Circulaire 2018/C/85 betreffende de nieuwe bepalingen aangaande de fiscale bemiddelingsdienst
Deze circulaire bespreekt de wetgevende wijzigingen betreffende de schorsende werking van de vraag tot fiscale bemiddeling, het recht van de fiscale bemiddelingsdienst om de hoorzitting bij te wonen en het recht om een bezwaarschrift in te dienen bij de fiscale bemiddelingsdienst (wet van 10 juli 2017 tot versterking van de rol van de fiscale bemiddelingsdienst; wet van 29 maart 2018 tot uitbreiding van de opdrachten en versterking van de rol van de fiscale bemiddelingsdienst).
Inkomstenbelastingen en gelijkgestelde belastingen; belasting op de toegevoegde waarde, diverse taksen; administratieve geschillen; fiscale bemiddeling; workflow geschillen
FOD Financiën, 29.06.2018
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Geschillen
Inhoudstafel
I. Algemeen
II. Wettelijke bepalingen
III. Schorsend effect van een aanvraag tot bemiddeling op het nemen van een beslissing en een gelijklopende verlenging van de termijn die moet verstrijken vooraleer een vordering voor de rechtbank kan worden ingediend in geval van een georganiseerd beroep
A. Principes
B. Vertrekpunt van de termijn van de schorsing van de beslissing over het administratief beroep
C. Verstrijken van de schorsingstermijn voor het nemen van een beslissing op het administratief beroep
D. Inkomstenbelastingen en daarmee gelijkgestelde belastingen - bijzonderheden
IV. Het recht van de fiscale bemiddelingsdienst om de hoorzitting van de bezwaarindiener bij te wonen
V. Het recht om een geldig bezwaarschrift in te dienen bij de fiscale bemiddelingsdienst
VI. Niet georganiseerde beroepen
VII. Praktische richtlijnen voor de toepassing van de Workflow geschillen
VII. Inwerkingtreding
I. Algemeen
1. De wet van 10 juli 2017 tot versterking van de rol van de fiscale bemiddelingsdienst (B.S., 20 juli 2017) bepaalt dat een ontvankelijk verklaarde aanvraag om bemiddeling een schorsend effect heeft op het nemen van een beslissing in een georganiseerd administratief beroep en voert in dat in geval van een georganiseerd beroep de termijn dat de belastingplichtige moet wachten alvorens hij een vordering voor een rechtbank kan instellen op eenzelfde wijze wordt verlengd.
Daarnaast wordt ook voorzien dat een bezwaarschrift, zoals bepaald in artikel 366, Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), gericht aan de fiscale bemiddelingsdienst, geldig is ingediend op de datum van ontvangst door die dienst.
Tenslotte verleent de wet aan de fiscale bemiddelingsdienst het recht tot bijwonen van de hoorzitting, welke in het kader van de behandeling van het geschil wordt georganiseerd, zelfs wanneer het hoorrecht niet expliciet in een wet is opgenomen.
De wet van 29 maart 2018 tot uitbreiding van de opdrachten en versterking van de rol van de fiscale bemiddelingsdienst (B.S., 13 april 2018) heeft enkele bepalingen van de wet van 10 juli 2017 aangepast en uitgebreid met als doel enkele onduidelijkheden in de toepassing ervan weg te werken.
N.B. De wet van 29 maart 2018 bevat andere belangrijke wijzigingen, waaronder de overdracht aan de fiscale bemiddelingsdienst van de bevoegdheid inzake de kwijtschelding van belastingverhogingen en administratieve boetes inzake inkomstenbelastingen, de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde taksen en de diverse rechten en taksen.
De bepalingen inzake deze overdracht, welke in werking treden op datum bepaald in het koninklijk besluit (en ten laatste op 1 januari 2019), zullen in een latere circulaire worden besproken.
II. Wettelijke bepalingen
2. Art. 2, 2°, 10 juli 2017
'In artikel 116, van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV), worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het derde lid opgeheven (1);
(1) Wet van 25 april 2007. – wet houdende diverse bepalingen (IV), art. 116, 3° lid; 'De indiening en het onderzoek van een aanvraag tot bemiddeling hebben geen enkele schorsende of stuitende werking'.
2° tussen de paragrafen 1 en 2 worden de paragrafen 1/1 en 1/2 ingevoegd, luidende:
"§ 1/1. Een ontvankelijk verklaarde aanvraag tot bemiddeling heeft een schorsende werking op het nemen van enige beslissing, behalve indien de rechten van de Schatkist in gevaar zijn. De schorsingstermijn vangt aan vanaf de datum waarop de aanvraag tot fiscale bemiddeling ontvankelijk is verklaard.
