Circulaire nr. Ci.RH.26/405.384 dd. 31.08.1989
CIRC 31.08.89/1
Circulaire nr. Ci.RH.26/405.384 dd. 31.08.1989
Bull. nr. 687, pag. 2128
KAPITALEN
Omzetting in lijfrente.
ONDERHOUDSUITKERINGEN
Belastbaar bedrag.
Uitkeringen betaald in de vorm van een kapitaal.
Voorwaarden van aftrekbaarheid.
INHOUDSOPGAVE Nrs. I. Inleiding 1 en 2 II. Gewijzigde bepalingen van het Burgerlijk Wetboek 3 III. Toepassingsgebied van de art. 67, 3, en 71, § 1, 3°, WIB A. Algemeen 4 tot 6 B. Overzicht van de gewijzigde, artikelen van het Burgerlijk Wetboek 7 tot 16 IV. Bijzonder aanslagstelsel voor kapitalen betaald ter vervanging van onderhoudsuitkeringen. A. Wettekst 17 B. Commentaar 18 tot 22 V. Inwerkingtreding 23
2. Deze circulaire verstrekt eveneens commentaar op art. 173 van dezelfde programmawet dat de tekst wijzigt van art. 92bis, 1ste lid, WIB waardoor een bijzondere aanslagstelsel voor de ter vervanging van die uitkeringen betaalde kapitalen wordt, ingevoerd.
3. Meerdere wijzigingen zijn in de bepalingen van het B.W.. aangebracht door:
III. Toepassingsgebied van de art. 67, 3° en 71, § 1, 3°, WIB
A. Algemeen
4. De beperkende lijst van de in art. 67, 3°, en art. 71, § 1, 3°, WIB, opgesomde artikelen van het BW, zoals die lijst door de voornoemde wettelijke bepalingen is gewijzigd omvat voortaan de art. 203, 203bis, 205, 205bis, 206, 207, 213, 221, 223, 301, 303 306, 307, 307bis, 308, 311bis, 334, 336, 339bis, 364, 370, 475bis, en 475quinquies.
5. De art. 333, 337, 340 en 341, BW, zijn uit de bewuste lijst weggelaten omdat hun huidige inhoud niets meer te maken heeft met onderhoudsverplichtingen.
6. De in art. 67, 3°, en art. 71, § 1, 3°, WIB opgesomde artikelen van het gerechtelijk Wetboek (GW) tenslotte, zijn niet gewijzigd.
B. Overzicht van de gewijzigde artikelen van het Burgerlijk Wetboek
7. Art. 203, BW, § 1 : verplichting van de ouders aan hun kinderen levensonderhoud, opvoeding en een passende opleiding te verstrekken, zelfs na de meerderjarigheid van deze laatsten, indien hun opleiding op dat ogenblik niet voltooid is.
§ 2 : dezelfde verplichting rust op de langstlevende echtgenoot ten aanzien van de kinderen van de vooroverleden echtgenoot van wie hij niet de vader of de moeder is, binnen de grenzen van hetgeen hij heeft verkregen uit de nalatenschap van de vooroverledene en van de voordelen die deze hem mocht hebben verleend bij huwelijkscontract, door schenking of bij testament.
8. Art. 203bis, BW : bijdrage van elke ouder in de kosten die voortvloeien uit art. 203, § 1.
9. Art. 205, BW : verplichting, van de kinderen levensonderhoud te verstrekken aan hun ouders en hun andere bloedverwanten in de opgaande lijn die behoeftig zijn.
10. Art. 205bis, BW, § 1 : recht voor de langstlevende echtgenoot, al was hij gescheiden van tafel en bed, om levensonderhoud te vorderen ten laste van de nalatenschap van de eerststervende echtgenoot indien aan de volgende drie voorwaarden voldaan is:
§ 2 : recht voor de bloedverwanten in opgaande lijn van de vooroverleden echtgenoot, al was hij gescheiden van tafel en bed, om levensonderhoud te eisen ten laste van de nalatenschap van deze laatste, ten belope van de erfrechten die zij verliezen ten gevolge van giften aan de langstlevende echtgenoot wanneer aan de volgende vier voorwaarden voldaan is:
11. Art. 334, BW : gelijkheid van rechten en verplichtingen tussen eensdeels de kinderen en hun afstammelingen ten opzichte van de ouders en hun bloed- en aanverwanten en, anderdeels, van de ouders en hun bloed- en aanverwanten ten opzichte van de kinderen en hun afstammelingen, ongeacht de wijze waarop de afstamming is vastgesteld.
12. Art. 336, BW : recht van het kind wiens afstamming van vaderszijde niet vaststaat, een uitkering tot levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding te vorderen van degene die gedurende het wettelijk tijdvak van de verwekking met zijn moeder gemeenschap heeft gehad.
