Aanschrijving nr. 24 dd. 30.08.1973
AANSCHRIJVING 73/024
Aanschrijving nr. 24 dd. 30.08.1973
Belasting over de toegevoegde waarde
Controle slachthuizen en slachterijen
Onderwerp van de aanschrijving.
1. Deze aanschrijving heeft als onderwerp toelichtingen te verstrekken bij het koninklijk besluit nr. 27 van 26 juni 1973 (Belgisch Staatsblad van 30 juni 1973) met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, ten aanzien van vlees van slachtdieren, dat in werking treedt op 1 oktober 1973.
Inhoud van het besluit.
2. Het koninklijk besluit nr. 27 regelt :
1° de controle op het aantal geslachte dieren;
2° de controle op het gewicht van het vlees voortkomend van bepaalde dieren geslacht in slachthuizen;
3° het opmaken van een jaarlijkse opgave per eigenaar, van het aantal geslachte dieren van iedere soort en met vermelding van het slachtgewicht, zo het gaat om dieren die moeten gewogen worden.
Vermelden van wetgeving.
3. De wetgeving waarnaar verwezen wordt in deze aanschrijving en die hierna is opgesomd wordt verder aangehaald zoals is aangeduid in onderstaande tabel :
Hoofdstuk I Maatregelen met betrekking tot de controle op het aantal dieren.
Voor deze controlemaatregelen moet een onderscheid gemaakt worden tussen slachthuizen (openbare of private) en private slachterijen.
Private slachterij.
4. Voor de toepassing van het koninklijk besluit nr. 27 wordt als private slachterij aangemerkt de instelling die door artikel 1, 4°, van de Wet van 5 september 1952, als volgt wordt bepaald : de slachterij geëxploiteerd door een vleeshouwer die er uitsluitend slacht om in de behoeften van zijn kleinhandel te voorzien of die er, met toelating van de Inspectiedienst van de Vleeshandel, samen met een andere bepaalde vleeshouwer, dieren slacht welke hun toebehoren en waarvan het vlees uitsluitend bestemd is om te voorzien in de behoeften van hun kleinhandel.
5. In de private slachterijen moeten enkel slachtaangiften worden opgesteld (z. hierna Afdeling 5). Deze slachtaangiften moeten in de private slachterijen nochtans worden opgemaakt bij het binnenkomen van het dier in de slachterij (z. art. 1, § 1, derde lid, van het kon. besl. nr. 27).
Slachthuizen (openbare en private).
6. De bepaling van een openbaar en van een privaat slachthuis wordt gegeven door artikel 1, nrs. 2 en 3, van de Wet van 5 september 1952.
7. In het kader van de controle op het aantal dieren die in het slachthuis binnenkomen, is de exploitant van elk slachthuis verplicht :
1° een register te houden waarin alle dieren worden ingeschreven naarmate zij in het slachthuis binnenkomen;
2° onmiddellijk bij het binnenkomen elk dier een merkteken tot individualisering te geven;
3° zodra het dier geslacht is het merkteken vast te maken op het geslachte dier;
4° een slachtaangifte op te maken.
Eerste afdeling.--Register voor binnenkomende dieren
Vorm van het register.
8. Het moet een register zijn bestaande uit bladen die door alle middelen mogen samengevoegd zijn. De bladzijden moeten genummerd worden. Op de eerste bladzijde vermeldt de exploitant van het slachthuis, voluit, onder zijn handtekening, het aantal bladzijden dat het register bevat (z. art. 1, § 2, laatste lid, van het kon. besl. nr. 27).
9. Het model van een bladzijde van dit register is als bijlage gehecht aan het koninklijk besluit nr. 27 (z. bijlage I).
10. Het register van het koninklijk besluit nr. 27 mag worden gecombineerd met het register bedoeld in artikel 1 van het ministerieel besluit van 11 maart 1953.
De inschrijving in dit laatste register vervangt de slachtaangifte bedoeld in artikel 4 van de Wet van 5 september 1952 (z. art. 7 van het kon. besl. van 9 maart 1953).
11. In geen geval mogen deze registers door losse bladen worden vervangen.
Welke dieren moeten worden ingeschreven ?
12. Krachtens artikel 7 van het koninklijk besluit van 9 maart 1953, moet elk dier dat in de richting van het slachthuis komt bij de aankomst worden ingeschreven. Artikel 8 van dit besluit voegt er aan toe dat ieder dier ingeschreven in het register van de binnengekomen dieren van een slachthuis in de inrichting moet geslacht worden.
Deze regelen worden eveneens gevolgd voor de toepassing van het koninklijk besluit nr. 27, zodat elk dier dat zich in de inrichting van het slachthuis bevindt in het register moet ingeschreven zijn.
Tijdstip van de inschrijving.
13. Zoals voor de wetgeving inzake de vleeskeuring en de vleeshandel (z. art. 7 van het kon. besl. van 9 maart 1953) dienen, voor de toepassing van het koninklijk besluit nr. 27, de dieren in het register te worden ingeschreven op het tijdstip dat zij in het slachthuis binnenkomen (z. art. 1. § 2, eerste lid, van het kon. besl. nr. 27).
Hulpregister.
14. De stipte toepassing van voormelde bepaling schept voor de exploitanten van de slachthuizen moeilijkheden bij aanvoer van dieren buiten de openingsuren van de burelen.
Om daaraan te verhelpen laat de administratie toe dat de exploitant een hulpregister ter beschikking legt van de vervoerders van de dieren waarin zij de binnenkomende dieren kunnen inschrijven op tijdstippen waarop het aangiftekantoor normaal gesloten is.
Deze werkwijze wordt slechts aanvaard op voorwaarde dat :
1° het hulpregister in dezelfde vorm wordt gehouden en op dezelfde wijze wordt ingevuld als het eigenlijke register (z. nrs. 15 tot 18);
2° het bestaan van een hulpregister wordt aangetekend op de eerste bladzijde van het eigenlijke register;
3° slechts één hulpregister wordt gehouden;
4° bij het openen van het aangiftekantoor of andere administratiedienst de inschrijvingen gedaan in het hulpregister, 's avonds voordien, 's nachts of 's morgens, onmiddellijk en volledig worden overgeschreven in het eigenlijke register, met een verwijzing naar het volgnummer van het hulpregister en vice versa;
5° het hulpregister bewaard en voorgelegd wordt zoals het eigenlijke register.
Vanzelfsprekend zal elke eventuele overtreding worden bestraft, volgens de regelen die gelden voor het eigenlijke register en zal daarenboven ingeval van misbruik van het hulpregister, het voordeel van het houden ervan worden ingetrokken.
Wijze van inschrijving.
15. De inschrijvingen worden verricht zonder witte vakken, overheenschrijvingen of doorhalingen. duidelijk leesbaar en op een onuitwisbare manier.
16. Wanneer meerdere dieren van dezelfde soort (1) samen worden aangevoerd mag een globale inschrijving worden gedaan per eigenaar(s).
17. De volgende vermeldingen moeten in het register voor binnenkomende dieren voorkomen :
onmiddellijk bij het binnenkomen van dieren :
1° een volgnummer, getrokken uit een ononderbroken jaarlijkse nummerreeks;
2° de datum en het uur van het werkelijk binnenkomen van de dieren in het slachthuis;
3° de naam en voornaam van de aangever;
4° de naam, voornaam en woonplaats van de eigenaar(s);
5° de diersoort;
6° de nummers van de merktekens tot individualisering.
Er wordt reeds aangestipt dat deze merktekens in stijgende volgorde van hun nummering moeten gegeven worden;
na het binnenkomen van de dieren :
7° de datum van slachting;
8° het gewicht, in te vullen voor runderen (met inbegrip van de kalveren), paarden, muilezels en ezels. Wanneer meerdere dieren van dezelfde soort, die moeten gewogen worden, ingeschreven zijn onder hetzelfde volgnummer, mag het slachtgewicht van deze dieren op een globale wijze worden aangetekend.
De samenstelling van dit gewicht kan geverifieerd worden aan de hand van de gegevens van de controleband van het weegtoestel of van het weegregister;
9° eventueel de verklaring van ongeschiktheid, met vermelding van de redenen;
10° het nummer van de slachtaangifte;
11° opmerkingen, zoals eventueel volgnummer van het hulpregister of andere nuttige gegevens;
12° per dag wordt het totaal per diersoort gemaakt.
18. De vermeldingen van de nrs. 6° tot 10° moeten niet voorkomen in het hulpregister.
Afdeling 2. -- Merktekens tot individualisering van de dieren
Model.
19. De administratie heeft in uitvoering van artikel 1, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 27, een V-vorm bepaald voor de merktekens tot individualisering van de dieren.
Zij worden vervaardigd uit aluminium en zijn voorzien van een weerhaaksluiting.
De basiskleur, de codenummers en de kleur ervan worden eveneens bepaald door de administratie.
20. Elk merkteken bestaat uit twee merkplaatjes die hetzelfde nummer dragen (z. art. 1, § 3, tweede lid, van het kon. besl. nr. 27).
Bestelling van de merktekens.
21. De merktekens worden kosteloos door de administratie verschaft aan elke exploitant van een slachthuis door bemiddeling van de fabrikant van de merktekens.
22. De exploitant van het slachthuis dient voor de bestelling volgende richtlijnen in acht te nemen.
1° Fabrikant.
De exploitanten moeten hun bestelling rechtstreeks richten aan de N.V. Unifa, Leopoldplaats 11 - 2000 Antwerpen.
2° Hoeveelheid en periodiciteit van de bestelling.
Ten einde een verantwoorde organisatie te verkrijgen inzake het verschaffen van de merktekens, worden de bestellingen gedaan :
a) per maand door de exploitanten van slachthuizen waar meer dan 20.000 slachtingen per jaar worden verricht;
b) per drie maand door de andere exploitanten.
Verder mag er niet uit het oog verloren worden dat voor de uitvoering van de bestelling in normale omstandigheden, moet gerekend worden op een termijn van tien werkdagen vanaf de datum van bestelling.
Levering van de merktekens.
23. De merktekens worden door de fabrikant franco slachthuis geleverd.
24. Bij elke levering wordt door de fabrikant ter intentie van de geadresseerde een borderel gevoegd met vermelding van het slachthuis van bestemming, aantal geleverde merktekens, de codenummers en de kleuren van de merktekens en de datum van de levering.
De administratie ontvangt de dubbels van dit leveringsborderel.
Verpakking van de geleverde merktekens.
25. De merktekens komen voor onder de vorm van «strips» van 20 stuks, met dien verstande dat zich telkens twee (2) merkplaatjes met hetzelfde codenummer naast elkaar bevinden.
