Circulaire nr. Ci.RH.331/440.593 van 01.03.1993

CIRC 01.03.93/2
Bull. nr. 724
PERSONENBELASTING
Berekening van de belasting
INHOUDSOPGAVE
DEEL I - ALGEMEEN
Titel I - Belastbaar tijdperk
Titel II - Echtgenoten en alleenstaanden
Titel III - Gezamenlijke aanslag van echtgenoten en kinderen
Titel IV - Gezamenlijk belastbaar inkomen
Titel V - Afzonderlijk belastbare inkomsten
Titel VI - Belastbaar inkomen dat samengesteld is uit diverse bestanddelen
Titel VII - Terminologie

DEEL II - BEREKENING VAN DE P.B. OP DE GEZAMENLIJK BELASTBARE INKOMSTEN
Titel I - Algemeen
Titel II - Om te slane belasting
Hoofdstuk I - Regels
Afdeling I - Alleenstaanden
Afdeling II - Echtgenoten

Hoofdstuk II - Schaal
Afdeling I - Algemeen
Afdeling II - Tarief
Afdeling III - Praktische tabel

Hoofdstuk III - Afronding
Hoofdstuk IV - Belastingvrije som
Afdeling I - Principes
Afdeling II - Basisbedrag
Afdeling III - Toeslagen voor kinderen ten laste
1. Kinderen
2. Verdubbeling voor handicap
3. Bedrag van de toeslag

Afdeling IV - Toeslag voor kinderen jonger dan 3 jaar
1. Algemeen
2. Beoogde kinderen
3. Onverenigbaarheid
4. Bedrag van de toeslag

Afdeling V - Toeslag voor andere personen ten laste dan kinderen
1. Andere personen ten laste
2. Overleden personen ten laste
3. Bedrag van de toeslag

Afdeling VI - Toeslag voor handicap van andere personen dan kinderen
1. Handicap
2. Andere personen dan kinderen
3. Bedrag van de toeslag

Afdeling VII - Toeslag voor weduwnaar, weduwe of ongehuwde ouder met kinderlast
1. Begunstigden
2. Bedrag van de toeslag

Afdeling VIII - Toeslag voor het jaar van huwelijk
1. Begunstigden
2. Bedrag van de toeslag

Afdeling IX - Toeslag voor het jaar van overlijden van een echtgenoot
1. Begunstigden
2. Bedrag van de toeslag

Afdeling X - Aanrekening van de belastingvrije som
1. Alleenstaanden
2. Echtgenoten
3. Voorbeelden

Hoofdstuk V - Voorbeelden

Titel III - Omslag van de belasting
Hoofdstuk I - Algemeen
Hoofdstuk II - Regels
Afdeling I - Alleenstaanden
Afdeling II - Echtgenoten
Afdeling III - Voorbeelden

Titel IV - Verminderde basisbelasting
Hoofdstuk I - Algemeen
Hoofdstuk II - Bedrag van de verminderingen voor alternatieve beroepsinkomsten
Hoofdstuk III - Geleidelijke afbouw van de verminderingen indien het G.B.I. meer dan 640.000 F bedraagt
Afdeling I - Vermindering voor werkloosheidsuitkeringen
Afdeling II - Andere verminderingen

Hoofdstuk IV - Beperking van de verminderingen
Hoofdstuk V - Afzonderlijk belastbare inkomsten
Hoofdstuk VI - Feitelijke belastingvrijstelling
Hoofdstuk VII - Voorbeelden

Titel V - Hoofdsom
Hoofdstuk I - Algemeen
Hoofdstuk II - Vermindering van 100 % voor inkomsten van buitenlandse oorsprong
Hoofdstuk III - Vermindering van 50 % voor inkomsten van buitenlandse oorsprong
Afdeling I - Inkomsten die in aanmerking komen voor de vermindering
Afdeling II - Inkomsten die niet in aanmerking komen voor de vermindering

Hoofdstuk IV - Voorbeeld

DEEL III - BEREKENING VAN DE P.B. OP DE AFZONDERLIJK BELASTBARE INKOMSTEN
Titel I - Algemeen
Titel II - Belangrijke opmerkingen
Titel III - Inkomsten die tegen 33 % belastbaar zijn
Titel IV - Inkomsten die tegen 25 % belastbaar zijn
Titel V - Inkomsten die tegen 16,5 % belastbaar zijn
Titel VI - Inkomsten die tegen 10 % belastbaar zijn
Titel VII - Inkomsten die tegen de gemiddelde aanslagvoet van het laatste vorige jaar met normale beroepswerkzaamheid belastbaar zijn
Hoofdstuk I - Algemeen
Hoofdstuk II - Opzeggingsvergoedingen
Hoofdstuk III - Achterstallen van gewone bezoldigingen en pensioenen
Hoofdstuk IV - Uit een voorheen uitgeoefende beroepswerkzaamheid behaalde winst of baten
Hoofdstuk V - Laatste vorige jaar met normale beroepswerkzaamheid -
Hoofdstuk VI - In aanmerking te nemen belasting
Hoofdstuk VII - Berekening van de gemiddelde aanslagvoet
Afdeling I - Regel
Afdeling II - Voorbeeld

Titel VIII - Inkomsten die tegen de aanslagvoet betreffende de andere inkomsten van hetzelfde jaar belastbaar zijn
Hoofdstuk I - Algemeen
Hoofdstuk II - In aanmerking te nemen belasting
Hoofdstuk III - Berekening van de aanslagvoet

Titel IX - Inkomsten die belastbaar zijn voor een bedrag dat overeenstemt met de op die inkomsten betrekking hebbende roerende voorheffing
Hoofdstuk I - Bedoelde inkomsten
Hoofdstuk II - In aanmerking te nemen bedrag

Titel X - Afronding van de belastbare inkomsten

DEEL IV - VERREKENING VAN DE VOORHEFFINGEN EN ANDERE VAN DE P.B. AF TE TREKKEN BESTANDDELEN
Titel I - Algemene beginselen
Titel II - Verrekening van de niet terugbetaalbare voorheffingen en bestanddelen
Hoofdstuk I - Algemeen
Hoofdstuk II - Voorheffingen en bestanddelen die verrekend worden met het gedeelte van de P.B. dat op de beroepsinkomsten slaat
Afdeling I - In beginsel te verrekenen bedragen
Afdeling II - Beperking van de verrekening
Afdeling III - Voorbeeld

Hoofdstuk III - Voorheffing die met de totale P.B. verrekend wordt
Afdeling I - Algemeen
Afdeling II - In beginsel te verrekenen bedrag
Afdeling III - Beperking van de verrekening
Afdeling IV - Voorbeelden

Titel III - Verrekening van de terugbetaalbare voorheffingen en bestanddelen
Hoofdstuk I - Algemeen
Hoofdstuk II - In aanmerking te nemen bedragen
Hoofdstuk III - Verrekening
Hoofdstuk IV - Voorbeeld

DEEL V - VERMEERDERINGEN, BONIFICATIES EN VOORAFBETALINGEN
Titel I - Algemeen
Titel II - Vermeerdering ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen gedaan zijn
Hoofdstuk I - Grondbeginselen
Hoofdstuk II - Grondslag voor de berekening van de vermeerdering
Afdeling I - Algemeen
Afdeling II - Berekening van de P.B.
Onderafdeling I - Bedrag van de beroepsinkomsten
Onderafdeling II - Berekening van de P.B.
A. - Regel
B. - Uitzondering

Afdeling III - Opvoering van de P.B.
Afdeling IV - Verrekening van de voorheffingen
Afdeling V - Voorbeelden

Hoofdstuk III - Berekening van de vermeerdering
Afdeling I - Algemeen
Afdeling II - Globale vermeerdering
Afdeling III - Voordelen V.A.
Afdeling IV - Werkelijk toepasselijke vermeerdering
Onderafdeling I - Algemene regel
Onderafdeling II - Afwijking
Afdeling V - Voorbeelden

Titel III - Bonificatie wegens voorafbetaling van de belasting
Hoofdstuk I - Grondbeginselen
Hoofdstuk II - Berekening van de bonificatie indien het belastbare inkomen geen beroepsinkomsten met vermeerdering bevat
Afdeling I - Maximumbedrag aan voorafbetalingen dat recht geeft op bonificatie -
Afdeling II - Bonificatie
Afdeling III - Voorbeelden

Hoofdstuk III - Berekening van de bonificatie indien het belastbare inkomen beroepsinkomsten met vermeerdering bevat
Afdeling I - Algemeen
Afdeling II - Voorafbetalingen nodig om de belastingvermeerdering te vermijden
Afdeling III - Maximumbedrag aan voorafbetalingen dat recht geeft op bonificatie
Afdeling IV - Bonificatie
Afdeling V - Voorbeelden

DEEL VI - BELASTINGVERHOGINGEN
Titel I - Bepaling
Titel II - Grondslag van de verhoging
Titel III - Maximumverhoging
Titel IV - Aanvankelijke aanslag met verhoging
Hoofdstuk I - Het gehele belastbare inkomen geeft aanleiding tot belastingverhoging (verhoging wegens niet-aangifte)
Afdeling I - Regel
Afdeling II - Voorbeeld

Hoofdstuk II - Slechts een gedeelte van het belastbare inkomen geeft aanleiding tot belastingverhoging (onvolledige of onjuiste aangifte)
Afdeling I - Regel
Afdeling II - Voorbeeld

Titel V - Aanslag in de tweede graad met verhoging
Hoofdstuk I - De gehele inkomstenverhoging geeft aanleiding tot belastingverhoging
Hoofdstuk II - Slechts een gedeelte van de inkomstenverhoging geeft aanleiding tot belastingverhoging
Hoofdstuk III - Voorbeeld

DEEL VII - AANVULLENDE GEMEENTE- EN AGGLOMERATIEBELASTING OP DE P.B.
Titel I - Grondslag van de P.B./Gem. en de P.B./Agg.
Titel II - Aanslagvoet
Titel III - Voorbeeld

DEEL VIII - MINIMUMBEDRAG VAN EEN TERUGGAVE OF EEN BETALING INZAKE P.B., P.B./GEM. EN P.B./AGG.
Titel I - Algemene regels
Titel II - Praktische toepassingsregels
* * * * *

LIJST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN
-
Onroerende voorheffing (werkelijke) :
-
betreffende onroerende inkomsten met prive-karakterO.V.-prive
-
betreffende onroerende inkomsten met bedrijfskarakterO.V.-bedrijf
Onroerende voorheffing (fictieve) betreffende onroerende inkomsten met bedrijfskarakterF.O.V.-bedrijf
Roerende voorheffing (werkelijke) :
-
betreffende roerende inkomsten met prive-karakterR.V.roer.-prive
-
betreffende roerende inkomsten met bedrijfskarakterR.V.roer.-bedrijf
-
betreffende diverse inkomstenR.V.div.
Roerende voorheffing (fictieve) :
-
betreffende roerende inkomsten met prive-karakter F.R.V.roer.-prive
-
betreffende roerende inkomsten met bedrijfskarakterF.R.V.roer.-bedrijf
-
betreffende diverse inkomstenF.R.V.div.
Forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting betreffende roerende inkomsten met bedrijfskarakterF.B.B.
Bedrijfsvoorheffing :
-
op bezoldigingen van loontrekkers, op pensioenen, renten, enz.B.V.L.
-
op bezoldigingen van bestuurders, enz.B.V.Adm.
-
op bezoldigingen van werkende vennotenB.V.Ven.
-
op sommige diverse inkomsten van niet-roerende aard B.V.div.
Belastingkrediet op bezoldigingen van bestuurders, enz.B.K.Adm.
VoorafbetalingenV.A.
Aanvullende gemeentebelasting op de P.B.P.B./Gem.
Aanvullende agglomeratiebelasting op de P.B. P.B./Agg.
* * * * * * * * * *
DEEL I - ALGEMEEN
TITEL I - BELASTBAAR TIJDPERK
1. Doorgaans valt het belastbare tijdperk samen met het jaar voor dat waarnaar het aanslagjaar genoemd wordt.
Aldus worden de belastbare inkomsten die tijdens het jaar 1991 behaald zijn, in beginsel, voor het aanslagjaar 1992 aan de P.B. onderworpen.
TITEL II - ECHTGENOTEN EN ALLEENSTAANDEN
2. De wet maakt een verschil tussen, enerzijds, de belastingplichtigen die als "echtgenoten" kunnen beschouwd worden en, anderzijds, de belastingplichtigen die als "alleenstaanden" aangemerkt worden.
Hoewel wettelijk gehuwd, worden getrouwde personen fiscaal immers niet als "echtgenoten" beschouwd :
  • in het jaar van hun huwelijk;vanaf het jaar na dat waarin de feitelijke scheiding een aanvang genomen heeft (voor zover die scheiding in de loop van het belastbare tijdperk niet ongedaan gemaakt is);
  • in het jaar van ontbinding van het huwelijk (door echtscheiding of door overlijden) of van scheiding van tafel en bed;wanneer een echtgenoot beroepsinkomsten heeft van meer dan 288.000 frank die bij overeenkomst vrijgesteld zijn en die niet in aanmerking komen voor het berekenen van de belasting op de andere inkomsten van het gezin.
3. Als "alleenstaanden" worden beschouwd :
a ) ongehuwde personen, met inbegrip van diegenen die een feitelijk gezin vormen;
b) gehuwde personen voor het jaar van hun huwelijk en voor het jaar van overlijden van een der echtgenoten;
c) uit de echt of van tafel en bed gescheiden personen, vanaf het jaar waarin het vonnis uitgesproken is (voor zover het binnen de voorgeschreven termijn overgeschreven is);
d) weduwen en weduwnaars, vanaf het jaar van overlijden van de echtgenoot;
e) feitelijk gescheiden personen, vanaf het jaar na dat van de scheiding (indien de scheiding in het belastbare tijdperk niet ongedaan gemaakt is);
f) personen waarvan de echtgenoot beroepsinkomsten heeft van meer dan 288.000 frank die bij overeenkomst vrijgesteld zijn en die niet in aanmerking komen voor het berekenen van de belasting op de andere inkomsten van het gezin.

De onder b tot f bedoelde personen worden dus, ongeacht hun burgerlijke staat, als afzonderlijke belastingsubjecten beschouwd; ze moeten elk een aangifte in de P.B. onderschrijven en de door elk van hen verschuldigde belasting wordt afzonderlijk vastgesteld en op ieders naam gevestigd.
TITEL III - GEZAMENLIJKE AANSLAG VAN ECHTGENOTEN EN KINDEREN
4. Behoudens in de gevallen waarin zij fiscaal als "alleenstaanden" beschouwd worden, vullen echtgenoten slechts een aangifte in de P.B. in, waarin zij enerzijds afzonderlijk (d.w.z. per echtgenoot) hun eigen beroepsinkomsten vermelden en, anderzijds gezamenlijk, ongeacht het aangenomen huwelijksvermogensstelsel, alle andere, eigen of gemeenschappelijke, belastbare inkomsten van het gezin (onroerende, roerende en diverse inkomsten) opgeven. De aanslag wordt alsdan steeds op naam van beide echtgenoten gevestigd.
5. De belastbare inkomsten van kinderen worden met die van hun ouders samengevoegd, wanneer deze laatsten het wettelijk genot van de inkomsten van hun kinderen hebben. Deze regel is slechts van toepassing op inkomsten van roerende en onroerende goederen en houdt alleszins op wanneer de kinderen de leeftijd van 18 jaar bereikt hebben.
TITEL IV - GEZAMENLIJK BELASTBAAR INKOMEN
6. Voor belastingplichtigen die fiscaal als "echtgenoten" beschouwd worden, wordt de P.B. afzonderlijk berekend op basis van :
a) enerzijds, de beroepsinkomsten van de echtgenoot die er het minst heeft (1)

b) anderzijds, de beroepsinkomsten van de andere echtgenoot, gevoegd bij alle andere inkomsten (inkomsten uit onroerende goederen, inkomsten van kapitalen en roerende goederen, diverse inkomsten) van het gezin.

Deze belastbare inkomsten moeten in aanmerking genomen worden na aftrek van de van het totale netto-inkomen aftrekbare (gemeenschappelijke en personaliseerbare) bestedingen.
Zij omvatten zowel de inkomsten van Belgische als van buitenlandse oorsprong, met inbegrip van de bij dubbelbelastingovereenkomst vrijgestelde buitenlandse inkomsten die in aanmerking moeten genomen worden voor het bepalen van de belasting (2).
Voor gehuwden zijn er doorgaans dus twee belastbare grondslagen en wordt de P.B. op elke grondslag afzonderlijk berekend.
[(1) Wanneer een van de echtgenoten geen of slechts geringe beroepsinkomsten heeft, wordt hem automatisch een gedeelte van de beroepsinkomsten van de andere echtgenoot toegerekend, dat vervolgens als een eigen beroepsinkomen beschouwd wordt.
( 2) Met uitzondering evenwel van de in Com.I.B. 88/3 bedoelde vrijgestelde inkomsten van ambtenaren van internationale organisaties. ] .
7. Wat de "alleenstaanden" betreft, is er vanzelfsprekend slechts een enkele belastbare grondslag die gelijk is aan het verschil tussen het totale netto-inkomen en alle ervan aftrekbare bestedingen (waarbij het onderscheid tussen gemeenschappelijke bestedingen en personaliseerbare bestedingen uiteraard niet bestaat).
TITEL V - AFZONDERLIJK BELASTBARE INKOMSTEN
8. Sommige inkomsten zijn afzonderlijk belastbaar tegen een bijzondere aanslagvoet, behalve wanneer hun samentelling met de andere inkomsten voor de belastingplichtige voordeliger uitvalt dan de afzonderlijke aanslag.
De hier bedoelde inkomsten moeten ofwel allemaal af-zonderlijk belast worden, ofwel allemaal met de andere inkomsten samengeteld worden.
Slechts de voor de belastingplichtige meest voordelige aanslag wordt in het kohier opgenomen.
TITEL VI - BELASTBAAR INKOMEN DAT SAMENGESTELD IS UIT DIVERSE BESTANDDELEN
9. Indien het belastbare inkomen uit diverse soorten van inkomsten bestaat, moet de P.B. over de verschillende inkomstencategorieen omgeslagen worden.
Die omslag is onontbeerlijk omdat :
1. de verminderingen voor alternatieve beroepsinkomsten (zie definitie in nr.11) niet meer mogen bedragen dan het gedeelte van de P.B. dat op die inkomsten slaat;
2. de P.B. met betrekking tot bepaalde inkomsten van buitenlandse oorsprong helemaal niet (bij toepassing van dubbelbelastingovereenkomsten) of slechts voor de helft verschuldigd is;
3. sommige voorheffingen en bestanddelen slechts binnen door de wet gestelde grenzen mogen verrekend worden;
4. de wet een vermeerdering oplegt op 106/100sten van het gedeelte van de P.B. dat met sommige beroepsinkomsten overeenstemt.

