Circulaire nr. AFZ/99-0976 d.d. 08.06.2000


Bull. nr. 806, pag. 1362

BEROEPSINKOMEN
Bestendig afgevaardigde

PACHT
Langetermijnpacht

PLAATSELIJK WERKGELEGENHEIDSAGENTSCHAP
Prestatie in het kader van een PWA
Uitgave betaald aan een PWA

WET
Burgerlijke bosgroeperingsvennootschap
Wet houdende diverse fiscale bepalingen
Wet houdende fiscale en andere bepalingen

WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992
Wijzigingswet


Eerste commentaar op een aantal nieuwe of wijzigende wettelijke bepalingen met betrekking tot de personenbelasting.

Aan al de ambtenaren van de niveaus 1, 2+ en 2 van de Administratie van fiscale zaken, van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit (sector directe belastingen), van de Administratie der directe belastingen en van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie (sector directe belastingen).

Hierna volgt een eerste commentaar op:



1.de art. 29 tot 31, W 7.4.1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst (BS 20.4.1999 - V 2685, Bull. 793) en het KB 22.9.1999 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van sommige teksten betreffende de PWA-arbeidsovereenkomst (BS 1.10.1999 - V 2743, Bull. 798);
2.de art. 2 tot 5 en 8 van de W 4.5.1999, houdende fiscale en andere bepalingen, verder W 4.5.1999-A (BS 4.6.1999 - V 2699, Bull. 795). De andere artikelen van dezelfde wet hebben betrekking op de invorderingen (art. 6 en 7) en op niet fiscale bepalingen;
3.de art. 2 tot 11, 16, 26, 28 tot 30, 34, 46 en 48, W 4.5.1999 houdende diverse fiscale bepalingen, verder W 4.5.1 999-B (BS 12.6.1999 - V 2703, Bull. 796) en KB 29.6.1999 tot uitvoering van artikel 34, 1°, van de W 4.5.1999 houdende diverse fiscale bepalingen (BS 15.7.1999 - V 2727, Bull. 797). De andere artikelen van de wet worden in een afzonderlijke circulaire besproken;
4. art. 5 tot 7, W 4.5.1999 tot beperking van de cumulatie van het ambt van bestendig afgevaardigde met andere ambten en tot harmonisering van het financieel en fiscaal statuut van de bestendig afgevaardigde, verder W 4.5.1999-C (BS 28.7.1999 - V 2729, Bull. 797);
5.de art. 2 tot 6, W 6.5.1999 ter bevordering van de oprichting van burgerlijke bosgroeperingsvennootschappen (BS 7.7.1999 - V 2726, Bull. 797);
6. art. 2 tot 4, W 13.5.1999 tot stimulering van langetermijnpachten (BS 3.7.1999 - V 2709, Bull. 796).
NAMENS DE MINISTER:
De Adjunct-administrateur-generaal
van de belastingen,


J-M. DELPORTE.


Bijlage INHOUDSTAFEL I. W 7.4.1999 BETREFFENDE DE PWA-ARBEIDSOVEREENKOMST 1. Sociale en culturele vrijstellingen - Inkomen verkregen voor prestaties geleverd in het kader van een PWA-arbeidsovereenkomst.....1 2. Vermindering voor uitgaven betaald voor prestaties in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen.......................3 3. Vermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten.................5 II. W 4.5.1999 HOUDENDE FISCALE EN ANDERE BEPALINGEN 1. Gezamenlijk hoederecht over de kinderen Toeslag op de belastingvrije som voor kinderen ten laste - Verdeling over beide ouders..........................................7 Onderhoudsuitkeringen...............................................10 2. Feitelijk gescheiden echtgenoten....................................12 3. Jaar van overlijden.................................................14 III. W 4.5.1999 HOUDENDE DIVERSE FISCALE BEPALIGEN 1. Bedrijfsleiders.....................................................19 2. lnvesteringsaftrek tot aanmoediging van het hergebruik van verpakkingen........................................................21 3. Tenlasteneming van verliezen van burgerlijke vennootschappen en verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid........................25 4. Niet belastbare meerwaarden.........................................29 5. Belastingvrije som..................................................32 6. Afzonderlijke aanslagen - Vergoedingen van de Europese Gemeenschappen aan de landbouwsector................................34 7. Belastingkrediet....................................................37 8. Voorafgaande schriftelijke akkoorden................................42 IV. W 4.5.1999 TOT BEPERKING VAN DE CUMULATIE VAN HET AMBT VAN BESTENDIG AFGEVAARDIGDE MET ANDERE AMBTEN EN TOT HARMONISERING VAN HET FINANCIEEL EN FISCAAL STATUUT VAN DE BESTENDIG AFGEVAARDIGDE........45 V. W 6.5.1999 TER BEVORDERING VAN DE OPRICHTING VAN BURGERLIJKE BOSGROEPERINGSVENNOOTSCHAPPEN...........................47 VI. W 13.5.1999 TOT STIMULERING VAN LANGETERMIJNPACHTEN.................54 I. W 7.4.1999 BETREFFENDE DE PWA-ARBEIDSOVEREENKOMST