Ze zijn verpakt in kartonnen dozen met 50 strips elk.
Op één zijkant van de doos is volgende melding aangebracht :
"Ministerie van Financiën
Ministère des Finances
T.V.A. -- BTW
Merktekens--500 x 2--Marques
Code :
(in deze melding wordt eveneens de basiskleur en de kleur van de code opgenomen).
26. Bij het stapelen van deze dozen in het slachthuis zal er voor gezorgd worden dat de zijkant van de dozen met de in vorig lid aangehaalde melding zichtbaar is.
Dit vergemakkelijkt :
1° het naleven van de verplichting de merktekens te gebruiken in stijgende volgorde van de nummering (z. nr. 30);
2° het bewijs te leveren van de bestaande voorraad van merktekens (z. nr. 27).
Bewijs inzake voorraad en aanwending van de merktekens.
27. Luidens artikel 6, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 27, zijn de exploitanten van de slachthuizen gehouden aan te tonen ofwel dat de ontvangen merktekens nog in voorraad zijn ofwel reeds aangewend zijn.
28. De exploitanten zijn bijgevolg verantwoordelijk voor de merktekens die ze van de fabrikant ontvangen. Bij gebrek aan bewijs van het gebruik of het in voorraad zijn, wordt per merkteken de boete opgelopen van 1.000 tot 10.000 F, bedoeld in artikel 61, § 4, van het BTW-Wetboek.
De exploitanten dienen er dan ook voor te zorgen zich zo te organiseren dat ze op ieder tijdstip deze bewijzen kunnen verstrekken .
Afdeling 3. --Geven van merktekens bij het binnenkomen van het dier
29. Onmiddellijk bij het binnenkomen van een dier in het slachthuis, namelijk bij de inschrijving van het dier in het register voor binnenkomende dieren, wordt aan dit dier een merkteken tot individualisering gegeven, waarvan het nummer wordt aangetekend in dit register (z. art. 1, § 3, eerste lid, van het kon. besl. nr. 27).
30. Hierbij wordt er op gelet dat de merktekens worden gegeven in stijgende volgorde van de nummering (z. art. 1, § 3, tweede lid, van het kon. besl. nr. 27).
Opdat het merkteken op het dier zou worden gehecht waaraan het werd gegeven, en om dienaangaande vergissingen te voorkomen, is het mogelijk op de merktekens de daartoe nuttig geachte aanduidingen aan te brengen.
Afdeling 4.--Gebruik van de merktekens na het slachten van het dier
Zodra het dier geslacht is, moet het merkteken aan het dier worden gehecht (z. art. 1, § 3, derde lid, van het kon besl. nr. 27).
Tijdstip van het hechten.
31. Ingevolge deze bepaling moet het merkteken, zo spoedig mogelijk, na het slachten aan het dier worden gehecht, ten einde dit te kunnen individualiseren.
In de praktijk zal dit gebeuren onmiddellijk na het weghalen van de ingewanden en het reinigen van de romp van het geslachte dier.
In feite moet er naar gestreefd worden dat deze individualisering zo dicht mogelijk bij het tijdstip van het slachten zelf ligt.
Wijze van hechten.
32. De twee merkplaatjes van het merkteken die hetzelfde nummer dragen en die aan elkaar zijn verbonden, worden juist voor het vastmaken aan het geslachte dier van elkaar gescheiden. De merkplaatjes worden slechts op dat ogenblik van elkaar losgemaakt opdat merkplaatjes met hetzelfde nummer op elk dier zouden worden gehecht. Dieren waarop merkplaatjes met verschillende nummers zouden zijn vastgehecht worden geacht geen merktekens te hebben gekregen.
Het vastmaken van de merkplaatjes gebeurt door het eenvoudig, maar volledig, dichtknijpen ervan. Niet dichtgeknepen merkplaatjes worden aangemerkt als niet aangebracht.
Plaats van hechten van de merkplaatjes.
33. De merkplaatjes moeten door de exploitant van elkaar worden losgemaakt omdat hij één merkplaatje op iedere helft van het dier moet hechten en wel aan het achterste deel van iedere helft (z. art. 1, § 3, derde lid, van het kon. besl. nr. 27).
De plaats van het achterste deel van iedere helft wordt niet gepreciseerd, er moet echter op gelet worden dat, waar ook de verdeling in kwartieren van het dier gebeurt, de merkplaatjes steeds aan het achterste kwartier gehecht zijn.
34. Indien de dieren niet worden gehalveerd, hetgeen het geval is voor kleine dieren, worden beide merkplaatjes gehecht aan het achterste deel van het geslachte dier (z. art. 1, § 3, derde lid, van het kon. besl. nr. 27).
Gebroken of beschadigde merktekens.
35. Wanneer merkplaatjes voor of bij het hechten worden gebroken of in zulke mate worden beschadigd dat ze niet meer regelmatig kunnen vastgemaakt worden aan het geslachte dier moet de exploitant nieuwe merktekens geven en hechten. De exploitant dient deze vervanging aan te tekenen in het register voor binnenkomende dieren. De gebroken of beschadigde merkplaatjes moeten zorgvuldig worden bewaard.
De gebroken en beschadigde merkplaatjes worden door de ambtenaren van de Speciale Dienst van de BTW, ter gelegenheid van de eerstvolgende controle, meegenomen. Tot bewijs daarvan wordt een gepaste melding ingeschreven in het register voor inkomende dieren met aanduiding van aantal, kleur en code ervan.
Wegnemen van de merkplaatjes.
36. De merkplaatjes moeten aan het achterste deel van iedere helft van elk geslacht dier gehecht blijven tot bij het versnijden (z. art. 1, § 3, derde lid, van het kon. besl. nr. 27).
Voor de toepassing van deze bepaling wordt het vierendelen van het dier niet als versnijden aangemerkt. De merkplaatjes zullen slechts mogen worden weggenomen wanneer het achterste deel waaraan ze gehecht zijn in de gebruikelijke stukken wordt uitgesneden in uitsnijderijen (verg. art. 18, laatste lid, van het kon. besl. van 9 maart 1953).
Afdeling 5.--Slachtaangifte
Model van de slachtaangifte.
37. De slachtaangifte wordt gedaan op een formulier waarvan het model bepaald is door de administratie (z. bijlage II). Deze formulieren worden door de administratie verkocht per boekje met 50 formulieren (De huidige prijs van een boekje bedraagt 25 F.).
Bestelling.
38. De slachtaangifteformulieren worden besteld door storting van de prijs op postrekening nr. 355.21 (Thans nr. 000-2003428-87.) van « BTW en Registratie - Documentatie en drukwerken », Masuiplein 13, 1000 Brussel. Op de betalingsstrook wordt het aantal bestelde boekjes van slachtaangifteformulieren vermeld en eventueel of men de formulieren wenst te verkrijgen in de Nederlandse of in de Franse taal.
Slachtaangifteformulieren gedrukt voor rekening van een slachthuis.
39. De administratie aanvaardt dat, om bepaalde redenen, het slachthuis zelf, op eigen kosten slachtaangifteformulieren laat drukken, eventueel per diersoort, mits volgende voorwaarden worden nageleefd :
1° op de slachtaangifteformulieren moeten alle gegevens worden gedrukt die voorkomen op de slachtaangifteformulieren verkocht door de administratie (z. nr. 37);
2° ze worden eveneens in tweevoud gedrukt. Het formulier mag, zo nodig, op meer dan twee exemplaren worden gedrukt. In dat geval moeten de bijkomende exemplaren in de rechter bovenhoek de bestemming vermelden die er aan gegeven wordt. De kleur van elk exemplaar mag eventueel verschillen;
3° de eigen formulieren moeten worden gebruikt voor alle slachtingen in het slachthuis;
4° de formulieren moeten bij het drukken worden genummerd volgens een ononderbroken nummerreeks (er mag worden afgeweken van een jaarlijkse nummerreeks). Nochtans moet elke set van formulieren hetzelfde nummer dragen.
Zo er aangifteformulieren per diersoort worden gedrukt, gebeurt de nummering per soort;
5° aan de inspecteur van de Speciale Dienst van de BTW in wiens ambtsgebied het slachthuis gevestigd is moet kennis worden gegeven van iedere levering van slachtaangifteformulieren. Iedere mededeling vermeldt de volgnummers van de slachtaangifteformulieren, eventueel per soort. Een specimen van de formulieren wordt bij de mededeling gevoegd.
40. Dezelfde regelen dienen te worden gevolgd ingeval de slachtaangifteformulieren worden gedrukt voor rekening van een beroepsvereniging ten behoeve van haar leden.
In dat geval dient bij levering van slachtaangifteformulieren aan één van haar leden de beroepsvereniging de voorgeschreven kennisgeving met specimen toe te sturen aan de inspectie van de Speciale Dienst van de BTW in wiens ambtsgebied het lid gevestigd is.
Invullen van de slachtaangifteformulieren.
41. De slachtaangifteformulieren moeten op een onuitwisbare en duidelijk leesbare wijze worden ingevuld, zonder overheenschrijvingen of doorhalingen.
Opstellen van de slachtaangifte.
42. De slachtaangifte wordt opgesteld per eigenaar(s) en per diersoort. Wanneer dus meerdere dieren van dezelfde soort samen worden aangevoerd en aan dezelfde eigenaar(s) toebehoren, moet hiervoor, in principe, slechts één slachtaangifte worden ingevuld (verg. inschrijving in het register voor binnenkomende dieren, nr. 16).
43. De slachtaangifte moet worden opgemaakt door de exploitant (z. art. 1, § 1, eerste lid, van het kon. besl. nr. 27).
Dier toebehorend aan meerdere eigenaars.
44. Wanneer een dier aan twee of meer personen toebehoort moeten op de slachtaangifte de eigenaars worden vermeld met aanduiding van het deel of de fractie van het dier toebehorend aan iedere eigenaar. Eventueel moet de aangifte de toestand voor en na het slachten van het dier aanduiden.
Vak voorbehouden aan de exploitant.
45. Het vak dat op het formulier wordt voorbehouden aan de exploitant, mag door deze laatste worden gebruikt naar eigen goeddunken en volgens de vereisten van zijn organisatie (b.v. berekening van keur- en slachtrechten, enz.).
Ondertekening van de slachtaangifte.
46. Opdat de aangifte regelmatig zou zijn moet zij ondertekend zijn door de exploitant, door de eigenaar (s) van het dier of door de aangestelde van de exploitant en door de lasthebber van de eigenaar(s) (z. art. 1, § 1, laatste lid, van het kon. besl. nr. 27).
Tijdstip van opstellen van de slachtaangifte.