De in het eerste lid bedoelde schorsingstermijn wordt beëindigd op de dag waarop het bemiddelingsverslag wordt goedgekeurd door het College van fiscaal bemiddelaars, behoudens verzaking of eerder akkoord tussen de betrokken partijen, en ten laatste één maand voor het verstrijken van de in artikel 1385undecies, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijn.".
§ 1/2 (…)".'.
Art. 3, wet 10 juli 2017
'Artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 maart 1999, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De in het tweede lid bedoelde termijn van zes maanden, desgevallend verlengd als bepaald in het derde lid, wordt met maximum vier maanden verlengd wanneer de belastingplichtige een ontvankelijk verklaarde aanvraag tot bemiddeling heeft ingediend bij de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld in artikel 116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV).". '
Art. 4, wet 10 juli 2017
'In artikel 116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV), wordt paragraaf 3 aangevuld met een lid, luidende:
"Daartoe kan de fiscale bemiddelingsdienst de hoorzitting bijwonen die wordt georganiseerd in het kader van de behandeling van het geschil waarvoor een aanvraag tot bemiddeling is ingediend, ongeacht of dit hoorrecht uitdrukkelijk in de wet is bepaald.".'
Art. 6, wet 10 juli 2017
'In artikel 366 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij de wet van 3 augustus 2016, worden het tweede en het derde lid vervangen als volgt:
"Wanneer het bezwaarschrift is gericht aan een andere ambtenaar van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen dan deze bedoeld in het eerste lid, aan een ambtenaar van de administratie belast met de inning en de invordering van de inkomstenbelastingen of aan de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld in artikel 116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV), blijft het bewaarschrift geldig ingediend vanaf de datum van ontvangst door die ambtenaar of die dienst.
De in het tweede lid bedoelde ambtenaar of bedoelde dienst zendt het bezwaarschrift onmiddellijk door aan de in het eerste lid bedoelde adviseur-generaal en stelt de bezwaarindiener hiervan in kennis.".'
Art. 13, wet 29 maart 2018
'In artikel 116, § 1/2, tweede lid, van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV), ingevoegd bij de wet van 10 juli 2017, worden de woorden “aan het administratief beroep” ingevoegd tussen de woorden "behoudens verzaking" en de woorden “of eerder akkoord”.'
Art. 14, wet 29 maart 2018
'Artikel 1385undecies, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 juli 2017, wordt vervangen als volgt:
"De in het tweede lid bedoelde termijn van zes maanden, desgevallend verlengd als bepaald in het derde lid, wordt met vier maanden verlengd wanneer een door belastingplichtige ingediende aanvraag tot bemiddeling binnen de in het tweede en derde lid vermelde termijnen ontvankelijk werd verklaard door de fiscale bemiddelingsdienst bedoeld in artikel 116 van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV)".'.
Art. 15, § 4, wet 29 maart 2018
'(De artikelen 13 et 14) hebben uitwerking met ingang van 1 september 2017.'
III. Schorsend effect van een aanvraag tot bemiddeling op het nemen van een beslissing en een gelijklopende verlenging van de termijn die moet verstrijken vooraleer een vordering voor de rechtbank kan worden ingediend in geval van een georganiseerd beroep
A. Principes
3. De thans toepasselijke tekst van artikel 116, § 1/1, van de wet van 25 april 2007 houdende divers bepalingen (IV) bepaalt:
Een ontvankelijk verklaarde aanvraag tot bemiddeling heeft een schorsende werking op het nemen van enige beslissing, behalve indien de rechten van de Schatkist in gevaar zijn. De schorsingstermijn vangt aan vanaf de datum waarop de aanvraag tot fiscale bemiddeling ontvankelijk is verklaard.
De in het eerste lid bedoelde schorsingstermijn wordt beëindigd op de dag waarop het bemiddelingsverslag wordt goedgekeurd door het College van fiscaal bemiddelaars, behoudens verzaking of eerder akkoord tussen de betrokken partijen, en ten laatste één maand voor het verstrijken van de in artikel 1385undecies, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijn.
Zodra de aanvraag tot bemiddeling ontvankelijk wordt verklaard door de fiscale bemiddelingsdienst, kan het administratief beroep niet meer het voorwerp uitmaken van een beslissing gedurende een bepaalde termijn, meer bepaald deze van de schorsing (zie infra nr. 6 tot 9).
De fiscale bemiddelingsdienst beslist over de ontvankelijkheid binnen de 15 dagen na het indienen van de aanvraag.
