende scheepvaartverrichting. Voor de toepassing van deze wet worden met binnenschepen gelijkgesteld alle vaartuigen van minder dan 25 ton die gewoonlijk ter zee worden gebruikt voor soortgelijke verrichtingen.".

Vaartuigen die aangewend worden voor de pleziervaart kunnen niet genieten van de vrijstelling.

2.4/ Vrijstelling: verzekeringen betreffende motorvoertuigen (art. 176^2, eerste lid, 10°bis, WZGT).
Artikel 176 2, eerste lid, 10° bis, WZGT voorziet een vrijstelling voor een aantal verzekeringen inzake welbepaalde categorieën van motorvoertuigen en samenstellen van voertuigen. Deze werden vroeger belast aan het verlaagd tarief van 1,40 % [Artikel 176 2, eerste lid, 10° bis, WZGT herneemt dan ook integraal de tekst van artikel 175², eerste lid, 3°, en tweede lid, WZGT zoals het voor de inwerkingtreding van deze wet bestond.].

2.4.1 Welke verzekeringen?
Het betreft de verzekeringen burgerlijke aansprakelijkheid en de verzekeringen die de materiële schade dekken met inbegrip van "diefstal" en "brand", maar met uitsluiting van de dekking "rechtsbijstand".

2.4.2. Welke voertuigen?
2.4.2.1. Motorvoertuigen uitsluitend bestemd voor het vervoer van goederen over de weg met een MTM van ten minste 12 ton.
Voor wat betreft de motorvoertuigen wordt verwezen naar de commentaar onder punt 2.2.2.3., met dien verstande dat ze voor de toepassing van de vrijstelling een MTM van ten minste 12 ton moeten hebben.

2.4.2.2. Samenstellen van voertuigen die worden gedekt door hetzelfde contract, die uitsluitend bestemd zijn voor het vervoer van goederen over de weg en die een MTM van ten minste 12 ton hebben.
Bedoeld worden de koppelingen van motorvoertuig en aanhangwagen die, samen, een MTM van ten minste 12 ton hebben, indien ze verzekerd worden in hetzelfde contract.

Onder het begrip samenstel van voertuigen kunnen dus begrepen worden de aanhangwagens die speciaal gebouwd worden om aan een motorvoertuig te worden gekoppeld voor goederenvervoer over de weg en die, op zichzelf beschouwd, een MTM van minder dan 12 ton hebben.

2.4.2.3. Aanhangwagens met een MTM van ten minste 12 ton die speciaal gebouwd worden om aan een motorvoertuig te worden gekoppeld voor goederenvervoer over de weg.
Dit onderdeel behoeft in feite geen verdere commentaar. De aanhangwagens met een MTM van ten minste 12 ton worden gelijkgesteld met motorvoertuigen met een MTM van ten minste 12 ton.

2.4.2.4. Opleggers die speciaal gebouwd worden om aan een motorvoertuig te worden gekoppeld voor goederenvervoer over de weg.
Een oplegger is een aanhangwagen zonder vooras waarvan het voorste gedeelte steunt op het voertuig waaraan het gekoppeld is, zodat een aanmerkelijk deel van zijn gewicht door dit voertuig gedragen wordt. Deze opleggers worden, ongeacht of ze een MTM van ten minste 12 ton hebben of niet, gelijkgesteld met motorvoertuigen met een MTM van ten minste 12 ton.