10. Vooraleer met de eigenlijke berekening van de P.B. te beginnen is het dus noodzakelijk het nettobedrag van elke inkomstengroep vast te stellen. Dit noodzaakt, inzonderheid wat de beroepsinkomsten betreft, de toepassing van sommige bijzondere regels betreffende o.m. de omdeling van de aftrekbare beroepskosten, de eventuele toekenning van een meewerkinkomen en/of een huwelijksquotient bij echtgenoten, de wijze van aanrekening van de beroepsverliezen en van sommige uitgaven zoals levensverzekeringspremies, kapitaalaflossingen en sommen besteed aan de aankoop van aandelen van de vennootschapwerkgeefster.
TITEL VII - TERMINOLOGIE
11. Voor een goed begrip van de uiteengezette stof wordt hierna (in alfabetische volgorde) de omschrijving gegeven van de voornaamste termen die in deze circ. gebruikt worden.
Achterstallige erelonen
Het betreft de baten die betrekking hebben op ge-durende een periode van meer dan twaalf maanden geleverde diensten en die door toedoen van de overheid niet betaald zijn in het jaar van de prestaties maar in eenmaal vergoed worden, en zulks uitsluitend voor het evenredige deel dat een vergoeding van twaalf maanden prestaties overtreft.
Achterstallige onderhoudsuitkeringen
Het betreft onderhoudsuitkeringen die na het belastbare tijdperk waarop ze betrekking hebben, betaald worden ter uitvoering van een gerechtelijke beslissing waarbij het bedrag ervan met terugwerkende kracht is vastgesteld of verhoogd.
Afgezonderd beroepsinkomen
Dit is het totale nettoberoepsinkomen van de echtgenoot die er het minst heeft, verminderd met de gemeenschappelijke en personaliseerbare bestedingen die erop betrekking hebben.
Alternatieve beroepsinkomsten
Met deze uitdrukking worden in het algemeen bedoeld :
  • de pensioenen;
  • de brugpensioenen;
  • de werkloosheidsuitkeringen;
  • de wettelijke uitkeringen inzake ziekte- of invaliditeitsverzekering (verder "Z.I.V.-uitkeringen" genoemd);
  • de vervangingsinkomsten, d.w.z. alle andere uitkeringen of vergoedingen die een tijdelijke derving van winsten, bezoldigingen of baten herstellen (inzonderheid de aanvullende uitkeringen in geval van ziekte of invaliditeit en de wettelijke en aanvullende uitkeringen in geval van beroepsziekte of arbeidsongeval)
Basisbelasting
Onder basisbelasting wordt verstaan, de belasting zoals die volgt uit de toepassing van de belastingschaal, voor aftrek van de belasting op de belastingvrije som en voor enigerlei belastingvermindering, -vermeerdering of -verhoging.
Belastingvrije som
De belastingvrije som is het gedeelte van de belastbare grondslag dat van belasting vrijgesteld is. De belastingvrije som wordt op de onderste inkomstenschijven aangerekend (art. 134, derde lid, W.I.B. 1992).
G.B.I.
Dit is :
  • voor een alleenstaande, het totale netto-inkomen verminderd met de in art. 104, W.I.B. 1992 bedoelde bestedingen en met de andere gelijkaardige uitgaven;
  • voor echtgenoten, het gezamenlijk belastbare inkomen van het gezin dat overeenstemt met het totaal van het afgezonderd beroepsinkomen en het resterend gezinsinkomen.
Gemeenschappelijke bestedingen
Als gemeenschappelijke bestedingen van beide echtgenoten worden aangemerkt :
  • de in art. 104, eerste lid, 3. tot 5., W.I.B. 1992 vermelde giften;
  • de in art. 104, eerste lid, 6., W.I.B. 1992 vermelde bezoldigingen van een huisbediende;
  • de in art. 104, eerste lid, 7., W.I.B. 1992 vermelde kosten van kinderopvang;
  • de in art. 104, eerste lid, 8., W.I.B. 1992 vermelde uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde onroerende goederen;
  • de in art. 104, eerste lid, 9., W.I.B. 1992 vermelde bijkomende interesten;
  • de in art. 104, eerste lid, 11., W.I.B. 1992 vermelde erfpacht- en opstalvergoedingen en gelijkaardige vergoedingen.
Als gemeenschappelijke bestedingen van de echtgenoten worden eveneens beschouwd :
  • de onderhoudsuitkeringen (met inbegrip van de achterstallige uitkeringen) die gezamenlijk door beide echtgenoten verschuldigd zijn;
  • de uitgaven die krachtens tijdelijke maatregelen van het totale netto-inkomen aftrekbaar zijn (zoals de sommen besteed aan de aankoop van innovatie-effecten of nog de door ambtenaren uit hoofde van een cumulatieactiviteit aan de Schatkist betaalde sommen);
  • de in 1991 betaalde bijzondere bijdragen voor sociale zekerheid.
Hervormingswet 1988
Wet van 7.12.1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen (B. 679).
Hoofdsom
Door hoofdsom moet worden verstaan de verminderde basisbelasting na aftrek van de verminderingen voor inkomsten van buitenlandse oorsprong.
De begrippen "hoofdsom" en "verminderde basisbelasting" zijn gelijkwaardig wanneer er alleen tegen het volle tarief belastbare inkomsten voorhanden zijn.
Om te slane belasting
Voor een alleenstaande is de om te slane belasting gelijk aan het verschil tussen de basisbelasting en de belasting op de belastingvrije som.
Voor echtgenoten is de om te slane belasting gelijk aan de totale belasting op het gezinsinkomen. Deze belasting wordt verkregen door de twee basisbelastingen (respectievelijk berekend op het afgezonderd beroepsinkomen en op het resterend gezinsinkomen) te verminderen met de belasting op de respectieve belastingvrije sommen en door vervolgens de bekomen verschillen samen te tellen.
Opzeggingsvergoedingen
Opzeggingsvergoedingen zijn vergoedingen die, al dan niet contractueel, betaald worden ten gevolge van stopzetting van arbeid of beeindiging van een arbeidsovereenkomst.
Personaliseerbare bestedingen
De personaliseerbare bestedingen zijn :
  • de in art. 104, eerste lid, 1. en 2., W.I.B. 1992 vermelde onderhoudsuitkeringen of kapitalen, waarvan de betrokken echtgenoot de enige schuldenaar is;
  • de in art. 104, eerste lid, 10., W.I.B. 1992 vermelde stortingen voor pensioensparen.
Resterend gezinsinkomen
Dit is de grondslag die wordt gevormd door het totale nettoberoepsinkomen van de echtgenoot die er het meest heeft en de overige netto-inkomsten (onroerende, roerende en diverse) van het gezin, verminderd met de ervan aftrekbare gemeenschappelijke en personaliseerbare bestedingen.
Totaal netto-inkomen
Het betreft hier het totaal van de gezamenlijk belastbare (onroerende, roerende, beroeps- en diverse) inkomsten, zoals zij vastgesteld zijn voor aftrek van de in art. 104, W.I.B. 1992 bedoelde bestedingen en andere gelijkaardige uitgaven (d.w.z. voor aftrek van de hierboven vermelde gemeenschappelijke en personaliseerbare bestedingen).
Verminderde basisbelasting
Onder verminderde basisbelasting wordt verstaan, de om te slane belasting verminderd met de verminderingen voor alternatieve beroepsinkomsten.
Vervroegd vakantiegeld
Dit is het gedeelte van het vakantiegeld dat voor-tijdig wordt betaald aan een bediende die de onderneming verlaat.
DEEL II - BEREKENING VAN DE P.B. OP DE GEZAMENLIJK BELASTBARE INKOMSTEN
TITEL I - ALGEMEEN
12. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de verschillende fasen die moeten doorlopen worden om, uit-gaande van de basisbelasting, te komen tot de hoofdsom, d.i. het bedrag van de P.B. dat in feite verschuldigd is voor verrekening van enigerlei voorheffing en voor toepassing van enigerlei belastingvermeerdering of -verhoging.
Die diverse berekeningsfasen worden hierna een voor een besproken en uiteengezet.
Aleenstaanden
Gehuwden
Afgezonderd beroepsinkomen
Resterend gezinsinkomen
BASISBELASTINGBASISBELASTINGBASISBELASTING(art. 130, W.I.B. 1992)
belasting op de belastingvrije sombelasting op de belastingvrije sombelasting op de belastingvrije som(art. 131 tot 134, W.I.B. 1992)
OM TE SLANE BELASTING
  • vermindering voor alternatieve beroepsinkomsten (art. 146 tot 154, W.I.B. 1992)
VERMINDERDE BASISBELASTING (= grondslag gemiddeldeaanslagvoet)
  • vermindering voor inkomsten van buitenlandse oorsprong (art. 155 en 156, W.I.B. 1992)
HOOFDSOM (= grondslag P.B./Gem. en P.B./Agg *)
* indien er geen afzonderlijk belastbare inkomsten zijn

TITEL II - OM TE SLANE BELASTING
Hoofdstuk I - REGELS
Afdeling I - ALLEENSTAANDEN
13. Voor een alleenstaande is de om te slane belasting steeds gelijk aan het verschil tussen :
  • enerzijds, de basisbelasting;
  • anderzijds, de belasting op de belastingvrije som.
Afdeling II - ECHTGENOTEN
14. De om te slane belasting is gelijk aan de totale op het gezinsinkomen verschuldigde belasting. Die belasting wordt verkregen door de twee basisbelastingen respectieve-lijk berekend op het afgezonderd beroepsinkomen en op het resterend gezinsinkomen) te verminderen met de belasting op de respectieve belastingvrije sommen en door de verschillen vervolgens samen te tellen.
15. Alhoewel er in de regel twee aanslagbasissen zijn waarop een belasting berekend wordt, mag niet gesteld worden dat de op de ene basis berekende belasting die is welke door de ene echtgenoot verschuldigd is en de op de andere basis berekende belasting die is van de andere echtgenoot.
Men mag immers niet uit het oog verliezen dat :
1. het resterend gezinsinkomen in voorkomend geval ook alle onroerende, roerende en diverse inkomsten van het gezin bevat;
2. de toeslagen op de belastingvrije som normaal slechts op een aanslagbasis toegerekend worden, niettegenstaande beide echtgenoten in principe aan de voorwaarden voldoen die het recht op een dergelijke toeslag (b.v. inzake kinderen ten laste) openen.

16. Daarom moet het totaal van de afzonderlijk vastge-stelde belastingen (= om te slane belasting) als een gezinsbelasting beschouwd worden en het is die gezinsbelasting die vervolgens evenredig moet omgeslagen worden om uit te maken welk gedeelte van de belasting op elk bestanddeel van het inkomen betrekking heeft.
Hoofdstuk II - SCHAAL
Afdeling I - ALGEMEEN
17. Zowel de basisbelasting als de belasting op de be-lastingvrije som worden berekend overeenkomstig de hierna vermelde schaal. Voor de toepassing van de tarieven van die schaal mogen de belastbare grondslagen niet afgerond worden.
Afdeling II - TARIEF
18. De belasting wordt berekend volgens een progressief tarief gaande van 25 tot 55 %.
Per inkomstenschijf ziet het tarief er als volgt uit :
Inkomstenschijf
Tarief
van 1 F tot 245.000 F
van 245.001 F tot 325.000 F
van 325.001 F tot 464.000 F
van 464.001 F tot 1.067.000 F
van 1.067.001 F tot 1.600.000 F
van 1.600.001 F tot 2.347.000 F
vanaf 2.347.001 F
25 %
30 %
40 %
45 %
50 %
52,5 %
55 %
Afdeling III - PRAKTISCHE TABEL
19. Onderstaande tabel maakt het mogelijk de belasting vlugger te berekenen.
InkomenBelasting Tarief boven de inkomstenschijf
0 - 245.000
245.000
325.000
464.000
1.067.000
1.600.000
2.347.000
25 %
61.250
85.250
140.850
412.200
678.700
1.070.875
-
30 %
40 %
45 %
50 %
52,5 %
55 %
Hoofdstuk III - AFRONDING
20. De resultaten van de verschillende berekeningen moeten op de frank afgerond worden. Gedeelten van minder dan 50 centiemen worden weggelaten; die van 50 centiemen en meer worden voor 1 F gerekend.
Deze regel geldt niet alleen voor de berekening van de basisbelasting en van de belasting op de belastingvrije som, maar voor alle bewerkingen die uitgevoerd worden bij de berekening van de P.B.
Hoofdstuk IV - BELASTINGVRIJE SOM
Afdeling I - PRINCIPES
21. Alle belastingplichtigen zonder enige uitzondering hebben recht op een belastingvrije som. Dit wil zeggen dat een gedeelte van hun inkomen in feite belastingvrij is. Dit belastingvrij gedeelte verschilt evenwel naargelang het alleenstaanden dan wel gehuwden betreft. Het kan bovendien verhoogd worden met toeslagen die afhankelijk zijn van de gezinstoestand van de belastingplichtige.
22. De belastingvrije som wordt aangerekend op de laagste inkomstenschijven, te beginnen met die van 25 %, dan die van 30 %, enz. In de praktijk wordt die vrijstelling echter verleend op de wijze uiteengezet in de nrs. 13 en 14, d.w.z. :
  • door vooreerst de basisbelasting op de belastbare grond-slag te berekenen;
  • door vervolgens de belasting op de belastingvrije som te berekenen;
  • en door tenslotte het verschil tussen beide resultaten te maken (voor een gezin moeten deze bewerkingen in de regel tweemaal - nl. eenmaal per echtgenoot - uitgevoerd worden).
Afdeling II - BASISBEDRAG
23. Het basisbedrag van de belastingvrije som bedraagt :
  • voor een alleenstaande : 176.000 F;
  • voor gehuwden : elk 139.000 F.
Afdeling III - TOESLAGEN VOOR KINDEREN TEN LASTE
1. Kinderen
24. Voor de toekenning van de toeslagen voor kinderen ten laste mogen als kinderen van de belastingplichtige beschouwd worden :
a) zijn afstammelingen en die van zijn echtgenoot (kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen van beiden of van een van hen, evenals ten volle geadopteerde kinderen);
b) de kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft en voor hun meerderjarigheid ten laste genomen zijn (pleegkinderen).

N.B. : Een in het jaar 1991 overleden kind dat in datzelfde jaar geboren is of dat reeds voor het aj. 1991 ten laste was van de belastingplichtige, wordt nog geacht van zijn gezin deel uit te maken op 1 januari 1992.
2. Verdubbeling voor handicap
25. De in nr. 24 bedoelde kinderen die zwaar gehandicapt zijn, worden voor twee geteld.
Voor de begripsomschrijving van zwaar gehandicapte kinderen wordt verwezen naar de circ. Ci.D.19/402.192, nrs. II/756 tot 763 (commentaar op inzonderheid art. 6, § 1, tweede lid, § 2, 2° en §§ 5 en 6, hervormingswet 1988).
De regel van verdubbeling wegens handicap geldt eveneens voor in 1991 overleden kinderen die overeenkomstig het bepaalde in fine van nr. 24, als ten laste van de belastingplichtige kunnen beschouwd worden, voor zover aangetoond is dat zij in 1991, tijdens de periode voorafgaand aan hun overlijden, voldeden aan de begripsomschrijving van zwaar gehandicapte kinderen.
3. Bedrag van de toeslag
26. De toeslagen voor kinderen ten laste bedragen :
  • voor een kind : 37.000 F
  • voor twee kinderen : 96.000 F
  • voor drie kinderen : 216.000 F
  • voor vier kinderen : 349.000 F
  • voor vijf kinderen en meer : 349.000 F plus 133.000 F per kind boven het vierde.
Afdeling IV - TOESLAG VOOR KINDEREN JONGER DAN 3 JAAR
1. Algemeen
27. De belastingplichtige krijgt op de belastingvrije som een bijkomende toeslag van 11.000 F voor ieder kind ten laste dat op 1 januari 1992 de leeftijd van 3 jaar niet bereikt heeft en waarvoor geen uitgaven voor opvang afgetrokken worden.
Die toeslag wordt bij de gewone toeslagen voor kinderen ten laste gevoegd.
De regels met betrekking tot de tijdens het inkom-stenjaar overleden kinderen en de verdubbeling voor handicap zijn ook hier van toepassing.
2. Beoogde kinderen
28. Het betreft hier kinderen die ten laste van de belastingplichtige zijn (zie dienaangaande nr. 24) en op 1 januari 1992 de leeftijd van 3 jaar niet bereikt hebben (of niet zouden bereikt hebben wat de overleden kinderen betreft die als ten laste kunnen beschouwd worden).
De zwaar gehandicapte kinderen (zie dienaangaande nr. 25) worden voor twee geteld.
3. Onverenigbaarheid
29. De bijkomende toeslag wordt niet verleend met be-trekking tot kinderen voor wie overeenkomstig art. 104, eerste lid, 7., W.I.B. 1992 kosten van kinderopvang afgetrokken worden (voor meer bijzonderheden over de aftrek van kinderopvangkosten wordt verwezen naar de nrs. II/538 tot 576 van de circ. Ci.D.19/402.192 - commentaar op art. 15, hervormingswet 1988 - en naar de circ. Ci.RH.26/ 431.795 van 18.9.1991).
Die onverenigbaarheid geldt per kind en niet per gezin; aldus kan binnen hetzelfde gezin voor een bepaald kind voor de aftrek van de opvangkosten en voor een ander kind voor de toekenning van de bijkomende toeslag op de belastingvrije som gekozen worden.
4. Bedrag van de toeslag
30. De bijkomende toeslag bedraagt 11.000 F voor elk kind dat aan de gestelde voorwaarden voldoet.
Indien dat kind zwaar gehandicapt is, wordt het voor twee geteld zodat de bijkomende toeslag in dat geval 22.000 F bedraagt.
Afdeling V - TOESLAG VOOR ANDERE PERSONEN TEN LASTE DAN KINDEREN
1. Andere personen ten laste
31. Als "andere personen ten laste" van de belastingplichtige worden aangemerkt :
  • zijn ascendenten en die van zijn echtgenoot (ouders, grootouders, enz.);
  • zijn zijverwanten tot en met de tweede graad en die van zijn echtgenoot (broers en zusters van beide echtgenoten) (4);
  • de personen van wie de belastingplichtige of zijn echt-genoot als kind volledig of hoofdzakelijk ten laste geweest zijn.
De echtgenoot mag NOOIT als persoon ten laste aangemerkt worden.
[(4) Wanneer een zijverwant tot en met de tweede graad ook kan aangemerkt worden als een kind dat volledig of hoofdzakelijk ten laste van de belastingplichtige is, mag voor die persoon de toeslag voor "kind ten laste" toegekend worden (zie nrs. 24 tot 26) in plaats van de toeslag voor "andere persoon ten laste"]
2. Overleden personen ten laste
32. Een in het jaarlaste die voor het aj. 1991 ten laste van de belastingplichtige was, wordt nog geacht van zijn gezin deel uit te maken op 1 januari 1992.
3. Bedrag van de toeslag
33. De toeslag voor "andere personen ten laste" bedraagt 37.000 F per persoon.
Afdeling VI - TOESLAG VOOR HANDICAP VAN ANDERE PERSONEN DAN KINDEREN
1. Handicap
34. Voor de begripsomschrijving van andere zwaar gehandicapte personen dan kinderen, wordt verwezen naar de circ. Ci. D 19/402.192, nrs. II/764 tot 782 en 786 tot 796 (commentaar op inzonderheid art. 6, § 1, tweede lid, § 2, 2. en §§ 5 en 6, hervormingswet 1988).
2. Andere personen dan kinderen
35. Het betreft hier de belastingplichtige zelf, de echtgenoot en de andere personen ten laste waarvan sprake is in nr. 31.
36. Hier zijn eveneens de in 1991 overleden personen ten laste bedoeld waarvan sprake is in nr. 32, mits aangetoond is dat zij tijdens het aan hun overlijden voorafgaande deel van het jaar 1991 aan de begripsomschrijving van zwaar gehandicapte voldeden. . Onder diezelfde voorwaarde mag de toeslag eveneens toegekend worden voor de berekening van de aanslag op naam van de nalatenschap van de overleden belastingplichtige (of van de overleden echtgenoot, die alsdan evenwel ook als een alleenstaande belastingplichtige beschouwd wordt).
3. Bedrag van de toeslag
38. De toeslag voor handicap van andere personen dan kinderen bedraagt 37.000 F per zwaar gehandicapte.
Wat zwaar gehandicapte personen "ten laste" betreft (met uitsluiting dus van de belastingplichtige zelf en zijn echtgenoot), worde nog opgemerkt dat de toeslag voor handicap bovenop de gewone toeslag voor "persoon ten laste" verleend wordt.
Afdeling VII - TOESLAG VOOR WEDUWNAAR, WEDUWE OF ONGEHUWDE OUDER MET KINDERLAST
1. Begunstigden
39. Op voorwaarde dat zij ten minste een kind ten laste hebben, zijn de begunstigden :
  • de niet-hertrouwde weduwnaar;
  • de niet-hertrouwde weduwe;
  • de ongehuwde ouder (d.w.z. de persoon die nooit gehuwd geweest is en die ten minste een kind heeft of ten volle geadopteerd heeft);
  • de uit de echt gescheiden en niet-hertrouwde persoon die ten minste een na de echtscheiding verwekt kind ten laste heeft.
40. De toeslag voor weduwnaar of weduwe met kinderlast en de toeslag voor het jaar van overlijden van een der echtgenoten (zie nrs. 45 tot 48) kunnen terzelfdertijd toegekend worden.
2. Bedrag van de toeslag
41. De toeslag bedraagt 37.000 F, ongeacht het aantal kinderen ten laste.
Die toeslag wordt bovenop de toeslagen voor kinderen ten laste verleend.
Afdeling VIII - TOESLAG VOOR HET JAAR VAN HUWELIJK
1. Begunstigden
42. De toeslag wordt voor het jaar van huwelijk aan de (immers als alleenstaande te beschouwen) echtgenoot verleend, mits de andere echtgenoot dat jaar persoonlijk evenwel geen bestaansmiddelen gehad heeft van meer dan 64.000 F netto.
43. In het uitzonderlijke geval dat het huwelijk reeds in hetzelfde jaar ontbonden wordt door het overlijden van een der echtgenoten, wordt die toeslag in voorkomend geval gelijktijdig verleend met de toeslag voor het jaar van overlijden van een der echtgenoten (zie nrs. 45 tot 48).
2. Bedrag van de toeslag
44. De toeslag voor het jaar van huwelijk bedraagt 37.000 F.
Afdeling IX - TOESLAG VOOR HET JAAR VAN OVERLIJDEN VAN EEN ECHTGENOOT
1. Begunstigden
45. De toeslag wordt aan de belastingplichtige toegekend voor het jaar waarin een van de echtgenoten overlijdt, op voorwaarde dat de andere echtgenoot tijdens dat jaar persoonlijk geen bestaansmiddelen genoten heeft van meer dan 64.000 F netto.
46. Zoals reeds vermeld in de nrs. 40 en 43, kan deze toeslag samen met de toeslag voor weduwnaar of weduwe met kinderlast en met de toeslag voor het jaar van huwelijk verleend worden.
47. De hier besproken toeslag mag echter niet toegekend worden voor het jaar van echtscheiding of van scheiding van tafel en bed.
2. Bedrag van de toeslag
48. De toeslag die voor het jaar van overlijden van een der echtgenoten verleend wordt, bedraagt 101.000 F.
Afdeling X - AANREKENING VAN DE BELASTINGVRIJE SOM
1. Alleenstaanden
49. Alle toeslagen waarop de belastingplichtige recht heeft, worden samengeteld met het basisbedrag van 176.000 F en het resultaat van die samen-telling vormt de belastingvrije som, d.w.z. het gedeelte van het belastbare inkomen waarop de belastingplichtige geen belasting moet betalen.
2. Echtgenoten
50. Elke echtgenoot heeft recht op een basisbedrag van 139.000 F dat in de regel aangerekend wordt op de aanslag-basis waarin zijn beroepsinkomsten begrepen zijn.
51. De toeslagen op de belastingvrije som waarop gehuwde belastingplichtigen recht hebben, worden aangerekend op het "resterend gezinsinkomen", d.w.z. op de belastbare grondslag waarin zowel de onroerende, de roerende en de diverse inkomsten van beide echtgenoten als de beroepsinkomsten van de echtgenoot met het hoogste beroepsinkomen begrepen zijn.
Dit geldt eveneens wanneer het resterend gezinsinkomen uiteindelijk, inzonderheid wegens de aftrek van de van het totale netto-inkomen aftrekbare bestedingen, lager blijkt te zijn dan het "afgezonderd beroepsinkomen" (d.w.z. dan de beroepsinkomsten van de echtgenoot met het laagste beroepsinkomen).
52. Wanneer een van beide grondslagen kleiner is dan de (eventueel met de toeslagen verhoogde) belastingvrije som die erop moet aangerekend worden, wordt het saldo op de andere grondslag aangerekend.
3. Voorbeelden
Voorbeeld 1
53.
Afgezonderd beroepsinkomen : 400.000 F
Resterend gezinsinkomen : 700.000 F
Kinderen ten laste : 2 (7 en 9 jaar oud).
* * *
Aanrekening van de belastingvrije sommen :
a) op het resterend gezinsinkomen :
139.000 F (basisbedrag) + 96.000 F (toeslag voor 2 kinderen ten laste) = 235.000 F.
b) op het afgezonderd beroepsinkomen :
139.000 F (basisbedrag).