Er is schorsing, 'wanneer het verstrijken van de termijn wordt stopgezet gedurende een bepaalde tijd. De door de schorsing stop gezette tijd kan plaats hebben bij het begin van de verjaringstermijn of wanneer deze termijn reeds is beginnen lopen' (Dekkers, Précis de droit civil belge, T.I, Bruylant, nr. 1559).
De schorsing van de verjaringstermijn gedurende een bepaalde tijd komt neer op een verlenging van deze termijn met deze tijd (Cass., 21 maart 1946, Pas. 1946, I, 114). Aangezien de schorsing een uitzonderlijk voordeel is, kan deze enkel gevolgen hebben ten aanzien van de persoon die de bemiddelingsaanvraag heeft ingediend (Dekkers, op. cit., nr. 1574 en 1575).
4. Uit de voorbereidende werken voorafgaand aan de wet van 10 juli 2018 (Parl. St., Kamer 54, 0607/003, blz. 10) blijkt dat gedurende de schorsing, 'bepaalde handelingen tijdelijk niet meer mogelijk zijn, namelijk:
- het nemen van een beslissing over een bezwaar ingediend bij de adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of over een verzoek om ambtshalve ontheffing;
- het nemen van een beslissing door de adviseur-generaal over een blijvend meningsverschil inzake btw;
- het nemen van een beslissing over een bezwaar ingediend bij de bevoegde ambtenaar belast met de vestiging van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen;
- het nemen van een beslissing door de bevoegde ambtenaar van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie over een blijvend meningsverschil inzake de registratie- en successierechten;
- het nemen van een beslissing over een blijvend meningsverschil door de bevoegde ambtenaar van de administratie belast met de vestiging of de inning en de invordering van de taksen bedoeld in Boek II van het Wetboek diverse rechten en taksen;
- de ondertekening van het proces-verbaal van niet-akkoord inzake de kadastermaterie;
- het nemen van een beslissing over een administratief beroep ingediend bij de adviseur-generaal die is aangewezen door de administrateur-generaal van de douane en accijnzen;
- het nemen van gedwongen invorderingsmaatregelen.'
Er wordt opgemerkt dat in de voorbereidende werken niets wordt vermeld over het effect van het boek IIbis van het Wetboek Successierechten (zie de artikelen 161 en volgende betreffende de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen en op de verzekeringsondernemingen), die ook onder de toepassing van de nieuwe wet valt (artikel 162 van het Wetboek Successierechten verwijst naar artikel 141 dat voorziet in de mogelijkheid tot tussenkomst van de fiscale bemiddelingsdienst).
5. De enige omstandigheid die de schorsende werking van het ontvankelijk verklaren van de aanvraag tot bemiddeling in het gedrang kan brengen, is het feit dat de 'rechten van de Schatkist in gevaar zijn'. Wanneer dit het geval is moet deze omstandigheid zorgvuldig worden gemotiveerd in de beslissing over het administratief beroep en kan deze worden genomen zonder rekening te houden met de schorsing als gevolg van het ontvankelijk verklaren van de aanvraag tot bemiddeling.
In elk geval, wanneer een beslissing wordt genomen binnen de schorsingstermijn en voordat het bemiddelingsverslag werd goedgekeurd om reden dat de rechten van de Schatkist in gevaar zijn, kan deze beslissing enkel worden aangevochten voor de rechtbank van eerste aanleg wanneer de belastingplichtige van oordeel is dat de motieven waarom de beslissing werd genomen niet gegrond zijn. Wanneer de beslissing wordt vernietigd door de rechter, blijft de rechter bevoegd om te oordelen over het geschil.
B. Vertrekpunt van de termijn van de schorsing van de beslissing over het administratief beroep
6. De beslissing over het administratief beroep moet worden opgeschort 'vanaf de datum waarop de aanvraag tot fiscale bemiddeling ontvankelijk is verklaard' door de fiscale bemiddelingsdienst.
Hier wordt eraan herinnerd dat artikel 11 van het KB van 9 mei 2007 tot uitvoering van hoofdstuk 5 van titel VII van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV) bepaalt dat 'De (fiscale bemiddelings-) dienst deelt de aanvrager ten laatste binnen de vijftien werkdagen vanaf de ontvangst van de aanvraag tot bemiddeling haar beslissing mee om deze aanvraag al dan niet te behandelen of ze aan een andere ombudsman door te zenden. De weigering om een klacht te behandelen wordt gemotiveerd. De dienst fiscaal bemiddelaar stelt de betrokken fiscale dienst in kennis van de aanvraag tot bemiddeling die zij voornemens is te behandelen'.
In de praktijk wordt de dienst die het onderzoek van het beroep uitvoert, door de fiscale bemiddelingsdienst (2) per e-mail in kennis gesteld van de indiening van de aanvraag tot bemiddeling en van de beslissing omtrent de ontvankelijkheid.
