Circulaire 2018/C/65 betreffende de taks op de effectenrekeningen, met voorbeelden in specifieke situaties inzake het bepalen van de referentieperiodes en referentietijdstippen en het berekenen van de gemiddelde waarde als heffingsgrondslag

Erratum van 13.05.2019 van het nr. 19, met betrekking tot de effectenrekeningen gehouden bij een niet in België opgerichte of gevestigde tussenpersoon

Deze circulaire bespreekt de artikelen 151 tot 158/6 van het Wetboek Diverse rechten en taksen (hierna WDRT).

taks op de effectenrekeningen ; referentieperiode ; referentietijdstippen ; overdracht ; intern ; extern ; aangifte ; proportioneel aandeel ; wettelijk aandeel

FOD Financiën, 25.05.2018
Beleidsexpertise en -ondersteuning – Diverse rechten en taksen

I. Inleiding

1. In het Staatsblad van 9 maart 2018 werd de wet van 7 februari 2018 houdende de invoering van een taks op de effectenrekeningen bekendgemaakt.

Met deze wet wordt de taks op de effectenrekeningen ingevoerd in het Wetboek Diverse rechten en taksen, met inwerkingtreding op 10 maart 2018. Deze circulaire verschaft meer duidelijkheid rond de invoering van deze taks. Zij spitst zich vooral toe op de moeilijkheden waar titularissen mee geconfronteerd kunnen worden bij het berekenen van de taks, alsook bij het invullen en indienen van de aangifte.

Het algemeen deel bevat de verduidelijkingen die zowel de financiële instellingen als de titularissen moeten begeleiden in hun verplichtingen. In aparte afdelingen worden nog bijkomende verduidelijkingen gegeven voor de financiële instelling alsook voor de titularis die zelf zal instaan voor het aangeven en betalen van de taks of het verzoek tot teruggave. Een laatste deel omvat de verplichting van de titularis in het kader van de aangifte in de personenbelasting en de aangifte in de belasting van niet-inwoners/natuurlijke personen.

Voor een goed begrip van wat volgt, wordt met ‘interne overdracht’, de overdracht van belastbare financiële instrumenten tussen effectenrekeningen gehouden bij eenzelfde tussenpersoon bedoeld. ‘Externe overdracht’ duidt daarentegen op een overdracht van belastbare financiële instrumenten tussen effectenrekeningen gehouden bij twee verschillende tussenpersonen.

II. Algemeen

Hierna volgen enkele verduidelijkingen bij de interpretatie van de wettekst.

1) Effectenrekening en aandelen op naam

2. Artikel 152, 1°, a), van het WDRT bepaalt dat als een effectenrekening moet gezien worden, de effectenrekening gehouden bij een tussenpersoon waarop één of meer belastbare financiële instrumenten zijn ingeschreven. Deze inschrijving doelt niet enkel op de inschrijving die gepaard gaat met het daadwerkelijke aanschaffen van een financieel instrument, maar ook op de vermelding van aandelen op naam op die effectenrekening.

2) Belastbare financiële instrumenten

3. Artikel 152, 2°, van het WDRT bepaalt de belastbare financiële instrumenten die onder de taks op de effectenrekeningen vallen. Bijgevolg is niet elk instrument dat op een effectenrekening wordt gehouden belastbaar; voor de toepassing van de taks zullen de verschillende instrumenten op een rekening mogelijks moeten uitgesplitst worden in belastbare en niet-belastbare instrumenten.

4. Voor de toepassing van deze taks wordt, bij gebrek van een expliciete fiscaalrechtelijke definitie ervan, de 'obligatie' geïnterpreteerd als zijnde elk financieel instrument dat voor de taks op de beursverrichtingen wordt aangemerkt als een obligatie.

5. Onder de term "warrants" valt elk belastbaar financieel instrument aan de hand waarvan een emittent een recht uitgeeft op inschrijving, tegen een vooraf bepaalde prijs, op nieuwe door dezelfde emittent uitgegeven beursgenoteerde aandelen.

3) Titularis

6. Artikel 152, 5°, van het WDRT bepaalt wie moet beschouwd worden als titularis van een effectenrekening. Dit zal steeds de natuurlijke persoon zijn die zich heeft laten registreren of identificeren als titularis van de effectenrekening. Hoe de situatie zich voordoet in geval de effectenrekening wordt gehouden door een maatschap of door een feitelijke vereniging wordt bekeken in de nrs. 7 en 8. Het toepassingsgebied van de taks strekt zich niet uit tot de rechtspersonen.

7. Indien er sprake is van een maatschap, worden de algemene regels van het fiscale recht gevolgd. De maatschap is een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid waardoor zij niet zelf in rechte kan optreden maar ook geen eigen afgescheiden vermogen kent. De inkomsten behoren tot het persoonlijk vermogen van de vennoten en deze laatste staan persoonlijk in voor de schulden van de vennootschap.

Door deze regel van fiscale transparantie, zal dan ook voor deze taks doorheen de maatschap worden gekeken naar de achterliggende leden die als titularis geregistreerd zullen staan. Indien de maatschap titularis is, zal hierdoor gekeken worden en de achterliggende leden die gekend zijn door de financiële instelling worden dan geacht titularis te zijn.