47. In tegenstelling met de regel toepasselijk op de slachterijen, waar de slachtaangifte moet worden opgemaakt op het tijdstip van het binnenkomen van het dier in de slachterij (z. nr. 5), wordt voor de slachthuizen geen precies maar slechts een uiterlijk tijdstip bepaald inzake het opstellen van deze aangifte.
Zo mag de exploitant van het slachthuis het tijdstip van het opstellen van de slachtaangifte zelf bepalen met inachtneming van zijn organisatie op voorwaarde dat dit zich situeert voor het weghalen van het dier uit het slachthuis en uiterlijk de dag na het slachten (z. art. 1, § 1, tweede lid, van het kon. besl. nr. 27).
Bestemming van de exemplaren van de slachtaangifte.
48. De slachtaangifte bestaat uit twee exemplaren. Het eerste exemplaar is bestemd voor de eigenaar(s) van het geslachte dier, het tweede exemplaar voor de exploitant (z. art. 1, § 1, vierde lid, van het kon. besl. nr. 27).
Bewaring en voorlegging van de slachtaangiften.
49. De eigenaar van het dier en de exploitant zijn gehouden hun exemplaar te behouden en op ieder verzoek van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën voor te leggen (z. art. 1, § 1, vierde lid, van het kon. besl. nr. 27).
50. Wanneer het geslachte dier aan twee of meer personen toebehoort, bewaart degene die het dier slacht of doet slachten voor gemeenschappelijke rekening het eerste exemplaar van de aangifte.
De medeëigenaar(s) moet(en), met het oog op de controle aantekening houden in zijn (hun fiscale boekhouding, van de in deze omstandigheden gedane slachtingen van het deel of van de fractie van het dier dat aan ieder toebehoort en van de naam van degene die het exemplaar van de aangifte bewaart (z. art. 2 van het kon. besl. nr. 27).
Afdeling 6.--Rol van de veearts-vleeskeurder
51. Luidens artikel 25 van het koninklijk besluit van 9 maart 1953, brengt de vleeskeurder die de definitieve beslissing neemt, tot besluit van zijn keuring, een goed leesbaar stempelmerk aan op de plaatsen vastgesteld door een ministerieel besluit (z. art. 6 van het min. besl. van 11 maart 1953).
In de slachthuizen mag de vleeskeurder deze stempel slechts aanbrengen op de dieren waaraan de merkplaatjes zijn gehecht (z. art. 3 van het kon. besl. nr. 27).
52. In dezelfde geest mag in de slachterijen de stempel door de vleeskeurder slechts worden aangebracht nadat hij zich vergewist heeft dat voor het betrokken dier een slachtaangifte werd opgesteld (verg. art. 19 van het kon. besl. van 9 maart 1953).
Hoofdstuk II Maatregelen met betrekking tot het wegen.
Principe.
53. De runderen (koeien, vaarzen, kalveren, stieren, ossen), paarden, muilezels en ezels geslacht in de slachthuizen, moeten worden gewogen.
Tijdstip van de weging.
54. De voormelde geslachte dieren moeten in de slachthuizen worden gewogen na de keuring en na het wegnemen van de slachtafval (z. art. 1, § 4, van het kon. besl. nr. 27).
1° Keuring.
Krachtens artikel 18 van het koninklijk besluit van 9 maart 1953 moet de vleeskeurder zo spoedig mogelijk na het slachten tot de keuring overgaan. Indien hij de gemeente van het slachthuis niet bewoont moet hij zich daar binnen vierentwintig uren heen begeven.
Er mag worden gesteld dat in de praktijk de keuring en bijgevolg de weging binnen de twee uren na het slachten plaatsheeft.
2° Slachtafval die voor de weging wordt weggenomen.
De geslachte dieren worden gewogen na de keuring en na het wegnemen van de slachtafval. Voor de toepassing van deze bepaling van artikel l, § 4, van het koninklijk besluit nr. 27 wordt aangemerkt als slachtafval :
-- voor kalveren : de kop met de tong, de zwezerik, het hart, de longen, de maag, de lever, de darmen met hun aanklevend vet, de poten en de huid;
-- voor runderen : de kop met de tong, de zwezerik, het hart, de longen de maag, de lever, de nieren, de staart, het netvlies, de milt, : er, het nier- en bekkenvet, de pijlers van het middenrif, de poten en de huid;
-- voor paarden, muilezels en ezels : de kop met de tong, de zwezerik, het hart, de longen, de maag, de lever, de nieren, de staart, het netvlies, de milt, het nier- en bekkenvet. de pijlers van het middenrif, de poten en de huid.
Rafactie wegens vochtverlies.
55. Vermits de weging van de dieren wordt verricht op een tijdstip dat het vlees nog warm is, aanvaardt de administratie een gewichtsvermindering wegens vochtverlies - tussen het tijdstip van de weging en het tijdstip van het versnijden van 3 pct., zonder onderscheid tussen de te wegen diersoorten.
56. In de vergunning verleend inzake weging aan een slachthuis kan als voorwaarde worden bepaald dat, gelet op het tijdstip van weging, geen rafactie wegens vochtverlies wordt toegestaan.
Een bijzondere melding in die zin wordt in dat geval door de exploitant van het slachthuis aangebracht op de opgave bedoeld in artikel 6, § 3, van het koninklijk besluit nr. 27 (z. Hoofdstuk III).
Weging van het dier. Geheel of per helft.
57. De te wegen dieren worden na het slachten, maar voor de keuring, door splijting van de wervelkolom in tweeën verdeeld (z. art. 18 van het kon. besl. van 9 maart 1953).
In de regel worden de twee helften opgehangen aan een dubbele vleeshaak en samen ter weging aangeboden, zodat het geslachte dier geheel wordt gewogen.
In bepaalde slachthuizen komt het voor dat wegens het systeem van ophangen slechts één helft wordt gewogen.
58. In principe mag in een slachthuis slechts één weegsysteem worden toegepast en de opgave bedoeld in artikel 6, § 3, van het koninklijk besluit nr. 27, moet het totale gewicht van de geslachte dieren vermelden. Waar bij helften gewogen wordt mag voor het opmaken van deze opgave de gewogen helft vermenigvuldigd worden met twee.
Verantwoordelijkheid inzake weging.
Ten aanzien van de verantwoordelijkheid wordt een onderscheid gemaakt tussen het louter feit van de weging en de vermelding van het gewicht op het geslachte dier.
59. Samen met de eigenaar van het dier is de exploitant van het slachthuis verantwoordelijk voor het feit dat de dieren ter weging worden aangeboden (z. art. 1, § 4, van het kon. besl. nr. 27). De exploitant kan dus verantwoordelijk worden gesteld wanneer een dier uit het slachthuis wordt weggehaald zonder dat het gewogen werd.
60. Daarentegen is slechts de eigenaar verantwoordelijk voor de vermelding van het juiste gewicht op het geslachte dier.
Deze regel geldt eveneens voor de mededeling van dit gewicht aan de exploitant dat deze laatste moet inschrijven in het weegregister indien het slachthuis over geen automatisch weegtoestel beschikt.
Vermelding van het juiste gewicht van het dier.
61. Bij het vermelden van het gewicht van het dier dienen volgende regels in acht genomen te worden.
1° Wijze van vermelding. Het juiste gewicht moet op het geslachte dier worden vermeld op een onuitwisbare en duidelijk leesbare wijze. Daartoe mag om het even welke methode worden aangewend op voorwaarde dat deze niet in strijd is met de reglementering inzake handel in slachtvlees en keuring van in het land geslachte dieren van het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin.
2° Plaats van vermelding. Het juiste gewicht van het geslachte dier moet op het achterste deel van iedere helft van het dier worden vermeld. De juiste plaats wordt niet gepreciseerd in het koninklijk besluit, het mag dus zowel op een rib als op het vlees worden geschreven, maar als achterste deel van iedere helft moet worden aangemerkt, dat deel waaraan de merkplaatjes moeten worden gehecht (z. nr. 33).
3° Te vermelden gewicht. Hiervoor moet een onderscheid worden gemaakt.
In de slachthuizen waar het geslachte dier in zijn geheel wordt gewogen, wordt, op het achterste deel van iedere helft, het totale gewicht van het dier vermeld.
In de slachthuizen waar slechts één helft van het geslachte dier wordt gewogen, wordt, op het achterste deel van iedere helft, het gewicht van de gewogen helft vermeld.
4° Tijdstip van vermelding. Vanzelfsprekend moet het gewicht op de hiervoor vermelde wijze en plaats worden vermeld, onmiddellijk na het wegen van het geslachte dier.
Weegtoestel.
Principe.
62. De weging moet worden verricht door middel van een automatisch weegtoestel dat voldoet aan de voorwaarden te bepalen door de Minister van Financiën (z. art. 1, § 4, van het kon. besl. nr. 27).
Voorwaarden waaraan het weegtoestel moet voldoen.
63. Deze voorwaarden zijn bepaald in artikel 1 van het ministerieel besluit nr. 12, van 28 augustus 1973 (Belgisch Staatsblad van 30 augustus l 973) waarnaar wordt verwezen (z. bijlage III).
Vermeldingen op de individuele weegstrook en op de controlestrook.
64. Ten aanzien van de gegevens die door de afdrukinrichting van het weegtoestel moeten worden gedrukt op de individuele weegstrook en op de controlestrook, wordt aangestipt dat :
1° de naam en het adres van het slachthuis vanzelfsprekend mag worden vervangen door een voordruk;
2° de datum van de weging, de dag, de maand en het jaartal moet bevatten :
3° de naam en het adres van de eigenaar, zelfs toevallige klant van het slachthuis, alsmede de vermelding van de diersoort, door een code mag worden aangeduid, op voorwaarde dat de sleutel van de gebruikte code steeds ter beschikking van de controlerende ambtenaar kan worden gesteld. Voor het bepalen van de diersoort worden dezelfde regelen gevolgd als voor de inschrijving in het register voor binnenkomende dieren en de slachtaangifte.
De administratie heeft er geen bezwaar tegen dat het slachthuis voor eigen organisatie een verder onderscheid zou maken inzake diersoort, of enig ander gegeven op de weegstrook en controleband zou opnemen.
65. Ten einde de controletaak van de ambtenaren niet te bemoeilijken mag een controlestrook slechts de wegingen bevatten die gedurende maximaal veertien dagen werden verricht. Het is duidelijk dat deze strook de wegingen van een kortere periode mag bevatten (b.v. één dag, enkele dagen, een week).
66. De controlestroken moeten worden bewaard en voorgelegd volgens de bepalingen van de artikelen 60 en 61 van het BTW-Wetboek.