(2) Wanneer een administratief beroep werd ingediend vóór de aanvraag tot bemiddeling en in de toepassing Workflow Geschillen werd opgenomen (inkomstenbelastingen, voorheffingen, met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen en diverse taksen) kan de fiscale bemiddelingsdienst via de toepassing WF Consult aanduiden dat het geschil in 'bemiddeling' is. De fiscale bemiddelingsdienst kent op die manier de dienst die het geschil behandelt.
De dag dat de fiscale bemiddelingsdienst de aanvraag tot bemiddeling ontvankelijk verklaart, komt dus in aanmerking voor de berekening van de schorsing (in tegenstelling tot artikel 52 van het Gerechtelijk Wetboek waarin wordt bepaald dat de berekening van de termijnen begint de dag volgend op de dag van de akte die de gebeurtenis heeft gecreëerd).
C. Verstrijken van de schorsingstermijn voor het nemen van een beslissing op het administratief beroep
7. De schorsingstermijn om een beslissing te nemen over een administratief beroep 'wordt beëindigd op de dag waarop het bemiddelingsverslag wordt goedgekeurd door het College van fiscaal bemiddelaars'.
Er moet ook aandacht besteed worden aan de verjaringstermijnen in het geval van een niet georganiseerd beroep. Er wordt ook onmiddellijk een administratieve beslissing genomen wanneer 'de rechten van de Schatkist in gevaar zijn.
Bij verzaking aan het administratief beroep of akkoord tussen partijen vóór de goedkeuring van het bemiddelingsverslag, is de bemiddelingsaanvraag zonder voorwerp geworden en moet de beslissing waarin de verzaking of het akkoord wordt geacteerd niet meer geschorst blijven.
Er wordt benadrukt dat de hier bedoelde verzaking enkel betrekking heeft op de verzaking van het administratief beroep. In dit opzicht werd de term 'van het administratief beroep' toegevoegd aan artikel 116, § 1/1, van de wet van 25 april 2007. De voorbereidende parlementaire werkzaamheden stellen hieromtrent: 'Het kan dan hoe dan ook niet dat het louter feit dat de belastingplichtige eenzijdig de bemiddelingsprocedure wenst stop te zetten, een invloed zou kunnen hebben op de wettelijke en reglementaire bepalingen van toepassing op het administratief beroep en de administratie in de onmogelijkheid zou plaatsen om haar beslissing te nemen.' (Parl. St., Kamer, 54-1521/006, blz. 11).
De termijn wordt in dagen berekend, van middernacht tot middernacht (artikel 52 van het Gerechtelijk Wetboek). Dit betekent dat de beslissing pas kan worden genomen de dag volgend op de goedkeuring van het bemiddelingsverslag.
8. In geval van een georganiseerd beroep (zoals inzake inkomstenbelastingen) kan de belastingplichtige het geschil voor de rechter brengen 6 maanden (of 9 maanden bij een aanslag van ambtswege) vanaf de datum van ontvangst van het administratief beroep wanneer er nog geen beslissing is genomen (zie artikel 1385undecies, 2° en 3° lid, van het Gerechtelijk wetboek).
Overeenkomstig artikel 1385undecies, 4° lid, van het Gerechtelijk Wetboek, worden de bovengenoemde termijnen verlengd met 4 maanden wanneer een door de belastingplichtige ingediende bemiddelingsaanvraag ontvankelijk wordt verklaard binnen de termijn zoals bepaald in artikel 1385undecies, 2° en 3° lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
Wanneer de belastingplichtige ervoor gekozen heeft beroep te doen op de bemiddeling, wordt de termijn waarna een rechtsvordering kan worden ingesteld verlengd met vier maanden (de term 'maximum' is geschrapt bij wet van 29 maart 2018 om de dubbelzinnigheid hieromtrent te vermijden). Maar het spreekt voor zich dat indien een administratieve beslissing werd genomen vóór het verstrijken van deze termijn (nadat de fiscale bemiddelingsdienst zijn verslag heeft goedgekeurd), het beroep bij de rechtbank van eerste aanleg moet ingediend worden binnen de geldende termijn van drie maand zoals bepaald in artikel 1385undecies, 2° lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
Om te vermijden dat het voor de adviseur-generaal (of de door hem gedelegeerde ambtenaar) niet meer mogelijk zou zijn om een beslissing te nemen vooraleer de belastingplichtige zijn rechtsvordering indient, wordt voorzien dat de schorsing in elk geval wordt beëindigd ten laatste:
- Ofwel één maand voor het verstrijken van de termijn van 6 maanden, verlengd met 4 maanden, vanaf de datum van ontvangst van het administratief beroep (art. 1385undecies, 4° lid, Gerechtelijk Wetboek), met andere woorden, negen maanden te tellen vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift over een aanslag die niet van ambtswege werd gevestigd,
- Ofwel één maand voor het verstrijken van de termijn van 9 maanden (in geval van aanslag van ambtswege), verlengd met 4 maanden vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift (art. 1385undecies, 4° lid, Gerechtelijk Wetboek), met andere woorden, 12 maanden te tellen vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift over een aanslag die van ambtswege werd gevestigd.