8. Wat de feitelijke vereniging betreft, worden twee categorieën onderscheiden (bepaald door de statuten van de vereniging): ofwel betreft het een feitelijke vereniging met rechten van de ‘participanten’, wat dan beschouwd wordt als een onverdeeldheid, ofwel betreft het een vereniging zonder rechten van de participanten (zoals bijvoorbeeld een vakbond) waarbij de leden niet beschouwd kunnen worden als eigenaars van de activa van de vereniging. Vermits de taks op de effectenrekeningen beschouwd wordt als een vermogensbelasting, wordt de taks enkel geheven indien de participanten rechten hebben in het vermogen van de vereniging. Indien de leden van de vereniging met participatierechten als titularis vermeld staan, volgt deze rekening de gewone regel. Indien diezelfde feitelijke vereniging als titularis vermeld zou staan, moet gekeken worden naar de achterliggende leden die gekend zijn door de financiële instelling.

9. Het is mogelijk dat een natuurlijke persoon ter verkrijging van meer voordelige leningsvoorwaarden de financiële instrumenten die ingeschreven zijn op een effectenrekening in borg geeft aan de financiële instelling bij wijze van zekerheidstelling. In het geval van een pand, zal een speciaal daartoe bestemde pandrekening geopend moeten worden op basis van artikel 7, § 1, eerste lid van het KB nr. 62 van 10 november 1967, in samenhang gelezen met artikel 4, § 1, derde lid, van de Wet van 15 december 2004 betreffende de financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten. In principe zal deze pandrekening geopend worden op naam van de pandgever waardoor dus deze laatste als titularis moet beschouwd worden voor de toepassing van de wet, aangezien er op geen enkel moment sprake is van een eigendomsoverdracht tussen de pandgever en de pandnemer. Er moet dus op doorslaggevende wijze gekeken worden naar wie als titularis genoteerd staat.

10. Voor de kwaliteitsrekening zoals bepaald in artikel 8/1 van de Hypotheekwet moet de medegerechtigde desgevallend, voor zijn aandeel in de waarde van de belastbare financiële instrumenten de taks zelf aangeven zoals bepaald in artikel 158/1 van hetWDRT. De financiële instelling dient het overzicht zoals bepaald in artikel 155 van het WDRT over te maken aan de in professionele hoedanigheid beheerder van de rekening (vb. notaris, advocaat of gerechtsdeurwaarder). De medegerechtigde kan voor het berekenen en het aangeven van zijn aandeel van de belastbare financiële instrumenten het overzicht bij deze beheerder opvragen. Indien de kwaliteitsrekening een nalatenschap omvat, zullen de medegerechtigden het eigen aandeel moeten bepalen met behulp van het overzicht en op basis van de schijnbare, al dan niet proportionele, toestand (bv. zoals blijkt uit de aangifte van nalatenschap).

4) Referentietijdstip

11. Artikel 154 van het WDRT bepaalt dat de gemiddelde waarde wordt gebaseerd op de totale som van de waarden opgenomen op de referentietijdstippen. Een normaal referentietijdstip situeert zich op het einde van een driemaandelijkse periode (31/12,31/03, 30/06 en 30/09). Er zijn echter ook hiervan afwijkende referentietijdstippen. Dit is zo bij de opening of de afsluiting van een effectenrekening, alsook bij de ‘wijziging’ ervan. Deze wijziging betreft steeds het wijzigen van het aantal titularissen, en dit eventueel in combinatie met het vestigen van een vruchtgebruik, een borgstelling of een verhuis naar het buitenland (met dus b.v. einde van referentieperiode naar aanleiding van de sluiting van een effectenrekening of het niet langer titularis ervan te zijn in hoofde van één van de co-titularissen). Een bijzonder referentietijdstip wordt bijgevolg gekenmerkt door verschuivingen in het aantal titularissen. Indien een effectenrekening meerdere titularissen heeft, waarbij één van hen besluit niet langer titularis te zijn, ontstaat er enerzijds een referentietijdstip door de wijziging bij diegene die de effectenrekening reeds aanhield of blijft aanhouden, terwijl anderzijds het niet meer titularis zijn of het titularis worden bij de andere persoon aanleiding geeft tot een referentietijdstip als ‘opening of sluiting’.

5) Waarde

12. De financiële instelling is op basis van artikel 154, § 1, van het WDRT gehouden op de referentietijdstippen een staat op te maken waarop de waarde van de belastbare financiële instrumenten vermeld wordt.

Indien er sprake is van een opening of sluiting van een effectenrekening, of enige andere ‘wijziging’, wordt de foto van de waarde door de financiële instelling genomen door middel van avond- of nachtverwerking, waardoor deze plaatsvindt op het einde van de dag waarop de rekening geopend, afgesloten of gewijzigd werd door de titularis.

13. Een voorbeeld biedt duidelijkheid: Mevrouw X opent een effectenrekening op 5 maart 2018 en zij zet diezelfde dag nog voor 600.000 euro belastbare financiële instrumenten op deze rekening. Op 21 april 2018 besluit zij al haar effecten te verkopen, waarna zij haar rekening definitief sluit op 5 mei. Er wordt steeds de avondverwerking gehanteerd.

5/03

31/03

21/04

5/05

Gemiddelde waarde

Effectenrekening Mevrouw X

600.000 EUR

600.000 EUR

Geen aanleiding tot referentietijdstip

0 EUR

1.200.000 EUR/3: 400.000 EUR

De totale gemiddelde waarde van de effecten bedraagt 400.000 euro, er zal dus geen taks moeten ingehouden worden door de financiële instelling.

