Aanschrijving nr. 9 dd. 13.04.1994

AANSCHRIJVING 94/009

Aanschrijving nr. 9 dd. 13.04.1994


Deze aanschrijving wordt met ingang van 01.01.1996 opgeheven (zie opheffingsbepalingen aanschrijving nr. 7 dd. 28.09.1998).
Vrijstelling voor bepaalde diensten
Koper in andere Lid-Staat voor BTW geïdentificeerd
Wijziging art. 41, § 1, W. BTW (Vanaf 01.01.1994)


Het Belgisch Staatsblad van 11 maart 1994, nr. 51, blz. 6093-6094, heeft het koninklijk besluit van 7 maart 1994 gepubliceerd tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde. Dit koninklijk besluit, dat in werking is getreden op 1 januari 1994, wijzigt artikel 41, § 1, van dit wetboek. De tekst van dit besluit gaat hierbij.

Met dit koninklijk besluit wordt gevolg gegeven aan de beschikking 93/555/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 waarbij België wordt gemachtigd een maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 2, punt 1, en artikel 17 van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting (PB EG, nr. L 273/33 van 5 november 1993).

Een zelfde beschikking werd vastgesteld voor Duitsland, Denemarken, Frankrijk, Ierland, Italië, Nederland, Portugal, het Groothertogdom Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk.

Onderhavige aanschrijving verklaart de draagwijdte van de tijdelijk afwijkende maatregel die is vastgesteld door de beschikking van de Raad van 25 oktober 1993 en die in werking is getreden bij het koninklijk besluit van 7 maart 1994.



1.Redenen van de beschikking.
Ingevolge de tenuitvoerlegging van de overgangsregeling voor de BTW, wordt op bepaalde werkzaamheden met betrekking tot lichamelijk roerende zaken, alsmede bepaalde goederenvervoerdiensten en diensten in verband met activiteiten die met vervoer samenhangen, BTW geheven op de plaats waar die diensten worden verricht, ongeacht de plaats waar de belastingplichtige ontvanger van die diensten zijn recht op aftrek kan doen gelden. Een en ander leidt tot een toename van het aantal gevallen waarin een beroep wordt gedaan op de bij de Richtlijnen 79/1072/EEG (8ste Richtlijn) en 86/560/EEG (13de Richtlijn) ingestelde teruggaafregelingen, door de medecontractanten die niet in het land gevestigd zijn waar die diensten worden verricht.

De toename van het aantal gevallen waarin een beroep wordt gedaan op de bij de bovengenoemde richtlijnen ingestelde teruggaafregelingen kan een belemmering vormen voor de ontwikkeling van het intracommunautaire verkeer op het gebied van bepaalde diensten.

Met deze afwijkende maatregel wordt beoogd een vereenvoudiging tot stand te brengen die erin bestaat vrijstelling te verlenen voor bepaalde diensten die worden verricht ten behoeve van niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen die in de Europese Unie zijn geïdentificeerd en waarvoor die belastingplichtigen in ieder geval recht op teruggaaf zouden hebben.

Deze beschikking legt evenwel aan de belastingplichtigen bepaalde verplichtingen op om belastingfraude en -ontwijking te voorkomen en overweegt dat het gewenst is om die afwijking te beperken tot de tijd die nodig is om de Raad in staat te stellen, op voorstel van de Commissie, een definitieve oplossing te vinden.



2.Doel van de beschikking.
De genoemde beschikking laat België toe vrijstelling van de belasting te verlenen voor bepaalde diensten verricht voor belastingplichtigen die in een andere Lid-Staat voor de BTW zijn geïdentificeerd en die als in het buitenland gevestigde belastingplichtigen op grond van de Achtste of Dertiende Richtlijn in België in aanmerking zouden komen voor de teruggaaf van de belasting die verschuldigd zou zijn indien die op die diensten was geheven.



3.Vrijgestelde diensten.
Als alle andere voorwaarden vervuld zijn, zijn de volgende diensten voortaan vrijgesteld van de belasting op grond van artikel 41, § 1, 8°, nieuw, van het BTW-Wetboek, op voorwaarde dat ze niet reeds zijn vrijgesteld door andere bepalingen van dit wetboek :



a)de expertises met betrekking tot lichamelijk roerende goederen;
b) de werkzaamheden die betrekking hebben op lichamelijk roerende goederen;

c) vervoerdiensten die rechtstreeks verband houden met intracommunautair goederenvervoer;

d) de activiteiten die samenhangen met de onder c) bedoelde vervoerdiensten.