Ook al is het vanzelfsprekend dat de schorsing niet kan worden toegestaan wanneer de bemiddelingsaanvraag werd ontvankelijk verklaard na het verstrijken van de in artikel 1385undecies, 2° en 3° lid, van het Gerechtelijk Wetboek, heeft de wet van 29 maart 2018het artikel 1385undecies, 4° lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij wet van 10 juli 2017, op dit punt verduidelijkt.
9. Voorbeelden
A. Het bezwaarschrift betreffende een aanslag die werd gevestigd na een wijzigingsprocedure werd ontvangen op 8 september 2017. De bemiddelingsaanvraag werd ontvankelijk verklaard op 15 oktober 2017
a) Als gevolg van de ontvankelijkverklaring van de ingediende bemiddelingsaanvraag, wordt de termijn dat moet gewacht worden om een rechtsvordering te kunnen instellen, verlengd met 4 maanden ofwel tot 8 juli 2018. De belastingplichtige moet tot 9 juli 2018 wachten om een verzoekschrift in te dienen voor de rechtbank van eerste aanleg.
b) Wanneer het verslag door de fiscale bemiddelingsdienst op 4 maart 2018 wordt goedgekeurd, eindigt de schorsing op deze datum en kan de administratie een beslissing nemen vanaf 5 maart 2018. De belastingplichtige moet hoe dan ook wachten tot 9 juli 2018 alvorens zich tot de rechtbank van eerste aanleg te kunnen richten, wanneer op deze datum nog geen administratieve beslissing werd genomen. N.B.: wanneer bijvoorbeeld op 12 maart 2018 een beslissing werd genomen en tevens ter kennis werd gebracht op deze datum, moet belastingplichtige zijn verzoekschrift voor de rechtbank ten laatste op 14 juni 2018 neerleggen.
c) Wanneer de fiscale bemiddelingsdienst zijn verslag nog niet heeft goedgekeurd op 8 juni 2018, verkrijgt de administratie opnieuw het recht om een beslissing te nemen vanaf 9 juni 2018.
B. Het bezwaarschrift betreffende een aanslag die van ambtswege werd gevestigd, werd ontvangen op 8 september 2017. De bemiddelingsaanvraag werd ontvankelijk verklaard op 15 oktober 2017.
a) Als gevolg van de ontvankelijkverklaring van de ingediende bemiddelingsaanvraag, wordt de termijn dat moet gewacht worden om een rechtsvordering te kunnen instellen, verlengd met 4 maanden ofwel tot 8 oktober 2018. De belastingplichtige moet tot 9 oktober 2018 wachten om een verzoekschrift in te dienen voor de rechtbank van eerste aanleg.
b) Wanneer het verslag van de fiscale bemiddelingsdienst op 25 april 2018 wordt goedgekeurd, eindigt de schorsing op deze datum en kan de administratie vanaf 26 april 2018 een beslissing nemen. Niettemin moet belastingplichtige, bij afwezigheid van een administratieve beslissing, tot 9 oktober 2018 wachten alvorens een verzoekschrift in te dienen bij de rechtbank van eerste aanleg. N.B.: Wanneer evenwel een beslissing werd verstuurd op bv vrijdag 4 mei 2018 moet belastingplichtige ten laatste op 8 augustus 2018 zijn verzoekschrift indienen.
c) Indien nog geen bemiddelingsverslag werd goedgekeurd op 8 september 2018, verkrijgt de administratie opnieuw het recht om een beslissing te nemen vanaf 9 september 2018.
D. Inkomstenbelastingen en daarmee gelijkgestelde belastingen - bijzonderheden
10. De ontvankelijkheid van de vraag tot bemiddeling houdt niet in dat het beroep ontvankelijk is op grond van de artikelen 366 en 371, WIB 92 of van artikel 376, WIB 92. De dienst die het onderzoek van het beroep verricht moet dus nagaan of de wettelijke voorwaarden zijn vervuld om het bezwaar ontvankelijk te verklaren. Wanneer blijkt dat dit beroep niet ontvankelijk is (termijn waarbinnen het bezwaar moet ingediend zijn, taal, motvering, …) moeten de grieven niet onderzocht worden (behalve wanneer deze aanleiding kunnen geven tot een ontheffing van ambtswege), maar de beslissing moet in elk geval uitgesteld worden tot na het verstrijken van de schorsingstermijn.