14. Stel dat mevrouw X en meneer Y (beide titularissen) samen een rekening aanhouden waarop voor 1.500.000 euro aan effecten staan. Mevrouw X besluit op 23 mei 40 % van haar deel (dus 20% van de waarden op de rekening) te verkopen. De overige 60 % houdt ze nog 6 weken op de gemeenschappelijke rekening, tot ze op 5 juli besluit om ook dat deel te verkopen en tegelijk geen titularis meer te zijn.

31/12

31/03

23/05

30/06

5/07

30/09

Gemiddelde waarde

ER Mevrouw X

750.000

750.000

Geen referentietijdstip

600.000

0

/

525.000

ER Meneer Y

750.000

750.000

Geen Referentietijdstip

600.000

750.000

750.000

720.000

De verkoop van aandelen door mevrouw geeft geen aanleiding tot een nieuw referentiepunt aangezien dit niet als een ‘wijziging’ kan beschouwd worden. Pas op de datum van het werkelijk beëindigen van het titularisschap, zal een bijkomend referentiepunt in acht genomen worden, dat in casu onmiddellijk ook het einde van de referentieperiode van mevrouw inluidt. De foto wordt in avondverwerking genomen, waardoor bij mevrouw X, die niet langer titularis is, de waarde een nulwaarde zal inhouden. Voor meneer Y zal men de waarde beschouwen van de overgebleven effecten als enige titularis. De financiële instelling zal voor zowel mevrouw X als meneer Y de taks moeten inhouden.

15. Voor de berekening van de gemiddelde waarde op het einde van de referentieperiode waaruit de overschrijding van het drempelbedrag kan blijken, moet de belastingplichtige zowel rekening houden met de verkorte als met de normale referentieperiodes.

6) Externe overdrachtsregeling referentieperiode

16.Artikel 154, § 2, derde lid, van het WDRT bevat een afwijkende regeling indien een titularis financiële instrumenten overdraagt van een reeds bestaande effectenrekening, waar hij niet langer titularis van blijft, naar een andere effectenrekening waarvan hij titularis wordt. Dit komt voort uit de ratio van de maatregel, waarbij er wordt getracht dubbele belasting te vermijden, die anders bij de overdracht verschuldigd zou zijn bij het beëindigen van zowel de verkorte als de normale referentieperiode.

17. Een voorbeeld biedt duidelijkheid. Stel dat mevrouw X samen met haar man, meneer Y, een effectenrekening heeft bij bank A waarop voor 1.500.000 euro aan belastbare instrumenten zijn ingeschreven. Zij besluit op 5 mei haar aandeel (50%) in de effectenrekening over te dragen naar bank B waar zij titularis wordt van een effectenrekening.

31/12

31/03

05/05

30/06

30/09

Gemiddelde Waarde

Bank A

Meneer Y

750.000

750.000

750.000 (wijziging aantal titularissen: avondverwerking)

750.000

750.000

750.000

Mevrouw X (oud)

750.000

750.000

0 (avondverwerking)

/

/

/

Bank B

Mevrouw X wordt titularis (nieuw)

/

/

750.000

750.000

750.000

750.000

In geval van externe overdracht zal de eerste referentieperiode buiten beschouwing gelaten worden. Dit dient om te vermijden dat de taks tweemaal verschuldigd zou worden, een eerste keer na het einde van de verkorte referentieperiode, een tweede keer na het einde van de resterende. De maatregel is uitgesloten van zodra het geheel van de belastbare waarden niet op eenzelfde dag van de ene naar de andere rekening overgebracht worden.

18. Wanneer een titularis financiële instrumenten overdraagt van een effectenrekening, waar hij niet langer titularis van blijft, naar een andere effectenrekening waarvan hij reeds titularis is (bestaande effectenrekening), zal de belastingplichtige steeds teruggave kunnen vragen van de te veel betaalde taks.

7) Effectenrekening gehouden bij buitenlandse tussenpersoon

19. Buitenlandse tussenpersonen kunnen, zonder een vertegenwoordiger te laten erkennen, de verplichtingen voldoen zoals bedoeld in artikel 157 van het WDRT. Wanneer de taks ingehouden en betaald wordt door de buitenlandse tussenpersoon, wordt de titularis uiteraard ontslagen van zijn verplichtingen met betrekking tot de aangifte en betaling van de taks (art. 158/1, eerste lid, in fine, van het WDRT), op voorwaarde dat de nodige bewijsstukken kunnen voorgelegd worden. De buitenlandse tussenpersoon moet dus, indien hij de taks heeft afgehouden en doorgestort, de titularis een bewijs daarvan bezorgen, opdat die laatste van de vrijstelling kan genieten.

Stel dat Mevrouw X en Meneer Y samen een rekening aanhouden waarop voor 1.500.000 euro belastbare effecten ingeschreven staan. Mevrouw Y besluit op 17 augustus haar effecten over te dragen naar een buitenlandse financiële instelling en haar rekening in België te sluiten, maar zij blijft rijksinwoner. Dit geeft volgend resultaat:

31/12

31/03

30/06

17/08

30/09

Totale waarde

ER Mr. Y

750.000

750.000

750.000

750.000

750.000

750.000

ER oud Mvr. X

750.000

750.000

750.000

0

/

562.500

ER nieuw buitenland

750.000

750.000

750.000

Doordat er hier sprake is van een externe overdracht naar het buitenland, zal de Belgische financiële instelling de taks moeten inhouden wanneer Mevrouw X niet langer titularis is. In voorkomend geval, zal de buitenlandse instelling of Mevrouw X als titularis de taks moeten aangeven. Aangezien meer afgedragen werd ((562.500 + 750.000(1)) x 0,15%) dan verschuldigd was (750.000 x 0,15%), kan teruggave gevraagd worden.