Voorbeeld 2
54.
Afgezonderd beroepsinkomen : 320.000 F
Resterend gezinsinkomen : 430.000 F
Kinderen ten laste : 3 (6, 4 en 1 jaar), van wie het jongste zwaar gehandicapt is (er zijn geen uitgaven voor kinderopvang afgetrokken).
Andere persoon ten laste : 1
* * *
Aanrekening van de belastingvrije sommen :
a) op het resterend gezinsinkomen :
  • basisbedrag : 139.000 F
  • toeslagen :
  • voor 4 kinderen ten laste : 349.000 F
  • voor 2 kinderen jonger dan 3 jaar : 22.000 F
  • voor 1 andere persoon ten laste : 37.000 F
  • totaal : 547.000 F
te beperken tot het bedrag van het resterend gezinsinkomen, zijnde : 430.000 F

b) op het afgezonderd beroepsinkomen :
  • basisbedrag : 139.000 F
  • saldo van de toeslagen : 547.000 - 430.000 = 117.000 F
  • totaal : 256.000 F
Hoofdstuk V - VOORBEELDEN
Voorbeeld 1
55.
Weduwe met 2 kinderen ten laste (4 en 6 jaar).
Gezamenlijk belastbaar inkomen : 683.572 F
Belastingvrije som :
  • basisbedrag : 176.000 F
  • toeslagen :
  • voor 2 kinderen ten laste : 96.000 F
  • voor weduwe met kinderlast : 37.000 F
  • totaal : 309.000 F
* * *
Berekening van de belasting :
a) basisbelasting op 683.572 F : 140.850 + (683.572 - 464.000) x 45 % = 239.657 F
b) belasting op 309.000 F : 61.250 + (309.000 - 245.000) x 30 % = - 80.450 F
c) verschil (= om te slane belasting) : 159.207 F

Voorbeeld 2
56.
Echtpaar met 3 kinderen ten laste (5, 7 en 9 jaar).
Afgezonderd beroepsinkomen : 406.328 F
Belastingvrije som : 139.000 F
Resterend gezinsinkomen : 1.123.786 F
Belastingvrije som :
  • basisbedrag : 139.000 F
  • toeslag voor 3 kinderen ten laste : 216.000 F
  • totaal : 355.000 F
* * *
Berekening van de belasting
a) Afgezonderd beroepsinkomen :
  • basisbelasting op 406.328 F : 85.250 + (406.328 - 325.000) x 40 % = 117.781 F
  • belasting op 139.000 F : 139.000 x 25 % = - 34.750 F
  • verschil : 83.031 F
b) Resterend gezinsinkomen :
  • basisbelasting op 1.123.786 F : 412.200 + (1.123.786 - 1.067.000) x 50 % = 440.593 F
  • belasting op 355.000 F : 85.250 + (355.000 - 325.000) x 40 % = 97.250 F
  • verschil : 343.343 F
c) Om te slane belasting : 83.031 + 343.343 = 426.374 F

Voorbeeld 3
57. Echtpaar met drie kinderen ten laste (van meer dan 3 jaar).
K.I. verhuurde woning (geindexeerd) : 40.000 F
Nettobezoldiging van de man : 400.000 F
Nettobezoldiging van de vrouw : 380.000 F
Afgezonderd beroepsinkomen : 380.000 F
Belastingvrije som : 139.000 F
Resterend gezinsinkomen :
  • onroerende inkomsten : 40.000 F
  • beroepsinkomsten : 400.000 F
  • totaal : 440.000 F
Belastingvrije som :
  • basisbedrag : 139.000 F
  • toeslag voor drie kinderen ten laste : 216.000 F
  • totaal : 355.000 F
* * *
Berekening van de belasting
a) Afgezonderd beroepsinkomen :
  • basisbelasting op 380.000 F : 85.250 + (380.000 - 325.000) x 40 % = 107.250 F
  • belasting op 139.000 F : 139.000 x 25 % = - 34.750 F
  • verschil : 72.500 F
b) Resterend gezinsinkomen :
  • basisbelasting op 440.000 F : 85.250 + (440.000 - 325.000) x 40 % = 131.250 F
  • belasting op 355.000 F : 85.250 + (355.000 - 325.000) x 40 % = - 97.250 F
  • verschil : 34.000 F
c) Om te slane belasting : 72.500 + 34.000 = 106.500 F

TITEL III - OMSLAG VAN DE BELASTING
Hoofdstuk I - ALGEMEEN
58. De berekening van de uiteindelijk door de belastingplichtige verschuldigde belasting gebeurt via verschillende specifieke fasen, inzonderheid met het oog op het berekenen van :
  • de verminderingen voor alternatieve beroepsinkomsten;
  • de verminderingen voor inkomsten van buitenlandse oorsprong;
  • de beperkingen inzake verrekening van niet terugbetaalbare voorheffingen;
  • de belastingvermeerdering wegens onvoldoende voorafbetalingen. .
59. Daartoe moet de belasting over de diverse bestanddelen van de gezamenlijk belastbare netto-inkomsten omgeslagen worden, zijnde de :
  • onroerende inkomsten;
  • roerende inkomsten;
  • beroepsinkomsten vatbaar voor belastingvermeerdering (wegens onvoldoende V.A.);
  • Z.I.V.-uitkeringen;
  • werkloosheidsuitkeringen;
  • pensioenen, vervangingsinkomsten en brugpensioenen (nieuw stelsel);
  • brugpensioenen (oud stelsel);
  • andere beroepsinkomsten die niet vatbaar zijn voor vermeerdering V.A.;
  • diverse inkomsten.
60. Indien een of meer van de hierboven vermelde inkomstenbestanddelen ook inkomsten van buitenlandse oorsprong bevatten, moeten die bestanddelen daarenboven nog uitgesplitst worden in :
  • inkomsten die tegen het volle tarief belastbaar zijn;
  • inkomsten die tegen het verlaagde tarief belastbaar zijn;
  • inkomsten die wegens een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting vrijgesteld zijn.
61. Bij alleenstaanden geschiedt de omslag evenredig op basis van het totale netto-inkomen (zie nr. 11).
62. Bij echtgenoten is het evenwel niet altijd mogelijk om zonder meer eenzelfde evenredige omslag te doen. Naast het feit dat er doorgaans twee grondslagen zijn, wordt er nog aan herinnerd dat de van het totale netto-inkomen aftrekbare bestedingen in twee grote groepen ingedeeld zijn, nl. :
  • de gemeenschappelijke bestedingen;
  • de personaliseerbare bestedingen.
63. Daar waar de gemeenschappelijke bestedingen evenredig afgetrokken worden van de netto-inkomsten die in beide grondslagen begrepen zijn, worden de personaliseerbare bestedingen bij voorrang afgetrokken van de grondslag waarin de inkomsten van de echtgenoot welke die uitgaven verschuldigd is, begrepen zijn; slechts het eventuele saldo wordt van de andere grondslag afgetrokken.
64. Daarom gebeurt de omslag van de belasting in twee stadia :
1) eerst wordt de om te slane belasting evenredig verdeeld over het afgezonderd beroepsinkomen en het resterend gezinsinkomen;
2) vervolgens worden beide resultaten elk afzonderlijk evenredig over de diverse bestanddelen van de overeenstemmende aanslagbasis omgeslagen op grond van het totale in die aanslagbasis begrepen (gezamenlijk belastbare) netto-inkomen.

Hoofdstuk II - REGELS
Afdeling I - ALLEENSTAANDEN
65. Bij een alleenstaande wordt de belasting evenredig omgeslagen over de diverse bestanddelen van het totale netto-inkomen. Om het gedeelte van de belasting te kennen dat op een welbepaald bestanddeel betrekking heeft, moet de om te slane belasting dus vermenigvuldigd worden met een breuk waarvan :
  • de teller gelijk is aan het nettobedrag van dat bestanddeel;
  • de noemer gelijk is aan het totaal van de netto-inkomsten van de verschillende bestanddelen (dit is het totale netto-inkomen).
66.
Voorbeeld
66. Alleenstaande (zonder gezinslast).
In aanmerking te nemen netto-inkomsten :
  • onroerende inkomsten : 40.000 F
  • lonen : 645.000 F
  • pensioenen : 275.000 F
  • totaal netto-inkomen : 960.000 F
Aftrekbare bestedingen :
  • onderhoudsuitkeringen : 100.000 x 80 % = - 80.000 F
  • pensioensparen : - 21.000 F
Gezamenlijk belastbaar inkomen : 859.000 F
Belastingvrije som : 176.000 F
* * *
Berekening van de belasting
a) basisbelasting op 859.000 F : 140.850 + (859.000 - 464.000) x 45 % = 318.600 F
b) belasting op 176.000 F : 176.000 x 25 % = - 44.000 F
c) om te slane belasting : 274.600 F

* * *
Omslag van de belasting
Gedeelte met betrekking tot :
  • de onroerende inkomsten : 274.600 x 40.000 / 960.000 = 11.442 F
  • de lonen : 274.600 x 645.000 / 960.000 = 184.497 F
  • de pensioenen : 274.600 x 275.000 / 960.000 = 78.661 F
  • totaal : 274.600 F
Afdeling II - ECHTGENOTEN
67. Bij gehuwde belastingplichtigen wordt de belasting niet omgeslagen zoals bij alleenstaanden, maar gebeurt de omslag van de belasting in twee stadia :
1) eerst wordt de om te slane belasting evenredig verdeeld over het afgezonderd beroepsinkomen en het resterend gezinsinkomen;
2) vervolgens moet het gedeelte van de om te slane belasting dat op het afgezonderd beroepsinkomen betrekking heeft, evenredig omgeslagen worden over de diverse soorten netto-inkomsten van dat afgezonderd beroepsinkomen, terwijl het gedeelte van de om te slane belasting dat op het resterend gezinsinkomen betrekking heeft eveneens op een evenredige wijze over de diverse bestanddelen van dat inkomen moet omgeslagen worden.

Opmerkingen
68.
a) Voor de toepassing van de eerste fase, is :
  • het "afgezonderd beroepsinkomen" gelijk aan het netto-beroepsinkomen van de echtgenoot met het laagste beroepsinkomen, verminderd met het gedeelte van de gemeenschappelijke bestedingen en met de personaliseerbare bestedingen die daarvan aftrekbaar zijn (het betreft met andere woorden de belastbare grondslag waarop de belasting met betrekking tot het afgezonderd beroepsinkomen berekend is);
  • het "resterend gezinsinkomen" gelijk aan de som van het nettoberoepsinkomen van de echtgenoot met het hoogste beroepsinkomen en de onroerende, roerende en diverse netto-inkomsten van het gezin, verminderd met het gedeelte van de gemeenschappelijke bestedingen en met de personaliseerbare bestedingen die van die som mogen afgetrokken worden (het betreft met andere woorden de belastbare grondslag waarop de belasting met betrekking tot het resterend gezinsinkomen berekend is).
    De omslag gebeurt in de eerste fase dus niet evenredig over het totale netto-inkomen maar wel over de twee voormelde belastbare grondslagen.
b) Bij de tweede fase gebeurt de omslag evenredig over het totale netto-inkomen (d.w.z. voor aftrek van de in art. 104, W.I.B. 1992 bedoelde bestedingen) van de desbetreffende belastbare grondslag.
Om het gedeelte van de belasting te kennen dat op een welbepaald bestanddeel van een van beide aanslagbasissen betrekking heeft, volstaat het dus het gedeelte van de op die aanslagbasis betrekking hebbende om te slane belasting, zoals het in de eerste fase berekend is, te vermenigvuldigen met een breuk waarvan :
  • de teller gelijk is aan het nettobedrag van dat bestanddeel;
  • de noemer gelijk is aan het totaal van de netto-inkomsten van de verschillende bestanddelen die in die aanslagbasis opgenomen zijn (m.a.w. het totale netto-inkomen van die aanslagbasis).
c) Wanneer zowel het resterend gezinsinkomen als het afge-zonderd beroepsinkomen slechts een enkel bestanddeel bevatten (b.v. uitsluitend een pensioen van de man en alleen een loon van de vrouw), is de tweede fase van de omdeling uiteraard overbodig.
d) Indien de van het totale netto-inkomen aftrekbare bestedingen zowel voor de man als voor de vrouw uitsluitend uit gemeenschappelijke bestedingen bestaan, mag de belasting ook rechtstreeks over het totale netto-inkomen van beide echtgenoten omgeslagen worden (zie voorbeeld in nr. 70).
e) Wanneer er slechts een aanslagbasis voorhanden is, hetzij omdat geen van de echtgenoten beroepsinkomsten heeft, hetzij omdat een basis volledig door een beroepsverlies opgeslorpt is, geschiedt de omslag van de belasting uiteraard op dezelfde wijze als bij alleenstaanden.
Dit geldt evenwel niet wanneer een van beide aanslagbasissen tot nul teruggebracht wordt ingevolge de aftrek van personaliseerbare bestedingen (alsdan gelden de omslagregels waarvan sprake is in nr. 67).