2.4.2.5. Samenvatting betreffende de categorieën van voertuigen.
A/ worden vrijgesteld van de taks, de verzekeringscontracten betreffende :
1/ de motorvoertuigen (zijnde de vrachtwagens en de tractors) [Een tractor of trekker is elk voertuig met eigen beweegkracht bestemd om een aanhangwagen of een oplegger te slepen zonder een nuttig laadvermogen te hebben.] die uitsluitend bestemd zijn voor het goederenvervoer over de weg en waarvan de MTM of, indien het motorvoertuig goedgekeurd is om een aanhangwagen of een oplegger te trekken, de "MTM sleep", minstens 12 ton bedraagt;

2/ de aanhangwagens waarvan de MTM minstens 12 ton bedraagt die speciaal werden gebouwd om aan een vrachtwagen te worden gekoppeld voor goederenvervoer over de weg; 3/ de opleggers die speciaal werden gebouwd om aan een tractor te worden gekoppeld voor goederenvervoer over de weg;

4/ de aan elkaar gekoppelde vrachtwagen en aanhangwagen die samen een MTM van ten minste 12 ton hebben indien ze verzekerd worden in hetzelfde contract.

B/ worden niet vrijgesteld van de taks, de verzekeringscontracten betreffende :
1/ de motorvoertuigen waarvan de MTM of de "MTM sleep" minder dan 12 ton bedraagt.

2/ de aanhangwagens waarvan de MTM minder dan 12 ton bedraagt en er geen gebruik kan worden gemaakt van het voordeel dat wordt toegekend aan "het samenstel van voertuigen" wegens hetzij niet verzekerd in hetzelfde contract hetzij het samenstel een MTM heeft van minder dan 12 ton;

3/ voertuigen die uit hun aard niet bestemd zijn voor het vervoer van goederen over de weg (bijvoorbeeld landbouwtractors, machines, kranen, bulldozers, …).

* *

*

3/ Inwerkingtreding van de wet.
De wet is in werking getreden op 24 mei 2003 en is van toepassing op de premies die vanaf 1 januari 2000 vervallen (artikel 5).

* *

*

4/ Teruggavenregeling.
In artikel 4 wordt in een teruggavenregeling voorzien voor de verzekeringstaks die werd betaald op de premies vervallen in de periode van 1 januari 2000 tot 24 mei 2003. De verzekeringstaks die in deze periode, dus onder het toen geldende tarief, werd betaald op de in deze wet bedoelde verzekeringen kan worden teruggegeven, desgevallend onder aftrek van de verzekeringstaks die ingevolge de toepassing van deze nieuwe wet verschuldigd is.

Voorbeelden:

  • Het tarief van de verzekeringstaks voor verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen inzake motorrijtuigen en de verzekeringen van materiële schade die betrekking hebben op motorvoertuigen die uitsluitend bestemd zijn voor het vervoer van goederen over de weg en een MTM hebben van meer dan 3,5 ton en minder dan 12 ton, bedroeg 9,25 %. Vanaf de inwerkingtreding van deze wet bedraagt het tarief nog 1,40 % voor de voormelde periode. De verzekeringstaks dient dan ook teruggegeven te worden a rato van 9,25 % - 1,40 %, zijnde 7,85 %.
  • In hetzelfde geval als hierboven, doch de MTM bedraagt ten minste 12 ton, het tarief was 1,40 %. Vermits nu voor deze verzekeringen betreffende dergelijke voertuigen een vrijstelling geldt is er teruggave van de gehele som aan betaalde verzekeringstaks.
De terugbetaling wordt verricht aan de verzekeringnemer die het verzoek tot terugbetaling moet richten aan:

FOD Financiën
Directeur van de Opsporings- en Documentatiediensten van de registratie
Van Orleystraat 15
1000 Brussel

De aanvraag dient bij de directeur toe te komen binnen de twee jaar te rekenen vanaf 14 mei 2003 die dezelfde dag de ontvangstmelding doet.

Voor de praktische uitwerking van de teruggavenregeling - aanduiding van de door zowel de verzekeringnemers als door de wettelijke belastingschuldigen voor te leggen documenten, de terugbetalingmodaliteiten - wordt verwezen naar de circulaire Akred nr. 14 van 22 juli 2003, gebaseerd op de algemene delegatie door de Minister van Financiën. Voor het overige zijn de gewone regels van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen inzake teruggave van toepassing.

