14.07.1978 - Omzendbrief D.I. 809.1 - D.C. 45.600
GESCHILLEN
|
Exploitatie van slijterijen van gegiste dranken door vreemdelingen die geen beroepskaart of arbeidsvergunning bezitten | |
Brussel, 14 juli 1978.
- De vreemdeling die op het Belgisch grondgebied het beroep van drankslijter uitoefent moet houder zijn van de beroeps- kaart bepaald bij de wet van 19 februari 1965 (Belgisch Staatsblad van 26 februari 1965), of van de arbeidsvergunning bepaald bij het koninklijk besluit van 20 juli 1967 (Belgisch Staatsblad van 29 juli 1967), naar gelang hij de slijterij exploiteert voor eigen rekening als zelfstandige, dan wel voor rekening van derden indien hij voor die activiteit aan de maatschappelijke zekerheid voor werknemers is onderworpen.
- Uit die voorschriften volgt :
a) dat doorgaans een beroepskaart vereist is voor de vreem- delingen die een slijterij houden, waarvan een brouwerij of een drankhandelaar lastgever is in de betekenis van artikel 22, 2°, van de gecoördineerde wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken ;
b) dat het bezit van een arbeidsvergunning verplicht is voor de vreemdelingen, die als zaakvoerder of als aangestelde optreden voor rekening van een derde, namelijk wanneer die derde een last- gever is in de betekenis van artikel 21 van voormelde coördinatie.
Bon O.S.D. nr. 280/78
2
- De toepassing van een van vorenvermelde regimes is afhankelijk van de bepalingen van het contract dat de vreemdeling en de lastgever verbindt. Nochtans is de arbeidsvergunning altijd vereist wanneer de vreemdeling geniet van de maatschappelijke zekerheid voor werknemers, voor zijn activiteit van zaakvoerder of aangestelde.
- De beroepskaart of de arbeidsvergunning moet geldig zijn voor de uitgeoefende activiteit en ze moet in het bezit zijn van de belanghebbende vóór de opening van zijn inrichting of vóór zijn indiensttreding.
- Overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek van Straf- vordering zijn de ambtenaren verplicht de inbreuken op vorenver- melde wettelijke bepalingen, onmiddellijk ter kennis te brengen van de autoriteiten die bevoegd zijn om ze te vervolgen. In de praktijk geeft de betrokken hoofdcontroleur door bemiddeling van de gewestelijke directeur aan het bevoegd ministerieel departement schriftelijk kennis van die inbreuken. Dat departement beslist over het verder gevolg dat aan die zaken moet worden gegeven en, namelijk, of het passend is de Procureur des Konings ervan kennis te geven. Die regel dient ook in de toekomst te worden nageleefd, onder voorbehoud van het hierna bepaalde.
- Wanneer onze diensten constateren dat de werkelijke exploitant van een drankslijterij geen geldige beroepskaart bezit, is het hun plicht van die inbreuk kennis te geven aan het Ministerie van de Middenstand - Dienst van de beroepskaarten of aan de Inspectiedienst van dat Departement. Het adres van die twee diensten is : World Trade Center Tour 2, Emile Jacqmainlaan 162, Bus nr. 54, te 1000 Brussel. Het Departement van de Middenstand moet echter niet worden ingelicht van de inbreuk indien de vreemdeling aan onze diensten kan aantonen dat hij een aanvraag tot het bekomen van een beroepskaart bij het gemeentebestuur of bij een Belgisch consulaat in het buitenland heeft ingediend. In dat geval kan inderdaad worden aangenomen dat een regularisatie reeds aan de gang is.
- Overigens moet het Departement van Tewerkstelling en Arbeid, dat bevoegd is inzake de reglementering betreffende de arbeidsvergunning, schriftelijk in kennis worden gesteld van al de inbreuken op het koninklijk besluit van 20 juli 1967, die door onze diensten zouden worden geconstateerd. die inbreuken moeten worden medegedeeld aan het volgend adres : Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, Directie van de Werkgelegenheid, Belliardstraat 53, te 1040 Brussel (tel. 02/513.40.90).
- De aandacht wordt evenwel speciaal gevestigd op het feit dat vorenstaande bepalingen niet toepasselijk zijn :
1° op de Luxemburgse en Nederlandse onderdanen, die in elk geval zijn vrijgesteld van de verplichting houder te zijn van een beroepskaart (Koninklijk besluit van 25 november 1965 - Belgisch Staatsblad van 5 februari 1966) of van een arbeidsvergunning (Artikel 2 van het koninklijk besluit van 20 juli 1967) ;
2° op de onderdanen van de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap, daaronder begrepen de onderdanen vermeld sub 1, die insgelijks zijn vrijgesteld van de verplichting houder te zijn :
a) van een beroepskaart voor de uitoefening van een winst- gevende en zelfstandige activiteit van slijter van dranken (K.B. van 29 augustus 1977 - Belgisch Staatsblad van 29 oktober 1977), deze vrijstelling strekt zich echter niet uit :
- op de levering van dranken bestemd om ter plaatse te worden verbruikt, gedaan door ambulante handelaars en colporteurs, uitgeoefend van deur tot deur, op de openbare weg, bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 28 november 1939 houdende reglementering van de leurhandel (Belgisch Staatsblad van 8 december 1939) ;
- op de uitbaters van danszalen of van herbergen.
4
b) van een arbeidsvergunning voor de uitoefening van een bezoldigd beroep (Verordening (EEG) van 15 oktober 1968, nr. 1612/68 van de Raad van de Europese Gemeenschappen - Pu- blikatieblad van 19 oktober 1968, nr. L. 257).
*
* *
- De circulaire van 30 juni 1975, nr. D.C. 31.350 (D.I. 809.1), vervalt.
*
* *
Een exemplaar van deze circulaire zal door de gewestelijke directeurs worden bezorgd aan al de ambtenaren van de niveaus 1 en 2, alsook aan de sectiechefs der accijnzen, hoofdfinancie- beambten (A), eerste financiebeambten (A) en financiebe- ambten (A).
Namens de Minister : De Directeur-generaal,
P. VANGERVEN