De schorsing van de beslissing verhindert niet dat de in het beroep ingeroepen grieven worden onderzocht, noch dat de belastingplichtige wordt gehoord wanneer dit werd gevraagd in het bezwaarschrift (zie infra, nr. 12 en 13).
De schorsende werking van een ontvankelijk verklaarde bemiddelingsaanvraag, heeft geen invloed op de aanslagtermijn bedoeld in artikel 354, lid 4, WIB 92, noch op de onderzoekstermijnen bedoeld in artikel 333, lid 2, WIB 92.
11. 'Ingevolge artikel 414, § 2, WIB 92, is er schorsing van nalatigheidinteresten op het gedeelte boven het onbetwist verschuldigd gedeelte, indien de beslissing over het bezwaar niet binnen de zes maand na datum van ontvangst van het bezwaarschrift is genomen, dus vanaf de 1ste dag van de 7de maand volgend op deze laatste datum tot de datum van beslissing of van instelling van een vordering bij de rechtbank.
Deze termijn is van openbare orde. Er wordt niet van afgeweken, ook niet ingeval van betwisting van een aanslag die van ambtswege door de administratie is gevestigd (termijn beslissing 9 maand).
Het verlengen van de termijn waarbinnen de directeur de beslissing kan nemen, doet geen afbreuk aan de termijn van 6 maanden bepaalt in art. 414, § 2, WIB 92. Het enige gevolg is dat sneller tot een schorsing van de berekening van nalatigheidinteresten kan worden overgegaan: de directeur heeft meer tijd maar de termijn van 6 maanden bepaald in art. 414, § 2, WIB 92 blijft onveranderd.
Voor belastingplichtige bestaat er dus geen nadeel, integendeel. Eventueel wel voor de administratie: maximum 3 maanden meer schorsing van nalatigheidinteresten op het gedeelte boven het onbetwist verschuldigde bedrag.
Een wijziging van artikel 414, § 2, WIB 92, wordt niet beoogd. Dit zou een te zware administratieve last zijn voor de ontvangers ' (Zie Parl St., Doc. 54 0607/003, blz. 7).’.
IV. Het recht van de fiscale bemiddelingsdienst om de hoorzitting van de bezwaarindiener bij te wonen
12. Ingevolge artikel 116, § 3, van de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (IV) kan de fiscale bemiddelingsdienst bij de uitvoering van haar taken: '1° alle inlichtingen inwinnen die hij nodig acht; 2° alle betrokken personen horen; 3° en ter plaatse alle vaststellingen doen.'. Hij kan voortaan ook 'de hoorzitting bijwonen die wordt georganiseerd in het kader van de behandeling van het geschil waarvoor een aanvraag tot bemiddeling is ingediend'.
Deze bepaling behoeft weinig commentaar. De parlementaire werken preciseren dat dit enkel de bedoeling heeft om elke twijfel weg te nemen over deze mogelijkheid voor de fiscale bemiddelingsdienst bij de uitoefening van zijn taken (Parl. St., Kamer, 54- 0607/2, amendement nr. 7).
13. Inzake inkomstenbelastingen is het recht om gehoord te worden uitdrukkelijk voorzien door de wet (artikel 374, WIB 92). Zelfs wanneer dit recht niet is voorzien in een andere fiscale wetgeving, kan de belastingplichtige die een bemiddelingsaanvraag heeft ingediend toch een dergelijke hoorzitting laten plaatsvinden in aanwezigheid van de bemiddelingsdienst.
De dienst die het beroep onderzoekt moet dan ook met de medewerker van de fiscale bemiddelingsdienst die dat dossier behandelt, contact opnemen betreffende zijn beschikbaarheden alvorens drie data van hoorzitting voor te stellen aan de belastingplichtige die gevraagd heeft om gehoord te worden.
Wanneer de hoorzitting van de bezwaarindiener op grond van art. 374, lid 3, WIB 92, evenwel reeds plaats heeft gehad vóór de inwerkingtreding van deze wet (1 september 2017), moet er geen nieuwe hoorzitting met de bezwaarindiener meer worden vastgelegd (zie Com.IB 92, nrs. 374/34 en 35), zelfs wanneer de schorsende werking van toepassing is.
Deze bepaling geldt voor alle hoorzittingen die nog moeten geregeld worden vanaf 1 september 2017, zelfs wanneer de vraag om gehoord te worden werd ingediend vóór de inwerkingtreding van de wet.