NAMENS DE MINISTER:
De adjunct-administrateur-generaal

Paul NECKEBROECK



BIJLAGE 1
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 14 mei 2003 (Ed. 2).
22 april 2003.¾ Wet tot wijziging van de artikelen 175^2 en 176^2 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen betreffende het wegvervoer en de zee- en binnenvaartverzekeringen.
ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Artikel 1. - Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. - Artikel 175 2 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, gewijzigd bij de wet van 5 juli 1998, wordt vervangen als volgt :

"Art. 175 2. - De taks wordt eveneens verminderd tot 1,40 pct. :

1° voor de verzekeringen inzake zee- en binnenvaart en de verzekeringen tegen de risico's van vervoer te land of te lucht, wanneer zij betrekking hebben op de goederen;

2° voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen inzake motorrijtuigen en de verzekeringen van materiële schade, wanneer zij betrekking hebben op :

  • autovoertuigen die, op basis van een vergunning, aangewend worden hetzij voor een taxidienst hetzij voor verhuring met bestuurder, overeenkomstig de wet van 27 december 1974 betreffende de taxidiensten en de ordonnantie van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur;
  • autobussen en autocars met hun aanhangwagens;
  • een motorvoertuig dat uitsluitend bestemd is voor het vervoer van goederen over de weg en een maximaal toegelaten massa heeft van meer dan 3,5 ton en minder dan 12 ton.
Worden met de in het eerste lid, 2°, derde gedachtenstreepje, bedoelde motorvoertuigen gelijkgesteld, de aanhangwagens waarvan de maximaal toegelaten massa meer dan 3,5 ton bedraagt en minder dan 12 ton.".

Art. 3. - In artikel 176 2, eerste lid van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, gewijzigd bij de wetten van 30 juni 1956, 28 maart 1960, 17 juli 1963, 31 augustus 1963, 24 december 1963, 19 februari 1969, het koninklijk besluit nr. 3 van 24 december 1980, de wetten van 28 december 1983, 7 december 1988, 20 juli 1990, 28 december 1992 en 5 juli 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A) de bepaling onder 9° opgeheven bij artikel 42, 2°, van de wet van 7 december 1988, wordt hersteld in de volgende lezing :

"9° alle andere verzekeringen inzake zeevaart en binnenvaart dan deze vermeld in de artikelen 175 2, 1°, en 176 2, 10°;"

B) een 10° bis wordt ingevoegd, luidende :

"10° bis. De verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen inzake motorrijtuigen en de verzekeringen van materiële schade, wanneer zij betrekking hebben op een motorvoertuig of een samenstel van voertuigen die worden gedekt door een zelfde contract, indien het motorvoertuig of het samenstel van voertuigen uitsluitend bestemd is voor het goederenvervoer over de weg en waarvan de maximaal toegelaten massa ten minste 12 ton bedraagt.

Worden met deze motorvoertuigen gelijkgesteld, de aanhangwagens waarvan de maximaal toegelaten massa ten minste 12 ton bedraagt en de opleggers, speciaal gebouwd om aan een motorvoertuig te worden gekoppeld met het oog op het goederenvervoer over de weg;".

Art. 4. - De jaarlijkse taks op de verzekeringscontracten geheven op de verzekeringscontracten en voertuigen onder de voorwaarden van artikel 175 2 en artikel 176 2, eerste lid, 9° en 10 bis, van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, ingevoegd door de artikelen 2 en 3 van deze wet, kan worden teruggegeven, desgevallend onder aftrek van de overeenkomstig voormeld artikel 2 van deze wet verschuldigde taks, indien de taks werd betaald op de in de periode van 1 januari 2000 tot de dag van de inwerkingtreding van dit artikel vervallen premies.