Afdeling III - VOORBEELDEN
Voorbeeld 1
69.
Echtpaar met 3 kinderen ten laste (ouder dan 3 jaar).
K.I. verhuurde woning (geindexeerd) : 50.000 F
Aftrekbare giften : 9.140 F
Pensioensparen (man) : 21.000 F
* * *
Vaststelling van de nettoberoepsinkomsten
Man Vrouw
Bezoldiging Z.I.V.-uitkering
Pensioen
Beroepsinkomsten (na aftrek van de beroepskosten) : 600.000 F 200.000 F 120.000 F
Aftrekbare levensverzekeringspremie :
- man : 40.000 F
- 40.000 F
- vrouw : 16.000 F
- 10.000 F
[ 16.000 x 200.000/(200.000 + 120.000) = 10.000]
- 6.000 F
[ 16.000 x 120.000/(200.000 + 120.000) = 6.000]
____________ ______________________
Nettoberoepsinkomsten : 560.000 F 190.000 F 114.000 F
304.000 F
* * *
Vaststelling van de aanslagbasissen
Nettoberoepsinkomen :
- bezoldiging : 560.000 F
- Z.I.V.-uitkering : 190.000 F
- pensioen : 114.000 F
Netto-inkomen uit onroerende goederen : 50.000 F
___________ __________
Totaal netto-inkomen (914.000 F) : 610.000 F 304.000 F
Aftrekbare bestedingen :
- giften (9.140 F) :
- 6.100 F
[9.140 x 610.000 / 914.000 = 6.100]
- 3.040 F
[9.140 x 304.000 / 914.000 = 3.040 ]
- pensioensparen (man) :
- 21.000 F
___________ __________
Resterend gezinsinkomen : 582.900 F
Afgezonderd beroepsinkomen : 300.960 F
* * *
Berekening van de belasting
a) Afgezonderd beroepsinkomen :
- basisbelasting op 300.960 F : 61.250 + (300.960 - 245.000) x 30 % = 78.038 F
- belasting op 139.000 F : 139.000 x 25 % =
- 34.750 F
_____________
- verschil : 43.288 F
b) Resterend gezinsinkomen :
- basisbelasting op 582.900 F : 140.850 + (582.900 - 464.000) x 45 % = 194.355 F
- belasting op 355.000 F (139.000 + 216.000) : 85.250 + (355.000 - 325.000) x 40 % =
- 97.250 F
_____________
- verschil : 97.105 F
c) Om te slane belasting : 43.288 + 97.105 = 140.393 F
* * *
Omslag van de belasting
1e fase
Gedeelte met betrekking tot :
- het afgezonderd beroepsinkomen : 140.393 x 300.960 / 883.860
[ 300.960 + 582.900 = 883.860 ] = 47.805 F
- het resterend gezinsinkomen : 140.393 x 582.900 / 883.860 (1) = 92.588 F
_____________
Totaal : 140.393 F
2e fase
Gedeelte met betrekking tot :
- het onroerend inkomen : 92.588 x 50.000 / 610.000 = 7.589 F
- de bezoldiging : 92.588 x 560.000 / 610.000 = 84.999 F
- de Z.I.V.-uitkering : 47.805 x 190.000 / 304.000 = 29.878 F
- het pensioen : 47.805 x 114.000 / 304.000 = 17.927 F
_____________
Totaal : 140.393 F
Voorbeeld 2
. Echtpaar zonder kinderlast.
Beroepsinkomen (na aftrek van de beroepskosten) :
- man (inkomsten van Belgische oorsprong) :
- winst : 1.010.526 F
- bezoldiging van bestuurder : 89.474 F
- pensioen : 80.000 F
_____________
- totaal : 1.180.000 F
- vrouw (inkomsten van buitenlandse oorsprong die bij overeenkomst in Belgie vrijgesteld zijn) :
- bezoldiging : 800.000 F
Betaalde levensverzekeringspremies :
- man : 59.000 F
- vrouw : 40.000 F
Giften : 10.000 F
Onderhoudsuitkeringen aan hun zoon : 240.000 F
* * *
Vaststelling van het nettoberoepsinkomen
Man Vrouw
Winst
Bezoldiging
Pensioen
Bezoldiging van van bestuurder buitenlandse oorsprong
1.010.526 F
89.474 F
80.000 F
800.000 F
Levensverzekeringspremie :
- man (59.000 F) :
- 50.526 F [ 59.000 x 1.010.526 / 1.180.000 = 50.526]
- 4.474 F [ 59.000 x 89.474 / 1.180.000 = 4.474]
- 4.000 F [ 59.000 x 80.000 / 1.180.000 = 4.000]
- vrouw :
- 40.000 F
____________ __________ __________________
Nettoberoepsinkomen :
960.000 F 85.000 F 76.000 F 760.000 F
1.121.000 F
* * *
Vaststelling van de aanslagbasissen
Nettoberoepsinkomen :
- winst : 960.000 F
- bezoldiging van bestuurder : 85.000 F
- pensioen : 76.000 F
- buitenlandse bezoldiging : 760.000 F
___________ __________
Totaal netto-inkomen (1.881.000 F) :
1.121.000 F 760.000 F
Aftrekbare bestedingen :
- giften (10.000 F) :
- 5.960 F [ 10.000 x 1.121.000 / 1.881.000 = 5.960]
- 4.040 F [ 10.000 x 760.000 / 1.881.000 = 4.040]
- gemeenschappelijke onderhoudsuitkeringen (240.000 x 80 % = 192.000 F) :
- 114.424 F [ 192.000 x 1.121.000 / 1.881.000 = 114.424]
- 77.576 F [ 192.000 x 760.000 / 1.881.000 = 77.576 ]
__________ __________
Resterend gezinsinkomen : 1.000.616 F
Afgezonderd beroepsinkomen : 678.384 F
Berekening van de belasting
a) Afgezonderd beroepsinkomen :
- basisbelasting op 678.384 F : 140.850 + (678.384 - 464.000) x 45 % = 237.323 F
- belasting op 139.000 F : 139.000 x 25 % =
- 34.750 F
_____________
- verschil : 202.573 F
b) Resterend gezinsinkomen :
- basisbelasting op 1.000.616 F : 140.850 + (1.000.616 - 464.000) x 45 % = 382.327 F
- belasting op 139.000 F : 139.000 x 25 % =
- 34.750 F
_____________
- verschil : 347.577 F
c) Om te slane belasting : 202.573 + 347.577 = 550.150 F
* * *
Omslag van de belasting
1e fase
Gedeelte met betrekking tot :
- het afgezonderd beroepsinkomen : 550.150 x 678.384 / 1.679.000 [ 678.384 + 1.000.616 = 1.679.000 ] = 222.283 F
- het resterend gezinsinkomen : 550.150 x 1.000.616 / 1.679.000 (1) = 327.867 F
_____________
Totaal : 550.150 F
2e fase
Gedeelte met betrekking tot :
- de winst : 327.867 x 960.000 / 1.121.000 = 280.778 F
- de bezoldiging van bestuurder : 327.867 x 85.000 / 1.121.000 = 24.861 F
- het pensioen : 327.867 x 76.000 / 1.121.000 = 22.228 F
- de buitenlandse bezoldiging : 222.283 x 760.000 / 760.000 = 222.283 F
_____________
Totaal : 550.150 F
Opmerking :
Daar in dit voorbeeld alleen gemeenschappelijke bestedingen (giften en een door beide echtgenoten verschuldigde onderhoudsuitkering) van het totale netto-inkomen afgetrokken worden, kan de omslag ook eenvoudiger, nl. door de belasting rechtstreeks over het totale netto-inkomen van beide echtgenoten om te slaan.
De omslag van de belasting zou dan als volgt geschieden :
Gedeelte met betrekking tot :
- de winst : 550.150 x 960.000 / 1.881.000 [1.121.000 + 760.000 = 1.881.000 ] = 280.778 F
- de bezoldiging van bestuurder : 550.150 x 85.000 / 1.881.000 = 24.861 F
- het pensioen : 550.150 x 76.000 / 1.881.000 = 22.228 F
- de buitenlandse bezoldiging : 550.150 x 760.000 / 1.881.000 = 222.283 F
_____________
Totaal : 550.150 F
Men stelt vast dat de resultaten identiek zijn aan deze bekomen met de eerste werkwijze.
TITEL IV - VERMINDERDE BASISBELASTING
Hoofdstuk I - ALGEMEEN
71. De verminderde basisbelasting wordt verkregen door van de om te slane belasting de verminderingen voor alternatieve beroepsinkomsten af te trekken.
Deze belastingverminderingen strekken ertoe de belastingdruk van belastingplichtigen die de hierbovenvermelde inkomsten genieten te verzachten en in sommige gevallen zelfs op te heffen.
72. Daar die verminderingen overeenstemmen met een belasting die op een welbepaald inkomen berekend is, is het normaal dat zij verschillen naargelang het alleenstaanden dan wel echtgenoten betreft. Het basisbedrag van de belastingvrije som dat in aanmerking komt voor de berekening van de belasting, is in beide gevallen immers verschillend (176.000 F voor een alleenstaande en 139.000 F voor elk van de echtgenoten).
73. Ten einde aan echtgenoten een zo groot mogelijke be-lastingvermindering te verlenen, bepaalt art. 148, W.I.B. 1992 dat voor de vaststelling van de belastingvermindering (d.w.z. voor de berekening van het theoretisch maximum), slechts rekening gehouden wordt met eenmaal het basisbedrag van de belastingvrije som.
Dit komt er in feite op neer dat het maximum van de belastingverminderingen voor echtgenoten steeds 9.250 F
[ (176.000 - 139.000) x 25 % = 37.000 x 25 % = 9.250 F]
meer bedraagt dan bij alleenstaanden, en dit ongeacht de categorie van inkomsten (vervangingsinkomsten, pensioenen, enz.).
74. Bij echtgenoten worden die belastingverminderingen echter slechts eenmaal per echtpaar (d.w.z. voor beide echtgenoten samen) verleend.
Hoofdstuk II - BEDRAG VAN DE VERMINDERINGEN VOOR ALTERNATIEVE BEROEPSINKOMSTEN
75. De vermindering die in principe van toepassing is met betrekking tot een categorie van inkomsten, wordt verkregen door het netto-inkomen van die categorie (in voorkomend geval van beide echtgenoten), te delen door het totale netto-inkomen (d.w.z. het inkomen, in voorkomend geval van beide echtgenoten, voor aftrek van de in art. 104, W.I.B. 1992 vermelde bestedingen en van de andere gelijkaardige uitgaven), en door het aldus bekomen resultaat te vermenigvuldigen met een van de hiernavolgende bedragen :
  • pensioenen en vervangingsinkomsten:
  • - alleenstaanden : 55.744 F
  • - echtgenoten : 64.994 F
  • brugpensioenen : (*)
  • - alleenstaanden : 99.543 F
  • - echtgenoten : 108.793 F
  • werkloosheidsuitkeringen :
  • - alleenstaanden : 55.744 F
  • - echtgenoten : 64.994 F
  • Z.I.V.-uitkeringen :
  • alleenstaanden : 71.798 F
  • echtgenoten : 81.048 F
Wanneer de inkomsten van beide echtgenoten slechts inkomsten van een enkele categorie bevatten (bv. pensioenen zowel voor de man als de vrouw) moet de hierboven bedoelde omdeling niet uitgevoerd worden. In dergelijk geval volstaat het rekening te houden met de maximumvermindering die voor het desbetreffend inkomen voorzien is (zie echter ook de nrs. 76 tot 78).
[(*) Slechts de hiernavermelde brugpensioenen kunnen van de specifieke vermindering voor brugpensioenen genieten :
a) alle brugpensioenen die zijn ingegaan voor 1.6.1986;
b) de brugpensioenen die in de periode van 1.6.1986 tot 31.12.1986 zijn ingegaan ter uitvoering van een voor 1.6.1986 neergelegde collectieve arbeidsovereenkomst.
De andere brugpensioenen worden nog slechts in aanmerking genomen voor de algemene belastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten.]
Hoofdstuk III - GELEIDELIJKE AFBOUW VAN DE VERMINDERINGEN INDIEN HET G.B.I. MEER DAN 640.000 F BEDRAAGT
Afdeling I - VERMINDERING VOOR WERKLOOSHEIDSUITKERINGEN
76. Indien het G.B.I. begrepen is tussen 640.000 F en 800.000 F, wordt de in principe toepasselijke vermindering (zie nr. 75) geleidelijk afgebouwd door toepassing van een breuk waarvan de teller gelijk is aan het verschil tussen 800.000 F en het G.B.I., en waarvan de noemer gelijk is aan 160.000 F.
Indien het G.B.I. 800.000 F bereikt of overschrijdt, is die vermindering dus gelijk aan nul.
Afdeling II - ANDERE VERMINDERINGEN
77. Indien het G.B.I. begrepen is tussen 640.000 F en 1.280.000 F, bedraagt de vermindering :
  • 1/3 van de in principe toepasselijke vermindering (zie nr. 75);
  • verhoogd met het resultaat dat wordt verkregen door 2/3 van diezelfde vermindering te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het verschil tussen 1.280.000 F en het G.B.I., en waarvan de noemer gelijk is aan 640.000 F.
Indien het G.B.I. 1.280.000 F bereikt of overschrijdt, is de vermindering steeds gelijk aan 1/3 van de in principe toepasselijke vermindering (zie nr. 75).
Hoofdstuk IV - BEPERKING VAN DE VERMINDERINGEN
78. De aldus berekende verminderingen mogen nooit meer bedragen dan het gedeelte van de om te slane belasting betreffende de inkomsten waarvoor de verminderingen toegekend zijn.
Hoofdstuk V - AFZONDERLIJK BELASTBARE INKOMSTEN
79. De inkomsten die werkelijk afzonderlijk belast worden, komen noch in aanmerking voor de toekenning van de verschillende verminderingen, noch voor het vaststellen van de eventuele beperking ervan.
Hoofdstuk VI - FEITELIJKE BELASTINGVRIJSTELLING
80. De belasting die overblijft na toepassing van de verschillende verminderingen, is niet verschuldigd door belastingplichtigen die in 1991 uitsluitend de volgende inkomsten genoten hebben :
  • ofwel pensioenen, vervangingsinkomsten en brugpensioenen nieuw stelsel, waarvan het bedrag niet hoger is dan 372.234 F;
  • ofwel brugpensioenen oud stelsel, waarvan het bedrag niet hoger is dan 480.985 F;
  • ofwel werkloosheidsuitkeringen waarvan het bedrag niet hoger is dan :
  • 411.022 F indien de belastingplichtige op 1 januari 1992 de leeftijd van 50 jaar bereikt heeft;
  • 372.234 F in de andere gevallen;
  • ofwel Z.I.V.-uitkeringen waarvan het bedrag niet hoger is dan 413.593 F;
  • ofwel twee of meer soorten van de vorenbedoelde inkomsten, waarvan het totaal bedrag niet hoger is dan 372.234 F.
In voorkomend geval wordt dus een aanvullende vermindering toegekend ten einde de verminderde basisbelasting tot nul te herleiden.
81. In de praktijk vindt deze aanvullende vermindering slechts toepassing bij alleenstaanden zonder gezinslasten of, wat de werkloosheidsuitkeringen aan belastingplichtigen van meer dan 50 jaar betreft, bij alleenstaanden met ten hoogste een kind of twee andere personen dan kinderen ten laste. Voor andere belastingplichtigen geven de verminderingen uit hoofde van de belastingvrije som en/of de toepassing van het afzonderingsstelsel of het huwelijksquotient immers reeds aanleiding tot een feitelijke belastingvrijstelling.
Hoofdstuk VII - VOORBEELDEN
Voorbeeld 1
. Het gezamenlijk belastbaar inkomen (G.B.I.) van een alleenstaande zonder gezinslasten is als volgt samengesteld :
Bezoldiging
Pensioen
Brugpensioen
Totaal (oud stelsel)
Brutoberoepsinkomen : 125.420 F 143.561 F 179.451 F
- Forfaitaire beroepskosten :
- 25.084 F - -
___________ _________ _________
Nettoberoepsinkomen : 100.336 F 143.561 F 179.451 F 423.348 F
Netto-inkomen uit onroerende goederen (geindexeerd K.I. van prive-verhuurde woning) : 25.000 F
Totaal netto-inkomen : 448.348 F
Van het totale netto-inkomen aftrekbare bestedingen :
- pensioensparen : - 21.000 F
Gezamenlijk belastbaar inkomen : 427.348 F
=============
Berekening van de belasting
a) basisbelasting op 427.348 F : 85.250 + (427.348 - 325.000) x 40 % = 126.189 F
b) belasting op 176.000 F : 176.000 x 25 % = - 44.000 F
c) verschil (= om te slane belasting) : 82.189 F
Omslag van de belasting
Gedeelte van de om te slane belasting dat betrekking heeft op :
- het onroerend inkomen : 82.189 x 25.000 / 448.348 = 4.583 F
- de bezoldiging : 82.189 x 100.336 / 448.348 = 18.393 F
- het pensioen : 82.189 x 143.561 / 448.348 = 26.317 F
belastingvermindering : 55.744 x 143.561 / 448.348 =
- 17.849 F 8.468 F
- het brugpensioen : 82.189 x 179.451 / 448.348 = 32.896 F
belastingvermindering : 99.543 x 179.451 / 448.348 = 39.842 F, beperkt tot :
- 32.896 F 0 F
Verminderde basisbelasting : 31.444 F
========
Voorbeeld 2
. Echtpaar met 2 kinderen ten laste (ouder dan 3 jaar) K.I. verhuurde woning (geindexeerd) : 70.000 F
Betaalde interesten : 40.000 F
Beroepsinkomen :
Man :
bezoldiging (na aftrek van de beroeps- kosten) : 409.459 F
werkloosheidsuitkering : 146.690 F
Vrouw :
werkloosheidsuitkering : 117.930 F
pensioen : 235.860 F
Aftrekbare giften : 5.000 F
Stortingen voor pensioensparen :
- Man : 21.000 F
- Vrouw : 15.000 F
* * *
Vaststelling van de aanslagbasissen
Man Vrouw Totaal
I. Beroepsinkomen :
- Bezoldiging : 409.459 F - 409.459 F
- Werkloosheidsuitkeringen : 146.690 F 117.930 F 264.620 F
- Pensioen : - 235.860 F 235.860 F
Nettoberoepsinkomen : 556.149 F 353.790 F 909.939 F
II. Onroerend inkomen :
K.I. : 70.000 F
Interesten :
- 40.000 F
Onroerend netto-inkomen : 30.000 F
- 30.000 F
III. Totaal netto-inkomen : 586.149 F 353.790 F 939.939 F
IV. Van het totale netto-inkomen aftrekbare bestedingen :
- giften :
- 3.118 F [ 5.000 x 586.149 / 939.939 = 3.118 F]
- 1.882 F [ 5.000 x 353.790 / 939.939 = 1.882 F]
- 5.000 F
- pensioensparen :
- 21.000 F
- 15.000 F
- 36.000 F
____________ ___________________
V. Gezamenlijk belastbaar inkomen : 562.031 F + 336.908 F = 898.939 F (resterend (afgezonderd (G.B.I.) gezinsinkomen) beroepsinkomen)
* * *
Berekening van de belasting
a) Afgezonderd beroepsinkomen :
- basisbelasting op 336.908 F : 85.250 + (336.908 - 325.000) x 40 % = 90.013 F
- belasting op 139.000 F : 139.000 x 25 % =
- 34.750 F
- verschil : 55.263 F
b) Resterend gezinsinkomen :
- basisbelasting op 562.031 F : 140.850 + (562.031 - 464.000) x 45 % = 184.964 F
- belasting op 235.000 F
[ De belastingvrije som bedraagt :
- basisbedrag : 139.000 F
- toeslag voor 2 kinderen ten laste : 96.000 F 235.000 F] : 235.000 x 25 % =
- 58.750 F
- verschil : 126.214 F
c) Om te slane belasting : 55.263 + 126.214 = 181.477 F
=========
* * *
Omslag van de belasting
1e fase
Gedeelte van de om te slane belasting dat betrekking heeft op :
- het afgezonderd beroepsinkomen : 181.477 x 336.908 / 898.939 = 68.015 F
- het resterend gezinsinkomen : 181.477 x 562.031 / 898.939 = 113.462 F
Totaal : 181.477 F
2e fase
Gedeelte van de om te slane belasting dat betrekking heeft op :
- het onroerend inkomen : 113.462 x 30.000 / 586.149 = 5.807 F
- de bezoldiging : 113.462 x 409.459 / 586.149 = 79.260 F
Over te brengen : 85.067 F
Overgebracht : 85.067 F
- de werkloosheidsuitkering :
1. van de man : 113.462 x 146.690 / 586.149 = 28.395 F
2. van de vrouw : 68.015 x 117.930 / 353.790 = 22.672 F
3. totaal : 51.067 F
belastingvermindering :
64.994 x 264.620 / 939.939 = 18.298 F, te beperken tot 0 F
[ Die berekening is eigenlijk overbodig daar het G.B.I. (898.939 F) hoger is dan 800.000 F.] :
- 0 F 51.067 F
- het pensioen : 68.015 x 235.860 / 353.790 = 45.343 F
belastingvermindering :
64.994 x 235.860 / 939.939 = 16.309 F, te beperken tot
[ Het G.B.I. (898.939 F) is immers begrepen tussen 640.000 F en 1.280.000 F.] :
(16.309 x 1/3) + (16.309 x 2/3) x 1.280.000 - 898.939 () =
- 11.910 F 640.000 33.433 F
Verminderde basisbelasting : 169.567 F
=========
Voorbeeld 3
. Een alleenstaande (58 jaar) ontving in 1991 als enig belastbaar inkomen een werkloosheidsuitkering (met inbegrip van de ancienniteitstoeslag voor oudere werklozen) van 411.000 F.
Berekening van de belasting :
a) basisbelasting op 411.000 F : 85.250 + (411.000 - 325.000 ) x 40 % = 119.650 F
b) belasting op 176.000 F : 176.000 x 25 % =
- 44.000 F
c) om te slane belasting : 75.650 F
d) vermindering voor werkloosheidsuitkeringen :
- 55.744 F
e) blijft : 19.906 F
f) aanvullende vermindering (toepassing van de feitelijke belastingvrijstelling) :
- 19.906 F
g) verminderde basisbelasting : nihil
=====
TITEL V - HOOFDSOM
Hoofdstuk I - ALGEMEEN
85. De hoofdsom wordt verkregen door van de verminderde basisbelasting de verminderingen voor inkomsten van buitenlandse oorsprong af te trekken.
Indien er geen buitenlandse inkomsten zijn, is de hoofdsom bijgevolg gelijk aan de verminderde basisbelas-ting.
86. De verminderingen voor inkomsten van buitenlandse oorsprong bedragen :
  • 100 % van het gedeelte van de verminderde basisbelasting dat betrekking heeft op vrijgestelde buitenlandse inkomsten die slechts in aanmerking moeten genomen worden om de belasting te bepalen;
  • 50 % van het gedeelte van de verminderde basisbelasting dat betrekking heeft op buitenlandse inkomsten die niet krachtens een dubbelbelastingverdrag vrijgesteld zijn.
87. Die verminderingen worden berekend op het gedeelte van de om te slane belasting dat evenredig op de buitenlandse inkomsten slaat (zie nrs. 58 tot 70), in voorkomend geval verminderd met het gedeelte van de erop betrekking hebbende verminderingen voor alternatieve beroepsinkomsten (zie nrs. 71 tot 84).
Hoofdstuk II - VERMINDERING VAN 100 % VOOR INKOMSTEN VAN BUITENLANDSE OORSPRONG
88. Overeenkomstig het bepaalde in art. 155, W.I.B. 1992 is de vermindering van 100 % van toepassing op het gedeelte van de verminderde basisbelasting dat betrekking heeft op de in het gezamenlijk belastbaar inkomen begrepen buitenlandse inkomsten die krachtens een internationale overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting vrijgesteld zijn. (*)
[(*) De ziekte- en invaliditeitsuitkeringen die in uitvoering van de Duitse sociale wetgeving toegekend zijn, worden eveneens in aanmerking genomen voor de vermindering van 100 %. ] .
Hoofdstuk III - VERMINDERING VAN 50 % VOOR INKOMSTEN VAN BUITENLANDSE OORSPRONG
Afdeling I - INKOMSTEN DIE IN AANMERKING KOMEN VOOR DE VERMINDERING
89. De vermindering van 50 % is van toepassing op het gedeelte van de verminderde basisbelasting dat betrekking heeft op de hiernavermelde inkomsten :
1. Onroerende inkomsten :
de inkomsten van in het buitenland gelegen onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen;
2. Beroepsinkomsten :
de in het buitenland behaalde en belaste beroepsinkomsten;
3. Diverse inkomsten :
  • occasionele winsten en baten als bedoeld in art. 90, 1., W.I.B. 1992, die in het buitenland werden behaald en belast;
  • prijzen, subsidies, renten en pensioenen als bedoeld in art. 90, 2., 1e lid, W.I.B. 1992, ten laste van vreemde openbare machten of openbare instellingen;
  • onderhoudsuitkeringen als bedoeld in art. 90, 3. en 4., W.I.B. 1992, betaald door niet-rijksinwoners.
Afdeling II - INKOMSTEN DIE NIET IN AANMERKING KOMEN VOOR DE VERMINDERING
90. De vermindering tot de helft is niet van toepassing op de P.B. die verband houdt met :
a) de roerende inkomsten die als zodanig belastbaar zijn;
b) de roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong die voortkomen van activa die de belastingplichtige voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid gebruikt in inrichtingen waarover hij in Belgie beschikt; (*)
c) de diverse inkomsten van roerende aard als bedoeld in art. 90, 5. tot 7., W.I.B. 1992;
d) de in nr. 89 bedoelde inkomsten die werkelijk afzonderlijk belast worden (zie evenwel voetnoot bij de nrs. 105 en 109).

[(*) Aan de eventuele internationale dubbele belasting van sommige van die inkomsten (nl. andere dan inkomsten van aandelen, delen of belegde kapitalen) wordt verholpen door verrekening van het F.B.B.]
HOOFDSTUK IV - VOORBEELD
91. Echtpaar zonder gezinslasten.
Vaststelling van de aanslagbasissen
Nettoberoepsinkomen :
  • Belgische winst (man) : 1.250.000 F
  • tegen verlaagd tarief belastbare bezoldiging van bestuurder (man) : 500.000 F
Over te brengen : 1.750.000 F
Overgebracht : 1.750.000 F
  • bij verdrag vrijgestelde buitenlandse bezoldiging (vrouw) : 950.000 F
Totaal netto-inkomen (2.700.000 F) : 1.750.000 F + 950.000 F
Aftrekbare bestedingen :
  • Gemeenschappelijke onderhoudsuitkeringen (320.000 x 80 % = 256.000 F) :
  • 165.926 F [ 256.000 x 1.750.000 / 2.700.000]
  • 90.074 F [ 256.000 x 950.000 / 2.700.000]
Resterend gezinsinkomen : 1.584.074 F
Afgezonderd beroepsinkomen : 859.926 F
* * *
Berekening van de belasting
a) Afgezonderd beroepsinkomen :
  • basisbelasting op 859.926 F : 140.850 + (859.926 - 464.000) x 45 % = 319.017 F
  • belasting op 139.000 F : 139.000 x 25 % =
  • 34.750 F
  • verschil : 284.267 F
b) Resterend gezinsinkomen :
  • basisbelasting op 1.584.074 F : 412.200 + (1.584.074 - 1.067.000) x 50 % = 670.737 F
  • belasting op 139.000 F : 139.000 x 25 % = - 34.750 F
  • verschil : 635.987 F
c) Om te slane belasting : 284.267 + 635.987 = 920.254 F

* * *
Omslag van de belasting
Daar de van het totale netto-inkomen aftrekbare bestedingen uitsluitend gemeenschappelijke bestedingen zijn,
kan de omslag van de belasting rechtstreeks op basis van dat totale netto-inkomen geschieden (zie nr. 68, d).
Gedeelte van de om te slane belasting met betrekking tot :
  • de Belgische winst : 920.254 x 1.250.000 / 2.700.000 = 426.044 F
  • de tegen het verlaagde tarief belastbare bezoldiging van bestuurder :
    920.254 x 500.000 / 2.700.000 = 170.417 F
  • vermindering voor buitenlandse inkomsten : 170.417 x 50 % = - 85.209 F
  • blijft : 85.208 F
  • de bij verdrag vrijgestelde buitenlandse bezoldiging :
    920.254 x 950.000 / 2.700.000 = 323.793 F
  • vermindering voor buitenlandse inkomsten (100 %) : - 323.793 F
  • blijft : 0 F
  • Hoofdsom : 511.252 F
In dit voorbeeld bedraagt de totale vermindering voor buitenlandse inkomsten derhalve :
85.209 + 323.793 = 409.002 F.

DEEL II - BEREKENING VAN DE P.B. OP DE AFZONDERLIJK BELASTBARE INKOMSTEN
TITEL I - ALGEMEEN
92. De wet heeft verschillende uitzonderingen op het beginsel van de samentelling van de inkomsten ingevoerd : sommige inkomsten moeten immers afzonderlijk tegen bijzondere aanslagvoeten belast worden.
93. De op die inkomsten verschuldigde P.B. mag echter niet afzonderlijk tegen de bijzondere aanslagvoeten gevestigd worden als het stelsel van de volledige samentelling, d.w.z. de toepassing van de progressieve aanslagvoeten op de belastbare inkomsten, met inbegrip van de inkomsten die afzonderlijk kunnen belast worden, voor de belastingplichtige voordeliger uitvalt (bij echtgenoten moet onder "belastbare inkomsten" uiteraard enerzijds het afgezonderd beroepsinkomen en anderzijds het resterend gezinsinkomen verstaan worden).
Titel II - BELANGRIJKE OPMERKINGEN
94.
1. De in beginsel afzonderlijk belastbare inkomsten moeten ofwel allemaal afzonderlijk belast worden, ofwel allemaal met de andere inkomsten samengeteld worden.
2. De inkomsten die krachtens internationale overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting vrijgesteld zijn (zie nr.68 ), komen uiteraard nooit voor afzonderlijke taxatie in aanmerking.
3. De op de afzonderlijk belaste inkomsten verschuldigde P.B. wordt tegen de bijzondere aanslagvoeten berekend zonder toepassing van :
a) de bepalingen betreffende de belastingvrije som;
b) de verminderingen voor alternatieve beroepsinkomsten;
c) de vermindering tot de helft voor inkomsten van buitenlandse oorsprong [ Zie evenwel voetnoot bij nrs.105 en 109.] ;
d) de vermeerdering ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen gedaan zijn.

4. De aldus berekende P.B. geeft geen aanleiding tot de vestiging van een afzonderlijke aanslag; zij wordt opgenomen in de enige aanslag die op naam van de belastingplichtige(n) gevestigd wordt.
TITEL III - INKOMSTEN DIE TEGEN 33 % BELASTBAAR ZIJN
95. Het zijn :
1. de occasionele winsten en baten (in art. 90, 1., W.I.B. 1992 bedoelde diverse inkomsten);
2. de in art. 90, 8., W.I.B. 1992 bedoelde meerwaarden, d.w.z. de meerwaarden die ter gelegenheid van een overdracht onder bezwarende titel verwezenlijkt zijn op in Belgie gelegen ongebouwde onroerende goederen, wanneer die goederen binnen de vijf jaar na hun verkrijging vervreemd zijn.

TITEL IV - INKOMSTEN DIE TEGEN 25 % BELASTBAAR ZIJN
96. Het betreft hier in principe :
  • dividenden;
  • inkomsten van roerende goederen en kapitalen die geen dividenden zijn en in art. 90, 5. tot 7., W.I.B. 1992 vermelde diverse inkomsten, die toegekend zijn in uitvoering van voor 1 maart 1990 gesloten overeenkomsten.
In de praktijk gaat het om de volgende inkomsten :
1. dividenden van door de Nationale raad van de Cooperatie erkende cooperatieve vennootschappen, in zover die dividenden de vrijgestelde schijf van 5.000 F per gezin te boven gaan;
2. andere Belgische en buitenlandse dividenden, met uitzondering van de inkomsten van A.F.V.-aandelen (zie nr. 112);
3. de hiernavolgende Belgische en buitenlandse inkomsten die verband houden met voor 1.3.1990 gesloten overeenkomsten :
a) inkomsten van overheidsfondsen [ Met uitzondering van de inkomsten uit de bijzondere staatslening 1981 (zie nrs. 111 en 112).], van obligaties, van kasbons en van deposito's op termijn of met een opzeggingstermijn;
b) inkomsten uit (al dan niet hypothecaire) schuldvorderingen;
c) inkomsten uit onroerende leasing;
d) opbrengsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen;
e) roerende inkomsten begrepen in lijfrenten of tijdelijke renten;
f) inkomsten verkregen uit hoofde van de onderverhuring of de overdracht van huurceel van onroerende goederen, ofwel uit hoofde van de concessie van het recht om bepaalde reklamedragers te plaatsen;
g) loten van effecten van leningen;
h) bedragen ontvangen uit de verhuring van jacht-, vis- en vogelvangstrechten.