----------
(1) De facto zal de buitenlandse rekening waarschijnlijk iets vroeger geopend worden zodanig dat de gemiddelde waarde van de buitenlandse rekening eerder 375.000 euro zal zijn.

III. Specifieke modaliteiten betreffende aangifte en betaling door de financiële instelling

20. Wat de formaliteiten betreft die worden opgelegd aan de financiële instellingen, bepaalt artikel 157 van het WDRT dat de instellingen overgaan tot een bevrijdende inhouding, aangifte en betaling van de taks. Artikel 158/3, § 1, van het WDRT verduidelijkt dat de aangifte en betaling uiterlijk moet plaatsvinden op de twintigste dag van de derde maand die volgt op het einde van de referentieperiode. De referentieperiode die in deze artikelen wordt bedoeld, moet opgevat worden als de referentieperiode die werd gespecifieerd in artikel 152, 6° van het WDRT namelijk als ‘een periode van twaalf opeenvolgende maanden die aanvangt op 1 oktober en eindigt op 30 september van het volgende jaar’.

21. Bij wijze van lex generalis en bij ontstentenis van een uitzonderingsregeling, moet ‘de referentieperiode’ voor de aangifte en betaling door de banken geïnterpreteerd worden als die uit artikel 152, 6°, van het WDRT ongeacht of de werkelijke referentieperiodes voor de lex specialis regeling van artikel 154, § 2 van het WDRT verkort lopen.

De referentieperiode in artikel 158/3, § 1, van het WDRT mag dus niet gelijkgesteld worden met de referentieperiode van elke cliënt afzonderlijk. Dit ter vermijding van een quasi dagelijkse aangifte en betaling door de financiële instellingen in geval van verkorte referentieperiodes naar aanleiding van een wijziging van titularisschap, waardoor de specifieke referentieperiode van één van haar cliënten vroegtijdig zou eindigen.

In geval van sluiting zullen het sturen van het overzicht, de berekening van de gemiddelde waarde en de inhouding moeten plaatsvinden op het einde van de vroegtijdige referentieperiode van de cliënt. Slechts wat betreft de aangifte en de betaling mag de financiële instelling een termijn in acht nemen die loopt tot de 20ste dag van de derde maand volgend op het einde van ‘de referentieperiode’ (30 september) en dus tot 20 december.

Inloopperiode

22. Voor de wettelijke verplichtingen m.b.t. de opening of sluiting van een effectenrekening of wijzigingen (namelijk toevoeging of terugtrekking van een medetitularis van de effectenrekening) tijdens de periode van de inwerkingtreding van de wet tot en met 30 juni 2018 zal er een administratieve tolerantie toegestaan worden. Het gaat wel degelijk om een tolerantie m.b.t. de verplichtingen inzake de uitvoeringstermijn ervan en niet om een vrijstelling. De tolerantie houdt in dat de verplichtingen inzake de verzending van het overzicht aan de belastingplichtigen (artikel 155, tweede lid van het WDRT) of de mogelijkheid tot inhouding die wordt geboden aan de belastingplichtigen (artikel 155, laatste lid van het WDRT) voor deze gevallen uitzonderlijk mogen verlopen volgens de termijnen zoals voorzien voor de normale referentieperiode zijnde het overzicht wordt overgemaakt aan de klant tegen ten laatste 31 oktober 2018 (art 155, 2de en 3de lid van het WDRT) en de klant opteert voor de opt-in tegen uiterlijk 30 november 2018 (art. 157, eerste lid, 2° van het WDRT).

Vanaf 1 juli 2018 zullen de wettelijke uitvoeringtermijnen ook voor de opening of sluiting van een effectenrekening of voor wijzigingen (van titularissen) van toepassing zijn. Wanneer bv. een rekening afgesloten wordt op 20 juli 2018 dient het overzicht ten laatste aan de klant overgemaakt te worden op 31 augustus 2018 waarbij de klant moet opteren voor de opt-in tegen uiterlijk 30 september 2018.

IV. Specifieke modaliteiten voor de aangifte en teruggave voor de titularis-belastingplichtige

A. Aangifte en modaliteiten voor de titularis-belastingplichtige

23. In de gevallen waarin de financiële instelling geen inhouding heeft gedaan, omdat de effectenrekening het drempelbedrag niet bereikt en er geen opt-in heeft plaatsgevonden, is het aan de titularis zelf om over te gaan tot aangifte en betaling van de verschuldigde taks.

De belastingplichtige kan op basis van artikel 158/1 van het WDRT ervoor kiezen om het werkelijke aandeel op te geven in plaats van het proportionele aandeel. Dit moet in principe gebeuren via een gezamenlijke aangifte (158/1, 3de lid, van het WDRT), zodat kan gecontroleerd worden of het als werkelijke aandeel opgegeven aandeel effectief het aandeel is dat wettelijk en werkelijk toekomt aan de titularis.