1. Sociale en culturele vrijstellingen - inkomen verkregen voor prestaties geleverd in het kader van een PWA-arbeidsovereenkomst

1. Art. 38, 1e lid, 13°, WIB 92 bepaalde dat de vergoedingen verkregen voor prestaties geleverd in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen als een vrijgesteld inkomen werden aangemerkt. Voortaan wordt het inkomen verkregen voor prestaties geleverd in het kader van een PWA-arbeidsovereenkomst zoals bepaald in art. 3, W 7.4.1999 betreffende de PWA-arbeidsovereenkomsten, slechts gedeeltelijk van belasting vrijgesteld ten belope van 150 frank per gepresteerd uur.

2. Inwerktreding: 1.1.2000. (art. 29 en 32, W 7.4.1999 en art. 1, KB 22.9.1999 - art. 38, 1e lid, 13°, WIB 92)

2. Vermindering voor uitgaven betaald voor prestaties in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen

3. Naar analogie met de terminologie die wordt gebruikt in het kader van de PWA-arbeidsovereenkomst wordt in art. 145/21, 1e lid, WIB 92, dat een belastingvermindering vaststelt voor de uitgaven gedaan door een private gebruiker in het kader van het PWA-stelsel, het woord "werkloze" vervangen door het woord "werknemer".

4. Inwerkingtreding: 1.1.2000. (art. 30 en 32, W 7.4.1999 en art. 1, KB 22.9.1999 - art. 145/21, 1e lid, WIB 92)

3. Vermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten

5. Door de wijziging aan art. 146, 3°, WIB 92 wordt het inkomen verkregen voor prestaties geleverd in het kader van een PWA-arbeidsovereenkomst, na uitsluiting van het vrijgesteld inkomen (zie nr. l), voor de berekening van de belasting gelijkgesteld met werkloosheidsuitkeringen. Derhalve wordt op dat saldo - dat, gelet op de bepalingen inzake de werkloosheidsreglementering, in beginsel 100 frank per gepresteerd uur bedraagt - de belastingvermindering voor werkloosheidsuitkeringen toegepast.

6. Inwerkingtreding: 1.1.2000. (art. 31 en 32, W 7.4.1999 en art. 1, KB 22.9.1999 - art. 146, 3°, WIB 92)

II. W 4.5.1999 HOUDENDE FISCALE EN ANDERE BEPALINGEN

1. Gezamenlijk hoederecht over de kinderen

Toeslag op de belastingvrije som voor kinderen ten laste - Verdeling over beide ouders

7. Deze maatregel beoogt het geval van feitelijk of uit de echt gescheiden ouders die het gezamenlijk hoederecht over hun kinderen hebben.

Tot op heden worden in het WIB 92 toeslagen op de belastingvrije som voor kinderen ten laste gewoonlijk alleen toegekend aan de ouder bij wie die kinderen deel uitmaken van het gezin.

Wanneer het hoederecht werkelijk en afwisselend door elk van de ouders wordt uitgeoefend, wordt de last van de kinderen door elke ouder billijk gedragen. Het is dan ook slechts billijk dat de toeslagen op de belastingvrije som waarop die kinderen recht geven, onder die beide ouders worden verdeeld. Het nieuwe art. 132bis, WIB 92 regelt de verdeling van die toeslagen.

8. Voor de vaststelling van de toeslagen waarop deze kinderen overeenkomstig artikel 132, 1e lid, 1° tot 5°, WIB 92 recht geven, wordt geen rekening gehouden met eventuele andere kinderen van het gezin.

De helft van het aldus vastgestelde bedrag van die toeslagen zal:

  • in mindering worden gebracht van de toeslagen waarop de kinderen van het gezin waarin zij gedomicilieerd zijn, recht geven;
  • worden toegekend aan de andere ouder.


De verdeling van deze toeslagen onder de ouders gebeurt niet automatisch. Ze is afhankelijk van een jaarlijks te hernieuwen uitdrukkelijk en onherroepelijk verzoek van die beide ouders. Dit gezamenlijk verzoek moet bij hun aangifte in de personenbelasting worden gevoegd.