TITEL V - INKOMSTEN DIE TEGEN 16,5 % BELASTBAAR ZIJN
97. Het zijn :
1. de meerwaarden verwezenlijkt op materiele of financiele vaste activa die op het ogenblik van hun vervreemding sedert meer dan vijf jaar voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid gebruikt worden en waarvan de belastingheffing niet gespreid is ingevolge art. 47, W.I.B. 1992, en op andere aandelen die sedert meer dan vijf jaar verworven zijn (1)(2);
2. voor zover zij niet meer bedragen dan vier maal het gemiddelde van de belastbare netto-winst of -baten met betrekking tot de verdwenen werkzaamheid behaald gedurende de vier jaren die aan het jaar van de stopzetting of van de vermindering van de werkzaamheid voorafgaan :
a) de meerwaarden verwezenlijkt op immateriele vaste activa ter gelegenheid van de volledige en definitieve stopzetting van de beroepswerkzaamheid;
b) de vergoedingen die gedurende het uitoefenen van een zelfstandige beroepswerkzaamheid verkregen zijn als compensatie van een vermindering van de werkzaamheid, van de winst of van de baten (3);

3. de in art. 90, 2., eerste lid, W.I.B. 1992 bedoelde diverse inkomsten, d.w.z. de prijzen, subsidies, renten en pensioenen zonder beroepskarakter, betaald of toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars;
4. de in art. 90, 8., W.I.B. 1992 bedoelde meerwaarden, wanneer de goederen waarop zij slaan meer dan vijf jaar na hun verkrijging vervreemd zijn (in feite dus de belastbare meerwaarden waarop de aanslagvoet van 33 % - zie nr. 95, 2° - niet van toepassing is);
5. de in art. 90, 9., W.I.B. 1992 bedoelde meerwaarden, d.w.z. bepaalde meerwaarden verwezenlijkt ingevolge de gehele of gedeeltelijke overdracht van belangrijke deelnemingen aan buitenlandse vennootschappen;
6. de kapitalen voortkomend van een groepsverzekeringscontract, wanneer zij vereffend zijn bij het normaal verstrijken van het contract of bij het overlijden van de verzekerde, alsmede de afkoopwaarden (4) van die contracten wanneer zij vereffend zijn :
  • hetzij in een der vijf jaren die aan het normaal ver-strijken van het contract voorafgaan;
  • hetzij ter gelegenheid van de pensionering of brugpensionering van de verzekerde;
  • hetzij op de normale leeftijd waarop een loon- of weddetrekker zijn beroepswerkzaamheid uit hoofde waarvan het kapitaal gevormd is, volledig en definitief stopzet;
7. de niet onder 6. bedoelde kapitalen die gelden als renten of pensioenen, wanneer zij aan de rechthebbende ten vroegste uitgekeerd zijn :
  • hetzij ter gelegenheid van zijn pensionering op de normale datum of in een van de vijf jaren die aan die datum voorafgaan;
  • hetzij ter gelegenheid van zijn brugpensionering;
  • hetzij ter gelegenheid van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is;
  • hetzij op de normale leeftijd waarop een loon- of weddetrekker zijn beroepswerkzaamheid uit hoofde waarvan het kapitaal gevormd is, volledig en definitief stopzet;
8. de afkoop van de gekapitaliseerde waarde van een gedeelte van het wettelijk rust- of overlevingspensioen;
9. voor zover voldaan is aan de in art. 174, W.I.B. 1992, gestelde voorwaarden, de spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden die in het kader van het pensioensparen ten vroegste aan de rechthebbende uitgekeerd zijn :
  • hetzij op de leeftijd van 65 jaar;
  • hetzij ter gelegenheid van zijn pensionering op de normale datum of in een van de vijf jaren die aan die datum voorafgaan;
  • hetzij ter gelegenheid van zijn brugpensionering;
  • hetzij ter gelegenheid van het overlijden van de persoon van wie hij de rechtverkrijgende is.
[(1) De voorwaarde van de vijfjarige belegging is niet vereist wanneer de meerwaarden verwezenlijkt worden naar aanleiding van de volledige en definitieve stopzetting van de beroepswerkzaamheid of van een of meer takken daarvan.
(2) Meerwaarden verwezenlijkt op financiele vaste activa of andere aandelen worden evenwel slechts tegen het tarief van 16,5 % belast, voor zover hun belastbaar bedrag hoger is dan de vroeger op diezelfde bestanddelen aangenomen minderwaarden waarvan de recuperatie nog niet herbelast is. De rest van de meerwaarde wordt gezamenlijk en tegen het progressieve tarief belast.
(3) Met inbegrip van de vergoedingen die gedurende het uitoefenen van de zelfstandige beroepswerkzaamheid voor de afstand van sommige immateriele activa verkregen zijn (zie Com.I.B., 93/6.2).
(4) Met uitzondering van de kapitalen en afkoopwaarden die in rente omgezet worden (cf. art. 169, § 1, W.I.B. 1992).]
TITEL VI - INKOMSTEN DIE TEGEN 10 % BELASTBAAR ZIJN
98. Het betreft hier in principe inkomsten van roerende goederen en kapitalen die geen dividenden zijn en in art. 90, 5. tot 7., W.I.B. 1992 vermelde diverse inkomten, die toegekend zijn in uitvoering van na 28.2.1990 gesloten overeenkomsten.
In de praktijk gaat het om de volgende inkomsten :
1. Belgische inkomsten van gewone spaardeposito's, in zover die inkomsten de vrijgestelde schijf van 53.000 F per gezin te boven gaan;
2. Belgische en buitenlandse inkomsten van zichtrekeningen of van deposito's zonder termijn;
3. de hiernavolgende Belgische en buitenlandse inkomsten die verband houden met na 28.2.1990 gesloten overeenkomsten :
a) inkomsten van overheidsfondsen, van obligaties, van kasbons, van deposito's op termijn of met een opzeggingstermijn;
b) inkomsten uit (al dan niet hypothecaire) schuldvorderingen;
c) inkomsten uit onroerende leasing;
d) opbrengsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen; e) roerende inkomsten begrepen in lijfrenten of tijdelijke renten;
f) inkomsten verkregen uit hoofde van de onderverhuring of de overdracht van huurceel van onroerende goederen, ofwel uit hoofde van de concessie van het recht om bepaalde reklamedragers te plaatsen;
g) bedragen ontvangen uit de verhuring van jacht-, vis- en vogelvangstrechten;

4. loten van effecten van na 28.2.1990 uitgegeven leningen van buitenlandse oorsprong.

TITEL VII - INKOMSTEN DIE TEGEN DE GEMIDDELDE AANSLAGVOET VAN HET LAATSTE VORIGE JAAR MET NORMALE BEROEPS- WERKZAAMHEID BELASTBAAR ZIJN
Hoofdstuk I - ALGEMEEN
99. De hier bedoelde inkomsten zijn :
1. opzeggingsvergoedingen;
2. achterstallen van gewone bezoldigingen en pensioenen;
3. uit een voorheen uitgeoefende beroepswerkzaamheid behaalde winst of baten (zie nr. 102).

Hoofdstuk II - OPZEGGINGSVERGOEDINGEN
100. Opdat het bijzondere aanslagstelsel van toepassing zou zijn, moet het brutobedrag van die vergoedingen 27.000 F overtreffen.
Onder brutobedrag wordt verstaan, het werkelijk betaalde of toegekende bedrag, verhoogd met de erop betrekking hebbende B.V.
Hoofdstuk III - ACHTERSTALLEN VAN GEWONE BEZOLDIGINGEN EN PENSIOENEN
101. Het zijn de gewone bezoldigingen [ Met inbegrip van de aan loon- en weddetrekkers uitbetaalde alternatieve beroepsinkomsten.] en pensioenen waarvan de uitbetaling of de toekenning door toedoen van de overheid of wegens het bestaan van een geschil, slechts plaatsgehad heeft na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarop zij in werkelijkheid betrekking hebben.
Hoofdstuk IV - UIT EEN VOORHEEN UITGEOEFENDE BEROEPSWERKZAAMHEID BEHAALDE WINST OF BATEN
102. Het zijn de in art. 28, 2. en 3., a, W.I.B. 1992 bedoelde winst en baten, d.w.z. die welke behaald zijn na de volledige en definitieve stopzetting van een zelfstandige beroepswerkzaamheid of van een of meer takken van die werkzaamheid en die voortkomen van de vroegere uitoefening van die beroepswerkzaamheid of van die tak van werkzaamheid, met inbegrip van de vergoedingen verkregen als compensatie van een vermindering van de werkzaamheid of van de winst of baten, maar met uitzondering van de stopzettingsmeerwaarden en van de vergoedingen verkregen als herstel van een tijdelijke winst- of baatderving.
Hoofdstuk V - LAATSTE VORIGE JAAR MET NORMALE BEROEPSWERKZAAMHEID
103. Onder "het laatste vorige jaar waarin de belastingplichtige een normale beroepswerkzaamheid gehad heeft" (hierna "referentiejaar" te noemen), verstaat men het meest recente vorige jaar waarin de betrokkene in Belgie of in het buitenland gedurende twaalf maanden belastbare beroepsinkomsten - welke ook hun aard zij - behaald heeft, die in de P.B. tegen de progressieve aanslagvoeten aangeslagen zijn of zouden aangeslagen geweest zijn indien de betrokkene aan deze belasting onderworpen geweest was.
104. Het feit dat die beroepsinkomsten geheel of gedeel-telijk uit alternatieve beroepsinkomsten bestaan, doet geen afbreuk aan de in nr. 103 uiteengezette regel.
Hoofdstuk VI - IN AANMERKING TE NEMEN BELASTING
105. Het bedrag van de P.B. dat in aanmerking komt voor het berekenen van de gemiddelde aanslagvoet, is het bedrag dat voor het referentiejaar ten laste van de belastingplichtige gevestigd is op de andere inkomsten dan die welke krachtens art. 171, W.I.B. 1992 afzonderlijk belast zijn :
  • na eventuele vermindering voor alternatieve beroepsinkomsten;
  • doch voor vermindering voor buitenlandse inkomsten [ De aldus vastgestelde gemiddelde aanslagvoet mag evenwel tot de helft teruggebracht worden alvorens toegepast te worden op de in nr. 99 bedoelde opzeggingsvergoedingen, achterstallen en/of vroeger verworven winst en baten, die in het buitenland behaald en belast zijn.] .
Het betreft dus steeds de verminderde basisbelasting (zie nrs. 71 en volgende) van het referentiejaar.
De gemiddelde aanslagvoet is als een getal van drie cijfers (waarvan het laatste een decimaal is) afgedrukt in de linkerbovenhoek van het desbetreffende aanslagbiljet (na het volgnummer waarvan het door een schuine streep gescheiden is).
Hoofdstuk VII - BEREKENING VAN DE GEMIDDELDE AANSLAGVOET
Afdeling I - REGEL
106. Voor de berekening van de gemiddelde aanslagvoet moet de verminderde basisbelasting waarvan sprake in nr. 105 vermenigvuldigd worden met een breuk waarvan de teller gelijk is aan 100 en de noemer gelijk is aan het G.B.I.
De uitkomst moet op een cijfer na de komma afgerond worden, waarbij de tweede en volgende decimalen zonder meer weggelaten worden.
Afdeling II - VOORBEELD
107.
Referentiejaar : 1990 (= aj. 1991).
Nettoberoepsinkomsten (bezoldigingen) van een gezin zonder gezinslasten :
  • Man : 700.000 F
  • Vrouw : 305.000 F
Aftrekbare bestedingen :
  • Giften : 10.050 F
  • Pensioensparen (man) : 18.000 F
* * *
Vaststelling van de aanslagbasissen
ManVrouwTotaal
Nettoberoepsinkomen (bezoldigingen) :700.000 F305.000 F1.005.000 F
Totaal netto-inkomen :700.000 F305.000 F1.005.000 F
Aftrekbare bestedingen :
- giften :- 7.000 F- 3.050 F- 10.050 F
- pensioensparen :
- 18.000 F
- 18.000 F
Gezamenlijk belastbaar inkomen :675.000 F301.950 F976.950 F
(resterend gezinsinkomen)(afgezonderd beroepsinkomen)(G.I.B)
* * *
Berekening van de belasting
a) Afgezonderd beroepsinkomen :
  • basisbelasting op 301.950 F : 59.250 + (301.950 - 237.000) x 30 % = 78.735 F
  • belasting op 134.000 F : 134.000 x 25 % = - 33.500 F
  • verschil : 45.235 F
b) Resterend gezinsinkomen :
  • basisbelasting op 675.000 F : 136.350 + (675.000 - 449.000) x 45 % = 238.050 F
  • belasting op 134.000 F : 134.000 x 25 % = - 33.500 F
  • verschil : 204.550 F
c) Om te slane belasting (= verminderde basisbelasting) :
45.235 + 204.550 = 249.785 F
Gemiddelde aanslagvoet : 249.785 x 100 / 976.950 = 25,56783, afgerond op 25,5 %.
N.B. : Indien de belastingplichtige tijdens het jaar 1990 ook nog inkomsten had die voor het aj. 1991 werkelijk afzonderlijk belast zijn, dan was de in aanmerking te nemen gemiddelde aanslagvoet eveneens 25,5 % (die aanslagvoet wordt immers niet beinvloed door de afzonderlijk belaste inkomsten van het referentiejaar).
TITEL VIII - INKOMSTEN DIE TEGEN DE AANSLAGVOET BETREFFENDE DE ANDERE INKOMSTEN VAN HETZELFDE JAAR BELASTBAAR ZIJN
Hoofdstuk I - ALGEMEEN
108. Het betreft hier :
1. het vervroegd vakantiegeld;
2. de achterstallige erelonen;
3. de achterstallige onderhoudsuitkeringen.

Hoofdstuk II - IN AANMERKING TE NEMEN BELASTING
109. Het bedrag van de P.B. dat in aanmerking komt voor het berekenen van de gemiddelde aanslagvoet, is het bedrag dat voor het aj. 1992 van toepassing is op de gezamenlijk belastbare inkomsten [ Die aanslagvoet mag tot de helft teruggebracht worden alvorens toegepast te worden op het vervroegd vakantiegeld dat in het buitenland behaald en belast is.] . Ter zake wordt verwezen naar nr. 105 dat mutatis mutandis van toepassing is.
Hoofdstuk III - BEREKENING VAN DE AANSLAGVOET
110. De berekening van die aanslagvoet geschiedt op de wijze uiteengezet in nr. 106.
TITEL IX - INKOMSTEN DIE BELASTBAAR ZIJN VOOR EEN BEDRAG DAT OVEREENSTEMT MET DE OP DIE INKOMSTEN BETREKKING HEBBENDE ROERENDE VOORHEFFING
Hoofdstuk I - BEDOELDE INKOMSTEN
111. Het betreft hier in principe de AFV-dividenden en de inkomsten van de bijzondere staatslening 1981.
Hoofdstuk II - IN AANMERKING TE NEMEN BEDRAG
112. bedoelde inkomsten werkelijk afzonderlijk belast worden, is de op deze inkomsten verschuldigde P.B. gelijk aan de R.V. die op diezelfde inkomsten betrekking heeft (nl. 20 %).
TITEL X - AFRONDING VAN DE BELASTBARE INKOMSTEN
113. Voor de berekening van de P.B. mogen de afzonderlijk belastbare inkomsten - net als de gezamenlijk belastbare inkomsten - nooit afgerond worden.
DEEL IV
VERREKENING VAN DE VOORHEFFINGEN EN ANDERE VAN DE P.B. AF TE TREKKEN BESTANDDELEN
TITEL I - ALGEMENE BEGINSELEN
114. De wet bepaalt dat sommige voorheffingen en bestanddelen slechts binnen bepaalde grenzen mogen verrekend worden. Daarom is het noodzakelijk de voorheffingen en de andere van de P.B. af te trekken bestanddelen in twee categorieen in te delen, nl. :
1. die welke slechts in een beperkte mate verrekend en niet terugbetaald worden (gewoonlijk niet terugbetaalbare voorheffingen genoemd);
2. die welke volledig verrekend en eventueel terugbetaald worden (doorgaans terugbetaalbare voorheffingen genoemd).

115. Deze voorheffingen en bestanddelen worden als volgt verrekend :
  • eerst de "niet terugbetaalbare";
  • vervolgens de "terugbetaalbare".
116. Een voorheffing of ermede gelijkgesteld bestanddeel kan in beginsel slechts dan voor verrekening in aanmerking komen, wanneer die voorheffing of dat bestanddeel betrekking heeft op een inkomen dat de belastbare basis van de P.B. heeft helpen vormen (zie evenwel ook nr. 130, 2de lid).
117. Indien bij het bepalen van de om te slane belasting rekening gehouden is met inkomsten van meer dan een belas-tingplichtige (b.v. inkomsten van twee echtgenoten en eventueel van hun kinderen), dan worden de verrekenbare voorheffingen en bestanddelen van dezelfde aard van die personen in het stadium van de verrekening samengeteld, ook wanneer sommige van de in aanmerking genomen inkomsten door aanrekening van kosten, uitgaven of aftrekkingen tot nul herleid zijn.
TITEL II - VERREKENING VAN DE NIET TERUGBETAALBARE VOORHEFFINGEN EN BESTANDDELEN
Hoofdstuk I - Algemeen
118. Die voorheffingen en bestanddelen zijn :
1. de O.V. (prive en bedrijf);
2. de F.O.V.-bedrijf;
3. het F.B.B.;
4. het B.K.Adm.

119. Zij kunnen, gelet op de regels die voor de verrekening ervan toepasselijk zijn, in twee groepen ingedeeld worden :
1. de voorheffingen en bestanddelen die verrekend worden met het gedeelte van de P.B. dat op de beroepsinkomsten slaat :
  • de O.V.-bedrijf;
  • de F.O.V.-bedrijf;
  • het F.B.B.;
  • het B.K.Adm;
2. de enige voorheffing die met de totale P.B. verrekend wordt :
  • de O.V.-prive.
120. Er valt op te merken dat de O.V.-prive slechts kan verrekend worden ten belope van het deel van de P.B. dat overblijft na verrekening van alle andere niet terugbetaalbare voorheffingen en bestanddelen (zie voorbeeld in nr. 135).
Hoofdstuk II - VOORHEFFINGEN EN BESTANDDELEN DIE VERREKEND WORDEN MET HET GEDEELTE VAN DE P.B. DAT OP DE BEROEPSINKOMSTEN SLAAT
Afdeling I - IN BEGINSEL TE VERREKENEN BEDRAGEN
1. O.V.-bedrijf
121. Het bedrag van de O.V.-bedrijf dat in beginsel mag verrekend worden, is gelijk aan 12,5 % van het geindexeerde K.I. van de onroerende goederen (of gedeelten ervan) die door de eigenaar voor beroepsdoeleinden gebruikt zijn.
Wanneer een dergelijk onroerend goed niet gedurende het ganse belastbare tijdperk voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid gebruikt is, wordt het bedrag van de verrekenbare O.V.-bedrijf bepaald in verhouding tot het aantal maanden gebruik tijdens het belastbare tijdperk. Voor de maand van aanvang of beeindiging van het gebruik voor beroepsdoeleinden, wordt de toestand in acht genomen zoals die zich voordeed op de 16e.
2. F.O.V.-bedrijf
122. Een F.O.V.-bedrijf mag verrekend worden met betrekking tot in Belgie gelegen onroerende goederen die van O.V. vrijgesteld zijn, maar waarvan de inkomsten opgenomen zijn onder de bestanddelen die de beroepsinkomsten vormen.
Het in beginsel als F.O.V.-bedrijf te verrekenen bedrag is gelijk aan 12,5 % van het geindexeerde K.I. van die onroerende goederen.
123. .....
3. F.B.B.
124. Het in beginsel te verrekenen bedrag van het F.B.B. betreffende in het buitenland belaste roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong, andere dan dividenden, die krachtens art. 37, W.I.B. 1992 als beroepsinkomsten aangemerkt worden, wordt bepaald door het werkelijk geinde of verkregen inkomen, voor aftrek van de innings- en bewaringskosten en andere soortgelijke (Belgische en/of buitenlandse) kosten, te vermenigvuldigen met de breuk :
  • 15/85 indien de desbetreffende inkomsten de R.V. niet ondergaan hebben;
  • 20/85 indien de inkomsten een R.V. van 25 % ondergaan hebben (1);
  • 10/51 indien de inkomsten een R.V. van 10 % ondergaan hebben (2).
Daar het te verrekenen F.B.B. in het belastbaar inkomen opgenomen wordt, is zij gelijk aan 15 % van dat inkomen.
Nochtans wordt het te verrekenen bedrag van het F.B.B. met betrekking tot de in het eerste lid beoogde andere inkomsten dan inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen, volgens de volgende breuk bepaald :
werkelijk ingehouden buitenlandse belasting uitgedrukt in een percentage van het inkomen waarop die belasting betrekking heeft, desvoorkomend beperkt tot 15 % 100 - het getal van de teller (3)
[(1) Daar de breuk (20/85) toegepast wordt op een inkomen waarvan de R.V. afgetrokken is, is zij uiteraard verschillend van die welke toegepast wordt op een inkomen waarvan geen R.V. afgetrokken is (20/85 x 75 % = 15/85).
(2) 10/51 x 90 % = 15/85.
(3)Wanneer de schuldenaar van het inkomen de buitenlandse belasting ter ontlasting van de verkrijger gedragen heeft, bedraagt de noemer 100.]
125. .....
4. B.K.Adm.
126. Het belastingkrediet wordt verleend voor de in de grondslag van de vennootschapsbelasting opgenomen bezoldigingen van bestuurders, enz., die verband houden met een voor 31.12.1990 afgesloten boekjaar.
Het in beginsel te verrekenen bedrag is gelijk aan 37,5 % van die brutobezoldigingen.
Afdeling II - BEPERKING VAN DE VERREKENING
127. In het stadium van de verrekening worden de O.V.-bedrijf, de F.O.V.-bedrijf, het F.B.B. en het B.K.Adm. samengevoegd. De som van die bestanddelen mag slechts verrekend worden ten belope van het gedeelte van de P.B. dat slaat op de nettoberoepsinkomsten die gezamenlijk of afzonderlijk belast worden (waarbij de inkomsten van echtgenoten samen genomen worden).
Dat gedeelte is gelijk aan het samengeteld bedrag van :
a) de belasting die omgeslagen is over de tegen het volle en de tegen het verlaagde tarief belastbare nettoberoepsinkomsten (in voorkomend geval van beide echtgenoten), verminderd met de verminderingen voor de erin begrepen alternatieve beroepsinkomsten (vol en verlaagd tarief) en met de vermindering van 50 % voor de tegen het verlaagde tarief belastbare beroepsinkomsten;
b) de P.B. op de afzonderlijk belaste beroepsinkomsten.