V. Het recht om een geldig bezwaarschrift in te dienen bij de fiscale bemiddelingsdienst
14. Ingevolge het nieuwe artikel 366, lid 2 en 3, WIB 92, wordt een bezwaarschrift gericht aan de fiscale bemiddelingsdienst op geldige wijze ingediend op de datum van de ontvangst ervan door deze dienst.
Het betreft hier een nieuwe uitbreiding in vergelijking met artikel 2 van de wet van 3 augustus 2016 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wat het indienen van een bezwaarschrift betreft (zie circ. 2017/C/9 van 1 maart 2017, Fisconetplus, nr. 3, 1° tot 3, 6° die van toepassing zijn).
De fiscale bemiddelingsdienst zendt onmiddellijk het bezwaarschrift aan de adviseur-generaal van de administratie bevoegd voor de vestiging van de inkomstenbelastingen van het ambtsgebied waar de aanslag, de belastingverhoging of de boete werd gevestigd.
De fiscale bemiddelingsdienst is ook wettelijk verplicht de bezwaarindiener in kennis te stellen van de ontvangst van zijn bezwaar, van de datum waarop deze bij hem is terechtgekomen en van de gegevens van de adviseur-generaal aan wie het bezwaarschrift werd overgemaakt. Deze kennisgeving dat het bezwaarschrift werd ontvangen betekent echter niet dat het bezwaarschrift ontvankelijk is. De enige die zich mag uitspreken over de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift is de adviseur-generaal bedoeld in artikel 366, lid 1, WIB 92 of de door hem gedelegeerde ambtenaar bedoeld in artikel 375, lid 1, WIB 92.
De gegevens die door de fiscale bemiddelingsdienst werden verstrekt in toepassing van het nieuwe art. 366, lid 3, WIB 92, vormen geen ontvangstmelding zoals bepaald in artikel 376quater, WIB 92. De commentaar opgenomen in nr. 376quater/2 tot 4 Com.IB 92 kan hier mutatis mutandis worden toegepast.
15. Bovendien zal elk beroep dat gericht werd aan de fiscale bemiddelingsdienst, door deze dienst beschouwd worden als een aanvraag tot bemiddeling. Deze dienst zal dan ook de bezwaarindiener uiterlijk binnen de 15 werkdagen na ontvangst van het bezwaarschrift in kennis stellen van zijn beslissing over de ontvankelijkheid van de bemiddelingsaanvraag.
Wanneer de belastingplichtige in zijn bezwaarschrift beroep wenst te doen op de fiscale bemiddelingsdienst, moet aan deze dienst onmiddellijk per e-mail een kopie worden gezonden en moet de belastingplichtige hiervan in kennis worden gesteld.
VI. Niet georganiseerde beroepen
16. De wachttermijn voorzien in artikel 1385undecies, lid 3, van het Gerechtelijk Wetboek is enkel voorzien voor de georganiseerde administratieve beroepen, zoals dit het geval is bij de inkomstenbelastingen (bezwaarschriften en verzoeken tot ontheffing van ambtswege). Dit is niet van toepassing inzake btw waar het in artikel 84, W BTW voorziene beroep niet georganiseerd is, en ook niet voor de zaken betreffende de diverse rechten en taksen (artikel 202, Wetboek Diverse rechten en taksen), noch voor de toepassing van boek IIbis van het Wetboek Successierechten (artikelen 141 en 162).
Een ontvankelijk verklaarde bemiddelingsaanvraag heeft schorsende werking op het nemen van elke beslissing, ook voor de niet georganiseerde beroepen, behalve wanneer de rechten van de Schatkist in gevaar zijn. De schorsingstermijn begint te lopen vanaf de dag waarop de aanvraag tot fiscale bemiddeling ontvankelijk werd verklaard.
Artikel 2, 2°, van de wet van 10 juli 2017 verbindt het einde van de schorsingstermijn aan de termijn voorzien in artikel 1385undecies, lid 4, van het Gerechtelijk Wetboek: 'De in het eerste lid bedoelde schorsingstermijn wordt beëindigd op de dag waarop het bemiddelingsverslag wordt goedgekeurd door het College van fiscaal bemiddelaars, behoudens verzaking of eerder akkoord tussen de betrokken partijen, en ten laatste één maand voor het verstrijken van de in artikel 1385undecies, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijn'.
Hieruit moet worden besloten dat de verlenging van de termijn om een beslissing te nemen met maximum 4 maanden, niet van toepassing is op de niet georganiseerde beroepen.