9. Inwerkingtreding: vanaf het aj. 2000. (art. 4 en 8, W 4.5.1999-A - art. 132bis, WIB 92)

Onderhoudsuitkeringen

10. Inzake onderhoudsuitkeringen is in het WIB 92 bepaald dat ze enkel aftrekbaar zijn voor zover, met name, het kind van de onderhoudsplichtige, geen deel uitmaakt van zijn gezin.

Anderzijds laat art. 132bis, WIB 92 (zie nrs. 7-9) nu toe de toeslagen op de belastingvrije som voor kinderen ten laste te verdelen over de beide ouders.

Om te vermijden dat de belastingplichtige gelijktijdig onderhoudsuitkeringen zou aftrekken en aanspraak zou maken op de helft van de genoemde toeslagen, wordt uitdrukkelijk in de wet bepaald dat in geval van toepassing van art. 132bis, WIB 92 de eventueel door één van de ouders voor hetzelfde kind betaalde onderhoudsuitkering niet aftrekbaar is.

11. Inwerkingtreding: vanaf het aj. 2000. (art. 2 en 8, W 4.5.1999-A - art. 104, 1° en 2°, WIB 92)

2. Feitelijk gescheiden echtgenoten

12. Aan art. 128, WIB 92 dat de gevallen opsomt in dewelke gehuwden niet als echtgenoten maar als alleenstaanden worden beschouwd, wordt een nieuw lid toegevoegd.

In dat lid wordt bepaald dat, wanneer voor feitelijk gescheiden echtgenoten twee afzonderlijke aanslagen worden gevestigd (art. 128, 1e lid, 2°, WIB 92), de beide aanslagen toch op naam van beide echtgenoten worden ingekohierd. Die bepaling heeft tot doel de mogelijkheid tot invordering van die aanslagen ten nam van beide echtgenoten ondubbelzinnig vast te leggen.

13. Inwerkingtreding: vanaf het aj. 2000. (art. 3 en 8, W 4.5.1999-A - art. 128, 3e lid, WIB 92)

3. Jaar van overlijden

14. Deze maatregel heeft tot doel het verhelpen van een andere anomalie die werd vastgesteld naar aanleiding van het overlijden van een echtgenoot in een gezin dat tot dan het huwelijksquotiënt genoot.

Voor het jaar van overlijden worden de overlevende echtgenoot en de nalatenschap van de overleden echtgenoot, op fiscaal vlak, behandeld als alleenstaanden. Bijgevolg kunnen zij het huwelijksquotiënt niet meer verkrijgen.

In een eerste fase werd getracht het verlies van de toepassing van het huwelijksquotiënt enigszins te milderen door een toeslag van 95.000 frank op de belastingvrije som te verlenen, indien één van de echtgenoten geen bestaansmiddelen heeft die 60.000 frank netto per jaar overschrijden.

15. Deze verhoging compenseert evenwel niet steeds het wegvallen van het huwelijksquotiënt. Zij wordt vervangen door een nieuwe toeslag op de belastingvrije som, ongeacht het bedrag van de netto bestaansmiddelen.

Voor het jaar van het overlijden zal de belastingvrije som in de nieuwe regeling worden verhoogd met:

  • wat de langstlevende echtgenoot betreft, het eventuele positieve verschil tussen 235.000 frank (niet geïndexeerd bedrag) en het belastbare netto beroepsinkomen van de overleden echtgenoot.
  • wat de aanslag op naam van de nalatenschap betreft, het eventuele positieve verschil tussen 235.000 frank (niet geïndexeerd bedrag) en het belastbare netto beroepsinkomen van de langstlevende echtgenoot.


Onder netto beroepsinkomen van een echtgenoot verstaat men het beroepsinkomen na aftrek van zijn aandeel in de aftrekbare bestedingen zoals bedoeld in de art. 104 tot 125, WIB 92.

16. Het bedrag van 235.000 frank stemt overeen met het bedrag van het huwelijksquotiënt waarop de echtgenoot in geval van samenvoeging van de inkomsten aanspraak had kunnen maken (maximum 270.000 frank), verminderd met het verschil tussen de belastingvrije som voor een alleenstaande (165.000 frank), en éénmaal de belastingvrije som voor gehuwden (130.000 frank), hetzij 270.000 frank - 35.000 frank = 235.000 frank (maximum).

17. Deze maatregel valt in bepaalde omstandigheden gunstiger uit dan de toepassing van het huwelijksquotiënt, wat dan weer niet de bedoeling is. De wet verduidelijkt bijgevolg dat deze toeslag op de belastingvrije som niet tot gevolg mag hebben dat de som van de door de overlevende echtgenoot en de nalatenschap van de overleden echtgenoot voor het jaar van overlijden verschuldigde belasting kleiner zou zijn dan de belasting die zou voortvloeien uit de toepassing van het huwelijksquotiënt op de inkomsten van beiden samen.