Indien de beroepsinkomsten uitsluitend uit gezamenlijk belastbare inkomsten van Belgische oorsprong bestaan, is de beperking van de verrekening gelijk aan het bedrag van de belasting die over de beroepsinkomsten omgeslagen is, na aftrek, in voorkomend geval, van de verminderingen voor alternatieve beroepsinkomsten.
Het eventuele overschot wordt niet terugbetaald.
Afdeling III - VOORBEELD
128.
Echtpaar met 3 kinderen ten laste (ouder dan 3 jaar).
Geindexeerd K.I. verhuurde woning : 60.100 F
Pensioensparen (man) : 21.000 F
In beginsel verrekenbare O.V. :
60.100 x 12,5 % = 7.513 F
B.K.Adm. : 180.000 F
* * *
Vaststelling van de nettoberoepsinkomsten
ManVrouwTotaal
Nettoberoepsinkomen (bezoldigingen) :700.000 F305.000 F1.005.000 F
Totaal netto-inkomen :700.000 F305.000 F1.005.000 F
Aftrekbare bestedingen :
- giften :- 7.000 F- 3.050 F- 10.050 F
- pensioensparen :
- 18.000 F
- 18.000 F
Gezamenlijk belastbaar inkomen :675.000 F301.950 F976.950 F
(resterend gezinsinkomen)(afgezonderd beroepsinkomen)(G.I.B)
Man Vrouw
Belgische bezoldiging
Belgische
Aan verlaagd van bestuurder Z.I.V.-uitkering tarief belastbaar buitenlands pensioen
Beroepsinkomsten (na aftrek van de beroeps- kosten) : 530.000 F 150.000 F 450.000 F
Aftrekbare levens- verzekeringspremie :
- man : 40.000 F, beperkt tot : - 36.570 F
- vrouw : 24.000 F :
- 6.000 F [ 24.000 x 150.000 / (150.000 + 450.000) = 6.000 F.]
- 18.000 F [ 24.000 x 450.000 / (150.000 + 450.000) = 18.000 F.]
____________ _______________________
Nettoberoepsinkomsten : 493.430 F 144.000 F 432.000 F
576.000 F
* * *
Vaststelling van de aanslagbasissen
Nettoberoepsinkomen :
- bezoldiging van bestuurder : 493.430 F
- Z.I.V.-uitkering : 144.000 F
- pensioen : 432.000 F
Onroerend netto-inkomen : 60.100 F
___________ ___________
Totaal netto-inkomen (1.129.530 F) : 493.430 F 636.100 F
Aftrekbare bestedingen :
- pensioensparen (man) :
- 21.000 F
___________ ___________
Afgezonderd beroepsinkomen : 472.430 F
Resterend gezinsinkomen : 636.100 F
G.B.I. : 1.108.530 F
* * *
Berekening van de belasting
a) Afgezonderd beroepsinkomen :
- basisbelasting op 472.430 F : 140.850 + (472.430 - 464.000) x 45 % = 144.644 F
- belasting op 139.000 F : 139.000 x 25 % =
- 34.750 F
_____________
- verschil : 109.894 F
b) Resterend gezinsinkomen :
- basisbelasting op 636.100 F : 140.850 + (636.100 - 464.000) x 45 % = 218.295 F
- belasting op 355.000 F (139.000 + 216.000) : 85.250 + (355.000 - 325.000) x 40 % =
- 97.250 F
_____________
- verschil : 121.045 F
c) Om te slane belasting : 109.894 + 121.045 = 230.939 F
* * *
Omslag van de belasting
1e fase
Gedeelte met betrekking tot :
- het afgezonderd beroepsinkomen : 230.939 x 472.430 / 1.108.530 = 98.421 F
- het resterend gezinsinkomen : 230.939 x 636.100 / 1.108.530 = 132.518 F
_____________
- het totaal : 230.939 F 2e fase
Gedeelte met betrekking tot :
- de bezoldiging van bestuurder : 98.421 x 493.430 / 493.430 = 98.421 F
- de Z.I.V.-uitkering : 132.518 x 144.000 / 636.100 = 29.999 F vermindering
[81.048 x 144.000 /1.129.530 = 10.333 F, te beperken tot (10.333 x 1/3) + (10.333 x 2/3) x 1.280.000
- 1.108.530 640.000 = 5.290 F ] :
- 5.290 F
___________
blijft : 24.709 F
- het buitenlands pensioen : 132.518 x 432.000 / 636.100 = 89.998 F vermindering voor pensioen
[ 64.994 x 432.000 /1.129.530 = 24.858 F, te beperken tot (24.858 x 1/3) + (24.858 x 2/3) x 1.280.000
- 1.108.530
640.000 = 12.726 F ] :
- 12.726 F
___________
blijft : 77.272 F vermindering voor inkomsten van buitenlandse oorsprong (50 %) : 77.272 x 50 % =
- 38.636 F
___________
blijft : 38.636 F
______________
Totaal (betreffende de beroepsinkomsten) : 161.766 F
Verrekening B.K.Adm. (180.000 F) te beperken tot :161.766 F
Het B.K.Adm. (180.000 F) mag ten belope van 161.766 F ver-rekend worden. Het overschot van 18.234 F (180.000 - 161.766) mag niet verrekend worden met het gedeelte van de P.B. dat op de onroerende inkomsten slaat (132.518 x 60.100 / 636.100 = 12.521 F), noch aan de belastingplichtige terugbetaald worden.
Hoofdstuk III - VOORHEFFING DIE MET DE TOTALE P.B. VERREKEND WORDT
Afdeling I - ALGEMEEN
129. Het betreft hier de O.V.-prive.
Wanneer de O.V. een O.V.-bedrijf omvat, moet deze laatste uitgeschakeld worden, aangezien zij op een andere manier verrekend wordt (zie nrs. 121 en 127).
Afdeling II - IN BEGINSEL TE VERREKENEN BEDRAG
130. Het in beginsel te verrekenen bedrag van de O.V.-prive is steeds gelijk aan 12,5 % van de geindexeerde K.I.'s die :
  • ofwel in de grondslag van de P.B. opgenomen zijn [ Zelfs indien in feite, zoals voor het jaar van ingebruikneming van een nieuw opgericht onroerend goed, geen O.V. verschuldigd is of indien de onroerende goederen gelegen zijn in een gemeente waar de O.V. minder dan 12,5 % bedraagt.] ;
  • ofwel uit de belastbare grondslag verdwenen zijn ingevolge de aftrek van interesten (zie dienaangaande circ. Ci.D.19/402.192, nrs. II/6 tot II/25 en II/32 tot 6 - commentaar op art. 8, § 3, 9 en 10, hervormingswet 1988).
Geen O.V.-prive mag verrekend worden met betrekking tot :
  • het K.I. of het gedeelte daarvan dat ingevolge art. 15, W.I.B. 1992 (vermindering van het K.I. wegens onproduktiviteit van het onroerend goed of wegens het verlies of het ontbreken van het genot van inkomsten) niet in het belastbare inkomen begrepen is;
  • het K.I. of het gedeelte daarvan dat ingevolge art. 16, W.I.B. 1992 (toepassing van de woningaftrek) uit het belastbare inkomen verdwenen is.
Afdeling III - BEPERKING VAN DE VERREKENING
131. In tegenstelling tot de andere niet terugbetaalbare voorheffingen en bestanddelen, is de O.V.-prive de enige voorheffing waarvoor de verrekening niet beperkt wordt tot het gedeelte van de P.B. dat op de desbetreffende inkomsten slaat (nl. de inkomsten uit onroerende goederen die niet voor het uitoefenen van een zelfstandige beroepswerkzaamheid van de eigenaar gebruikt zijn).
132. De verrekening van de O.V.-prive is daarentegen beperkt tot het bedrag van de P.B. op de gezamenlijk en afzonderlijk belaste inkomsten van gelijk welke aard (onroerende, roerende, beroeps- of diverse), dat overblijft na aanrekening van de in de nrs. 121 tot 126 bedoelde voorheffingen en bestanddelen.
133. Daarom moeten eerst die andere niet terugbetaalbare voorheffingen en bestanddelen binnen de gestelde grenzen met de belasting op de desbetreffende inkomsten verrekend worden.
Het maximum te verrekenen bedrag aan O.V.-prive wordt dan verkregen door het verschil te maken tussen :
  • enerzijds, het totaal van de hoofdsom en de belasting op de afzonderlijk belaste inkomsten;
  • anderzijds, het totaal van de in de nrs. 121 tot 126 bedoelde voorheffingen en bestanddelen zoals zij met inachtneming van het bepaalde in nr. 127 werkelijk verrekend zijn.
Het eventuele overschot wordt niet terugbetaald.
Afdeling IV - VOORBEELDEN
Voorbeeld 1
134. Een uit de echt gescheiden belastingplichtige met een kind ten laste had in 1991 de volgende inkomsten :
Onroerende inkomsten :
- K.I. woonhuis (geindexeerd) : 250.000 F
- Aftrekbare interesten :
- 30.000 F
____________
- Verschil : 220.000 F
Over te brengen : 220.000 F
Overgebracht : 220.000 F
- Woningaftrek :
- gewone (126.000 + 10.500) : 136.500 F
- aanvullende : 41.750 F
- totaal :
- 178.250 F
____________
- Netto-inkomen : 41.750 F
Nettolonen (Belgische) : 240.000 F
____________
Totaal netto-inkomen : 281.750 F
Aftrekbare onderhoudsuitkeringen : 62.500 x 80 % =
- 50.000 F
____________
Gezamenlijk belastbaar inkomen : 231.750 F
* * *
In beginsel te verrekenen O.V.-prive :
- in de belastbare basis begrepen K.I. : 41.750 F
- door interesten opgeslorpt K.I. : 30.000 F
___________
- totaal : 71.750 F
O.V.-prive : 71.750 x 12,5 % = 8.969 F
* * *
Berekening van de belasting
- Basisbelasting op 231.750 F : 231.750 x 25 % = 57.938 F
- Belasting op 213.000 F (176.000 + 37.000) : 213.000 x 25 % =
- 53.250 F
__________
- Om te slane belasting (= hoofdsom) : 4.688 F
De O.V.-prive (8.969 F) kan ten belope van 4.688 F verrekend worden. Het overschot van 4.281 F (8.969 - 4.688) kan niet terugbetaald worden. Voorbeeld 2
135. Alleenstaande zonder gezinslasten.
Samenvatting van de netto-inkomsten
K.I. verhuurde woning (geindexeerd) : 50.000 F
Belgische winst : 210.000 F
____________
Totaal netto-inkomen (= gezamenlijk belastbaar inkomen) : 260.000 F
In beginsel te verrekenen
O.V.-prive : 50.000 x 12,5 % = 6.250 F
O.V.-bedrijf : 16.000 F
* * *
Berekening van de belasting
- Basisbelasting op 260.000 F : 61.250 + (260.000 - 245.000) x 30 % = 65.750 F
- Belasting op 176.000 F : 176.000 x 25 % = - 44.000 F
__________
- Om te slane belasting (= hoofdsom) : 21.750 F
Gedeelte van die belasting met betrekking tot :
- de winst : 21.750 x 210.000 / 260.000 = 17.567 F
verrekening van de O.V.-bedrijf : - 16.000 F
----------
blijft : 1.567 F
- de onroerende inkomsten : 21.750 x 50.000 / 260.000 = 4.183 F
__________
Totaal : 5.750 F
Verrekening van de O.V.-prive (zie nr. 133) : 6.250 F, te beperken tot 21.750 (hoofdsom)
- 16.000 (werkelijk verrekende O.V.-bedrijf) =
- 5.750 F __________
Blijft : 0 F
Het overschot van 500 F (6.250 - 5.750) kan niet terugbetaald worden.
TITEL III - VERREKENING VAN DE TERUGBETAALBARE VOORHEFFINGEN EN BESTANDDELEN
Hoofdstuk I - ALGEMEEN
136. De terugbetaalbare voorheffingen en bestanddelen zijn :
- de R.V.roer.-prive en de F.R.V.roer.-prive;
- de B.V.L.;
- de B.V.Adm.;
- de B.V.Ven.;
- de R.V.roer.-bedrijf en de F.R.V.roer.-bedrijf;
- de B.V.div.;
- de R.V.div. en de F.R.V.div.;
- de V.A.
Zij worden verrekend nadat de niet terugbetaalbare voorheffingen en bestanddelen afgetrokken zijn.
Hoofdstuk II - IN AANMERKING TE NEMEN BEDRAGEN
1. R.V.roer.-prive en F.R.V.roer.-prive
137. Het in aanmerking te nemen bedrag is gelijk aan het produkt dat bekomen wordt door het bedrag van de aangegeven inkomsten (geinde bedragen, voor aftrek van de innings- en bewaringskosten en andere soortgelijke kosten) te vermenig-vuldigen met :
  • 1/9 voor wat de inkomsten betreft die een R.V. van 10 % ondergaan hebben;
  • 1/4 voor wat de inkomsten van A.F.V.-aandelen en -deelbewijzen en de inkomsten van de bijzondere staatslening 1981 betreft;
  • 1/3 voor wat betreft de inkomsten die een R.V. van 25 % ondergaan hebben en de inkomsten van de lening 3,5 % 1965-2005 van het Belgisch-Kongolees fonds voor delging en beheer.
In het stadium van de verrekening wordt geen onderscheid gemaakt tussen R.V.roer.-prive en F.R.V.roer.-prive; zij worden als "R.V.roer.-prive" aangewezen.
2. B.V.L., B.V.Adm., B.V.Ven. en B.V.div.
138. De in aanmerking te nemen bedragen zijn doorgaans die welke vermeld zijn op de fiches 281 die door de schuldenaar van de inkomsten op naam van de belastingplichtige opgesteld zijn.
3. R.V.roer.-bedrijf en F.R.V.roer.-bedrijf.
139. De R.V.roer.-bedrijf en de F.R.V.roer.-bedrijf betreffende als beroepsinkomsten te beschouwen netto-inkomsten van roerende goederen en kapitalen, worden op de in nr. 137 bedoelde wijze berekend. Met betrekking tot inkomsten waarvan de voorschriften tot identificatie aangaande de gehele verzaking aan de inning van de roerende voorheffing nageleefd zijn, is evenwel geen (F.)R.V.roer.-bedrijf in aanmerking te nemen.
In het stadium van de verrekening wordt evenmin onderscheid gemaakt tussen de R.V.roer.-bedrijf en de F.R.V.roer.-bedrijf; zij worden als "R.V.roer.-bedrijf" aangewezen.
4. R.V.div. en F.R.V.div.
140. Het in aanmerking te nemen bedrag is gelijk aan :
  • 1/9 van het geinde bedrag van de loten van effecten van vanaf 1.3.1990 uitgegeven leningen (van buitenlandse oorsprong) die werkelijk aan de R.V. van 10 % onderworpen geweest zijn;
  • 25/75 (= 1/3) van het geinde bedrag van de loten van effecten van voor 1.3.1990 uitgegeven leningen van buitenlandse oorsprong, die werkelijk aan de R.V. van 25 % onderworpen geweest zijn en van de niet van elke belasting vrijgestelde loten van (voor 1.12.1962 uitgegeven) Belgische overheidsfondsen.
In het stadium van de verrekening wordt geen onderscheid gemaakt tussen R.V.div. en F.R.V.div.; zij worden als "R.V.div." aangewezen.
5. V.A.
141. De als V.A. in aanmerking te nemen bedragen zijn vermeld op het rekeninguittreksel V.A. dat bij de aangifte P.B. moet gevoegd worden.
Hoofdstuk III - VERREKENING
142. De terugbetaalbare voorheffingen en bestanddelen worden samengeteld en het totaal bedrag wordt verrekend met het gedeelte van de P.B. dat nog verschuldigd blijft (zowel op de gezamenlijk als op de afzonderlijk belaste inkomsten) na verrekening van de niet terugbetaalbare voorheffingen en bestanddelen.
Het eventuele overschot wordt in aanmerking genomen om het eindsaldo van de aanslag in de P.B. vast te stellen (zie dienaangaande ook nog delen V en VI hierna die de berekening van de belastingvermeerdering en de belastingverhoging betreffen) en wat overblijft wordt met de aanvullende belastingen op de P.B. (P.B./Gem., P.B./Agg.) verrekend; het dan nog overblijvende saldo wordt aan de belastingplichtige teruggegeven indien het totale bedrag ervan ten minste 100 F bedraagt (zie nrs. 212 en 213).
Hoofdstuk IV - VOORBEELD
143. Een weduwnaar met 3 kinderen ten laste heeft de volgende netto-inkomsten genoten :
Onroerende inkomsten (geindexeerd K.I.) : 70.000 F
Roerende inkomsten (zie detail hierna) : 43.277 F
Beroepsinkomsten :
- gewone bezoldiging : 155.292 F
- bezoldiging van bestuurder : 40.000 F
- winst : 120.000 F
- rente (pensioen) : 36.000 F
- totaal 351.292 F
Diverse inkomsten :
- lot van een effect van een voor 1.3.1990 uitgegeven buitenlandse lening, waarop de R.V. (25 %) ingehouden is : 15.000 F
- R.V.div. : 15.000 x 25/75 = 5.000 F
- totaal : 20.000 F
Totaal netto-inkomen : 484.569 F
Aftrekbare onderhoudsuitkeringen (50.000 x 80 %) :
- 40.000 F
Gezamenlijk belastbaar inkomen : 444.569 F
* * *
Het bedrag van de roerende inkomsten is als volgt samengesteld :
1. Inkomsten van Belgische aandelen (gewoon stelsel) : 6.429 F
R.V.roer.-prive : 6.429 x 1/3 = 2.143 F
8.572 F
Over te brengen : 8.572 F
Overgebracht : 8.572 F
2. Inkomsten van na 1.3.1990 uitgegeven Belgische overheidsfondsen, waarop de R.V. (10 %) ingehouden is : 27.000 F
R.V.roer.-prive : 27.000 x 1/9 = 3.000 F
30.000 F
3. Inkomsten van een hypothecaire schuld- vordering die dateert van 1.6.1990 : 4.705 F
Totaal : 43.277 F
* * *
Verrekenbare voorheffingen en bestanddelen.
Niet terugbetaalbare :
O.V.-prive (70.000 x 12,5 %) : 8.750 F
O.V.-bedrijf (geindexeerd K.I.-bedrijf = 21.000 F) : 2.625 F
Terugbetaalbare :
R.V.roer.-prive : 2.143 + 3.000 = 5.143 F
B.V.L. : 16.456 F
B.V.Adm. : 9.000 F
R.V.div. : 5.000 F
V.A. 1 : 8.000 F
Totaal (terugbetaalbaar) : 43.599 F
* * *
Berekening van de belasting in het stelsel van de volledige samentelling (voordeligste stelsel voor de belastingplichtige)
- Basisbelasting op 444.569 F : 85.250 + (444.569 - 325.000) x 40 % = 133.078 F
- Belasting op de belastingvrije som :
. basisbedrag (alleenstaande) : 176.000 F
. toeslag voor 3 kinderen ten laste : 216.000 F
. toeslag voor weduwnaar met kinderlast : 37.000 F
. totaal 429.000 F 85.250 + (429.000 - 325.000) x 40 % = - 126.850 F
- Om te slane belasting : 6.228 F
Gedeelte met betrekking tot :
- de onroerende inkomsten : 6.228 x 70.000 / 484.569 = 900 F
- de roerende inkomsten : 6.228 x 43.277 / 484.569 = 556 F
- het pensioen (rente) : 6.228 x 36.000 / 484.569 = 463 F
vermindering voor pensioen : 55.744 x 36.000 / 484.569 = 4.141 F, te beperken tot :
- 463 F
blijft : 0 F
- de andere beroepsinkomsten :
. gewone bezoldiging : 155.292 F
. bezoldiging van bestuurder : 40.000 F
. winst : 120.000 F
315.292 F 6.228 x 315.292 / 484.569 = 4.052 F
verrekening O.V.
-bedrijf : - 2.625 F
blijft : 1.427 F
- de diverse inkomsten : 6.228 x 20.000 / 484.569 = 257 F
Blijft : 3.140 F
Verrekening O.V.-prive : 8.750 F, te beperken tot : - 3.140 F
Verschuldigde P.B. na verrekening van de niet terugbetaalbare voorheffingen : 0 F
Terugbetaalbare voorheffingen en bestanddelen : - 43.599 F
Negatief saldo : 43.599 F
DEEL V - VERMEERDERINGEN, BONIFICATIES EN VOORAFBETALINGEN
TITEL I - ALGEMEEN
144. In beginsel wordt de belasting betreffende de beroepsinkomsten van zelfstandigen, bestuurders en vennoten, voor het aj. 1992 met 22,5 % vermeerderd.
Die vermeerdering kan evenwel vermeden worden door die belasting op welbepaalde tijdstippen vooraf te betalen.
145 De andere belastingplichtigen die, om welke reden dan ook (b.v. wegens samenvoeging van pensioenen waarop onvoldoende B.V. ingehouden is), bij de regularisatie van hun fiscale toestand nog een supplement moeten betalen, kunnen een vermindering (bonificatie) krijgen door dat supplement geheel of gedeeltelijk vooraf te betalen.
Dit geldt ook voor zelfstandigen, bestuurders en vennoten, doch alleen met betrekking tot het gedeelte van de voorafbetalingen dat niet nodig is om de in nr. 144 bedoelde vermeerdering te vermijden.
TITEL II - VERMEERDERING INGEVAL GEEN OF ONTOEREIKENDE VOORAFBETALINGEN GEDAAN ZIJN
Hoofdstuk I - GRONDBEGINSELEN
146. De P.B. op de gezamenlijk belastbare winsten, baten en bezoldigingen van bestuurders en werkende vennoten, met uitzondering evenwel van de vergoedingen tot herstel van een tijdelijke derving van die winsten, baten en bezoldigingen, wordt voor het aj. 1992 in beginsel met 22,5 % vermeerderd.
147. Voor het bepalen van de grondslag van die vermeerdering worden de voormelde beroepsinkomsten afzonderlijk in aanmerking genomen, wordt de erop betrekking hebbende P.B. met 6 % verhoogd (ongeacht de werkelijke aanslagvoet van de P.B./Gem. en de P.B./Agg.) en wordt het aldus bekomen resultaat verminderd met de voorheffingen welke op die inkomsten betrekking hebben.
148. Die vermeerdering kan evenwel geheel of gedeeltelijk vermeden worden door op bepaalde tijdstippen voorafbetalingen te doen.
Voor het aj. 1992 zijn aan de voorafbetalingen de volgende voordelen verbonden :
a) 30 % van het bedrag van de V.A. 1 (dit zijn de voorafbetalingen die ten laatste op 10 april 1991 gedaan zijn);
b) 25 % van het bedrag van de V.A. 2 (dit zijn de voorafbetalingen die in de periode van 11 april tot 10 juli 1991 gedaan zijn);
c) 20 % van het bedrag van de V.A. 3 (dit zijn de voorafbetalingen die in de periode van 11 juli tot 10 oktober 1991 gedaan zijn);
d) 15 % van het bedrag van de V.A. 4 (dit zijn de voorafbetalingen die in de periode van 11 oktober tot 20 december 1991 gedaan zijn).