13. Art. 339bis, BW : overdracht van de last van de uitkering op de nalatenschap van de uitkeringsplichtige.
14. Overbrenging van de bepalingen die voorheen voorkwamen in de art. 1 en 4 van Hoofdstuk IIbis van titel X, Eerste Boek, BW, naar de art. 475bis en 475quinquies.
15. Schrapping van het woord "wettige" in het eerste en tweede lid van art. 364, BW en vervanging van de verwijzing naar art. 205 in het laatste deel van het tweede lid door de verwijzing naar art. 205bis.
16. Vervanging van de term "wettige adoptie" door "volle adoptie" in art. 370, BW.
A. Wettekst (De nieuwe bepaling is aangegeven met een kantlijn)
Wanneer de belastbare inkomsten een in artikel 67, 3°, bedoeld kapitaal omvatten, komt dat kapitaal voor de berekening van de belasting slechts in aanmerking ten belope van het bedrag van de jaarlijkse uitkering die erdoor wordt vervangen.
Het bedrag van de jaarlijkse uitkering die voor de berekening van de belasting in aanmerking moet worden genomen, wordt vastgesteld door op het kapitaal een van de in artikel 92, § 1, bedoelde omzettingscoëfficiënten toe te passen.
Vanaf de dag waarop dat kapitaal is betaald of toegekend en tot het overlijden van de verkrijger, wordt 80 pct. van het bedrag van de in de vorige leden bedoelde jaarlijkse uitkering voor elk belastbaar tijdperk gezamenlijk met de andere inkomsten belast.
B. Commentaar
18. Art. 92bis, eerste lid, WIB, regelt de wijze van aanslag wanneer de inkomsten een kapitaal als bedoeld in art. 67, 3°, omvatten.
19. Dit nieuwe eerste lid bepaalt nog steeds dat het kapitaal voor de berekening van de belasting slechts in aanmerking komt ten belope van het bedrag van de jaarlijkse uitkering die erdoor wordt vervangen, maar vermeldt niet langer meer de kapitalen waarop die aanslagwijze van toepassing is; het beperkt zich ertoe te verwijzen naar de kapitalen die bedoeld zijn in art. 67, 3°, WIB.
20. In dit opzicht kan dan ook worden verwezen naai de in dat art. 67, 3°, WIB voorkomende lijst van de artikelen van het BW en het GW, die de mogelijkheid bieden de uitkering te vervangen door een kapitaal, om na te gaan in welk geval het bijzondere aanslagstelsel van toepassing is.
21. Wat het BW betreft, voorzien alleen de art. 205bis, § 4 en 301, § 5, uitdrukkelijk in dergelijke vervanging; de art. 301, § 6, 306, 307, 307bis, 339bis en 364, tweede lid, BW die de gevallen bepalen waarin dergelijke uitkeringen onder de voorwaarden van de art. 205, § 4 (oud), art. 205bis, § 4, of art. 301, § 5, BW kunnen worden gekapitaliseerd, moeten echter eveneens in aanmerking worden genomen.
22. Hieruit volgt dat de bepalingen van 92bis/2 en 3, Com.IB van toepassing blijven en alleen moeten worden aangevuld met de verwijzing naar de bepalingen van art. 339bis, BW (kapitaal gestort door de nalatenschap van de in art. 336, BW bedoelde uitkeringsplichtige).
V. Inwerkingtreding
3. De art. 170, 171 en 173 van de Programmawet van 30.12.1988 treden in werking 10 dagen na de publikatie ervan in het Belgisch Staatsblad, d.w.z. op 15.1.1989.
Circulaire nr. Ci.RH.26/405.384 dd. 31.08.1989
Bull. nr. 687, pag. 2128
KAPITALEN
Omzetting in lijfrente.
ONDERHOUDSUITKERINGEN
Belastbaar bedrag.
Uitkeringen betaald in de vorm van een kapitaal.
Voorwaarden van aftrekbaarheid.