Met de "verschuldigde belasting" wordt de PB bedoeld vóór:

  • de vermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten;
  • de vermindering voor buitenlandse inkomsten;
  • de verrekening van de voorafbetalingen, voorheffingen, het forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting en het belastingkrediet;
  • de vermeerdering wegens geen of onvoldoende voorafbetalingen, de bonificaties voor voorafbetalingen en de belastingverhogingen.


18. Inwerkingtreding: vanaf het aj. 2000. (art. 5 en 8, W 4.5.1999-A - art. 133, § 2, WIB 92)

III. W 4.5.1999 HOUDENDE DIVERSE FISCALE BEPALINGEN

1. Bedrijfsleiders

19. De in art. 32, WIB 92 aangebrachte wijzigingen met betrekking tot de definitie van de bezoldigingen van bedrijfsleiders bevestigen de toepassing van het zogenaamde "attractiebeginsel" waardoor alle sommen en voordelen die aan een bedrijfsleider worden toegekend door zijn onderneming of vereniging, als dergelijke bezoldigingen moeten worden aangemerkt.

Titularissen die onbezoldigd een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies uitoefenen in een VZW of een andere rechtspersoon zoals bedoeld in art. 220, 3°, WIB 92 worden evenwel niet aan het attractiebeginsel onderworpen voor zover ze van dergelijke rechtspersonen geen inkomsten van onroerende goederen (huurgelden) verkrijgen die meer bedragen dan vijf derden van het kadastraal inkomen gerevaloriseerd met de in art. 13, WIB 92 vermelde coëfficiënt.

20. Inwerkingtreding: vanaf het aj. 1998. (art. 2 en 48, § 1, W 4.5.1999-B - art. 32, 1e en 3e lid, WIB 92)

2. lnvesteringsaftrek tot aanmoediging van het hergebruik van verpakkingen

21. Teneinde het hergebruik van verpakkingen aan te moedigen wordt een investeringsaftrek van 3 % toegekend aan alle ondernemingen zonder uitzondering (natuurlijke personen en vennootschappen) met betrekking tot de tot stand gebracht investeringen in materiële vaste activa die uitsluitend bestemd zijn voor het verzekeren van:

1. het productieproces van herbruikbare verpakkingen van dranken en nijverheidsproducten, zoals vermeld in boek III "Milieutaksen" van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur;

2. de terugname in de verkooppunten, de tussentijdse stockage, de verzending naar de afvuller of een distributiecentrale met het oog op de verdere sortering en reiniging en de sortering en reiniging met het oog op de terugzending naar de respectievelijke afvullers van de in punt 1, hierboven vermelde herbruikbare verpakkingen.

22. Art. 69, WIB 92 waarvan de bestaande tekst § 1 vormt, werd dan ook in die zin met een § 2 aangevuld. Ingevolge die wijziging en aangezien de voormelde investeringsaftrek aan alle ondernemingen (natuurlijke personen en vennootschappen) wordt toegekend, moesten de verwijzingen in de art. 74, 77, 201, 1e lid en 240, 2e lid, WIB 92 ook worden aangepast (1).

[(1) Aangezien door art. 56, W 10.3.1999 die, inzonderheid, de fiscale regeling van de verrichtingen van lening van aandelen vastlegt, reeds een nieuw tweede lid in art. 240, WIB 92 is ingevoegd, moet "art. 240, 2e lid" als "art. 240, 3e lid" worden gelezen].

23. Bovendien zal een KB bepalen wat onder productieproces moet worden verstaan, welke de toepassingswijze van die investeringsaftrek is, aan welke verplichtingen de belastingplichtigen moeten voldoen om van het voordeel te kunnen genieten alsmede de kenmerken waaraan de vaste activa moeten voldoen om recht te geven op de aftrek.


24. Inwerkingtreding: met ingang van het aj. 1999.


Deze bepaling is eveneens van toepassing op de vaste activa die verkregen of tot stand gebracht zijn vanaf 1.1.1993, doch in een aj. vóór het aj. 1999. De daarmee verband houdende investeringsaftrek wordt in aanmerking genomen voor de aj. 1999 tot 2002 telkens ten belope van 25 % van het totaal.

(art. 3 tot 5, 16, 26 en 48, § 2, 1e en 6e lid, W 4.5.1999-B - art. 69, 74,77, 201, 1e lid, en 240, 2e lid, WIB 92)

3. Tenlasteneming van verliezen van burgerlijke vennootschappen en verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid (2)

[(2) Gelet op de praktische problemen bij de invoering van deze nieuwe bepalingen, zal de Administratie inzake de betrokken teksten voorstellen tot verbetering indienen].