24. Stel dat Mevrouw X en Meneer Y samen titularissen zijn van een effectenrekening ter waarde van 500.000 euro bij Bank 1 en 800.000 euro bij Bank 2. Volgens het huwelijkscontract heeft Mevrouw X recht op 40 % van de waarden op de effectenrekening. Indien de proportionele methode wordt gevolgd, zal noch Bank 1, noch Bank 2, de taks inhouden bij gebrek aan opt-in. De titularis kan dan kiezen om proportioneel of werkelijk aan te geven. Voor de eenvoud wordt in volgend voorbeeld de waarde van elk van de rekeningen bij de twee financiële instellingen opgeteld.

De proportionele waardering geeft het volgende resultaat:

31/12

31/03

30/06

30/09

Gemiddelde waarde

Mevrouw X

650.000

650.000

650.000

650.000

650.000

Meneer Y

650.000

650.000

650.000

650.000

650.000

Beide titularissen dienen een aangifte in ter waarde van 650.000 euro. Bijgevolg zal ieder 975 euro taks afdragen.

25. Indien men opteert voor het werkelijke aandeel, zal volgend schema moeten gehanteerd worden:

31/12

31/03

30/06

30/09

Gemiddelde waarde

Mevrouw X

520.000

520.000

520.000

520.000

520.000

Meneer Y

780.000

780.000

780.000

780.000

780.000

Indien men het werkelijke aandeel wilt opgeven, zal een gezamenlijk aangifte moeten ingediend worden. Mevrouw X en Meneer Y voegen de nodige bewijsstukken toe waardoor Meneer Y 1.170 euro taks verschuldigd is, Mevrouw X zal echter maar 780 euro verschuldigd zijn.

Indien men voor de proportionele aangifte kiest, kan, binnen de voorziene termijn, een teruggave gevraagd worden van dat deel van de taks dat wordt geheven op de waarde die het werkelijke aandeel overstijgt. Deze teruggave zal in principe steeds gepaard gaan met de toerekening aan de andere partijen, van het deel dat het wettelijke aandeel overstijgt(2). Opnieuw zal hiervoor dus een gezamenlijke aangifte moeten worden gedaan.

----------
(2) Het is mogelijk dat het aandeel in de waarde dat belastbaar zou zijn indien de proportionele methode wordt gehanteerd, niet langer belastbaar is indien rekening wordt gehouden met het werkelijke aandeel en dus met de delen in de onverdeelheid of met een eventuele bezwaring van de effectenrekening met een vruchtgebruik. In het voorbeeld zou dit het geval zijn indien Meneer Y recht had op 30 % van de waarde op de effectenrekening en Mevrouw X op 70%.

B. Verzoek tot teruggave door de titularis/belastingplichtige

Interne, externe overdracht naar een reeds bestaande rekening of gemengde (extern en interne) overdracht bij aangifte

26. Hierboven werd de regeling uiteengezet bij externe overdracht naar een nieuw geopende effectenrekening. Deze lex specialis kan niet toegepast worden wanneer er wordt overgegaan tot een interne overdracht of wanneer een externe overdracht waarvoor niet voldaan wordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 154, § 2, derde lid, van het WDRT. In deze gevallen zal taks moeten worden ingehouden en betaald op het einde van elke referentieperiode, wat aanleiding kan geven tot dubbele belasting, waarvoor teruggave gevraagd kan worden krachtens artikel 158/5, § 1, van het WDRT. In geval van teruggave bij dubbele belasting wegens overdracht, zowel intern als extern (waar deze niet onder de lex specialis-regeling valt, ), berekent de titularis de totale gemiddelde waarde op een wijze die abstractie maakt van deze overdracht en die kijkt naar de gehele waarde aangehouden tijdens de referentieperiode, zonder afsluiting wegens einde van de eerste referentieperiode.

Er wordt bij de teruggave bijgevolg aan de titularis een interne of externe globalisatie toegestaan van de effectenrekeningen en de waarden van de belastbare financiële instrumenten die hij op een effectenrekening bezat tijdens de referentieperiode[1]. De verkorte en de normale referentieperiode(3) worden naast elkaar gelegd en geglobaliseerd tot één normale referentieperiode. Deze globalisatie houdt in dat alle waarden en referentietijdstippen worden opgenomen voor het berekenen van de uiteindelijke gemiddelde waarde, waarbij ook gedeeld wordt door het aantal referentietijdstippen.

----------
(3) De referentieperiode’ moet hier gelezen worden als de doorlopende periode waarop effectief belastbare financiële instrumenten op een effectenrekening worden gehouden, waarbij deze periode niet steeds per se samenvalt met de normale referentieperiode. Zo is het namelijk mogelijk dat een effectenrekening wordt gehouden tot 10 mei 2019, waarna de effecten hierop gehouden volledig worden overgedragen naar een andere nieuw geopende effectenrekening, die uiteindelijk wordt gehouden tot 20 juni 2019. Hier is er dus geen sprake van ‘de referentieperiode’ die loopt van 1 oktober tot 30 september van het volgende jaar, maar zal de globalisatie van de effectenrekeningen moeten toegepast worden voor de doorlopende periode waarop belastbare financiële instrumenten werden gehouden op een of meerdere effectenrekeningen, in casu zal dit van 1 oktober 2018 tot 20 juni 2019 zijn.