De individuele weegstroken mogen door de exploitant van het slachthuis worden gebruikt volgens de vereisten van zijn eigen organisatie en moeten niet worden bewaard.
Toegestane afwijkingen inzake weegtoestel.
67. Gelet op het bestaande ontwerp van wet betreffende de organisatie van de veterinaire keuringen en sanitaire controles alsook de slachthuizen voor slachtdieren, werd besloten voorlopig volgende regeling toe te passen ten aanzien van het weegtoestel :
1° de exploitanten van slachthuizen waar een automatisch weegtoestel dat voldoet aan de voorwaarden van het ministerieel besluit nr. 12, voorhanden is, schikken zich naar de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 27, zoals deze werden gecommentarieerd hierboven;
2° de exploitanten van slachthuizen waar geen dergelijk automatisch weegtoestel voorhanden is, mogen voorlopig het weegtoestel of de weegtoestellen gebruiken waarover zij thans beschikken met inachtneming van de voorwaarden van de vergunning die zij dienen te vragen aan de inspecteur van de Speciale Dienst van de BTW in wiens ambtsgebied het slachthuis gevestigd is.
Bij het vaststellen van de voorwaarden van deze vergunning zullen deze slachthuizen in twee categorieën worden ingedeeld :
a) degene die met hangsporen zijn uitgerust en waar het geslachte dier ofwel geheel ofwel per helft kan worden gewogen;
b) degene die niet met hangsporen zijn uitgerust en waar het geslachte dier slechts in delen kan worden gewogen.
Het spreekt vanzelf dat de voorwaarden van deze vergunning strikt dienen te worden nageleefd. Ze zal worden ingetrokken wanneer enig misbruik wordt vastgesteld of wanneer de controleopdracht van de ambtenaren belast met de controle op om het even welke wijze wordt gehinderd.
68. Er wordt aangestipt dat wanneer een nieuw weegtoestel wordt aangeschaft of wanneer een weegtoestel wordt omgevormd of verbeterd, het verkregen weegtoestel moet beantwoorden aan de voorwaarden gesteld door het ministerieel besluit nr. 12.
Hoofdstuk III Jaarlijkse opgave.
Principe.
69. Op grond van artikel 6, § 3, van het koninklijk besluit nr. 27, moeten de exploitanten van slachthuizen en private slachterijen aan de administratie een opgave toesturen, voor iedere eigenaar die in de loop van het vorige jaar in hun instellingen dieren heeft geslacht of laten slachten.
Exploitanten gehouden tot het opstellen van de opgave.
70. Zowel de exploitanten van slachterijen als van slachthuizen zijn gehouden deze opgave op te maken.
Voor welke personen moet deze opgave worden opgesteld ?
71. Er moet een opgave worden opgesteld per eigenaar die in de loop van het vorige jaar dieren in de instelling heeft laten slachten.
Er moet geen onderscheid worden gemaakt of deze eigenaar BTW-belastingplichtige is of niet. Een opgave dient eveneens te worden opgemaakt voor de eigenaar van de slachterij of eventueel van het slachthuis.
Gegevens die de opgave moet bevatten.
72. De opgave bedoeld in artikel 6, § 3, van het koninklijk besluit nr. 27, die per eigenaar wordt opgesteld, moet volgende gegevens bevatten :
1° naam en adres van de eigenaar;
2° het registratienummer dat hem werd toegekend voor de toepassing van de BTW of, bij ontstentenis van een registratienummer, de vermelding « niet-belastingplichtige »;
3° het aantal dieren van iedere soort die de exploitant in de loop van het vorige jaar in de instelling heeft geslacht of laten slachten;
4° indien het gaat om een slachthuis, het slachtgewicht van de runderen, paarden, muilezels en ezels afzonderlijk, die de eigenaar in de loop van het vorige jaar in de instelling heeft geslacht of laten slachten.
Wanneer om enigerlei reden geen rekening mag worden gehouden met de rafactie wegens vochtverlies wordt dit uitdrukkelijk vermeld op de opgave.
Tijdstip van indiening van de opgave en bestemming ervan.
73. Voor 31 maart van het jaar na dat waarin de slachtingen hebben plaatsgehad, moeten de opgaven worden toegezonden aan de inspectie van de Speciale Dienst van de BTW in wiens ambtsgebied het slachthuis of de slachterij gevestigd is.
Zo zal voor 31 maart 1974 deze opgave moeten worden opgemaakt en toegestuurd voor de slachtingen die hebben plaatsgehad gedurende het vierde kwartaal 1973.
74. Deze opgaven die door de slachthuizen en slachterijen zullen worden opgemaakt met betrekking tot de slachtingen vanaf 1 januari 1974, ontslaan de exploitanten ervan de jaarlijkse opgave van de afnemers-belastingplichtigen op te maken ter uitvoering van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 23 voor de leveringen en diensten die betrekking hebben op slachtingen, maar niet voor de door de exploitant gedane leveringen van vlees aan afnemers-belastingplichtigen.
Hoofdstuk IV
Controle.
75. Onverminderd de algemene maatregelen ingesteld door het BTW-Wetboek, houdt het koninklijk besluit nr. 27 voor het toezicht op de voldoening van de BTW ten aanzien van vlees van slachtdieren, verscheidene bijzondere bepalingen in.
Zo kan geciteerd worden dat de ambtenaren van het Ministerie van Financiën :
1° dag en nacht vrije toegang hebben tot de slachthuizen (z. art. 6, § 1, tweede lid, van het kon. besl. nr 27) (2);
2° de exploitant van het slachthuis kunnen verplichten de geslachte runderen, paarden. muilezels en ezels opnieuw in hun aanwezigheid te wegen, ten einde het erop vermelde gewicht te verifiëren (z. art. 6, § 1, tweede lid, van het kon. besl. nr. 27);
3° de voorlegging ter inzage vorderen van de stukken bedoeld in de artikelen 5 tot 8 van het koninklijk besluit nr. 27.
NOTEN
(1) De classificatie per diersoort wordt aangeduid in hel model van bladzijde van het register van binnenkomende dieren (z. bijlage 1).
Wat meer In het bijzonder de definitie van kalveren betreft, zoals deze voorkomt op de in vorig lid vermelde bijlage, zal door de administratie geen kritiek worden uitgeoefend wanneer het dier als rund -- en niet als kalf --- is ingeschreven zo het gewicht ervan na slachting hoger is dan 130 kg.
(2) Er wordt aangestipt dat artikel 23bis, § 1, van de Wet van 5 september 1952, bedingt :« Behoudens de noodslachtingen is het slachten van slachtdieren in de openbare slachthuizen, in de slachthuizen gelijkgesteld met de openbare slachthuizen en in de private slachterijen verboden
1° alle dagen tussen 20 uur en 6 uur;
2° 's zondags;
3° op de feestdagen vastgesteld bij toepassing van de besluitwet van 25 februari 1947 betreffende het toekennen van loon aan de werknemers voor een bepaald aantal leest(lagen per jaar;
4° op de verlofdagen vastgesteld bij toepassing van de wetten betreffende het jaarlijks verlof der loonarbeiders, samengeordend bij koninklijk besluit van 9 maart 1951.»
Bijlage I
MODEL NIET OPGENOMEN
Bijlage II
MODEL NIET OPGENOMEN
Bijlage III
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 30 augustus 1973.
28 augustus 1973. - Ministerieel besluit tot vervanging van het ministerieel besluit nr. 12, van 14 november 1972, met betrekking tot de automatische weegtoestellen te gebruiken in slachthuizen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.
DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN FINACIEN,
Gelet op het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, inzonderheid op artikel 52;
Gelet op artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 27, van 26 juni 1973, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, ten aanzien van vlees van slachtdieren;
Gelet op artikel 2, tweede lid, van de wet van 23 december 1946 houdende instelling van een Raad van State;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid,
B E S L U I T :
Artikel 1. Het automatisch weegtoestel bedoelde in artikel 1, § 4, van het koninklijk besluit nr. 27, van 26 juni 1973, is een weegwerktuig dat aan de volgende voorwaarden moet voldoen :
1° behoren tot een model dat is goedgekeurd en de ijk ondergaan hebben volgens de voorschriften betreffende de weegwerktuigen, in toepassing van de vigerende wetgeving over de meetwerktuigen;
2° een maximaal weegvermogen hebben van minstens 500 kg;
3° voorzien zijn van een aanwijs- en afdrukinrichting waarvan het schaaldeel 1 kg bedraagt;
4° geschikt zijn voor het wegen van hangende lasten.
Bovendien, moet de afdrukinrichting, gelijktijdig op een individuele weegstrook voor iedere weging en op een controlestrook waarop de opeenvolgende wegingen worden opgenomen, de volgende inlichtingen afdrukken :
- de naam en het adres van het slachthuis;
- het nummer van het weegwerktuig wanneer er verscheidene in gebruik zijn;
- een jaarlijks volgnummer;
- de datum van de weging;
- de naam en het adres van de eigenaar;
- de diersoort en het nummer van het merkteken tot individualisering;
- het nettogewicht van het geslachte dier;
- ieder ander gegeven door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen.
Iedere controlestrook mag slechts de inlichtingen omvatten aangaande de wegingen die gedurende maximaal veertien dagen werden verricht.
Artikel 2. Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 1973.
Brussel, 28 augustus 1973.
W. DE CLERCS
Aanschrijving nr. 24 dd. 30.08.1973
Belasting over de toegevoegde waarde
Controle slachthuizen en slachterijen
Onderwerp van de aanschrijving.
1. Deze aanschrijving heeft als onderwerp toelichtingen te verstrekken bij het koninklijk besluit nr. 27 van 26 juni 1973 (Belgisch Staatsblad van 30 juni 1973) met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, ten aanzien van vlees van slachtdieren, dat in werking treedt op 1 oktober 1973.
Inhoud van het besluit.
2. Het koninklijk besluit nr. 27 regelt :
1° de controle op het aantal geslachte dieren;
2° de controle op het gewicht van het vlees voortkomend van bepaalde dieren geslacht in slachthuizen;
3° het opmaken van een jaarlijkse opgave per eigenaar, van het aantal geslachte dieren van iedere soort en met vermelding van het slachtgewicht, zo het gaat om dieren die moeten gewogen worden.
Vermelden van wetgeving.