4.Te vervullen voorwaarden en omvang van de vrijstelling.
De diensten opgesomd in nr. 3 hierboven, moeten, om de vrijstelling te kunnen genieten, verstrekt worden aan belastingplichtigen :

  • die in een andere Lid-Staat dan België zijn geïdentificeerd voor de BTW,
  • en die, overeenkomstig artikel 76, § 2, van het BTW-Wetboek teruggaaf zouden kunnen genieten van de BTW die verschuldigd zou zijn indien deze diensten waren belast.
Ter zake wordt er aan herinnerd dat de vrijstelling slechts kan worden toegestaan in de mate dat de BTW zou kunnen worden afgetrokken overeenkomstig de artikelen 45 tot 48 van het Wetboek indien zij in rekening werd gebracht aan een in België gevestigde belastingplichtige (vgl. aanschr. 6/1981).



5.Verplichtingen te vervullen door de dienstverrichters.
Artikel 41, § 3, van het BTW-Wetboek verleent aan de Koning de bevoegdheid om de toepassingsvoorwaarden van dit artikel vast te stellen.

Het koninklijk besluit nr. 6 van 27 december 1977 met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van internationaal vervoer, zee- en binnenschepen en luchtvaartuigen op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde voorziet in artikel 1 dat de aanspraak op de vrijstellingen van artikel 41, § 1, van dit wetboek moeten worden aangetoond aan de hand van stukken en bescheiden waarvan de aard en de vorm worden bepaald door of vanwege de Minister van Financiën.

5.1. Werkzaamheden en expertises die betrekking hebben op lichamelijke roerende goederen.

De dienstverrichter moet :

  • in het bezit zijn van een verklaring betreffende de hoedanigheid van belastingplichtige van de ontvanger en die is uitgereikt door de bevoegde dienst van de Lid-Staat waar de ontvanger is gevestigd;
  • op zijn factuur vermelden "artikel 41, § 1, 8°, a) of b), van het BTW-Wetboek", alsook het BTW-identificatienummer van de ontvanger waaronder hem de dienst werd verleend.


5.2.Vervoerdiensten.
De dienstverrichter moet :

  • op zijn factuur vermelden "artikel 41, § 1, 8°, c), van het BTW-Wetboek", alsmede het BTW-identificatienummer van de ontvanger, waaronder hem de dienst werd verleend;
  • in het bezit zijn van een verklaring waarin de ontvanger bevestigt dat hij teruggaaf zou kunnen genieten van de belasting die verschuldigd zou zijn geweest indien deze diensten waren belast;
  • het bewijs leveren dat de vervoerdienst rechtstreeks verband houdt met een intracommunautair goederenvervoer.
Voor het in België verricht vervoer dat rechtstreeks verband houdt met een intracommunautair goederenvervoer waarvan de plaats van vertrek in België is gelegen, moet op het tijdstip dat het vervoer aanvangt worden bewezen dat de bedoelde goederen bestemd zijn om te worden verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat. De goederen moeten het land verlaten in dezelfde staat als waarin ze zich bevonden op het tijdstip waarop het vervoer aanving.

Voor het in België verricht vervoer dat rechtstreeks verband houdt met een intracommunautair goederenvervoer waarvan de plaats van aankomst in België is gelegen, moeten de goederen tot bij de eindbestemming worden vervoerd in dezelfde staat als waarin ze zich bevonden op het tijdstip dat ze het land zijn binnengekomen.

Het feit dat de goederen werden verpakt met het oog op hun vervoer, wordt niet als een wijziging van de staat ervan aangemerkt.

Het bewijs dat het vervoer rechtstreeks verband houdt met een intracommunautair goederenvervoer mag worden geleverd door alle rechtsmiddelen. In ieder geval kan het worden afgeleid uit een geheel van overeenstemmende documenten zoals de bestelbons, de contracten en de vervoerdocumenten zelf, de betalingsstukken, de wisseldocumenten of nog een verklaring van de vervoerder die het intracommunautair vervoer verricht waarin hij bevestigt dat de bedoelde goederen naar of vanuit een andere Lid-Staat worden of werden vervoerd, enz.



5.3.Met vervoer samenhangende diensten.
De dienstverrichter moet :

  • op zijn factuur vermelden "artikel 41, § 1, 8°, d), van het BTW-Wetboek" alsmede het BTW-identificatienummer van de ontvanger waaronder hem de dienst werd verleend;
  • in het bezit zijn van een verklaring waarin de ontvanger erkent dat hij teruggaaf zou kunnen genieten van de belasting die verschuldigd zou zijn geweest indien deze diensten waren belast;
  • het bewijs leveren dat de met vervoer samenhangende diensten rechtstreeks verband houden met vervoer dat zelf rechtstreeks verband houdt met een intracommunautair goederenvervoer.
Voor het leveren van het bewijs wordt verwezen naar hetgeen is uiteengezet onder nr. 5.2. hierboven.



6.Inwerkingtreding en verstrijken van de afwijkende maatregel.
Het koninklijk besluit van 7 maart 1994 is in werking getreden op 1 januari 1994 en verstrijkt uiterlijk op 31 december 1994, tenzij de Raad vóór die datum een wijziging van de Richtlijn 77/388/EEG aanneemt.

Namens de Minister :
De Directeur-generaal,
J. DECUYPER