149. Die voordelen komen in mindering van de globale vermeerdering van 22,5 %. Het gedeelte van die voordelen dat de globale vermeerdering overtreft, wordt niet in mindering gebracht van de belasting; in dergelijk geval moet evenwel nagegaan worden of geen bonificatie kan verleend worden (zie nrs. 176 tot 194).
149.1 De uiteindelijke vermeerdering (= verschil tussen de globale vermeerdering en de aan de V.A. verbonden voordelen) is slechts ten belope van 90 % verschuldigd.
150. Opmerkingen :
1. Geen vermeerdering is verschuldigd wanneer het bedrag van de vermeerdering (herleid tot 90 % zoals vermeld in nr. 149.1) lager is dan ofwel 1.000 F, ofwel 1 % van de grondslag waarop zij berekend is.
2. Geen vermeerdering is verschuldigd door personen die zich in 1989, 1990 of 1991 voor de eerste maal in een zelfstandig beroep gevestigd hebben en bij die eerste vestiging de leeftijd van 35 jaar niet overschreden hadden.
3. De P.B. geheven op werkelijk afzonderlijk belaste inkomsten, is nooit aan de vermeerdering onderworpen, ongeacht de aard van die inkomsten. Wanneer die inkomsten evenwel samen met de andere gezamenlijk belastbare inkomsten (volgens het stelsel van de volledige samentelling) tegen de progressieve aanslagvoeten belast worden omdat dit voor de belastingplichtige voordeliger is, moet de vermeerdering ook toegepast worden op 106 % van de P.B. die betrekking heeft op degene van die inkomsten welke in art. 23, § 1, 1. en 2. en 30, 2., W.I.B. 1992 beoogd zijn, d.w.z. :
a) de tijdens het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid behaalde meerwaarden op :
  • goederen die op de datum van hun verwezenlijking sedert meer dan vijf jaar de aard van materiele of financiele vaste activa hebben en waarvoor de in artikel 47, W.I.B. 1992 bedoelde gespreide belasting niet toegepast is;
  • andere aandelen die sedert meer dan vijf jaar verworven zijn;
b) het gedeelte van de vergoedingen die gedurende het uitoefenen van een zelfstandige beroepswerkzaamheid verkregen zijn als compensatie of ter gelegenheid van een handeling waaruit een vermindering van de werkzaamheid, van de winsten of van de baten kan voortvloeien, dat in principe voor afzonderlijke taxatie vatbaar is (zie nr. 97, 2°, b);
c) de opzeggingsvergoedingen die meer dan 27.000 F bruto bedragen en aan bestuurders, enz., betaald zijn;
d) de "achterstallige erelonen".

151. Tenslotte weze nog aangestipt dat de winsten en baten betreffende een voorheen uitgeoefende zelfstandige beroepswerkzaamheid (art. 23, § 1, 3., W.I.B. 1992), niet in art. 157, W.I.B. 1992 bedoeld zijn, zodat de vermeerdering niet van toepassing is op de P.B. betreffende die inkomsten, ook niet wanneer zij samen met de andere gezamenlijk belastbare inkomsten tegen de progressieve aanslagvoeten (stelsel van de volledige samentelling) belast worden.
Hoofdstuk II - GRONDSLAG VOOR DE BEREKENING VAN DE VERMEERDERING
Afdeling I - ALGEMEEN
152. Om de grondslag waarop de vermeerdering berekend wordt te bepalen, worden de beroepsinkomsten die aanleiding geven tot die vermeerdering afzonderlijk in aanmerking genomen en wordt de hoofdsom op die inkomsten alleen volgens de gewone berekeningsmodaliteiten berekend.
153. Indien de aldus berekende fictieve hoofdsom evenwel meer bedraagt dan de omgeslagen belasting over die inkomsten, verminderd met de verminderingen voor inkomsten van buitenlandse oorsprong (50 % en 100 %), wordt de op die laatste manier bepaalde belasting voor het berekenen van de vermeerdering in aanmerking genomen.
154. Vooraleer de vermeerdering te berekenen, wordt de overeenkomstig de hiervoor uiteengezette regels bepaalde belasting met 6 % verhoogd en dit ongeacht de werkelijke aanslagvoet van de P.B./Gem. (zelfs voor bewoners van gemeenten zonder P.B./Gem. of met P.B./Agg.).
De aldus bekomen uitkomst wordt tenslotte verminderd met de verrekenbare voorheffingen en bestanddelen die op de in art. 157, W.I.B. 1992 bedoelde beroepsinkomsten betrekking hebben.
Afdeling II - BEREKENING VAN DE P.B.
Onderafdeling I - Bedrag van de beroepsinkomsten
155. Het bedrag van de beroepsinkomsten dat moet afgezonderd worden met het oog op de berekening van de vermeerdering is het nettobedrag (in voorkomend geval, van elke echtgenoot) van de winsten, baten en bezoldigingen van bestuurders en werkende vennoten, met uitzondering van de vergoedingen tot herstel van een tijdelijke derving van die winsten, baten en bezoldigingen, en van de inkomsten behaald door de in nr. 150, 2°, bedoelde jonge zelfstandigen.
Hierbij wordt ook het nettobedrag in aanmerking genomen van de tot vermeerdering aanleiding gevende inkomsten van buitenlandse oorsprong, zelfs indien zij bij dubbelbelastingovereenkomst vrijgesteld zijn.
156. Om het nettobedrag van de in aanmerking te nemen inkomsten vast te stellen mag echter niet zonder meer gesteund worden op de netto-inkomsten zoals zij opgenomen zijn in de belastbare grondslagen waarop de om te slane belasting met betrekking tot het geheel van de gezamenlijk belastbare inkomsten berekend wordt.
Daar die inkomsten volgens de wet immers afzonderlijk in aanmerking moeten genomen worden, dient het nettobedrag van die inkomsten vastgesteld te worden precies alsof de belastingplichtige geen andere inkomsten had.
157. Dit betekent dat het brutobedrag van die inkomsten ("met vermeerdering") verminderd moet worden met :
1. de erop betrekking hebbende beroepskosten;
2. de ervan aftrekbare vrijgestelde bestanddelen (zoals de investeringsaftrek);
3. alle nog verhaalbare beroepsverliezen van het belastbare tijdperk en van vorige belastbare tijdperken, en dit ongeacht of die verliezen voortkomen van een zelfstandige beroepswerkzaamheid of niet;
4. de van de beroepsinkomsten aftrekbare uitgaven (individuele levensverzekeringspremies, kapitaalaflossingen en sommen besteed aan de verwerving van aandelen van de vennootschap-werkgeefster), waarbij de beperkingen uitsluitend bepaald worden op basis van de inkomsten "met vermeerdering".

Het aldus vastgestelde bedrag mag niet verminderd worden met de van het totale netto-inkomen aftrekbare bestedingen (inzonderheid art. 104, W.I.B. 1992).
158. Bij echtgenoten moet daarenboven ook nog rekening gehouden worden met het huwelijksquotient (alleen berekend op basis van de inkomsten "met vermeerdering") en met het afgezonderd meewerkinkomen.
Wat de weerslag van de aanrekening van de beroepsverliezen daarop betreft, gelden dezelfde modaliteiten als die welke in de circ. Ci.D.19/402.192, nrs. II/637 tot 648 uiteengezet zijn (commentaar op de art. 1 tot 5, hervormingswet 1988).
Onderafdeling II - Berekening van de P.B.
A. - Regel .
159. Op de overeenkomstig de nrs. 155 tot 158 tot vastgestelde nettoberoepsinkomsten wordt de belasting volgens de gewone modaliteiten berekend.
Onder belasting moet hier de hoofdsom worden verstaan. Indien de beoogde beroepsinkomsten uitsluitend uit tegen het volle tarief belastbare inkomsten bestaan, is de hoofdsom steeds gelijk aan de om te slane belasting.
De hoofdsom, of de om te slane belasting, wordt berekend op de wijze uiteengezet in deel II hiervoor (inzonderheid titels I tot III en V), met dien verstande dat voor die berekening uitsluitend rekening mag gehouden worden met de beroepsinkomsten die aanleiding geven tot vermeerdering.
B. - Uitzondering
160. Wanneer de overeenkomstig het nr.159 berekende hoofdsom (of om te slane belasting) meer bedraagt dan de werkelijk evenredig over die beroepsinkomsten "met vermeerdering" omgeslagen belasting, verminderd, in voorkomend geval, met de verminderingen voor inkomsten van buitenlandse oorsprong (van 50 % en van 100 %), dan wordt de op die laatste manier berekende belasting voor het vaststellen van de berekeningsgrondslag van de vermeerdering in aanmerking genomen.
Voor de eigenlijke omslag van de belasting over de beroepsinkomsten "met vermeerdering" mogen die inkomsten uiteraard niet in aanmerking genomen worden zoals zij overeenkomstig de nrs. 155 tot 158 vastgesteld zijn, maar wel zoals zij opgenomen zijn in de belastbare grondslagen waarop de om te slane belasting met betrekking tot het geheel van de gezamenlijk belastbare inkomsten berekend is.
Afdeling III - OPVOERING VAN DE P.B.
161. Vooraleer de belastingvermeerdering te berekenen, moet het bedrag van de P.B., verkregen op de in nr. 159 of 160 hiervoor uiteengezette wijze, met 6 % verhoogd worden.
De aandacht wordt erop gevestigd dat die verhoging krachtens art. 165, W.I.B. 1992, eenvormig op 6 % bepaald is. Dit % wordt dus niet beinvloed door de aanslagvoet van de aanvullende belastingen op de P.B. (P.B./Gem. en P.B./ Agg.); ook indien geen gemeentebelasting verschuldigd is of indien de aanslagvoet van de gemeentebelasting meer of minder dan 6 % bedraagt, dient de P.B. voor de berekening van de vermeerdering met 6 % verhoogd te worden.
Afdeling IV - VERREKENING VAN DE VOORHEFFINGEN
162. De uiteindelijke grondslag die voor de berekening van de vermeerdering in aanmerking moet genomen worden, wordt verkregen door de tot 106 % verhoogde P.B. te verminderen met de voorheffingen en bestanddelen betreffende de beroepsinkomsten "met vermeerdering".
Die voorheffingen zijn de O.V.-bedrijf, de F.O.V.-bedrijf, het F.B.B., het B.K.Adm., de R.V.roer.-bedrijf, de B.V.Adm. en de B.V.Ven.
163. De aandacht wordt er evenwel op gevestigd dat de hierboven vermelde voorheffingen die betrekking hebben op beroepsinkomsten van een echtgenoot die overeenkomstig het bepaalde in nr. 150, 2° (jonge zelfstandige) geen vermeerdering verschuldigd is, met uitzondering van de O.V.-bedrijf en de F.O.V.-bedrijf, niet in mindering mogen gebracht worden van de tot 106 % verhoogde P.B. op de beroepsinkomsten van de andere echtgenoot die niet van de vrijstelling van de vermeerdering geniet.
164. Voor de verrekening van de voorheffingen in het kader van de belastingvermeerdering wordt geen onderscheid gemaakt tussen de terugbetaalbare en de niet-terugbetaalbare. Alle in aanmerking te nemen voorheffingen en bestanddelen worden daartoe samengeteld. Indien het totaal ervan :
  • lager is dan de tot 106 % verhoogde P.B., vormt het verschil de grondslag van de vermeerdering;
  • gelijk is aan of meer bedraagt dan de tot 106 % verhoogde P.B., is geen vermeerdering verschuldigd.
Afdeling V - VOORBEELDEN
Voorbeeld 1
165. Echtpaar zonder kinderen ten laste
Onroerende netto-inkomsten (geindexeerd K.I.) : 53.000 F
Vaststelling van de netto-inkomsten
Man Vrouw
Loon Baat Winst Loon Baat
Beroepsinkomsten na aftrek van de beroepskosten : 713.843 F 65.600 F 280.000 F
Huwelijksquotient (8.000 F)
[ Grondslag huwelijksquotient : 713.843 + 65.600 + 280.000 = 1.059.443 F
Huwelijksquotient : 1.059.443 x 30 % = 317.833 F, te beperken tot 288.000 - 280.000 = 8.000 F
Omslagbasis huwelijksquotient : 713.843 + 65.600 = 779.443 F]
: - 7.327 F [ 8.000 x 713.843 / 779.443 = 7.327 F]
- 673 F [ 8.000 x 65.600 / 779.443 = 673 F]
7.327 F
673 F
___________ _________ __________________ ________
Blijft : 706.516 F 64.927 F 280.000 F 7.327 F 673 F
Levensverzekeringspremie :
- man (30.000 F) [ Omslagbasis : 706.516 + 64.927 = 771.443 F] :
- 27.475 F - 2.525 F
- vrouw (19.005 F) [ Omslagbasis : 280.000 + 7.327 + 673 = 288.000 F] :
- 18.477 F - 484 F - 44 F
___________ __________ __________________ ________
679.041 F 62.402 F 261.523 F 6.843 F 629 F
741.443 F 268.995 F
* * *
Afgezonderd beroepsinkomen : 268.995 F
Resterend gezinsinkomen :
- onroerende inkomsten : 53.000 F
- beroepsinkomsten van de man : 741.443 F
____________
- totaal : 794.443 F
Totaal netto-inkomen van het gezin (hier tevens G.B.I. - er zijn immers geen gemeenschappelijke of personaliseerbare bestedingen)
: 268.995 + 794.443 = 1.063.438 F
* * *
Verrekenbare voorheffingen :
- O.V.-prive : 53.000 x 12,5 % = 6.625 F
- B.V.L. : 123.429 F
P.B./Gem. : 7 %
* * *
Berekening van de omgeslagen belasting over de inkomsten met vermeerdering
Afgezonderd beroepsinkomen :
- basisbelasting op 268.995 F : 61.250 + (268.995 - 245.000) x 30 % = 68.449 F
- belasting op 139.000 F : 139.000 x 25 % =
- 34.750 F
___________
- verschil : 33.699 F
Resterend gezinsinkomen :
- basisbelasting op 794.443 F : 140.850 + (794.443 - 464.000) x 45 % = 289.549 F
- belasting op 139.000 F : 139.000 x 25 % =
- 34.750 F
___________
- verschil : 254.799 F
Om te slane belasting : 33.699 + 254.799 = 288.498 F
Gedeelte met betrekking tot de inkomsten met vermeerdering (62.402 + 261.523 + 629 = 324.554 F) :
288.498 x 324.554 / 1.063.438 = 88.048 F
* * *
Grondslag van de vermeerdering
In aanmerking te nemen beroepsinkomsten :
Man
Vrouw
Winst
Baat
Winst
Beroepsinkomsten na aftrek van de beroepskosten : 65.600 F 280.000 F
Huwelijksquotient (38.080 F)
[ Grondslag huwelijksquotient : 65.600 + 280.000 = 345.600 F
Huwelijksquotient : (345.600 x 30 %) - 65.600 = 103.680 - 65.600 = 38.080 F]
: 38.080 F - 38.080 F
___________ __________________
Blijft : 38.080 F 65.600 F 241.920 F
Levensverzekeringspremie :
- man (10.991 F)
[ 65.600 + 38.080 = 103.680 F 7.950 + (103.680 - 53.000) x 6 % = 10.991 F (i.p.v. 30.000 F)
Omslagbasis : 103.680 F]
: - 4.037 F - 6.954 F
- vrouw : - 19.005 F
___________ __________________
34.043 F 58.646 F 222.915 F
92.689 F
Afgezonderd beroepsinkomen : 92.689 F
Resterend gezinsinkomen : 222.915 F
* * *
Afgezonderd beroepsinkomen :
- basisbelasting op 92.689 F : 92.689 x 25 % = 23.172 F
- belastingvrije som : 139.000 F, te beperken tot 92.689 F : 92.689 x 25 % = - 23.172 F
- verschil : 0 F
Resterend gezinsinkomen :
- basisbelasting op 222.915 F : 222.915 x 25 % = 55.729 F
- belastingvrije som : 139.000 + (139.000 - 92.689) = 185.311 F 185.311 x 25 % = - 46.328 F - verschil : 9.401 F
Om te slane belasting (= hoofdsom) : 0 + 9.401 = 9.401 F
Daar de aldus berekende hoofdsom (9.401 F) lager is dan de omgeslagen belasting over de inkomsten met vermeerdering (88.048 F), komt die hoofdsom in aanmerking voor het bepalen van de grondslag van de vermeerdering.
In aanmerking te nemen hoofdsom : 9.401 F
Verhoging tot 106 % : 9.401 x 106 % = 9.965 F
Grondslag van de vermeerdering : 9.965 F
Voorbeeld 2
166. Alleenstaande zonder personen ten laste.
Nettoberoepsinkomsten :
- loon : 780.000 F
- winst : 400.000 F
Onroerende netto-inkomsten (geindexeerd K.I.) : 70.000 F
____________
Totaal netto-inkomen (hier tevens het gezamenlijk belastbaar inkomen) : 1.250.000 F
* * *
Verrekenbare voorheffingen :
B.V.L. : 335.400 F
O.V.-bedrijf : 20.000 x 12,5 % = 2.500 F
P.B./Gem. : 8 % * * *
Berekening van de omgeslagen belasting over de inkomsten met vermeerdering
- Basisbelasting op 1.250.000 F : 412.200 + (1.250.000 - 1.067.000) x 50 % = 503.700 F
- Belasting op de belastingvrije som van 176.000 F : 176.000 x 25 % = - 44.000 F
___________
- Om te slane belasting : 459.700 F
Gedeelte met betrekking tot de inkomsten met vermeerdering : 459.700 x 400.000 / 1.250.000 = 147.104 F
* * *
Grondslag van de vermeerdering
In aanmerking te nemen beroepsinkomsten : 400.000 F
- Basisbelasting op 400.000 F : 85.250 + (400.000 - 325.000) x 40 % = 115.250 F
- Belasting op de belastingvrije som van 176.000 F : 176.000 x 25 % = - 44.000 F
___________
- Om te slane belasting (= hoofdsom) : 71.250 F
Die hoofdsom is lager dan de omgeslagen belasting over de inkomsten met vermeerdering (147.104 F).
In aanmerking te nemen hoofdsom : 71.250 F
Verhoging tot 106 % : 71.250 x 106 % = 75.525 F
Verrekenbare O.V.-bedrijf : - 2.500 F
__________
Grondslag van de vermeerdering : 73.025 F
Hoofdstuk III - BEREKENING VAN DE VERMEERDERING
Afdeling I - ALGEMEEN
167. De berekening van de vermeerdering geschiedt in drie stadia :
  • in het eerste stadium wordt de globale vermeerdering berekend die in beginsel verschuldigd is wanneer geen enkele voorafbetaling verricht is;
  • in het tweede stadium worden de voordelen gewaardeerd die aan de gedane voorafbetalingen verbonden zijn;
  • in het derde stadium tenslotte wordt het bedrag van de werkelijk toepasselijke vermeerdering vastgesteld.
Afdeling II - GLOBALE VERMEERDERING
168. Voor het aj. 1992 is de globale vermeerdering steeds gelijk aan 22,5 % van de grondslag van de vermeerdering (zie nrs. 152 tot 166).
Afdeling III - VOORDELEN V.A.
169. Het bedrag van de aan de V.A. verbonden voordelen is voor het aj. 1992 altijd gelijk aan de som van de volgende produkten :
V.A. 1 x 30 % = ..........
V.A. 2 x 25 % = ..........
V.A. 3 x 20 % = ..........
V.A. 4 x 15 % = ..........
Totaal bedrag van de voordelen : ..........

Afdeling IV - WERKELIJK TOEPASSELIJKE VERMEERDERING
Onderafdeling I - Algemene regel
170. De uiteindelijk verschuldigde vermeerdering is gelijk aan 90 % van het positieve verschil tussen het bedrag van de globale vermeerdering en het totaal van de aan de V.A. verbonden voordelen.
Indien het verschil negatief is, moet het tot nul herleid worden (zie in dit geval evenwel het bepaalde in titel III hierna, "Bonificatie wegens voorafbetaling van de belasting").
171 .....
Onderafdeling II - Afwijking
172. Geen vermeerdering is verschuldigd wanneer het bedrag van de vermeerdering lager is dan ofwel 1.000 F, ofwel 1 % van de grondslag waarop zij berekend is.
Onder "bedrag van de vermeerdering" wordt het tot 90 % herleide positieve verschil verstaan waarvan sprake in nr. 170, eerste lid.
Is dit bedrag lager dan 1.000 F, dan moet de vermeerdering steeds tot nul herleid worden.
Bedraagt het 1.000 F of meer, dan mag de vermeerdering slechts tot nul herleid worden wanneer het bedrag ervan lager is dan 1 % van de grondslag van de vermeerdering (zie nrs. 152 tot 166 hiervoor), dit is het bedrag waarop de globale vermeerdering (zie nr. 168) toegepast wordt.
Afdeling V - VOORBEELDEN
[ Tenzij uitdrukkelijk anders vermeld, wordt er in de hiernavolgende voorbeelden van uitgegaan dat het niet om in nr. 150, 2°, bedoelde jonge zelfstandigen gaat.]
Voorbeeld 1
173. Een alleenstaande handelaar zonder gezinslasten behaalde een nettowinst van 340.000 F. Hij heeft geen enkele voorafbetaling gedaan.
Berekening van de vermeerdering
Hoofdsom op 340.000 F : 47.250 F
Grondslag van de vermeerdering : 47.250 x 106 % = 50.085 F
Globale vermeerdering : 50.085 x 22,5 % = 11.269 F
Voordelen V.A. : nihil -
__________
Verschil : 11.269 F
Tot 90 % herleide vermeerdering : 11.269 x 90 % = 10.142 F
Voorbeeld 2
. Zelfde gegevens als in voorbeeld 1. De belastingplichtige heeft echter een V.A. 3 van 51.000 F verricht.
Hoofdsom op 340.000 F : 47.250 F
Grondslag van de vermeerdering : 47.250 x 106 % = 50.085 F
Globale vermeerdering : 50.085 x 22,5 % = 11.269 F
Voordelen V.A. 3 : 51.000 x 20 % = -10.200 F
__________
Verschil : 1.069 F
Vermindering tot 90 % : 1.069 x 90 % = 962 F
Aangezien dit bedrag kleiner is dan 1.000 F, moet de vermeerdering tot nul herleid worden.
Voorbeeld 3
. Een alleenstaande handelaar zonder gezinslasten is belastbaar op een nettowinst van 569.333 F. Hij verrichtte in 1991 de volgende voorafbetalingen :
V.A. 1 : 40.000 F
V.A. 2 : 44.000 F
V.A. 3 : 25.000 F
V.A. 4 : 30.000 F
Daarenboven moet er rekening gehouden worden met een O.V.-bedrijf van 2.100 F.
Hoofdsom op 569.333 F : 144.250 F
Grondslag van de vermeerdering : - 144.250 x 106 % = 152.905 F
- O.V.-bedrijf : - 2.100 F ___________- verschil : 150.805 F
Globale vermeerdering : 150.805 x 22,5 % = 33.931 F
Voordelen V.A. :
- V.A. 1 : 40.000 x 30 % = 12.000 F
- V.A. 2 : 44.000 x 25 % = 11.000 F
- V.A. 3 : 25.000 x 20 % = 5.000 F
- V.A. 4 : 30.000 x 15 % = 4.500 F
- totaal : - 32.500 F
____________
Positief verschil : 1.431 F
Tot 90 % herleide verschil : 1.431 x 90 % = 1.288 F
Daar dit tot 90 % herleide positieve verschil (1.288 F) minder bedraagt dan 1 % van de grondslag van de vermeerdering (150.805 x 1 % = 1.508 F), is er in onderhavig geval geen vermeerdering verschuldigd.
TITEL III - BONIFICATIE WEGENS VOORAFBETALING VAN DE BELASTING
Hoofdstuk I - GRONDBEGINSELEN
176. Een belastingvermindering of bonificatie wordt toegestaan aan belastingplichtigen die het tot 106 % verhoogde bedrag aan P.B., verminderd met de verrekende voorheffingen en bestanddelen en, wat de bestuurders, vennoten en zelfstandigen betreft, ook met de V.A. die nodig zijn om de in de vorige titel besproken vermeerdering te vermijden, bij wijze van voorafbetaling voldoen.
177. De V.A., waarvoor dezelfde termijnen gelden als voor die welke nodig zijn om de belastingvermeerdering te vermijden (zie nrs. 146 tot 149), geven recht op een bonificatie die gelijk is aan de helft van de voordelen verbonden aan de laatstbedoelde V.A., met dien verstande dat geen bonificatie verleend wordt voor het gedeelte van de V.A. dat meer bedraagt dan het overeenkomstig nr. 176 bepaalde belastingbedrag. In geval van beperking worden de V.A. naar tijdsorde in aanmerking genomen (dus eerst de V.A. 1, dan de V.A. 2, enz.).
178. Indien het belastbare inkomen beroepsinkomsten met vermeerdering bevat, moeten de V.A. (eveneens naar tijdsorde) bij voorrang aangewend worden om die vermeerdering te vermijden; slechts het saldo mag in aanmerking genomen worden voor het verlenen van een eventuele bonificatie.
Hoofdstuk II - BEREKENING VAN DE BONIFICATIE INDIEN HET BELASTBARE INKOMEN GEEN BEROEPSINKOMSTEN MET VERMEERDERING BEVAT
Afdeling I - MAXIMUMBEDRAG AAN VOORAFBETALINGEN DAT RECHT GEEFT OP BONIFICATIE
179. Indien het belastbare inkomen geen beroepsinkomsten met vermeerdering bevat, wordt het op bonificatie recht gevende maximumbedrag aan voorafbetalingen verkregen door het samengeteld bedrag van de hoofdsom op het gezamenlijk belastbare inkomen (zie Deel II hiervoor, inzonderheid de nrs. 85 tot 91) en de P.B. op de afzonderlijk belaste inkomsten (zie Deel III hiervoor) vooreerst te verhogen tot 106 % en vervolgens te verminderen met het bedrag van de voorheffingen en bestanddelen die effectief met de P.B. verrekend zijn, met uitzondering van de voorafbetalingen zelf.
Het gedeelte van de voorafbetalingen dat meer bedraagt dan het in het vorige lid bepaalde maximumbedrag geeft geen recht op bonificatie.
Indien het resultaat van de in het eerste lid bedoelde bewerking nul of negatief is, kan geen enkele bonificatie verleend worden.
180. De in het eerste lid van nr. 179 uiteengezette regel houdt in dat, met het oog op de berekening van de bonificatie :
a) ook de P.B. op de afzonderlijk belaste inkomsten in aanmerking moet genomen worden;
b) het samengetelde bedrag van de hoofdsom (op de gezamenlijk belaste inkomsten) en de P.B. op de afzonderlijk belaste inkomsten, steeds met 6 % moet verhoogd worden en dit ongeacht de werkelijke aanslagvoet van de P.B./Gem. en de P.B./Agg. (dus ook indien b.v. helemaal geen P.B./Gem. verschuldigd is of indien de aanslagvoet ervan meer of minder dan 6 % bedraagt);
c) de in mindering te brengen voorheffingen en bestanddelen (met uitzondering van de voorafbetalingen zelf) die zijn welke werkelijk verrekend zijn (rekening houdend met de eventuele beperkingen die gelden inzake de niet terugbetaalbare voorheffingen).