3. De wetgeving waarnaar verwezen wordt in deze aanschrijving en die hierna is opgesomd wordt verder aangehaald zoals is aangeduid in onderstaande tabel :
| a. Het koninklijk besluit nr. 27 van 26 juni 1973 (Belgisch Staatsblad van 30 juni 1973) (Z. Revue nr. 13, blz. 347.)met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, ten aanzien van vlees van slachtdieren | Koninklijk besluit nr. 27 |
| b. De wet van 5 september 1952 (Belgisch Staatsblad van 16-17 maart 1953)betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel, aangevuld door de wetten van 3 augustus 1955 (Belgisch Staatsblad van 9 september 1955) en 25 juli 1960 (Belgisch Staatsblad van 31 augustus 1960) en gewijzigd door de wetten van 21 maart 1964 (Belgisch Staatsblad van 15 april 1964) en van 15 april 1965 (Belgisch Staatsblad van 22 mei 1965) | Wet van 5 september 1952. |
| c. Het koninklijk besluit van 9 maart 1953 (Belgisch Staatsblad van 16-17 maart 1953) betreffende de handel in slachtvlees en houdende reglementering van de keuring der hier te lande geslachte dieren, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 19 augustus 1960 (Belgisch Staatsblad van 22 september 1960), 28 april 1965 (Belgisch Staatsblad van 29 juni 1965), 15 december 1965 (Belgisch Staatsblad van 8 januari 1966), 5 januari 1968 (Belgisch Staatsblad van 12 maart 1968), 5 april 1968 (Belgisch Staatsblad van 30 mei 1968), 30 augustus 1968 (Belgisch Staatsblad van 7 november 1968), 9 juni 1970 (Belgisch Staatsblad van 4 juli 1970) en 15 juni 1970 (Belgisch Staatsblad van 4 juli 1970). | Koninklijk besluit van 9 maart 1953 |
| d. Het ministerieel besluit van 11 maart 1953 (Belgisch Staatsblad van 27 maart 1953), genomen in uitvoering van het koninklijk besluit van 9 maart 1953 (Belgisch Staatsblad van 16-17 maart 1953), betreffende de handel in slachtvlees en houdende reglementering van de keuring der in het land geslachte dieren, gewijzigd door de ministeriële besluiten van 21 april 1961 (Belgisch Staatsblad van 22 mei 1961), 23 juni 1964 (Belgisch Staatsblad van 16 juli 1964), 28 mei 1965 (Belgisch Staatsblad van 29 juni 1965), 28 november 1966 (Belgisch Staatsblad van 22 december 1966), 8 april 1968 (Belgisch Staatsblad van 30 mei 1968),2 september 1968 (Belgisch Staatsblad van 7 november 1968) en 29 september 1969 (Belgisch Staatsblad van 22 november 1969) | Ministerieel besluit van 11 maart 1953. |
| e. Het ministerieel besluit nr. 12 van 28 augustus 1973 (Belgisch Staatsblad van 30 augustus 1973) (Z. deze Revue, blz. 15.)met betrekking tot de automatische weegtoestellen te gebruiken in slachthuizen voor de toepassing van de BTW. | Ministerieel besluit nr. 12 |
Voor deze controlemaatregelen moet een onderscheid gemaakt worden tussen slachthuizen (openbare of private) en private slachterijen.
Private slachterij.
4. Voor de toepassing van het koninklijk besluit nr. 27 wordt als private slachterij aangemerkt de instelling die door artikel 1, 4°, van de Wet van 5 september 1952, als volgt wordt bepaald : de slachterij geëxploiteerd door een vleeshouwer die er uitsluitend slacht om in de behoeften van zijn kleinhandel te voorzien of die er, met toelating van de Inspectiedienst van de Vleeshandel, samen met een andere bepaalde vleeshouwer, dieren slacht welke hun toebehoren en waarvan het vlees uitsluitend bestemd is om te voorzien in de behoeften van hun kleinhandel.
5. In de private slachterijen moeten enkel slachtaangiften worden opgesteld (z. hierna Afdeling 5). Deze slachtaangiften moeten in de private slachterijen nochtans worden opgemaakt bij het binnenkomen van het dier in de slachterij (z. art. 1, § 1, derde lid, van het kon. besl. nr. 27).
Slachthuizen (openbare en private).
6. De bepaling van een openbaar en van een privaat slachthuis wordt gegeven door artikel 1, nrs. 2 en 3, van de Wet van 5 september 1952.
7. In het kader van de controle op het aantal dieren die in het slachthuis binnenkomen, is de exploitant van elk slachthuis verplicht :
1° een register te houden waarin alle dieren worden ingeschreven naarmate zij in het slachthuis binnenkomen;
2° onmiddellijk bij het binnenkomen elk dier een merkteken tot individualisering te geven;
3° zodra het dier geslacht is het merkteken vast te maken op het geslachte dier;
4° een slachtaangifte op te maken.
Eerste afdeling.--Register voor binnenkomende dieren
Vorm van het register.
8. Het moet een register zijn bestaande uit bladen die door alle middelen mogen samengevoegd zijn. De bladzijden moeten genummerd worden. Op de eerste bladzijde vermeldt de exploitant van het slachthuis, voluit, onder zijn handtekening, het aantal bladzijden dat het register bevat (z. art. 1, § 2, laatste lid, van het kon. besl. nr. 27).
9. Het model van een bladzijde van dit register is als bijlage gehecht aan het koninklijk besluit nr. 27 (z. bijlage I).
10. Het register van het koninklijk besluit nr. 27 mag worden gecombineerd met het register bedoeld in artikel 1 van het ministerieel besluit van 11 maart 1953.
De inschrijving in dit laatste register vervangt de slachtaangifte bedoeld in artikel 4 van de Wet van 5 september 1952 (z. art. 7 van het kon. besl. van 9 maart 1953).
11. In geen geval mogen deze registers door losse bladen worden vervangen.
Welke dieren moeten worden ingeschreven ?
12. Krachtens artikel 7 van het koninklijk besluit van 9 maart 1953, moet elk dier dat in de richting van het slachthuis komt bij de aankomst worden ingeschreven. Artikel 8 van dit besluit voegt er aan toe dat ieder dier ingeschreven in het register van de binnengekomen dieren van een slachthuis in de inrichting moet geslacht worden.
Deze regelen worden eveneens gevolgd voor de toepassing van het koninklijk besluit nr. 27, zodat elk dier dat zich in de inrichting van het slachthuis bevindt in het register moet ingeschreven zijn.
Tijdstip van de inschrijving.
13. Zoals voor de wetgeving inzake de vleeskeuring en de vleeshandel (z. art. 7 van het kon. besl. van 9 maart 1953) dienen, voor de toepassing van het koninklijk besluit nr. 27, de dieren in het register te worden ingeschreven op het tijdstip dat zij in het slachthuis binnenkomen (z. art. 1. § 2, eerste lid, van het kon. besl. nr. 27).
Hulpregister.
14. De stipte toepassing van voormelde bepaling schept voor de exploitanten van de slachthuizen moeilijkheden bij aanvoer van dieren buiten de openingsuren van de burelen.
Om daaraan te verhelpen laat de administratie toe dat de exploitant een hulpregister ter beschikking legt van de vervoerders van de dieren waarin zij de binnenkomende dieren kunnen inschrijven op tijdstippen waarop het aangiftekantoor normaal gesloten is.
Deze werkwijze wordt slechts aanvaard op voorwaarde dat :
1° het hulpregister in dezelfde vorm wordt gehouden en op dezelfde wijze wordt ingevuld als het eigenlijke register (z. nrs. 15 tot 18);
2° het bestaan van een hulpregister wordt aangetekend op de eerste bladzijde van het eigenlijke register;
3° slechts één hulpregister wordt gehouden;
4° bij het openen van het aangiftekantoor of andere administratiedienst de inschrijvingen gedaan in het hulpregister, 's avonds voordien, 's nachts of 's morgens, onmiddellijk en volledig worden overgeschreven in het eigenlijke register, met een verwijzing naar het volgnummer van het hulpregister en vice versa;
5° het hulpregister bewaard en voorgelegd wordt zoals het eigenlijke register.
Vanzelfsprekend zal elke eventuele overtreding worden bestraft, volgens de regelen die gelden voor het eigenlijke register en zal daarenboven ingeval van misbruik van het hulpregister, het voordeel van het houden ervan worden ingetrokken.
Wijze van inschrijving.
15. De inschrijvingen worden verricht zonder witte vakken, overheenschrijvingen of doorhalingen. duidelijk leesbaar en op een onuitwisbare manier.
16. Wanneer meerdere dieren van dezelfde soort (1) samen worden aangevoerd mag een globale inschrijving worden gedaan per eigenaar(s).
17. De volgende vermeldingen moeten in het register voor binnenkomende dieren voorkomen :
onmiddellijk bij het binnenkomen van dieren :
1° een volgnummer, getrokken uit een ononderbroken jaarlijkse nummerreeks;
2° de datum en het uur van het werkelijk binnenkomen van de dieren in het slachthuis;
3° de naam en voornaam van de aangever;
4° de naam, voornaam en woonplaats van de eigenaar(s);
5° de diersoort;
6° de nummers van de merktekens tot individualisering.
Er wordt reeds aangestipt dat deze merktekens in stijgende volgorde van hun nummering moeten gegeven worden;
na het binnenkomen van de dieren :
7° de datum van slachting;
8° het gewicht, in te vullen voor runderen (met inbegrip van de kalveren), paarden, muilezels en ezels. Wanneer meerdere dieren van dezelfde soort, die moeten gewogen worden, ingeschreven zijn onder hetzelfde volgnummer, mag het slachtgewicht van deze dieren op een globale wijze worden aangetekend.
De samenstelling van dit gewicht kan geverifieerd worden aan de hand van de gegevens van de controleband van het weegtoestel of van het weegregister;
9° eventueel de verklaring van ongeschiktheid, met vermelding van de redenen;
10° het nummer van de slachtaangifte;
11° opmerkingen, zoals eventueel volgnummer van het hulpregister of andere nuttige gegevens;
12° per dag wordt het totaal per diersoort gemaakt.
18. De vermeldingen van de nrs. 6° tot 10° moeten niet voorkomen in het hulpregister.
Afdeling 2. -- Merktekens tot individualisering van de dieren
Model.
19. De administratie heeft in uitvoering van artikel 1, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 27, een V-vorm bepaald voor de merktekens tot individualisering van de dieren.
Zij worden vervaardigd uit aluminium en zijn voorzien van een weerhaaksluiting.
De basiskleur, de codenummers en de kleur ervan worden eveneens bepaald door de administratie.
20. Elk merkteken bestaat uit twee merkplaatjes die hetzelfde nummer dragen (z. art. 1, § 3, tweede lid, van het kon. besl. nr. 27).
Bestelling van de merktekens.
21. De merktekens worden kosteloos door de administratie verschaft aan elke exploitant van een slachthuis door bemiddeling van de fabrikant van de merktekens.
22. De exploitant van het slachthuis dient voor de bestelling volgende richtlijnen in acht te nemen.
1° Fabrikant.