25. Krachtens art. 80, WIB 92 worden beroepsverliezen van burgerlijke vennootschappen en verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid als vermeld in art. 29, WIB 92, met uitzondering van de Europese economische samenwerkingsverbanden en de economische samenwerkingsverbanden, niet afgetrokken van de beroepsinkomsten van de vennoten of leden van die vennootschappen en verenigingen, tenzij en in zover die vennoten of leden winst of baten hebben en de daarop aan te rekenen beroepsverliezen uit een beroepswerkzaamheid van dezelfde aard voortspruiten.

26. Door art. 6, W 4.5.1 999-B is de aftrek van dergelijke beroepsverliezen nu ook mogelijk wanneer de vennoten of leden bewijzen dat die beroepsverliezen voortspruiten uit verrichtingen die beantwoorden aan rechtmatige financiële of economische behoeften.

27. Teneinde daaromtrent opmerkingen vanwege de Administratie te vermijden, kunnen de betrokken belastingplichtigen aan de Commissie voor Voorafgaande Akkoorden vragen of de hier bedoelde beroepsverliezen voortvloeien uit verrichtingen die beantwoorden aan wettelijke behoeften van financiële of economische aard (art. 34, 2°, W 4.5.1999-B).


28. Inwerkingtreding:


  • inzake de aanvulling van art. 80, WIB 92: deze bepaling treedt in werking vanaf aj. 1999.


Dit artikel is eveneens van toepassing op de aanslagen betreffende de ajn 1991 tot 1998, die het voorwerp uitmaken van een gemotiveerd bezwaarschrift ingediend binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf 12.6.1999 (dag van publicatie van de W 4.5.1999-B in het BS) bij de directeur van de directe belastingen van de provincie of het gewest in wiens ambtsgebied de aanslag werd gevestigd;

  • de mogelijkheid tot het vragen van een voorafgaand akkoord is bij gebrek aan een specifieke inwerkingtreding op 22.6.1999 (= de tiende dag na de publicatie van de W 4.5.1999-B in het Belgisch Staatsblad) in werking getreden.


(art. 6 en 34, 2°, W 4.5.1999-B - art. 80 en 345, § 1, 3°bis, WIB 92)


4. Niet belastbare meerwaarden

29. De W 18.7.1991 betreffende de bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren, heeft een nieuw art. 488bis, f, in het Burgerlijk Wetboek ingevoegd. Bijgevolg is de vroegere familieraad niet meer bevoegd om een overdracht te machtigen van goederen die toebehoren aan personen ten aanzien van wie een beschermingsmaatregel is genomen met toepassing van de wet van 26.6.1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.

Thans is het een voorlopige bewindvoerder die, krachtens een bijzondere machtiging van de vrederechter, de goederen van die beschermde personen kan vervreemden.

Anderzijds is ook een gerechtelijke instantie bevoegd om een overdracht te machtigen van goederen die toebehoren aan al dan niet ontvoogde minderjarigen of onbekwaam verklaarden.

30.Om die redenen worden de art. 93, 3° en 93bis, 2°, WIB 92 vervangen door de volgende bepaling:

"een overdracht onder bezwarende titel van goederen die toebehoren:



a)aan al dan niet ontvoogde minderjarigen of aan onbekwaam verklaarden ingeval de familieraad of een gerechtelijke instantie daartoe machtiging heeft gegeven;
b)aan personen aan wie een voorlopige bewindvoerder is toegevoegd overeenkomstig de 488bis" book="CATCH_ALL">488bis
31. Inwerkingtreding: 22.6.1999 (= de tiende dag na de publicatie van de W 4.5.1999-B in het BS).


(art. 7 en 8, W 4.5.1999-B - art. 93, 3° en 93bis, 2°, WIB 92)


5. Belastingvrije som

32. In de art. 131, 2° en 134, 1e lid, WIB 92 wordt het cijfer "130.000" vervangen door het cijfer "131.000" waardoor het aan gehuwden verleende belastingvrije bedrag met 1.000 frank per jaar en per echtgenoot wordt verhoogd.

33. Inwerkingtreding: met ingang van het aj. 2000. (art. 9, 10 en 48, § 4, W 4.5.1999-B - art. 131, 2° en 134, 1e lid, WIB 92)

6. Afzonderlinke aanslagen - vergoedingen van de Europese Gemeenschappen aan de landbouwsector

34. Krachtens art. 171, 4°, i, WIB 92 geldt een afzonderlijke belastingheffing tegen een aanslagvoet van 16,5 % met betrekking tot de premies die als inkomenssteun aan de Europese landbouwers worden toegekend overeenkomstig de gemeenschappelijke landbouwpolitiek. De bedoelde Europese verordeningen zijn in art. 171, 4°, i, WIB 92 opgesomd.