INHOUDSOPGAVE Nrs. I. Inleiding 1 en 2 II. Gewijzigde bepalingen van het Burgerlijk Wetboek 3 III. Toepassingsgebied van de art. 67, 3, en 71, § 1, 3°, WIB A. Algemeen 4 tot 6 B. Overzicht van de gewijzigde, artikelen van het Burgerlijk Wetboek 7 tot 16 IV. Bijzonder aanslagstelsel voor kapitalen betaald ter vervanging van onderhoudsuitkeringen. A. Wettekst 17 B. Commentaar 18 tot 22 V. Inwerkingtreding 23
| 1. | Inleiding |
| 1. | Deze circulaire verstrekt commentaar op de bepalingen van |
- art. 170 van de programmawet van 30.12.1988 (B.S. 5.1.1989 - V. 1961) dat de lijst aanpast van de in art. 67, 3°, WIB vermelde artikelen van het Burgerlijk Wetboek (BW), op grond waarvan onderhoudsuitkeringen en als zodanig geldende kapitalen moeten worden betaald om bij de uitkeringsgerechtigde belastbaar te zijn;
- art. 171 van diezelfde programmawet dat in dezelfde zin de lijst aanpast van de artikelen van het Burgerlijk Wetboek die vermeld zijn in art. 71, § 1, 3°, WIB, dat de aftrekbaarheid van die uitkeringen en kapitalen van het totale netto-inkomen van de uitkeringsplichtige regelt.
2. Deze circulaire verstrekt eveneens commentaar op art. 173 van dezelfde programmawet dat de tekst wijzigt van art. 92bis, 1ste lid, WIB waardoor een bijzondere aanslagstelsel voor de ter vervanging van die uitkeringen betaalde kapitalen wordt, ingevoerd.
| II. | Gewijzigde bepalingen van het burgerlijk wetboek |
| 1°) | de wet van 14.5.1981 die het erfrecht van de langstlevende echtgenoot heeft gewijzigd (art. 203 en 205) en een nieuw art.205bis heeft ingevoegd; |
| 2°) | de wet van 31.3.1987 die een aantal bepalingen betreffende de afstamming heeft gewijzigd (voormeld art. 203 zomede inzonderheid de art. 333, 334, 336, 337, 340 en 341) en die art. 342 heeft afgeschaft; dezelfde wet heeft ook nog de art. 203bis en 339bis ingevoegd en heeft de bepalingen van de art. 1 en 4 van het Eerste boek, Titel X, Hoofdstuk IIbis, vervangen door de art. 475bis en 475quinquies; |
| 3°) | de wet van 27.4.1987 die een aantal bepalingen betreffende de adoptie heeft gewijzigd (art. 364. en 370). |
A. Algemeen
4. De beperkende lijst van de in art. 67, 3°, en art. 71, § 1, 3°, WIB, opgesomde artikelen van het BW, zoals die lijst door de voornoemde wettelijke bepalingen is gewijzigd omvat voortaan de art. 203, 203bis, 205, 205bis, 206, 207, 213, 221, 223, 301, 303 306, 307, 307bis, 308, 311bis, 334, 336, 339bis, 364, 370, 475bis, en 475quinquies.
5. De art. 333, 337, 340 en 341, BW, zijn uit de bewuste lijst weggelaten omdat hun huidige inhoud niets meer te maken heeft met onderhoudsverplichtingen.
6. De in art. 67, 3°, en art. 71, § 1, 3°, WIB opgesomde artikelen van het gerechtelijk Wetboek (GW) tenslotte, zijn niet gewijzigd.
B. Overzicht van de gewijzigde artikelen van het Burgerlijk Wetboek
7. Art. 203, BW, § 1 : verplichting van de ouders aan hun kinderen levensonderhoud, opvoeding en een passende opleiding te verstrekken, zelfs na de meerderjarigheid van deze laatsten, indien hun opleiding op dat ogenblik niet voltooid is.
§ 2 : dezelfde verplichting rust op de langstlevende echtgenoot ten aanzien van de kinderen van de vooroverleden echtgenoot van wie hij niet de vader of de moeder is, binnen de grenzen van hetgeen hij heeft verkregen uit de nalatenschap van de vooroverledene en van de voordelen die deze hem mocht hebben verleend bij huwelijkscontract, door schenking of bij testament.
8. Art. 203bis, BW : bijdrage van elke ouder in de kosten die voortvloeien uit art. 203, § 1.
9. Art. 205, BW : verplichting, van de kinderen levensonderhoud te verstrekken aan hun ouders en hun andere bloedverwanten in de opgaande lijn die behoeftig zijn.
10. Art. 205bis, BW, § 1 : recht voor de langstlevende echtgenoot, al was hij gescheiden van tafel en bed, om levensonderhoud te vorderen ten laste van de nalatenschap van de eerststervende echtgenoot indien aan de volgende drie voorwaarden voldaan is:
- het huwelijk mag niet ontbonden zijn door echtscheiding;
- de langstlevende echtgenoot moet behoeftig zijn op het ogenblik van het openvallen van de erfenis;
- de eis tot betaling van levensonderhoud moet binnen het jaar, te rekenen van de dag van het overlijden, ingesteld zijn (zie Kluyskens, VII, nr. 338).