De exploitanten moeten hun bestelling rechtstreeks richten aan de N.V. Unifa, Leopoldplaats 11 - 2000 Antwerpen.
2° Hoeveelheid en periodiciteit van de bestelling.
Ten einde een verantwoorde organisatie te verkrijgen inzake het verschaffen van de merktekens, worden de bestellingen gedaan :
a) per maand door de exploitanten van slachthuizen waar meer dan 20.000 slachtingen per jaar worden verricht;
b) per drie maand door de andere exploitanten.
Verder mag er niet uit het oog verloren worden dat voor de uitvoering van de bestelling in normale omstandigheden, moet gerekend worden op een termijn van tien werkdagen vanaf de datum van bestelling.
Levering van de merktekens.
23. De merktekens worden door de fabrikant franco slachthuis geleverd.
24. Bij elke levering wordt door de fabrikant ter intentie van de geadresseerde een borderel gevoegd met vermelding van het slachthuis van bestemming, aantal geleverde merktekens, de codenummers en de kleuren van de merktekens en de datum van de levering.
De administratie ontvangt de dubbels van dit leveringsborderel.
Verpakking van de geleverde merktekens.
25. De merktekens komen voor onder de vorm van «strips» van 20 stuks, met dien verstande dat zich telkens twee (2) merkplaatjes met hetzelfde codenummer naast elkaar bevinden.
Ze zijn verpakt in kartonnen dozen met 50 strips elk.
Op één zijkant van de doos is volgende melding aangebracht :
"Ministerie van Financiën
Ministère des Finances
T.V.A. -- BTW
Merktekens--500 x 2--Marques
Code :
(in deze melding wordt eveneens de basiskleur en de kleur van de code opgenomen).
26. Bij het stapelen van deze dozen in het slachthuis zal er voor gezorgd worden dat de zijkant van de dozen met de in vorig lid aangehaalde melding zichtbaar is.
Dit vergemakkelijkt :
1° het naleven van de verplichting de merktekens te gebruiken in stijgende volgorde van de nummering (z. nr. 30);
2° het bewijs te leveren van de bestaande voorraad van merktekens (z. nr. 27).
Bewijs inzake voorraad en aanwending van de merktekens.
27. Luidens artikel 6, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 27, zijn de exploitanten van de slachthuizen gehouden aan te tonen ofwel dat de ontvangen merktekens nog in voorraad zijn ofwel reeds aangewend zijn.
28. De exploitanten zijn bijgevolg verantwoordelijk voor de merktekens die ze van de fabrikant ontvangen. Bij gebrek aan bewijs van het gebruik of het in voorraad zijn, wordt per merkteken de boete opgelopen van 1.000 tot 10.000 F, bedoeld in artikel 61, § 4, van het BTW-Wetboek.
De exploitanten dienen er dan ook voor te zorgen zich zo te organiseren dat ze op ieder tijdstip deze bewijzen kunnen verstrekken .
Afdeling 3. --Geven van merktekens bij het binnenkomen van het dier
29. Onmiddellijk bij het binnenkomen van een dier in het slachthuis, namelijk bij de inschrijving van het dier in het register voor binnenkomende dieren, wordt aan dit dier een merkteken tot individualisering gegeven, waarvan het nummer wordt aangetekend in dit register (z. art. 1, § 3, eerste lid, van het kon. besl. nr. 27).
30. Hierbij wordt er op gelet dat de merktekens worden gegeven in stijgende volgorde van de nummering (z. art. 1, § 3, tweede lid, van het kon. besl. nr. 27).
Opdat het merkteken op het dier zou worden gehecht waaraan het werd gegeven, en om dienaangaande vergissingen te voorkomen, is het mogelijk op de merktekens de daartoe nuttig geachte aanduidingen aan te brengen.
Afdeling 4.--Gebruik van de merktekens na het slachten van het dier
Zodra het dier geslacht is, moet het merkteken aan het dier worden gehecht (z. art. 1, § 3, derde lid, van het kon besl. nr. 27).
Tijdstip van het hechten.
31. Ingevolge deze bepaling moet het merkteken, zo spoedig mogelijk, na het slachten aan het dier worden gehecht, ten einde dit te kunnen individualiseren.
In de praktijk zal dit gebeuren onmiddellijk na het weghalen van de ingewanden en het reinigen van de romp van het geslachte dier.
In feite moet er naar gestreefd worden dat deze individualisering zo dicht mogelijk bij het tijdstip van het slachten zelf ligt.
Wijze van hechten.
32. De twee merkplaatjes van het merkteken die hetzelfde nummer dragen en die aan elkaar zijn verbonden, worden juist voor het vastmaken aan het geslachte dier van elkaar gescheiden. De merkplaatjes worden slechts op dat ogenblik van elkaar losgemaakt opdat merkplaatjes met hetzelfde nummer op elk dier zouden worden gehecht. Dieren waarop merkplaatjes met verschillende nummers zouden zijn vastgehecht worden geacht geen merktekens te hebben gekregen.
Het vastmaken van de merkplaatjes gebeurt door het eenvoudig, maar volledig, dichtknijpen ervan. Niet dichtgeknepen merkplaatjes worden aangemerkt als niet aangebracht.
Plaats van hechten van de merkplaatjes.
33. De merkplaatjes moeten door de exploitant van elkaar worden losgemaakt omdat hij één merkplaatje op iedere helft van het dier moet hechten en wel aan het achterste deel van iedere helft (z. art. 1, § 3, derde lid, van het kon. besl. nr. 27).
De plaats van het achterste deel van iedere helft wordt niet gepreciseerd, er moet echter op gelet worden dat, waar ook de verdeling in kwartieren van het dier gebeurt, de merkplaatjes steeds aan het achterste kwartier gehecht zijn.
34. Indien de dieren niet worden gehalveerd, hetgeen het geval is voor kleine dieren, worden beide merkplaatjes gehecht aan het achterste deel van het geslachte dier (z. art. 1, § 3, derde lid, van het kon. besl. nr. 27).
Gebroken of beschadigde merktekens.
35. Wanneer merkplaatjes voor of bij het hechten worden gebroken of in zulke mate worden beschadigd dat ze niet meer regelmatig kunnen vastgemaakt worden aan het geslachte dier moet de exploitant nieuwe merktekens geven en hechten. De exploitant dient deze vervanging aan te tekenen in het register voor binnenkomende dieren. De gebroken of beschadigde merkplaatjes moeten zorgvuldig worden bewaard.
De gebroken en beschadigde merkplaatjes worden door de ambtenaren van de Speciale Dienst van de BTW, ter gelegenheid van de eerstvolgende controle, meegenomen. Tot bewijs daarvan wordt een gepaste melding ingeschreven in het register voor inkomende dieren met aanduiding van aantal, kleur en code ervan.
Wegnemen van de merkplaatjes.
36. De merkplaatjes moeten aan het achterste deel van iedere helft van elk geslacht dier gehecht blijven tot bij het versnijden (z. art. 1, § 3, derde lid, van het kon. besl. nr. 27).
Voor de toepassing van deze bepaling wordt het vierendelen van het dier niet als versnijden aangemerkt. De merkplaatjes zullen slechts mogen worden weggenomen wanneer het achterste deel waaraan ze gehecht zijn in de gebruikelijke stukken wordt uitgesneden in uitsnijderijen (verg. art. 18, laatste lid, van het kon. besl. van 9 maart 1953).
Afdeling 5.--Slachtaangifte
Model van de slachtaangifte.
37. De slachtaangifte wordt gedaan op een formulier waarvan het model bepaald is door de administratie (z. bijlage II). Deze formulieren worden door de administratie verkocht per boekje met 50 formulieren (De huidige prijs van een boekje bedraagt 25 F.).
Bestelling.
38. De slachtaangifteformulieren worden besteld door storting van de prijs op postrekening nr. 355.21 (Thans nr. 000-2003428-87.) van « BTW en Registratie - Documentatie en drukwerken », Masuiplein 13, 1000 Brussel. Op de betalingsstrook wordt het aantal bestelde boekjes van slachtaangifteformulieren vermeld en eventueel of men de formulieren wenst te verkrijgen in de Nederlandse of in de Franse taal.
Slachtaangifteformulieren gedrukt voor rekening van een slachthuis.
39. De administratie aanvaardt dat, om bepaalde redenen, het slachthuis zelf, op eigen kosten slachtaangifteformulieren laat drukken, eventueel per diersoort, mits volgende voorwaarden worden nageleefd :
1° op de slachtaangifteformulieren moeten alle gegevens worden gedrukt die voorkomen op de slachtaangifteformulieren verkocht door de administratie (z. nr. 37);
2° ze worden eveneens in tweevoud gedrukt. Het formulier mag, zo nodig, op meer dan twee exemplaren worden gedrukt. In dat geval moeten de bijkomende exemplaren in de rechter bovenhoek de bestemming vermelden die er aan gegeven wordt. De kleur van elk exemplaar mag eventueel verschillen;
3° de eigen formulieren moeten worden gebruikt voor alle slachtingen in het slachthuis;
4° de formulieren moeten bij het drukken worden genummerd volgens een ononderbroken nummerreeks (er mag worden afgeweken van een jaarlijkse nummerreeks). Nochtans moet elke set van formulieren hetzelfde nummer dragen.
Zo er aangifteformulieren per diersoort worden gedrukt, gebeurt de nummering per soort;
5° aan de inspecteur van de Speciale Dienst van de BTW in wiens ambtsgebied het slachthuis gevestigd is moet kennis worden gegeven van iedere levering van slachtaangifteformulieren. Iedere mededeling vermeldt de volgnummers van de slachtaangifteformulieren, eventueel per soort. Een specimen van de formulieren wordt bij de mededeling gevoegd.
40. Dezelfde regelen dienen te worden gevolgd ingeval de slachtaangifteformulieren worden gedrukt voor rekening van een beroepsvereniging ten behoeve van haar leden.
In dat geval dient bij levering van slachtaangifteformulieren aan één van haar leden de beroepsvereniging de voorgeschreven kennisgeving met specimen toe te sturen aan de inspectie van de Speciale Dienst van de BTW in wiens ambtsgebied het lid gevestigd is.
Invullen van de slachtaangifteformulieren.
41. De slachtaangifteformulieren moeten op een onuitwisbare en duidelijk leesbare wijze worden ingevuld, zonder overheenschrijvingen of doorhalingen.
Opstellen van de slachtaangifte.
42. De slachtaangifte wordt opgesteld per eigenaar(s) en per diersoort. Wanneer dus meerdere dieren van dezelfde soort samen worden aangevoerd en aan dezelfde eigenaar(s) toebehoren, moet hiervoor, in principe, slechts één slachtaangifte worden ingevuld (verg. inschrijving in het register voor binnenkomende dieren, nr. 16).