35. Rekening houdend met de ingewikkeldheid en de veelvuldige aanpassingen van de verschillende stelsels van Europese hulp en om opeenvolgende wijzigingen aan het WIB 92 te vermijden, wordt de opsomming van de verordening in art. 171, 4°, i, WIB 92 geschrapt.

Ingevolge de nieuwe tekst van art. 171, 4°, i, WIB 92 worden alle premies en vergoedingen ingesteld door de Europese Gemeenschappen als steunregeling voor de landbouwsector aan een afzonderlijke belastingheffing tegen ee aanslagvoet van 16,5 % onderworpen.

36. De inwerkingtreding zal bij koninklijk besluit worden vastgelegd. (art. 11 en 48, § 5, W 4.5.1999-B - art. 171, 4°, i, WIB 92)

7. Belastingkrediet

37. Art. 289bis, WIB 92 werd gewijzigd teneinde een onderscheid te maken tussen de bepalingen die enerzijds in de PB en anderzijds in de Ven.B van toepassing zijn.

Inzake PB legt de nieuwe tekst van art. 289bis, WIB 92 voor de belastingplichtigen die de in art. 23, § 1, 1° en 2°, WIB 92 vermelde winst en baten verkrijgen, de verrekening van een belastingkrediet van 10 % met de personenbelasting vast, met een maximum van 150.000 frank, van het meerdere van:

  • het op het einde van het belastbare tijdperk bestaande positieve verschil tussen de fiscale waarde van de vaste activa die worden geacht voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid te worden gebruikt (art. 41, WIB 92) en het totale bedrag van de schulden met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar die betrekking hebben op uitgeoefende beroepswerkzaamheden die winst of baten opbrengen;
  • ten opzichte van het op het einde van één van de drie voorafgaande belastbare tijdperken bereikte hoogste bedrag van dit verschil.


38. De door de W 4.5.1 999-B aangebrachte wijziging beoogt meer uitdrukkelijk te stellen dat, om recht te kunnen hebben op het belastingkrediet, het geheel van de vaste activa en het geheel van de schulden met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar voor alle werkzaamheden samen (winst en baten), in aanmerking moet worden genomen.

Er wordt eveneens verduidelijkt dat, wanneer de aanslag op naam van beide echtgenoten wordt gevestigd, het percentage, het bedrag en de grens die bepaald zijn, per echtgenoot worden beoordeeld. Diezelfde bepaling wordt bovendien ook ingevoegd in de oude versie van art. 289bis, WIB 92.

De voorwaarden voor het verlenen van het belastingkrediet (een attest - een ingevulde, gedagtekende en ondertekende opgave - waarbij wordt bevestigd dat de belastingplichtige in orde is met de betaling van zijn sociale zekerheidsbijdragen als zelfstandige) blijven ongewijzigd.

39. Het belastingkrediet wordt bovendien in de gevallen vermeld in art. 46, § 1, 1° en 3°, WIB 92 altijd bepaald alsof er geen verandering van belastingplichtige is geweest (voortzetting van de onderneming, de beroepswerkzaamheid of één of meer bedrijfsafdelingen of takken van werkzaamheid door de echtgenoot of door één of meer erfgenamen of erfgerechtigden in de rechte lijn van de persoon die heeft stopgezet; inbreng in een landbouwvennootschap die wordt geacht geen rechtspersoonlijkheid te bezitten tijdens het belastbare tijdperk van de inbreng).

40. De art. 290 en 291, WIB 92 zijn eveneens gewijzigd teneinde, in de mate van het mogelijke, de gevallen van overdracht van het belastingkrediet op latere boekjaren te beperken, door het belastingkrediet zo veel mogelijk te verrekenen met de belasting op de inkomsten van het jaar zelf.

Het is dus in die zin:

  • dat de tekst van art. 290, 2°, WIB 92 werd vervangen door de volgende tekst: "mogen de als forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en als belastingkrediet verrekenbare sommen niet meer bedragen dan het deel van de personenbelasting dat evenredig betrekking heeft op de beroepsinkomsten.";
  • dat de tekst van art. 290, 3°, WIB 92 werd opgeheven;
  • dat art. 291, 2e lid, WIB 92 werd aangepast ingevolge de voormelde wijzigingen aangebracht aan art. 290, WIB 92.


