Circulaire nr. Ci.RH.233/586.864 (AAFisc Nr. 33/2011) dd 23.06.2011
Algemene administratie van de FISCALITEIT - Centrale diensten
Directie I/1
Circulaire nr. Ci.RH.233/586.864 (AAFisc Nr. 33/2011) dd 23.06.2011
Vennootschapsbelasting
Roerende voorheffing
Vrijstelling van de RV
Vrijstellingsvoorwaarde
Dividend
Dubbelbelastingverdrag
Uitwisseling van inlichtingen
De uitbreiding van art. 106, § 5, KB/WIB 92, door art. 3, 2°, KB 21.12.2006 heeft geen betrekking op de moedermaatschappijen die gevestigd zijn in een lidstaat van de E.U. Deze moeten nog steeds één van de rechtsvormen aannemen die uitdrukkelijk in de bijlagen bij de Richtlijn zijn bedoeld.
Aan alle ambtenaren van de niveaus A tot C.
I. INLEIDING
- Deze circulaire heeft betrekking op bepaalde toepassingsmodaliteiten van art. 106,
§ 5, KB/WIB 92, na de wijziging ervan door het KB 21.12.2006 (1). Het nieuwe regime is van toepassing op dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1.1.2007.
(1) KB 21.12.2006 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het vlak van de bedrijfsvoorheffing, de roerende voorheffing en het minimum van de belastbare winst of baten van ondernemin gen of beoefenaars van een vrij beroep.
II. REGLEMENTAIRE BEPALING
Art. 106, KB/WIB 92
2. "…
§ 5. Van de inning van de roerende voorheffing wordt volledig afgezien met betrekking tot dividenden waarvan de schuldenaar een Belgische dochteronderneming is en waarvan de verkrijger een moedermaatschappij is, die is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie dan België of in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig ander verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende Staten.
De verzaking is evenwel niet van toepassing indien het aandelenbezit van de moedermaatschappij uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald niet het in § 6bis vermelde minimumpercentage van het kapitaal van de dochteronderneming vertegenwoordigt en die minimumdeelneming niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar wordt of werd behouden.
Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid verstaat men onder dochteronderneming of moedermaatschappij een vennootschap:
a) die een van de rechtsvormen heeft die in de bijlage van de richtlijn van 23 juli 1990 (90/435/EEG) betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten, gewijzigd door de richtlijn van de Raad van 22 december 2003 (2003/123/EG) worden benoemd of een gelijksoortige rechtsvorm als deze in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten;
b) die, volgens de fiscale wetgeving van de Staat waar ze is gevestigd en de overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting die deze Staat heeft gesloten met derde Staten, wordt beschouwd in deze Staat haar fiscale woonplaats te hebben;
c) die er is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of aan een gelijksoortige belasting als de vennootschapsbelasting zonder te genieten van een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht.
…
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt voor de vaststelling van de minimumdeelneming in het kapitaal van de dochteronderneming ten name van de overdrager, van de pandgever of van de leninggever geen rekening gehouden met de aandelen die, op het ogenblik waarop de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld zijn, het voorwerp zijn van een zakelijke zekerheidsovereenkomst of van een lening met betrekking tot deze aandelen."
III. UITBREIDING VAN DE DRAAGWIJDTE VAN ART. 106, § 5, KB/WIB 92, DOOR HET KB 21.12.2006
- Art. 106, § 5, KB/WIB 92, werd gewijzigd om het voordeel van de verzaking van de RV uit te breiden naar moedermaatschappijen die gevestigd zijn in een Staat waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, op voorwaarde dat deze overeenkomst of enig ander verdrag in de uitwisseling van inlichtingen voorziet die nodig zijn om uitvoering te geven aan de bepalingen van de nationale wetten van de overeenkomstsluitende Staten.