43. De slachtaangifte moet worden opgemaakt door de exploitant (z. art. 1, § 1, eerste lid, van het kon. besl. nr. 27).
Dier toebehorend aan meerdere eigenaars.
44. Wanneer een dier aan twee of meer personen toebehoort moeten op de slachtaangifte de eigenaars worden vermeld met aanduiding van het deel of de fractie van het dier toebehorend aan iedere eigenaar. Eventueel moet de aangifte de toestand voor en na het slachten van het dier aanduiden.
Vak voorbehouden aan de exploitant.
45. Het vak dat op het formulier wordt voorbehouden aan de exploitant, mag door deze laatste worden gebruikt naar eigen goeddunken en volgens de vereisten van zijn organisatie (b.v. berekening van keur- en slachtrechten, enz.).
Ondertekening van de slachtaangifte.
46. Opdat de aangifte regelmatig zou zijn moet zij ondertekend zijn door de exploitant, door de eigenaar (s) van het dier of door de aangestelde van de exploitant en door de lasthebber van de eigenaar(s) (z. art. 1, § 1, laatste lid, van het kon. besl. nr. 27).
Tijdstip van opstellen van de slachtaangifte.
47. In tegenstelling met de regel toepasselijk op de slachterijen, waar de slachtaangifte moet worden opgemaakt op het tijdstip van het binnenkomen van het dier in de slachterij (z. nr. 5), wordt voor de slachthuizen geen precies maar slechts een uiterlijk tijdstip bepaald inzake het opstellen van deze aangifte.
Zo mag de exploitant van het slachthuis het tijdstip van het opstellen van de slachtaangifte zelf bepalen met inachtneming van zijn organisatie op voorwaarde dat dit zich situeert voor het weghalen van het dier uit het slachthuis en uiterlijk de dag na het slachten (z. art. 1, § 1, tweede lid, van het kon. besl. nr. 27).
Bestemming van de exemplaren van de slachtaangifte.
48. De slachtaangifte bestaat uit twee exemplaren. Het eerste exemplaar is bestemd voor de eigenaar(s) van het geslachte dier, het tweede exemplaar voor de exploitant (z. art. 1, § 1, vierde lid, van het kon. besl. nr. 27).
Bewaring en voorlegging van de slachtaangiften.
49. De eigenaar van het dier en de exploitant zijn gehouden hun exemplaar te behouden en op ieder verzoek van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën voor te leggen (z. art. 1, § 1, vierde lid, van het kon. besl. nr. 27).
50. Wanneer het geslachte dier aan twee of meer personen toebehoort, bewaart degene die het dier slacht of doet slachten voor gemeenschappelijke rekening het eerste exemplaar van de aangifte.
De medeëigenaar(s) moet(en), met het oog op de controle aantekening houden in zijn (hun fiscale boekhouding, van de in deze omstandigheden gedane slachtingen van het deel of van de fractie van het dier dat aan ieder toebehoort en van de naam van degene die het exemplaar van de aangifte bewaart (z. art. 2 van het kon. besl. nr. 27).
Afdeling 6.--Rol van de veearts-vleeskeurder
51. Luidens artikel 25 van het koninklijk besluit van 9 maart 1953, brengt de vleeskeurder die de definitieve beslissing neemt, tot besluit van zijn keuring, een goed leesbaar stempelmerk aan op de plaatsen vastgesteld door een ministerieel besluit (z. art. 6 van het min. besl. van 11 maart 1953).
In de slachthuizen mag de vleeskeurder deze stempel slechts aanbrengen op de dieren waaraan de merkplaatjes zijn gehecht (z. art. 3 van het kon. besl. nr. 27).
52. In dezelfde geest mag in de slachterijen de stempel door de vleeskeurder slechts worden aangebracht nadat hij zich vergewist heeft dat voor het betrokken dier een slachtaangifte werd opgesteld (verg. art. 19 van het kon. besl. van 9 maart 1953).
Hoofdstuk II Maatregelen met betrekking tot het wegen.
Principe.
53. De runderen (koeien, vaarzen, kalveren, stieren, ossen), paarden, muilezels en ezels geslacht in de slachthuizen, moeten worden gewogen.
Tijdstip van de weging.
54. De voormelde geslachte dieren moeten in de slachthuizen worden gewogen na de keuring en na het wegnemen van de slachtafval (z. art. 1, § 4, van het kon. besl. nr. 27).
1° Keuring.
Krachtens artikel 18 van het koninklijk besluit van 9 maart 1953 moet de vleeskeurder zo spoedig mogelijk na het slachten tot de keuring overgaan. Indien hij de gemeente van het slachthuis niet bewoont moet hij zich daar binnen vierentwintig uren heen begeven.
Er mag worden gesteld dat in de praktijk de keuring en bijgevolg de weging binnen de twee uren na het slachten plaatsheeft.
2° Slachtafval die voor de weging wordt weggenomen.
De geslachte dieren worden gewogen na de keuring en na het wegnemen van de slachtafval. Voor de toepassing van deze bepaling van artikel l, § 4, van het koninklijk besluit nr. 27 wordt aangemerkt als slachtafval :
-- voor kalveren : de kop met de tong, de zwezerik, het hart, de longen, de maag, de lever, de darmen met hun aanklevend vet, de poten en de huid;
-- voor runderen : de kop met de tong, de zwezerik, het hart, de longen de maag, de lever, de nieren, de staart, het netvlies, de milt, : er, het nier- en bekkenvet, de pijlers van het middenrif, de poten en de huid;
-- voor paarden, muilezels en ezels : de kop met de tong, de zwezerik, het hart, de longen, de maag, de lever, de nieren, de staart, het netvlies, de milt, het nier- en bekkenvet. de pijlers van het middenrif, de poten en de huid.
Rafactie wegens vochtverlies.
55. Vermits de weging van de dieren wordt verricht op een tijdstip dat het vlees nog warm is, aanvaardt de administratie een gewichtsvermindering wegens vochtverlies - tussen het tijdstip van de weging en het tijdstip van het versnijden van 3 pct., zonder onderscheid tussen de te wegen diersoorten.
56. In de vergunning verleend inzake weging aan een slachthuis kan als voorwaarde worden bepaald dat, gelet op het tijdstip van weging, geen rafactie wegens vochtverlies wordt toegestaan.
Een bijzondere melding in die zin wordt in dat geval door de exploitant van het slachthuis aangebracht op de opgave bedoeld in artikel 6, § 3, van het koninklijk besluit nr. 27 (z. Hoofdstuk III).
Weging van het dier. Geheel of per helft.
57. De te wegen dieren worden na het slachten, maar voor de keuring, door splijting van de wervelkolom in tweeën verdeeld (z. art. 18 van het kon. besl. van 9 maart 1953).
In de regel worden de twee helften opgehangen aan een dubbele vleeshaak en samen ter weging aangeboden, zodat het geslachte dier geheel wordt gewogen.
In bepaalde slachthuizen komt het voor dat wegens het systeem van ophangen slechts één helft wordt gewogen.
58. In principe mag in een slachthuis slechts één weegsysteem worden toegepast en de opgave bedoeld in artikel 6, § 3, van het koninklijk besluit nr. 27, moet het totale gewicht van de geslachte dieren vermelden. Waar bij helften gewogen wordt mag voor het opmaken van deze opgave de gewogen helft vermenigvuldigd worden met twee.
Verantwoordelijkheid inzake weging.
Ten aanzien van de verantwoordelijkheid wordt een onderscheid gemaakt tussen het louter feit van de weging en de vermelding van het gewicht op het geslachte dier.
59. Samen met de eigenaar van het dier is de exploitant van het slachthuis verantwoordelijk voor het feit dat de dieren ter weging worden aangeboden (z. art. 1, § 4, van het kon. besl. nr. 27). De exploitant kan dus verantwoordelijk worden gesteld wanneer een dier uit het slachthuis wordt weggehaald zonder dat het gewogen werd.
60. Daarentegen is slechts de eigenaar verantwoordelijk voor de vermelding van het juiste gewicht op het geslachte dier.
Deze regel geldt eveneens voor de mededeling van dit gewicht aan de exploitant dat deze laatste moet inschrijven in het weegregister indien het slachthuis over geen automatisch weegtoestel beschikt.
Vermelding van het juiste gewicht van het dier.
61. Bij het vermelden van het gewicht van het dier dienen volgende regels in acht genomen te worden.
1° Wijze van vermelding. Het juiste gewicht moet op het geslachte dier worden vermeld op een onuitwisbare en duidelijk leesbare wijze. Daartoe mag om het even welke methode worden aangewend op voorwaarde dat deze niet in strijd is met de reglementering inzake handel in slachtvlees en keuring van in het land geslachte dieren van het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin.
2° Plaats van vermelding. Het juiste gewicht van het geslachte dier moet op het achterste deel van iedere helft van het dier worden vermeld. De juiste plaats wordt niet gepreciseerd in het koninklijk besluit, het mag dus zowel op een rib als op het vlees worden geschreven, maar als achterste deel van iedere helft moet worden aangemerkt, dat deel waaraan de merkplaatjes moeten worden gehecht (z. nr. 33).
3° Te vermelden gewicht. Hiervoor moet een onderscheid worden gemaakt.
In de slachthuizen waar het geslachte dier in zijn geheel wordt gewogen, wordt, op het achterste deel van iedere helft, het totale gewicht van het dier vermeld.
In de slachthuizen waar slechts één helft van het geslachte dier wordt gewogen, wordt, op het achterste deel van iedere helft, het gewicht van de gewogen helft vermeld.
4° Tijdstip van vermelding. Vanzelfsprekend moet het gewicht op de hiervoor vermelde wijze en plaats worden vermeld, onmiddellijk na het wegen van het geslachte dier.
Weegtoestel.
Principe.
62. De weging moet worden verricht door middel van een automatisch weegtoestel dat voldoet aan de voorwaarden te bepalen door de Minister van Financiën (z. art. 1, § 4, van het kon. besl. nr. 27).
Voorwaarden waaraan het weegtoestel moet voldoen.
63. Deze voorwaarden zijn bepaald in artikel 1 van het ministerieel besluit nr. 12, van 28 augustus 1973 (Belgisch Staatsblad van 30 augustus l 973) waarnaar wordt verwezen (z. bijlage III).
Vermeldingen op de individuele weegstrook en op de controlestrook.