41. Inwerkingtreding: art. 289bis (nieuw), WIB 92 is van toepassing vanaf het aj. 2000 en de wijzigingen die betrekking hebben op de art. 290 en 291, WIB 92 hebben uitwerking vanaf het aj. 1997. De wijzigingen aan art. 289bis (oud), WIB 92 hebben uitwerking voor de ajn 1997 tot 1999.

(art. 28 tot 30, 46 en 48, § § 4 en 9, W 4.5.1999-B - art. 289bis, 290, 2° en 3°, en art. 291, 2e lid, WIB 92)

8. Voorafgaande schriftelijke akkoorden

42. Krachtens art. 345, § 1, 2° en 3°, WIB 92 wordt doorde Administratie der directe belastingen een voorafgaand schriftelijk akkoord gegeven omtrent het feit dat:

  • een voordeel verleend in de omstandigheden als vermeld in art. 26, WIB 92 niet abnormaal of goedgunstig is;
  • een betaling als vermeld in art. 54, WIB 92 wel degelijk beantwoordt aan een werkelijke en oprechte verrichting en dat zij de normale grenzen niet overschrijdt.


Aangezien bij het Ministerie van Financiën een nieuwe dienst van voorafgaande beslissingen is opgericht (KB 3.5.1999 - V 2700, Bull. 795 en MB 27.5.1999 - V 2701, Bull. 795) die over de hierboven vermelde gevallen beslist, was het nodig die gevallen uit art. 345, § 1, WIB 92 te verwijderen om geen dubbel gebruik te hebben (art. 34, 1°, W 4.5.1999-B).

43. Anderzijds worden door de W 4.5.1999-B nog twee wijzigingen aangebracht aan art. 345, § 1, W(B 92:

  • invoeging van een nieuw 3°bis (zie nrs. 27 en 28);
  • aanvulling van het 6° met de verwijzing naar de nieuwe bepalingen in art. 292bis, WIB 92 betreffende de overdracht van het niet verrekende belastingkrediet in geval van verwerving of wijziging van de controle van een vennootschap in de loop van het belastbare tijdperk (art. 34, 3°, W 4.5.1999-B).


44. De inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen van art. 345, § 1, WIB 92 is als volgt geregeld:

  • art. 34, 1°, W 4.5.1999-B: op 14.6.1999;
  • art. 34, 2°, W 4,5.1999-B: zie nr 28;
  • art. 34, 3°, W 4.5.1999-B: vanaf aj. 2000.


(art. 34 en 48, §§ 4 en 5, W 4.5.1999-B en KB 29.6.1999 - art. 345, § 1, WIB 92)

IV. W 4.5.1999 TOT BEPERKING VAN DE CUMULATIE VAN HET AMBT VAN BESTENDIG AFGEVAARDIGDE MET ANDERE AMBTEN EN TOT HARMONISERING VAN HET FINANCIEEL EN FISCAAL STATUUT VAN DE BESTENDIG AFGEVAARDIGDE


45. Die wet beperkt uitdrukkelijk de aard van de beroepsinkomsten van:


  • de leden van de provincieraden: in art. 27, WIB 92 bedoelde baten (zie ook Com.IB 92, 23/169);
  • de leden van de bestendige deputatie: in art. 31, WIB 92 bedoelde bezoldigingen van werknemers (zie ook Com.IB 92, 23/170).


Art. 27, 2° lid, 5°, WIB 92, zoals het werd gewijzigd door art. 5, W 4.5.1999 -C (1), heeft voor de leden van de provincieraden tot gevolg dat de aangifte wordt ontvangen en onderzocht door het controlecentrum Brussel 4 (zie art. 297, WIB 92 en art. 125bis, KB/WIB 92).

[(1) De slecht opgestelde tekst van art. 5, W 4.5.1999 wordt met een volgende wet verbeterd].

46. Inwerkingtreding: ter gelegenheid van de eerstvolgende vernieuwing van de provincieraden, zijnde 20.10.2000 (dit is, krachtens art. 49 van de provinciewet, de tweede vrijdag die volgt op de dag van de verkiezingen die op 8.10.2000 plaatsvinden).


(art. 5 tot 7, W 4.5.1999-C - art. 27 en 31, WIB 92)


V. W 6.5.1999 TER BEVORDERING VAN DE OPRICHTING VAN BURGERLIJKE BOSGROEPERINGSVENNOOTSCHAPPEN

47. Die wet strekt ertoe de versnippering van privé-bossen tegen te gaan en een duurzaam beheer ervan te waarborgen.

Daartoe wordt een bijzonder aanslagstelsel ingevoerd op de inkomsten van een bosgroeperingsvennootschap om die gelijk te kunnen stellen met inkomsten uit een privé-patrimonium, ondanks het vennootschappelijk karakter dat uit de voorgestelde structuur voortvloeit.