De terugbetaling wordt verricht aan de verzekeringnemer. Zij moet door de verzekeringnemer aangevraagd worden aan de directeur van de Opsporings- en documentatie-diensten van de registratie Brussel binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad. De directeur meldt de ontvangst van de aanvraag de dag zelf waarop hij deze ontvangt.

De terugbetaling is ondergeschikt aan het voorleggen van documenten die het bestaan van de oorzaak der terugbetaling rechtvaardigen. De Minister van Financiën bepaalt de modaliteiten van de aanvraag en de inhoud van de zowel door de verzekeringnemer als door de in artikel 177 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen bedoelde belastingschuldigen voor te leggen documenten.

De terugbetaling wordt geordonnanceerd door de ambtenaar aangeduid door of vanwege de Minister van Financiën. Wanneer de rechthebbende houder is van een bankrekening, gebeurt de terugbetaling door middel van een overschrijving; in het tegengestelde geval gebeurt ze door middel van een postassignatie.

Voor het overige zijn de bepalingen van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen van toepassing op de teruggaven bepaald in dit artikel.

Art. 5. De artikelen 2, 3 en 4 zijn van toepassing op de premies die vanaf 1 januari 2000 vervallen.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 22 april 2003.

ALBERT

Van Koningswege :

De Minister van Financiën,
D. REYNDERS

Met 's Lands zegel gezegeld :

De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN





BIJLAGE 2
Gecoördineerde tekst van de gewijzigde artikelen van het WZGT

Art. 1752
De taks wordt eveneens verminderd tot 1,40 pct.:

1° voor de verzekeringen inzake zee- en binnenvaart en de verzekeringen tegen de risico's van vervoer te land of te lucht, wanneer zij betrekking hebben op de goederen;

2° voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen inzake motorrijtuigen en de verzekeringen van materiële schade, wanneer zij betrekking hebben op :

  • autovoertuigen die, op basis van een vergunning, aangewend worden hetzij voor een taxidienst hetzij voor verhuring met bestuurder, overeenkomstig de wet van 27 december 1974 betreffende de taxidiensten en de ordonnantie van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad van 27 april 1995 betreffende de taxidiensten en de diensten voor het verhuren van voertuigen met chauffeur;
  • autobussen en autocars met hun aanhangwagens;
  • een motorvoertuig dat uitsluitend bestemd is voor het vervoer van goederen over de weg en een maximaal toegelaten massa heeft van meer dan 3,5 ton en minder dan 12 ton.
Worden met de in het eerste lid, 2°, derde gedachtenstreepje, bedoelde motorvoertuigen gelijkgesteld, de aanhangwagens waarvan de maximaal toegelaten massa meer dan 3,5 ton bedraagt en minder dan 12 ton.

Art. 1762
Zijn alleen van de taks vrijgesteld;

1° de verzekeringscontracten vermeld in de artikelen 81, 1° en 2°, en 104, eerste lid, 10°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ze bestonden voordat ze door de artikelen 80 en 81 van de wet van 28 december 1992 werden opgeheven, of in artikel 145 - 1, 2°, 3° en 5°, van hetzelfde Wetboek, waarvoor de verzekeringnemer geen vrijstelling, vermindering of aftrek inzake inkomstenbelastingen heeft verkregen krachtens bepalingen van toepassing vóór het aanslagjaar 1993 of geen belastingverminderingen verleend bij de artikelen 145 - 1, 2°, 3° of 5° en 145 - 17, 1° of 2°, van voornoemd Wetboek;

2° de overeenkomsten voor herverzekering;

3° de verzekeringen en de lijfrenten of tijdelijke renten aangegaan ter uitvoering van de wet op de vergoeding van schade voortspruitende uit arbeidsongevallen alsmede enige verzekering die betrekking heeft op een der doeleinden beschreven in artikel 57, eerste lid, van de wet betreffende de overzeese sociale zekerheid;

4° de levensverzekeringscontracten niet zijnde die vermeld onder 1°, en de contracten van lijfrente en tijdelijke renten vermeld in artikel 174, die individueel worden aangegaan;