64. Ten aanzien van de gegevens die door de afdrukinrichting van het weegtoestel moeten worden gedrukt op de individuele weegstrook en op de controlestrook, wordt aangestipt dat :
1° de naam en het adres van het slachthuis vanzelfsprekend mag worden vervangen door een voordruk;
2° de datum van de weging, de dag, de maand en het jaartal moet bevatten :
3° de naam en het adres van de eigenaar, zelfs toevallige klant van het slachthuis, alsmede de vermelding van de diersoort, door een code mag worden aangeduid, op voorwaarde dat de sleutel van de gebruikte code steeds ter beschikking van de controlerende ambtenaar kan worden gesteld. Voor het bepalen van de diersoort worden dezelfde regelen gevolgd als voor de inschrijving in het register voor binnenkomende dieren en de slachtaangifte.
De administratie heeft er geen bezwaar tegen dat het slachthuis voor eigen organisatie een verder onderscheid zou maken inzake diersoort, of enig ander gegeven op de weegstrook en controleband zou opnemen.
65. Ten einde de controletaak van de ambtenaren niet te bemoeilijken mag een controlestrook slechts de wegingen bevatten die gedurende maximaal veertien dagen werden verricht. Het is duidelijk dat deze strook de wegingen van een kortere periode mag bevatten (b.v. één dag, enkele dagen, een week).
66. De controlestroken moeten worden bewaard en voorgelegd volgens de bepalingen van de artikelen 60 en 61 van het BTW-Wetboek.
De individuele weegstroken mogen door de exploitant van het slachthuis worden gebruikt volgens de vereisten van zijn eigen organisatie en moeten niet worden bewaard.
Toegestane afwijkingen inzake weegtoestel.
67. Gelet op het bestaande ontwerp van wet betreffende de organisatie van de veterinaire keuringen en sanitaire controles alsook de slachthuizen voor slachtdieren, werd besloten voorlopig volgende regeling toe te passen ten aanzien van het weegtoestel :
1° de exploitanten van slachthuizen waar een automatisch weegtoestel dat voldoet aan de voorwaarden van het ministerieel besluit nr. 12, voorhanden is, schikken zich naar de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 27, zoals deze werden gecommentarieerd hierboven;
2° de exploitanten van slachthuizen waar geen dergelijk automatisch weegtoestel voorhanden is, mogen voorlopig het weegtoestel of de weegtoestellen gebruiken waarover zij thans beschikken met inachtneming van de voorwaarden van de vergunning die zij dienen te vragen aan de inspecteur van de Speciale Dienst van de BTW in wiens ambtsgebied het slachthuis gevestigd is.
Bij het vaststellen van de voorwaarden van deze vergunning zullen deze slachthuizen in twee categorieën worden ingedeeld :
a) degene die met hangsporen zijn uitgerust en waar het geslachte dier ofwel geheel ofwel per helft kan worden gewogen;
b) degene die niet met hangsporen zijn uitgerust en waar het geslachte dier slechts in delen kan worden gewogen.
Het spreekt vanzelf dat de voorwaarden van deze vergunning strikt dienen te worden nageleefd. Ze zal worden ingetrokken wanneer enig misbruik wordt vastgesteld of wanneer de controleopdracht van de ambtenaren belast met de controle op om het even welke wijze wordt gehinderd.
68. Er wordt aangestipt dat wanneer een nieuw weegtoestel wordt aangeschaft of wanneer een weegtoestel wordt omgevormd of verbeterd, het verkregen weegtoestel moet beantwoorden aan de voorwaarden gesteld door het ministerieel besluit nr. 12.
Hoofdstuk III Jaarlijkse opgave.
Principe.
69. Op grond van artikel 6, § 3, van het koninklijk besluit nr. 27, moeten de exploitanten van slachthuizen en private slachterijen aan de administratie een opgave toesturen, voor iedere eigenaar die in de loop van het vorige jaar in hun instellingen dieren heeft geslacht of laten slachten.
Exploitanten gehouden tot het opstellen van de opgave.
70. Zowel de exploitanten van slachterijen als van slachthuizen zijn gehouden deze opgave op te maken.
Voor welke personen moet deze opgave worden opgesteld ?
71. Er moet een opgave worden opgesteld per eigenaar die in de loop van het vorige jaar dieren in de instelling heeft laten slachten.
Er moet geen onderscheid worden gemaakt of deze eigenaar BTW-belastingplichtige is of niet. Een opgave dient eveneens te worden opgemaakt voor de eigenaar van de slachterij of eventueel van het slachthuis.
Gegevens die de opgave moet bevatten.
72. De opgave bedoeld in artikel 6, § 3, van het koninklijk besluit nr. 27, die per eigenaar wordt opgesteld, moet volgende gegevens bevatten :
1° naam en adres van de eigenaar;
2° het registratienummer dat hem werd toegekend voor de toepassing van de BTW of, bij ontstentenis van een registratienummer, de vermelding « niet-belastingplichtige »;
3° het aantal dieren van iedere soort die de exploitant in de loop van het vorige jaar in de instelling heeft geslacht of laten slachten;
4° indien het gaat om een slachthuis, het slachtgewicht van de runderen, paarden, muilezels en ezels afzonderlijk, die de eigenaar in de loop van het vorige jaar in de instelling heeft geslacht of laten slachten.
Wanneer om enigerlei reden geen rekening mag worden gehouden met de rafactie wegens vochtverlies wordt dit uitdrukkelijk vermeld op de opgave.
Tijdstip van indiening van de opgave en bestemming ervan.
73. Voor 31 maart van het jaar na dat waarin de slachtingen hebben plaatsgehad, moeten de opgaven worden toegezonden aan de inspectie van de Speciale Dienst van de BTW in wiens ambtsgebied het slachthuis of de slachterij gevestigd is.
Zo zal voor 31 maart 1974 deze opgave moeten worden opgemaakt en toegestuurd voor de slachtingen die hebben plaatsgehad gedurende het vierde kwartaal 1973.
74. Deze opgaven die door de slachthuizen en slachterijen zullen worden opgemaakt met betrekking tot de slachtingen vanaf 1 januari 1974, ontslaan de exploitanten ervan de jaarlijkse opgave van de afnemers-belastingplichtigen op te maken ter uitvoering van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 23 voor de leveringen en diensten die betrekking hebben op slachtingen, maar niet voor de door de exploitant gedane leveringen van vlees aan afnemers-belastingplichtigen.
Hoofdstuk IV
Controle.
75. Onverminderd de algemene maatregelen ingesteld door het BTW-Wetboek, houdt het koninklijk besluit nr. 27 voor het toezicht op de voldoening van de BTW ten aanzien van vlees van slachtdieren, verscheidene bijzondere bepalingen in.
Zo kan geciteerd worden dat de ambtenaren van het Ministerie van Financiën :
1° dag en nacht vrije toegang hebben tot de slachthuizen (z. art. 6, § 1, tweede lid, van het kon. besl. nr 27) (2);
2° de exploitant van het slachthuis kunnen verplichten de geslachte runderen, paarden. muilezels en ezels opnieuw in hun aanwezigheid te wegen, ten einde het erop vermelde gewicht te verifiëren (z. art. 6, § 1, tweede lid, van het kon. besl. nr. 27);
3° de voorlegging ter inzage vorderen van de stukken bedoeld in de artikelen 5 tot 8 van het koninklijk besluit nr. 27.
NOTEN
(1) De classificatie per diersoort wordt aangeduid in hel model van bladzijde van het register van binnenkomende dieren (z. bijlage 1).
Wat meer In het bijzonder de definitie van kalveren betreft, zoals deze voorkomt op de in vorig lid vermelde bijlage, zal door de administratie geen kritiek worden uitgeoefend wanneer het dier als rund -- en niet als kalf --- is ingeschreven zo het gewicht ervan na slachting hoger is dan 130 kg.
(2) Er wordt aangestipt dat artikel 23bis, § 1, van de Wet van 5 september 1952, bedingt :« Behoudens de noodslachtingen is het slachten van slachtdieren in de openbare slachthuizen, in de slachthuizen gelijkgesteld met de openbare slachthuizen en in de private slachterijen verboden
1° alle dagen tussen 20 uur en 6 uur;
2° 's zondags;
3° op de feestdagen vastgesteld bij toepassing van de besluitwet van 25 februari 1947 betreffende het toekennen van loon aan de werknemers voor een bepaald aantal leest(lagen per jaar;
4° op de verlofdagen vastgesteld bij toepassing van de wetten betreffende het jaarlijks verlof der loonarbeiders, samengeordend bij koninklijk besluit van 9 maart 1951.»
Bijlage I
MODEL NIET OPGENOMEN
Bijlage II
MODEL NIET OPGENOMEN
Bijlage III
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 30 augustus 1973.
28 augustus 1973. - Ministerieel besluit tot vervanging van het ministerieel besluit nr. 12, van 14 november 1972, met betrekking tot de automatische weegtoestellen te gebruiken in slachthuizen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.
DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN FINACIEN,
Gelet op het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, inzonderheid op artikel 52;
Gelet op artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 27, van 26 juni 1973, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, ten aanzien van vlees van slachtdieren;
Gelet op artikel 2, tweede lid, van de wet van 23 december 1946 houdende instelling van een Raad van State;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid,
B E S L U I T :
Artikel 1. Het automatisch weegtoestel bedoelde in artikel 1, § 4, van het koninklijk besluit nr. 27, van 26 juni 1973, is een weegwerktuig dat aan de volgende voorwaarden moet voldoen :
1° behoren tot een model dat is goedgekeurd en de ijk ondergaan hebben volgens de voorschriften betreffende de weegwerktuigen, in toepassing van de vigerende wetgeving over de meetwerktuigen;
2° een maximaal weegvermogen hebben van minstens 500 kg;
3° voorzien zijn van een aanwijs- en afdrukinrichting waarvan het schaaldeel 1 kg bedraagt;
4° geschikt zijn voor het wegen van hangende lasten.
Bovendien, moet de afdrukinrichting, gelijktijdig op een individuele weegstrook voor iedere weging en op een controlestrook waarop de opeenvolgende wegingen worden opgenomen, de volgende inlichtingen afdrukken :
- de naam en het adres van het slachthuis;
- het nummer van het weegwerktuig wanneer er verscheidene in gebruik zijn;
- een jaarlijks volgnummer;
- de datum van de weging;
- de naam en het adres van de eigenaar;
- de diersoort en het nummer van het merkteken tot individualisering;
- het nettogewicht van het geslachte dier;
- ieder ander gegeven door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen.
Iedere controlestrook mag slechts de inlichtingen omvatten aangaande de wegingen die gedurende maximaal veertien dagen werden verricht.
Artikel 2. Dit besluit treedt in werking op 1 oktober 1973.
Brussel, 28 augustus 1973.
W. DE CLERCS
Bron: FisconetPlus