48. Onder bosgroeperingsvennootschap wordt verstaan, elke burgerlijke vennootschap die de rechtsvorm van een handelsvennootschap heeft aangenomen, die erkend is door de Minister van Financiën op advies van de Minister van het betrokken gewest die de bossen onder zijn bevoegdheid heeft, en die uitsluitend tot maatschappelijk doel en activiteit heeft, de bosbouw op gronden waarvan ze eigenaar is, alsmede alle verrichtingen die met dat doel verband houden of er normaal uit voortvloeien op voorwaarde dat ze het burgerlijk karakter van de groepering niet wijzigingen, met uitsluiting van het kappen van bomen en de verwerking van bosproducten.

49. De bosgroepering zal voor de toepassing van de inkomstenbelastingen worden geacht geen rechtspersoonlijkheid te bezitten, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:



1.de aandelen of deelbewijzen op naam zijn uitsluitend in het bezit van natuurlijke personen opdat de daadwerkelijke belasting van de leden dankzij de transparantie verzekerd is;
2.de door de bosgroepering afgestane percelen of die welke erin zijn ingebracht mogen vóór de inbreng of de verwijdering ten bate van de groepering nooit bestemd zijn geweest voor de uitoefening van een beroepswerkzaamheid. Bovendien zullen de nieuwe voorgestelde bepalingen alleen op de nieuw opgerichte vennootschappen van toepassing zijn;
3.de door de bosgroepering verkregen inkomsten kaderen uitsluitend in het normale beheer van een privé-vermogen;
4.de bosgroepering mag geen enkel abnormaal of goedgunstig voordeel toekennen of verkrijgen.
50. Het belastbaar inkomen van een bosgroeperingsvennootschap wordt volgens de aard ervan vastgesteld volgens de regels van toepassing op inkomsten van onroerende goederen, inkomsten van roerende goederen en kapitalen, en diverse inkomsten.

Het aldus bepaalde belastbare inkomen wordt beschouwd als inkomen van onroerende goederen, inkomen van roerende goederen en kapitalen of diverse inkomsten van elk van de vennoten of de aandeelhouders en wordt aldus in hun naam belast volgens het belastingstelsel dat op hen van toepassing is.

51. Deze inkomsten worden geacht te zijn betaald of toegekend aan de vennoten of de aandeelhouders op de datum van de afsluiting van het boekjaar waarop ze betrekking hebben.

Het gedeelte van elke vennoot of aandeelhouder in de belastbare inkomsten van de bosgroeperingsvennootschap komt overeen met zijn aandelenpercentage in het maatschappelijk kapitaal van deze vennootschap.

52. De bosgroeperingsvennootschap is aan de vennootschapsbelasting onderworpen met ingang van de eerste dag van het belastbaar tijdperk waarin, hetzij, haar erkenning wordt ingetrokken, hetzij, aan een van de in nr 49 vermelde voorwaarden niet langer is voldaan.

De uitgedrukte reserves van een in het vorig lid bedoelde bosgroeperingsvennootschap zijn slechts vrijgesteld van vennootschapsbelasting in zover de onaantastbaarheidsvoorwaarde wordt nageleefd. Iedere opneming uit de voorheen gevormde reserves wordt belastbaar in het belastbaar tijdperk waarin de opneming plaats heeft gevonden. Hetzelfde geldt voor de niet uitgedrukte reserves die zich op het ogenblik dat een vennootschapsvorm werd aangenomen in het vermogen van de vennootschap bevonden.

53. Inwerkingtreding: van toepassing op de vennootschappen opgericht vanaf 7.7.1999. (art. 2 tot 6, W 6.5.1999)

VI. W 13.5.1999 TOT STIMULERING VAN LANGETERMIJNPACHTEN

54. Die wet vult art. 12, § 2, WIB 92 aan teneinde het afsluiten van langetermijnpachten te stimuleren.

Daartoe voorziet deze wet op fiscaal vlak in de vrijstelling van de inkomsten van in België gelegen onroerende goederen die worden verhuurd bij pachtovereenkomsten van gronden die opgesteld zijn bij authentieke akte en die voorzien in een eerste gebruiksperiode van minimaal achttien jaar.

Anderzijds wordt het BW aangepast waardoor de opzegmogelijkheid van de pachtovereenkomst door de eigenaar wordt versoepeld door een aanvullende opzegmogelijkheid in te voeren ten gunste van diens bloedverwanten tot de vierde graad.


55. Inwerkingtreding: van toepassing op de lopende pachtovereenkomsten.


(art. 2 tot 4, W 13.5.1999, art. 12, § 2, WIB 92)