5° de verzekeringen aangegaan ter uitvoering van de reglementering betreffende het rust- of overlevingspensioen, met uitzondering van die met betrekking tot de buitenwettelijke voordelen;

6° de door de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de provincies, de gemeenten, de autonome provinciebedrijven, de autonome gemeentebedrijven en de openbare instellingen aangegane verzekeringen met uitzondering van deze aangegaan door de Algemene Spaar- en Lijfrentekas wat de activiteiten van de Spaarkas betreft;

7° de verzekeringen gesloten, met hun leden, door de mutualiteitsverenigingen erkend overeenkomstig de wet van 23 juni 1894;

8° de verzekeringen tegen onvrijwillige werkloosheid, gesloten volgens de voorzieningen van het koninklijk besluit van 31 mei 1933;

9° alle andere verzekeringen inzake zeevaart en binnenvaart dan deze vermeld in de artikelen 175 2, 1°, en 176 2, 10°;

10° de cascoverzekeringen van zeeschepen en van vaartuigen die als dusdanig beschouwd worden door artikel 1 van boek II van het Wetboek van koophandel, de cascoverzekeringen van binnenschepen en van met binnenschepen gelijkgestelde vaartuigen door artikel 271 van boek II van hetzelfde Wetboek, evenals de verzekeringen van vliegtuigen die hoofdzakelijk in het internationaal verkeer gebruikt worden voor openbaar vervoer:

10° bis. De verplichte aansprakelijkheidsverzekeringen inzake motorrijtuigen en de verzekeringen van materiële schade, wanneer zij betrekking hebben op een motorvoertuig of een samenstel van voertuigen die worden gedekt door een zelfde contract, indien het motorvoertuig of het samenstel van voertuigen uitsluitend bestemd is voor het goederenvervoer over de weg en waarvan de maximaal toegelaten massa ten minste 12 ton bedraagt.

Worden met deze motorvoertuigen gelijkgesteld, de aanhangwagens waarvan de maximaal toegelaten massa ten minste 12 ton bedraagt en de opleggers, speciaal gebouwd om aan een motorvoertuig te worden gekoppeld met het oog op het goederenvervoer over de weg;

11° alle andere overeenkomsten, uitgezonderd de personenverzekeringen ter vergoeding van schade ingevolge ongevallen of ziekten, de levensverzekeringen en de contracten van lijfrente of tijdelijke renten bedoeld in artikel 174 van het Wetboek, wanneer het risico zich in het buitenland bevindt.

Voor de toepassing van het eerste lid, 11°, wordt als plaats van het risico aangemerkt:

a] de Staat van registratie, wanneer de verzekering betrekking heeft op voer- en vaartuigen van om het even welke aard;

b] de Staat waar de goederen zich bevinden, wanneer de verzekering betrekking heeft:

  • hetzij op onroerend goed;
  • hetzij op onroerend goed en op de inhoud daarvan, voor zover deze door dezelfde verzekeringspolis wordt gedekt;
  • hetzij op roerende goederen die zich bevinden in een onroerend goed, met uitzondering van commerciële transitogoederen, ook al worden het onroerend goed en de inhoud daarvan niet door dezelfde verzekeringspolis gedekt;
c] de Staat waar de verzekeringnemer de overeenkomst heeft gesloten, indien het overeenkomsten betreft met een looptijd van vier maanden of minder die betrekking hebben op tijdens een reis of vakantie gelopen risico's ongeacht de branche;

d] de Staat waar de verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats heeft, of, indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is, de Staat waar zich de vestiging van deze rechtspersoon bevindt waarop de overeenkomst betrekking heeft, in alle andere gevallen.

De in het eerste lid, 1° en 4°, vermelde vrijstellingen zijn onderworpen aan de voorwaarden en de regels die de Koning bepaalt.