§ 2 : recht voor de bloedverwanten in opgaande lijn van de vooroverleden echtgenoot, al was hij gescheiden van tafel en bed, om levensonderhoud te eisen ten laste van de nalatenschap van deze laatste, ten belope van de erfrechten die zij verliezen ten gevolge van giften aan de langstlevende echtgenoot wanneer aan de volgende vier voorwaarden voldaan is:
- er mogen geen kinderen zijn uit het huwelijk van de "de cujus";
- het huwelijk mag niet ontbonden zijn door echtscheiding;
- de bloedverwanten in opgaande lijn van de overledene moeten behoeftig zijn op het ogenblik van het openvallen van de erfenis;
- de vordering tot betaling van levensonderhoud moet binnen het jaar, te rekenen van de dag van het overlijden, ingesteld zijn.
11. Art. 334, BW : gelijkheid van rechten en verplichtingen tussen eensdeels de kinderen en hun afstammelingen ten opzichte van de ouders en hun bloed- en aanverwanten en, anderdeels, van de ouders en hun bloed- en aanverwanten ten opzichte van de kinderen en hun afstammelingen, ongeacht de wijze waarop de afstamming is vastgesteld.
12. Art. 336, BW : recht van het kind wiens afstamming van vaderszijde niet vaststaat, een uitkering tot levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding te vorderen van degene die gedurende het wettelijk tijdvak van de verwekking met zijn moeder gemeenschap heeft gehad.
13. Art. 339bis, BW : overdracht van de last van de uitkering op de nalatenschap van de uitkeringsplichtige.
14. Overbrenging van de bepalingen die voorheen voorkwamen in de art. 1 en 4 van Hoofdstuk IIbis van titel X, Eerste Boek, BW, naar de art. 475bis en 475quinquies.
15. Schrapping van het woord "wettige" in het eerste en tweede lid van art. 364, BW en vervanging van de verwijzing naar art. 205 in het laatste deel van het tweede lid door de verwijzing naar art. 205bis.
16. Vervanging van de term "wettige adoptie" door "volle adoptie" in art. 370, BW.
| IV. | Bijzonder aanslagstelsel voor kapitalen betaald ter vervanging van onderhoudsuitkeringen |
| 17. |
Art. 92bis, WIB. |
Het bedrag van de jaarlijkse uitkering die voor de berekening van de belasting in aanmerking moet worden genomen, wordt vastgesteld door op het kapitaal een van de in artikel 92, § 1, bedoelde omzettingscoëfficiënten toe te passen.
Vanaf de dag waarop dat kapitaal is betaald of toegekend en tot het overlijden van de verkrijger, wordt 80 pct. van het bedrag van de in de vorige leden bedoelde jaarlijkse uitkering voor elk belastbaar tijdperk gezamenlijk met de andere inkomsten belast.
B. Commentaar
18. Art. 92bis, eerste lid, WIB, regelt de wijze van aanslag wanneer de inkomsten een kapitaal als bedoeld in art. 67, 3°, omvatten.
19. Dit nieuwe eerste lid bepaalt nog steeds dat het kapitaal voor de berekening van de belasting slechts in aanmerking komt ten belope van het bedrag van de jaarlijkse uitkering die erdoor wordt vervangen, maar vermeldt niet langer meer de kapitalen waarop die aanslagwijze van toepassing is; het beperkt zich ertoe te verwijzen naar de kapitalen die bedoeld zijn in art. 67, 3°, WIB.
20. In dit opzicht kan dan ook worden verwezen naai de in dat art. 67, 3°, WIB voorkomende lijst van de artikelen van het BW en het GW, die de mogelijkheid bieden de uitkering te vervangen door een kapitaal, om na te gaan in welk geval het bijzondere aanslagstelsel van toepassing is.
21. Wat het BW betreft, voorzien alleen de art. 205bis, § 4 en 301, § 5, uitdrukkelijk in dergelijke vervanging; de art. 301, § 6, 306, 307, 307bis, 339bis en 364, tweede lid, BW die de gevallen bepalen waarin dergelijke uitkeringen onder de voorwaarden van de art. 205, § 4 (oud), art. 205bis, § 4, of art. 301, § 5, BW kunnen worden gekapitaliseerd, moeten echter eveneens in aanmerking worden genomen.
22. Hieruit volgt dat de bepalingen van 92bis/2 en 3, Com.IB van toepassing blijven en alleen moeten worden aangevuld met de verwijzing naar de bepalingen van art. 339bis, BW (kapitaal gestort door de nalatenschap van de in art. 336, BW bedoelde uitkeringsplichtige).
V. Inwerkingtreding
3. De art. 170, 171 en 173 van de Programmawet van 30.12.1988 treden in werking 10 dagen na de publikatie ervan in het Belgisch Staatsblad, d.w.z. op 15.1.1989.
Bron: FisconetPlus