Een voorbeeld biedt duidelijkheid:

a) Interne overdracht

Voorbeeld i

27. Stel dat mevrouw X en meneer Y samen een rekening aanhouden waarop voor 1.500.000 euro aan effecten zijn ingeschreven. Naar aanleiding van een scheiding besluit mevrouw X op 23 mei haar onverdeelde deel (50%) over te dragen naar een nieuwe effectenrekening bij dezelfde bank (interne overdracht). Zij vraagt eveneens aan de bank om te noteren dat zij niet langer titularis wenst te zijn van de rekening waarvan Y ook titularis is.

31/12

31/03

23/05

30/06

30/09

Gemiddelde waarde

ER Oud Mevr. X

750.000

750.000

0

Einde Referentieperiode

/

/

500.000

ER Mr. Y

750.000

750.000

750.000

750.000

750.000

750.000

ER Mevr. X intern nieuw

/

/

750.000

750.000

750.000

750.000

De bank zal dus bij het afsluiten van de verkorte referentieperiode op 23 mei een foto in avondverwerking nemen, die bij mevrouw een nulwaarde zal geven aangezien zij niet langer titularis is. De taks zal hier tweemaal ingehouden worden: op 500.000 euro op 23 mei bij het einde van de verkorte referentieperiode en op 30 september op 750.000 euro naar aanleiding van het einde van de normale referentieperiode.

Mevrouw X zal op basis van artikel 158/5, § 1 van het WDRT teruggave kunnen vragen van de te veel betaalde taks. Om te weten hoeveel Mevrouw X eigenlijk had moeten betalen, moeten de rekeningen m.b.t. de overdracht geglobaliseerd worden. Daarbij worden de waarden verworven op de effectenrekeningen naast elkaar gelegd, waarbij elk referentietijdstip in beschouwing wordt genomen. De waarden worden per periode opgeteld en gedeeld door het aantal referentietijdstippen genomen over de gehele normale referentieperiode (dus ook wanneer de effectenrekening nog niet bestond of niet langer bestond). Op het einde van de referentieperiode had de belastbare basis van Mevrouw X slechts 750.000 euro moeten bedragen, waar nu de taks werd betaald op een gemiddelde waarde van 1.250.000 euro.

31/12

31/03

23/05

30/06

30/09

Gemiddelde waarde

750.000

750.000

0

/

/

300.000

/

/

750.000

750.000

750.000

450.000

Voorbeeld ii

28. Idem voorbeeld i maar naar aanleiding van een scheiding besluit mevrouw X op 23 mei haar onverdeelde deel (50%) over te dragen naar een bestaande effectenrekening bij dezelfde (interne overdracht) bank. De waarde van de belastbare financiële instrumenten op die rekening bedroeg reeds 400.000 euro op 31/12.

31/12

31/03

23/05

30/06

30/09

Gemiddelde waarde

ER Oud Mevr. X

750.000

750.000

0 (AV) + Einde RPer

/

/

500.000

ER Mr. Y

750.000

750.000

750.000 (AV)

750.000

750.000

750.000

ER Mevr. X intern bestaande

400.000

400.000

/

750.000+ 400.000

750.000+ 400.000

775.000

De taks zal hier ingehouden zijn op 500.000 euro op 23 mei bij het einde van de verkorte referentieperiode en op 775.000 euro op 30 september naar aanleiding van het einde van de normale referentieperiode.

De bank zal meer taks hebben ingehouden en betaald (0,15% op (500.000 + 775.000)) dan Mevrouw X eigenlijk verschuldigd was. Om te weten hoeveel Mevrouw X eigenlijk had moeten betalen, moeten de rekeningen m.b.t. de overdracht geglobaliseerd worden, waarbij de verkorte en de normale referentieperiode als het ware over elkaar worden gelegd, zoals hierna wordt weergegeven:

31/12

31/03

30/06

30/09

Gemiddelde waarde

normaal oude ER

750.000
+ 400.000

750.000
+ 400.000

750.000
+ 400.000

750.000
+ 400.000

4.600.000/4= 1.150.000

Mevrouw X zal op basis van artikel 158/5, § 1 van het WDRT teruggave kunnen vragen van de te veel betaalde taks. Voor het bepalen van de gemiddelde waarde waarmee rekening gehouden moet worden, worden de waarden verworven op de effectenrekeningen naast elkaar gelegd, waarbij elk referentietijdstip in beschouwing wordt genomen. De waarden worden per periode opgeteld en gedeeld door het aantal referentietijdstippen genomen over de gehele normale referentieperiode (dus ook wanneer de effectenrekening nog niet bestond of niet langer bestond). Op het einde van de referentieperiode had de belastbare basis van Mevrouw X slechts 1.150.000 euro moeten bedragen, waar nu de taks werd betaald op een waarde van 1.275.000 euro.

31/12

31/03

23/05

30/06

30/09

Gemiddelde waarde

750.000

750.000

0

/

/

300.000

400.000

400.000

750.000+
400.000

750.000+
400.000

750.000+
400.000

850.000

b). Externe overdracht

Voorbeeld i. Externe overdracht naar een reeds bestaande rekening

29. Mevrouw X draagt op 23 mei haar onverdeelde deel (50%) van de effectenrekening, waarvan ze niet langer titularis blijft, over naar een andere effectenrekening bij een andere bank waarvan zij reeds titularis is. De waarde van de belastbare financiële instrumenten op die rekening bedraagt 400.000 euro op 31 december.