De verzaking of een akkoord tussen de betrokken partijen beëindigt de schorsing en laat de administratie toe om een beslissing te nemen waarin de verzaking of het afgesloten akkoord wordt bevestigd. Ook wanneer de rechten van de Schatkist in gevaar zijn, heeft de administratie het recht om een gemotiveerde beslissing te nemen zonder het verslag van de bemiddeling af te wachten.
VII. Praktische richtlijnen voor de toepassing van de Workflow geschillen
17. Wanneer in de workflow geschillen alle gegevens worden ingevuld zoals gevraagd in de verschillende instructies, werd de datum van de ontvankelijkheid van de bemiddelingsaanvraag ingevuld bij de details van het geschil en werden de documenten ingebracht in het elektronisch dossier (bemiddelingsaanvraag en de beslissing over de ontvankelijkheid).
De taak 'Ondertekening beslissing – 6 maanden' (of 'Ondertekening beslissing – 9 maanden' bij een aanslag van ambtswege) wordt automatisch toegevoegd in de agenda van het geschil (inzake btw, betreft het de taak 'Ondertekening beslissing – 3 maanden').
In het geval van een fiscale bemiddelingsaanvraag moet voornoemde taak worden 'aangevinkt' als zijnde afgehandeld waarbij de datum waarop de bemiddelingsaanvraag ontvankelijk wordt verklaard als datum uitvoering wordt ingevuld. In het veld 'Commentaar' wordt 'Ontvankelijke bemiddeling' vermeld.
Voor de georganiseerde beroepen moet manueel een nieuwe taak worden toegevoegd aan de agenda, waarbij de uiterste datum waarop, rekening houdend met de bemiddelingsaanvraag, theoretisch een beslissing moet genomen worden, wordt toegevoegd. In de drie eerste onder punt 9 vermelde voorbeelden, wordt het volgende aangeduid:
- Taak: 'Ondertekening beslissing – 10 maanden'
- Vervaldag': '08.07.2018'
- Herinnering': '08.06.2018' ofwel de theoretische datum waarop terug een beslissing mag genomen worden na de schorsing
- Het vak /!\ aanvinken (zodat het verstrijken van de termijn verschijnt in de inbox).
18. Voor de niet georganiseerde beroepen moet de verjaringstermijn van de schuldvordering worden nagezien. In de agenda moet dan een datum worden ingevoerd die hieraan voorafgaat om de beslissing te ondertekenen:
- Een nieuwe taak 'Ondertekening beslissing' – 'Werkelijke vervaldag' toevoegen
- Vervaldag: 'xx/xx/xxxx (datum waarop de schuld is verjaard) (Ter herinnering: In het voorwerp van het geschil moet de verjaringsdatum verplicht worden ingevuld)
- Herinnering: '30'
- Het vak /!\ aanvinken (zodat het verstrijken van de termijn verschijnt in de inbox).
Wanneer de belastingplichtige geen afstand wil doen van de reeds verlopen verjaringstermijn, moeten alle nodige maatregelen worden genomen met het oog op het opstellen van de beslissing en de invordering van de schuld.
19. De fiscale bemiddelingsdienst verwittigt onmiddellijk de dienst die het geschil behandelt en de betrokken ambtenaar van het bestaan van het goedgekeurd verslag (mail met toegevoegd stuk).
VII. Inwerkingtreding
20. De wet van 10 juli 2017 tot versterking van de fiscale bemiddelingsdienst werd in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd op 20 juli 2017. De inwerkingtreding is vastgesteld op de eerste dag van de tweede maand die volgt op deze van de publicatie of met andere woorden op 1 september 2017.
Krachtens artikel 15 van de wet van 29 maart 2018 hebben de wijzigingen die door deze wet zijn aangebracht aan artikel 116, § 1/1, van de wet van 25 april 2007 en aan artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek uitwerking vanaf 1 september 2017.
Overeenkomstig de rechtspraak is een ‘nieuwe wet in de regel niet enkel van toepassing op de toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten' (Cass., 13 mei 1996, Arr. Cass., 1996, nr. 170, blz. 431; eveneens Cass., 27 november 2013, Pas., 2013, I, nr. 636, blz. 2374, met betrekking tot de inwerkingtreding van een nieuwe grond van opschorting in penale zaken).
Bijgevolg is het schorsend effect, zoals beschreven in de nummers 3 tot 9 van deze circulaire, van toepassing op de op 1 september 2017 ontvankelijk verklaarde en op deze datum nog niet afgesloten bemiddelingsaanvragen, voor zover de termijn van zes of negen maanden zoals voorzien in artikel 1385undecies, 2° of 3° lid, van het Gerechtelijk Wetboek, nog niet verstreken is op datum van inwerkingtreding van de wet (cf. REA Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 13 maart 2018. Rolnr.17/4259/A).
Interne ref.: 712.347