- De wijziging die door art. 3, 2°, KB 21.12.2006 aan art. 106, § 5, KB/WIB 92, werd aangebracht, heeft geen betrekking op moedermaatschappijen die gevestigd zijn in lidstaten van de EU die bedoeld zijn in de Richtlijn van de Raad van 23.7.1990 (2), ondanks het feit dat er tussen België en die Staten een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting is gesloten.
(2) Richtlijn van de Raad van 23.7.1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidsta ten.
De uitbreiding van de verzaking van de inning van de RV betreft bijgevolg de moedermaatschappijen die gevestigd zijn buiten de Europese Unie, wat wordt bevestigd in het Verslag aan de Koning bij het KB 21.12.2006 (3).
(3) "De verzaking aan de inning van roerende voorheffing op dividenden die al bestaat voor de moedermaatschappijen van een andere lidstaat van de Europese Unie, wordt uitgebreid voor de dividenden die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2007 voor de moedermaatschappijen van de Staten waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten zonder beperking inzake uitwisseling van inlichtingen."
(zie het Verslag aan de Koning bij het KB 21.12.2006, BS van 29.12.2006, Ed. 7, blz. 76357, eerste lid).
- De uitbreiding van het regime van de verzaking door het KB 21.12.2006 heeft bijgevolg de situatie niet gewijzigd voor de landen die reeds in de oorspronkelijke tekst werden bedoeld. Derhalve moet, wat de lidstaten van de EU betreft, een "vennootschap" steeds één van de rechtsvormen aannemen die uitdrukkelijk zijn bedoeld in de bijlage bij de Richtlijn.
De twee toepassingsgevallen die zijn opgenomen in art. 106, § 5, eerste lid, KB/WIB 92, sluiten elkaar uit, naargelang er al dan niet sprake is van een lidstaat zoals bedoeld in de Richtlijn.
IV. KWALIFICATIE ALS "MOEDERMAATSCHAPPIJ"
- Voor de toepassing van art. 106, § 5, KB/WIB 92, moet worden nagegaan of, op basis van haar specifieke statuut, de moedermaatschappij die het roerend inkomen verkrijgt, al dan niet in aanmerking komt voor één van de twee toepassingsgevallen inzake de verzaking van de inning van de RV (zie het nr. 5 hiervoor).
Een instelling die gevestigd is in een lidstaat van de EU waarmee België een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten en die in de vereiste uitwisseling van inlichtingen voorziet, maar die niet één van de rechtsvormen heeft aangenomen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Richtlijn van de Raad van 23.7.1990 waarnaar art. 106, § 5, derde lid, a), KB/WIB 92, steeds uitdrukkelijk verwijst, vormt geen "moedermaatschappij" in de zin van de voormelde bepaling. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn voor bepaalde openbare instellingen die een eigen rechtsvorm hebben aangenomen die buiten het toepassingsgebied valt van de lijst die als bijlage bij de voormelde Richtlijn van 23.7.1990 werd toegevoegd.
V. ONDERWORPEN ZIJN AAN DE VENNOOTSCHAPSBELASTING OF AAN EEN GELIJKSOORTIGE BELASTING
- De voorwaarde inzake het onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of aan een gelijksoortige belasting kan niet worden geacht vervuld te zijn ten name van een instelling die niet onderworpen is aan de vennootschapsbelasting van het land waar ze is gevestigd, maar aan een heffing van een andere aard, wat ook de overeenstemming is die zou kunnen bestaan tussen die specifieke heffing en de vennootschapsbelasting. Het feit dat de instelling een fiscale schuld vereffent die gelijkwaardig is aan de vennootschapsbelasting, impliceert echter niet dat het gaat om een instelling die in het land waar ze is gevestigd "onderworpen is aan de vennootschapsbelasting of aan een gelijksoortige belasting".
NAMENS DE MINISTER:
Voor de Administrateur-generaal van de fiscaliteit dd.:
D. DELVAUX M. DE KEYSER
Eerste attaché van financiën Eerste attaché van financiën