31/12

31/03

23/05

30/06

30/09

Gemiddelde waarde

ER Oud Mevr. X

750.000

750.000

0 (Avond Verwerking) + Einde referentieperiode

/

/

500.000

ER Mr. Y

750.000

750.000

750.000 (AV)

750.000

750.000

750.000

ER Mevr. X extern bestaande

400.000

400.000

(750.000 + 400.000) geen referentiepunt

750.000+ 400.000

750.000+ 400.000

775.000

De taks zal hier tweemaal ingehouden worden: op 500.000 euro op 23 mei bij het einde van de verkorte referentieperiode en op 775.000 euro op 30 september naar aanleiding van het einde van de normale referentieperiode.

Mevrouw X heeft hier meer taks afgedragen (0,15% op (500.000 + 775.000)) dan zij werkelijk verschuldigd was. Om te weten hoeveel Mevrouw X eigenlijk had moeten betalen, moeten de rekeningen m.b.t. de overdracht geglobaliseerd worden, waarbij de verkorte en de normale referentieperiode als het ware over elkaar worden gelegd, zoals hierna wordt weergegeven:

31/12

31/03

30/06

30/09

Gemiddelde waarde

normaal oude ER

750.000
+ 400.000

750.000
+ 400.000

750.000
+ 400.000

750.000
+ 400.000

4.600.000/4= 1.150.000

Mevrouw X zal op basis van artikel 158/5, § 1 van het WDRT teruggave kunnen vragen van de te veel betaalde taks. Voor het bepalen van de gemiddelde waarde waarmee rekening gehouden moet worden, worden de waarden verworven op de effectenrekeningen naast elkaar gelegd, waarbij elk referentietijdstip in beschouwing wordt genomen. De waarden worden per periode opgeteld en gedeeld door het aantal referentietijdstippen genomen over de gehele normale referentieperiode (dus ook wanneer de effectenrekening nog niet bestond of niet langer bestond). Mevrouw X had op het einde van de referentieperiode slechts taks moeten afdragen op 1.150.000 euro, waar de taks nu betaald werd op een waarde van 1.275.000 euro. Zij zal bijgevolg 0,15% op 125.000 euro kunnen terugvragen.

31/12

31/03

23/05

30/06

30/09

Gemiddelde waarde

750.000

750.000

0

/

/

300.000

400.000

400.000

750.000+
400.000

750.000+
400.000

750.000+
400.000

850.000

Voorbeeld ii. Externe overdracht naar een geopende rekening

30. Mevrouw X draagt op 23 mei haar onverdeelde deel (50%) van de effectenrekening, waarvan ze niet langer titularis blijft, over naar een andere effectenrekening bij een andere bank waarvan zij reeds titularis was. Deze rekening werd op 20 mei geopend. Artikel 154, § 2, derde lid, van het WDRT is niet van toepassing aangezien de lex specialis uitgesloten is van zodra de afsluiting en de opening (met de overdracht) niet samenvallen.

31/12

31/03

20/05

23/05

30/06

30/09

Gemiddelde waarde

ER Oud Mevr. X

750.000

750.000

/

0 (Avondverwerking) + Einde referentieperiode

/

/

500.000

ER Mr. Y

750.000

750.000

/

750.000 (AV)

750.000

750.000

750.000

ER Mevr. X extern geopend

0 (opening rekening)

(750.000) geen referentiepunt

750.000

750.000

500.000

De taks zal hier tweemaal verschuldigd zijn: op 500.000 euro op 23 mei bij het einde van de verkorte referentieperiode en op 30 september op 500.000 euro naar aanleiding van het einde van de normale referentieperiode.

Mevrouw X heeft hier meer taks afgedragen (0,15% op (500.000 + 500.000)) dan zij werkelijk verschuldigd was. Om te weten hoeveel Mevrouw X eigenlijk had moeten betalen, moeten de rekeningen m.b.t. de overdracht geglobaliseerd worden, waarbij de verkorte en de normale referentieperiode als het ware over elkaar worden gelegd, zoals hierna wordt weergegeven:

31/12

31/03

30/06

30/09

Gemiddelde waarde

normaal oude ER

750.000

750.000

750.000

750.000

3.000.000/4= 750.000

Mevrouw X zal op basis van artikel 158/5, § 1 van het WDRT teruggave kunnen vragen van de te veel betaalde taks. Voor het bepalen van de gemiddelde waarde waarmee rekening gehouden moet worden, worden de waarden verworven op de effectenrekeningen naast elkaar gelegd, waarbij elk referentietijdstip in beschouwing wordt genomen. De waarden worden per periode opgeteld en gedeeld door het aantal referentietijdstippen genomen over de gehele normale referentieperiode (dus ook wanneer de effectenrekening nog niet bestond of niet langer bestond). Mevrouw X had op het einde van de referentieperiode slechts taks moeten afdragen op gemiddelde waarde van 750.000 euro, waar de taks nu betaald werd op een waarde van 1.000.000 euro. Zij zal bijgevolg 0,15% op 250.000 euro kunnen terugvragen.

31/12

31/03

23/05

30/06

30/09

Gemiddelde waarde

750.000

750.000

0

/

/

300.000

/

/

750.000

750.000

750.000

450.000

c) Gemengde (Interne en externe) overdracht

Voorbeeld

31. Stel dat mevrouw X en meneer Y samen een rekening aanhouden waarop voor 2.000.000 euro aan effecten zijn ingeschreven. Mevrouw X besluit op 23 mei haar onverdeelde deel (50%) over te dragen naar enerzijds een bestaande effectenrekening bij dezelfde bank (voor drie vierde) en anderzijds naar een bestaandeeffectenrekening bij een andere bank (voor één vierde). Zij vraagt eveneens aan de bank om te noteren dat zij niet langer titularis wenst te zijn van de rekening waarvan Y ook titularis is. De waarde van de belastbare financiële instrumenten op deze bestaande rekeningen bedraagt 400.000 euro voor elke rekening.

31/12

31/03

23/05

30/06

30/09

Gemiddelde waarde

ER Oud Mevr. X

1.000.000

1.000.000

0 (AV) + Einde RPer

/

/

666.666,67

ER Mr. Y

1.000.000

1.000.000

1.000.000 (AV)

1.000.000

1.000.000

1.000.000

ER X intern bestaat

400.000

400.000

750.000 +
400.000 (geen referentiepunt)

750.000 +
400.000

750.000 +
400.000

775.000

ER X extern bestaat

400.000

400.000

250.000 +
400.000 (geen referentiepunt)

250.000 +
400.000

250.000 +
400.000

525.000

De bank zal dus bij het afsluiten van de eerste referentieperiode op 23 mei een foto in avondverwerking nemen, die bij mevrouw een nulwaarde zal geven aangezien zij niet langer titularis is. De taks zal hier tweemaal verschuldigd zijn, een eerste keer op 666.666,67 wegens einde van de verkorte referentieperiode, dan een tweede keer op 1.300.000 wegens einde van de normale referentieperiode.

Mevrouw X heeft hier meer taks afgedragen (0,15% op (666.666,67 + 1.300.000)) dan zij werkelijk verschuldigd was (1.800.000 euro).

Mevrouw X zal op basis van artikel 158/5, § 1 van het WDRT teruggave kunnen vragen van de te veel betaalde taks. Voor het bepalen van de gemiddelde waarde waarmee rekening gehouden moet worden, worden de waarden verworven op de effectenrekeningen naast elkaar gelegd, waarbij elk referentietijdstip in beschouwing wordt genomen. De waarden worden per periode opgeteld en gedeeld door het aantal referentietijdstippen genomen over de gehele normale referentieperiode (dus ook wanneer de effectenrekening nog niet bestond of niet langer bestond). Mevrouw X was over de gehele referentieperiode (verkorte en normale samen genomen) slechts taks verschuldigd over 1.800.000 euro, waar de taks nu betaald werd op een waarde van 1.966.666,67 euro. Zij zal bijgevolg 0,15% op 166.666,67 euro kunnen terugvragen.

31/12

31/03

23/05

30/06

30/09

Gemiddelde waarde

1.000.000

1.000.000

0

/

/

400.000

400.000

400.000

750.000+
400.000

750.000+
400.000

750.000+
400.000

850.000

400.000

400.000

250.000+
400.000

250.000+
400.000

250.000+
400.000

550.000

V. Verplichting van de titularis in het kader van de aangifte in de personenbelasting of in de belasting van niet-inwoners/natuurlijke personen

Artikel 307 van het WIB 92 wordt gewijzigd met als doel een nieuwe verplichting van aangifte in te voeren in hoofde van natuurlijke personen rijksinwoners of niet-rijksinwoners die titularis zijn van meerdere effectenrekeningen.

Voormeld artikel stelt in §1/1, e) dat de jaarlijkse aangifte in de personenbelasting de vermelding moet bevatten van het bestaan van meerdere in artikel 152, 1°, a) van het WDRT bedoelde effectenrekeningen (zie nr. 2 hiervoor) waarvan de belastingplichtige titularis is zoals bedoeld in artikel 152, 5° van het hetzelfde wetboek (zie nrs. 6 t.e.m. 10 hiervoor).

De paragraaf 1/5 (die moet gelezen worden als 1/6) van artikel 307 WIB 92 bepaalt dat belastingplichtigen onderworpen aan de belasting van niet-inwoners zoals bedoeld in artikel 227,1° van het WIB 92 in de jaarlijkse aangifte het bestaan vermelden van meerdere in artikel 152, 1°, a) van het WDRT bedoelde effectenrekeningen) waarvan de belastingplichtige titularis is als bedoeld in artikel 152, 5°, van hetzelfde wetboek.

Een rijksinwoner moet dus melden of hij titularis is van meerdere effectenrekeningen gehouden bij één of meerdere tussenpersonen, waarbij het van geen belang is waar deze tussenpersoon is opgericht of gevestigd, waarop één of meer belastbare financiële instrumenten zijn ingeschreven.

Een niet-rijksinwoner daarentegen moet melden of hij titularis is van meerdere effectenrekeningen gehouden bij één of meerdere tussenpersonen die opgericht of gevestigd zijn in België en waarop één of meer belastbare financiële instrumenten zijn ingeschreven.

De titularis moet begrepen worden als de natuurlijke persoon die zelf houder is van een effectenrekening of die door de tussenpersoon wordt geïdentificeerd als houder van de effectenrekening, ongeacht of deze volle eigenaar, vruchtgebruiker of blote eigenaar is. Een volmachthouder wordt niet bedoeld.

Deze verplichting ontstaat zodra de belastingplichtige titularis is van meerdere effectenrekeningen, ongeacht de waarde van de tegoeden op deze rekeningen.

Deze bepalingen zijn ook op 10 maart 2018 in werking getreden.