Afdeling II - BONIFICATIE
181. Voor het aj. 1992 is de bonificatie gelijk aan de som van de volgende produkten :
V.A. 1 x 15 % = ..........
V.A. 2 x 12,5 % = ..........
V.A. 3 x 10 % = ..........
V.A. 4 x 7,5 % = ..........
Totale bonificatie : ..........

De aldus berekende bonificatie wordt steeds integraal in mindering van de belasting (Staat) gebracht.
182. De aandacht wordt er nogmaals op gevestigd dat de gedane voorafbetalingen voor de berekening van die totale bonificatie slechts in aanmerking mogen genomen worden ten belope van het onder nr. 179 hiervoor bedoelde maximumbedrag.
Indien het totaal van de gedane voorafbetalingen kleiner is dan dit maximumbedrag, worden de voorafbetalingen volledig in aanmerking genomen voor het berekenen van de bonificatie.
Is het totaal van de gedane voorafbetalingen evenwel groter dan dat maximumbedrag, dan moet het totaal bedrag van de in aanmerking te nemen voorafbetalingen tot dit maximumbedrag beperkt worden, waarbij het gedeelte van de voorafbetalingen dat geen recht geeft op bonificatie geacht wordt in de laatst gedane voorafbetalingen begrepen te zijn. In geval van beperking dient de bonificatie dus in eerste instantie berekend te worden op de V.A. 1, vervolgens op de V.A. 2, enz., tot het in nr. 179 bedoelde maximumbedrag aan voorafbetalingen bereikt is.
Afdeling III - VOORBEELDEN
Voorbeeld 1
183. Hoofdsom op de gezamenlijk belaste inkomsten : 205.191 F
P.B. op de afzonderlijk belaste inkomsten : 7.238 F
V.A. 1 : 50.000 F
Verrekende voorheffingen en bestanddelen, met uitzondering van de V.A. : 192.192 F
Er zijn geen inkomsten met vermeerdering.
* * *
Berekening van de bonificatie
a) Maximumbedrag aan V.A. dat recht geeft op bonificatie.
Hoofdsom : 205.191 F
P.B. op de afzonderlijk belaste inkomsten : 7.238 F
__________
Totaal : 212.429 F
Verhoging tot 106 % : 212.429 x 106 % = 225.175 F
Verrekende voorheffingen en bestanddelen met uitzondering van de V.A. : - 192.192 F
__________
Maximumbedrag aan V.A. dat recht geeft op bonificatie : 32.983 F
b) Bonificatie. In aanmerking te nemen V.A. 1 : 50.000 F, beperkt tot 32.983 F
Bonificatie : V.A. 1 : 32.983 x 15 % = 4.947 F
Voorbeeld 2
184. Zelfde gegevens als in voorbeeld 1, doch de belastingplichtige heeft de volgende voorafbetalingen gedaan :
- V.A. 1 : 15.000 F
- V.A. 3 : 12.000 F
_________
- totaal : 27.000 F
Berekening van de bonificatie
Daar het totaal van de V.A. (27.000 F) kleiner is dan het maximumbedrag van 32.983 F, geven de gedane V.A. integraal recht op bonificatie.
Bedrag van de bonificatie :
- V.A. 1 : 15.000 x 15 % = 2.250 F
- V.A. 3 : 12.000 x 10 % = 1.200 F
_________
- Totaal : 3.450 F
Voorbeeld 3
185. Hoofdsom : 1.018.452 F
V.A. 1 : 100.000 F
V.A. 2 : 100.000 F
V.A. 3 : 50.000 F
Verrekende voorheffingen en bestanddelen met uitzondering van de V.A. : 863.741 F
Er zijn geen inkomsten met vermeerdering.
* * *
Berekening van de bonificatie
a) Maximumbedrag aan V.A. dat recht geeft op bonificatie.
Hoofdsom : 1.018.452 F
Verhoging tot 106 % : 1.018.452 x 106 % = 1.079.559 F
Verrekende voorheffingen en bestanddelen met uitzondering van de V.A. : - 863.741 F
__________
Maximumbedrag aan V.A. dat recht geeft op bonificatie : 215.818 F
b) Bonificatie.
- V.A. 1 : 100.000 x 15 % = 15.000 F
- V.A. 2 : 100.000 x 12,5 % = 12.500 F
- V.A. 3 : 50.000 F, te beperken tot 215.818 - (2 x 100.000) = 15.818 F
15.818 x 10 % = 1.582 F
_________
Totale bonificatie : 29.082 F
Hoofdstuk III - BEREKENING VAN DE BONIFICATIE INDIEN HET BELASTBARE INKOMEN BEROEPSINKOMSTEN MET VERMEERDERING BEVAT
Afdeling I - Algemeen
186. Voor de berekening van de bonificatie gelden de in de nrs. 179 tot 182 hiervoor uiteengezette principes, met dit grote verschil dat :
a) de gedane V.A. in eerste instantie moeten gebruikt worden om de belastingvermeerdering te vermijden;
b) slechts het overschot van de V.A. recht kan geven op bonificatie;
c) de V.A. die gebruikt zijn om de belastingvermeerdering te vermijden, ook in mindering moeten gebracht worden om het maximumbedrag te bepalen dat recht geeft op bonificatie.

Afdeling II - VOORAFBETALINGEN NODIG OM DE BELASTINGVERMEERDERING TE VERMIJDEN
187. Onder voorafbetalingen nodig om de belastingvermeerdering te vermijden (verder V.A.-vermeerdering genoemd), moeten de voorafbetalingen verstaan worden die nodig zijn om de in nr. 168 bedoelde globale vermeerdering te vermijden.
Het totaal van de aan die voorafbetalingen te verbinden voordelen moet dus steeds gelijk zijn aan de globale vermeerdering.
Dit betekent dat bij de berekening van de bonificatie geen rekening mag gehouden worden met de afwijkingen waarvan sprake in nr. 172. Deze afwijkende bepalingen zijn immers slechts van toepassing indien de gedane voorafbetalingen ontoereikend zijn om de globale vermeerdering integraal te vermijden; daarom kan in dergelijk geval ook nooit een bonificatie verleend worden.
188. Om het bedrag van de V.A.-vermeerdering te bepalen moeten de voorafbetalingen naar tijdsorde in aanmerking genomen worden (dus eerst de V.A. 1, dan de V.A. 2, enz.) en moeten de aan elk van die voorafbetalingen verbonden voordelen berekend worden (respectievelijk 30, 25, 20 en 15 %).
Van zodra het samengeteld bedrag van de aan de voorafbetalingen verbonden voordelen meer bedraagt dan de globale vermeerdering, moet de laatst in aanmerking genomen voorafbetaling gesplitst worden in een gedeelte dat nodig is om de vermeerdering te vermijden en een gedeelte dat recht geeft op bonificatie.
Het gedeelte dat nodig is om de vermeerdering te vermijden, wordt bekomen door het saldo van de globale vermeerdering dat nog overblijft na aanrekening van de voordelen verbonden aan de integraal in aanmerking te nemen voorafbetalingen, te vermenigvuldigen met 100 en te delen door 30, 25, 20 of 15, naargelang de te splitsen voorafbetaling gedaan werd tijdens de eerste, de tweede, de derde of de vierde periode.
Slechts het overschot van die voorafbetaling en de later gedane voorafbetalingen komen in aanmerking voor het berekenen van de bonificatie (verder V.A.-bonificatie genoemd).
Afdeling III - MAXIMUMBEDRAG AAN VOORAFBETALINGEN DAT RECHT GEEFT OP BONIFICATIE
189. Indien het belastbare inkomen beroepsinkomsten met vermeerdering bevat, wordt het op bonificatie recht gevende maximumbedrag aan V.A. op de volgende wijze vastgesteld :
P.B. (hoofdsom) op de gezamenlijk belaste inkomsten :.........
P.B. op de afzonderlijk belaste inkomsten :.........
Totaal :.........
Totaal verhoogd tot 106 % :.........
Effectief verrekende voorheffingen en bestanddelen :-.........
Verschil :.........
V.A. nodig om de vermeerdering te vermijden.........
(V.A.-vermeerdering) :-.........
Maximumbedrag aan V.A. dat recht geeft op bonificatie :.........
190. Het gedeelte van de V.A.-bonificatie dat meer bedraagt dan dat maximumbedrag geeft geen recht op bonificatie. Een bonificatie kan slechts toegekend worden indien het resultaat van de in nr. 189 bedoelde bewerking positief is.
191. De in nr. 180 aangehaalde bijzonderheden zijn ook hier van toepassing, met dien verstande dat onder de in litt. c gebruikte term "voorafbetalingen" hier de "V.A.-bonificatie" moet verstaan worden.
De bijzondere aandacht wordt erop gevestigd dat voor de berekening van de bonificatie (in tegenstelling tot de modaliteiten die op de berekening van de belastingvermeerdering betrekking hebben) :
  • wel rekening gehouden wordt met de P.B. op afzonderlijk belaste inkomsten;
  • de in mindering te brengen niet terugbetaalbare voorheffingen en bestanddelen, die zijn welke daadwerkelijk verrekend zijn (en niet zoals inzake belastingvermeerdering die welke in beginsel verrekenbaar zijn).
Afdeling IV - BONIFICATIE
192. De bonificatie wordt berekend op de wijze uiteengezet in de nrs. 181 en 182 hiervoor, met dien verstande dat onder "voorafbetalingen" hier steeds de "V.A.-bonificatie" moet verstaan worden en dat de verwijzing naar het in nr. 179 bedoelde maximumbedrag hier moet vervangen worden door een verwijzing naar het in nr. 189 bedoelde maximumbedrag.
Afdeling V - VOORBEELDEN
Voorbeeld 1
193. Hoofdsom op de gezamenlijk belaste inkomsten : 238.915 F P.B. op de afzonderlijk belaste inkomsten : 33.000 F
Belasting op de inkomsten met vermeerdering : 67.406 F
Verrekenbare voorheffingen en bestanddelen : - O.V.-bedrijf : 7.500 F
- B.V.L : 218.417 F
- V.A. 1 : 20.000 F
- V.A. 2 : 20.000 F
- V.A. 3 : 20.000 F
- V.A. 4 : 20.000 F
* * *
Berekening van de vermeerdering
In aanmerking te nemen belasting : 67.406 F
Verhoging tot 106 % : 67.406 x 106 % = 71.450 F
Verrekenbare O.V.-bedrijf : - 7.500 F
_________
Grondslag van de vermeerdering : 63.950 F
Globale vermeerdering : 63.950 x 22,5 % = 14.389 F
Voordelen V.A. :
- V.A. 1 : 20.000 x 30 % = - 6.000 F
_________
blijft : 8.389 F
- V.A. 2 : 20.000 x 25 % = - 5.000 F
_________
blijft : 3.389 F
Over te brengen : 3.389 F
Overgebracht : 3.389 F
- V.A. 3 : 3.389 x 100 /20 = 16.945 16.945 x 20 % = - 3.389 F ________blijft : 0 F
V.A. nodig om de vermeerdering te vermijden (V.A.-vermeerdering) :
- V.A. 1 : 20.000 F
- V.A. 2 : 20.000 F
- V.A. 3 : 16.945 F
_________
- Totaal : 56.945 F
* * *
Berekening van de bonificatie
a) Voorafbetalingen die in principe recht geven op bonificatie (V.A.-bonificatie) :
- V.A. 3 : 20.000
- 16.945 = 3.055 F
- V.A. 4 : 20.000 F
_________
- Totaal : 23.055 F
b) Maximumbedrag aan V.A. dat recht geeft op bonificatie.
Hoofdsom op de gezamenlijk belaste inkomsten : 238.915 F
P.B. op de afzonderlijk belaste inkomsten : 33.000 F
___________
Totaal : 271.915 F
Verhoging tot 106 % : 271.915 x 106 % = 288.230 F
Verrekende voorheffingen :
- O.V.-bedrijf : - 7.500 F
- B.V.L. : - 218.417 F
___________
Verschil : 62.313 F
V.A.-vermeerdering : - 56.945 F
___________
Maximumbedrag dat recht geeft op bonificatie : 5.368 F
De V.A.-bonificatie (23.055 F) geeft dus slechts ten belope van 5.368 F recht op bonificatie;
daartoe moeten de V.A.-bonificatie als volgt in aanmerking genomen worden :
Maximumbedrag : 5.368 F
V.A. 3 (saldo) : - 3.055 F
__________
blijft : 2.313 F
V.A. 4 : 20.000 F, beperkt tot : - 2.313 F
_________blijft : 0 F
c) Bedrag van de bonificatie :
- V.A. 3 : 3.055 x 10 % = 306 F
- V.A. 4 : 2.313 x 7,5 % = 173 F
_________
Totale bonificatie : 479 F
Voorbeeld 2
194. Zelfde gegevens als in voorbeeld 1 met als enig verschil dat de B.V.L. 226.990 F bedraagt.
* * *
Berekening van de bonificatie
a) Voorafbetalingen die in principe recht geven op bonificatie (V.A.-bonificatie) : - V.A. 3 : 20.000 - 16.945 = 3.055 F - V.A. 4 : 20.000 F ________- Totaal : 23.055 F
b) Maximumbedrag aan V.A. dat recht geeft op bonificatie.
Hoofdsom op de gezamenlijk belaste inkomsten : 238.915 F
P.B. op de afzonderlijk belaste inkomsten : 33.000 F
___________
Totaal : 271.915 F
Verhoging tot 106 % : 288.230 F
Over te brengen : 288.230 F
Overgebracht : 288.230 F
Verrekende voorheffingen :
- O.V.-bedrijf : - 7.500 F
- B.V.L. : - 226.990 F
___________
Verschil : 53.740 F
V.A.-vermeerdering : - 56.945 F
___________
Negatief verschil [Dit negatief verschil moet tot nul herleid worden.] : - 3.205 F
Maximumbedrag dat recht geeft op bonificatie : 0 F
Er kan dus geen bonificatie verleend worden.
c) Bedrag van de bonificatie : nihil.
DEEL VI BELASTINGVERHOGINGEN
TITEL I - BEPALING
195. De belastingverhoging is die welke krachtens art. 444, W.I.B. 1992 als straf toegepast wordt op de P.B. betreffende het niet aangegeven gedeelte van het inkomen.
TITEL II - GRONDSLAG VAN DE VERHOGING
196. De belastingverhoging wordt toegepast op het totale bedrag van de P.B., met inbegrip van de vermeerdering (art. 157 tot 168, W.I.B. 1992), na :
  • verrekening van alle voorheffingen en aftrekbare bestanddelen;
  • aftrek van de voorafbetalingen en van de aan sommige van die voorafbetalingen verbonden bonificaties.
M.a.w. de belastingverhoging wordt op de "Belasting Staat" toegepast.
197. Vermits de verhoging slechts op het niet aangegeven gedeelte van de inkomsten of, eventueel, op een deel daarvan, toegepast wordt, wordt de verhoging, wanneer zij dus niet op het volledige inkomen moet toegepast worden, berekend op het verschil tussen, eensdeels, het bedrag van de aanslag gevestigd op alle belastbare bestanddelen, en, anderdeels, het bedrag van de aanslag gevestigd op de aangegeven bestanddelen of op die welke eventueel geen aanleiding geven tot verhoging (aanvankelijke of fictieve aanslag naar gelang van het geval).
198. Geen belastingverhoging wordt toegepast op de P.B./ Gem. en de P.B./Agg.
TITEL III - MAXIMUMVERHOGING
199. Na toepassing van de belastingverhoging mag de P.B. die verschuldigd is op de inkomsten waarvoor die verhoging toegepast is, niet meer bedragen dan die inkomsten.
TITEL IV - AANVANKELIJKE AANSLAG MET VERHOGING
Hoofdstuk I - HET GEHELE BELASTBARE INKOMEN GEEFT AANLEIDING TOT BELASTINGVERHOGING (VERHOGING WEGENS NIET-AANGIFTE)
Afdeling I - REGEL
200.
1. De aanslag berekenen op het belastbare inkomen;
2. de verhoging toepassen op het uiteindelijk verkregen positieve bedrag.

De maximumverhoging wordt verkregen door van het belastbare inkomen het bedrag van de sub 1. beoogde aanslag, vermeerderd met de verrekende voorheffingen en bestanddelen en met de eventuele V.A., af te trekken.
Afdeling II - VOORBEELD
201. Een handelaar zonder gezinslasten die geen aangifte in de P.B. heeft onderschreven, wordt belast op een gezamenlijk belastbaar inkomen van 3.000.000 F.
Verrekende voorheffingen :
- niet terugbetaalbare (O.V.-bedrijf) : 12.500 F
- terugbetaalbare : nihil
Voorafbetalingen :
- V.A. 1 : 100.000 F
- V.A. 2 : 100.000
- V.A. 3 : 100.000 F
- V.A. 4 : 100.000 F __________- Totaal : 400.000 F
Toe te passen belastingverhoging : 200 %
* * *
Hoofdsom : 1.386.025 F
Vermeerdering wegens gebrek aan V.A. : 213.980 F
Verrekende niet terugbetaalbare voorheffingen : - 12.500 F
Terugbetaalbare voorheffingen : 0 F
V.A. : - 400.000 F ____________Belasting Staat : 1.187.505 F
Belastingverhoging : 1.187.505 x 200 % = 2.375.010 F, te beperken tot : 3.000.000 - (1.187.505 + 12.500 + 400.000) = 1.399.995 F.
Hoofdstuk II - SLECHTS EEN GEDEELTE VAN HET BELASTBARE INKOMEN GEEFT AANLEIDING TOT BELASTINGVERHOGING (ONVOLLEDIGE OF ONJUISTE AANGIFTE)
Afdeling I - REGEL
202.
1. De aanslag berekenen op het belastbare inkomen;
2. de fictieve aanslag berekenen op de inkomsten die geen aanleiding geven tot belastingverhoging;
3. de belastingverhoging toepassen op het verschil tussen deze twee aanslagen.
Indien de in 2. bedoelde fictieve aanslag tot een negatief resultaat leidt (ingevolge de aftrek van voorheffingen, van andere verrekenbare bestanddelen en/of van voorafbetalingen of bonificaties), wordt de belastingverhoging op de in 1. bedoelde aanslag toegepast.
Men bekomt de maximumverhoging door van het gedeelte van het belastbare inkomen dat tot verhoging aanleiding geeft af te trekken :
a) het verschil tussen de bedragen van de twee sub 1. en 2. bedoelde aanslagen (d.w.z. 1. min 2.);
b) het verschil tussen de verrekende voorheffingen, bestanddelen en voorafbetalingen (d.w.z. totaal bedrag van de voorheffingen, enz., die verrekend zijn op de sub 1. bedoelde aanslag, verminderd met de voorheffingen, enz., die op de sub 2. bedoelde aanslag verrekend zijn).

Afdeling II - VOORBEELD
203. Inkomsten, voorheffingen, enz., aangegeven door een alleenstaande zonder gezinslasten :
Onroerende inkomsten (geindexeerd K.I.) : 20.000 F
Winst : 500.000 F _________Totaal netto-inkomen : 520.000 F
Over te brengen : 520.000 F
Overgebracht : 520.000 F
Aftrekbare bestedingen : - 5.000 F __________
Gezamenlijk belastbaar inkomen : 515.000 F
Verrekenbare O.V.-prive : 2.500 F V.A. 1 : 10.000 F
* * *
Inkomsten, voorheffingen, enz., die uiteindelijk in aanmerking genomen worden :
Onroerende inkomsten (geindexeerd K.I.) : 38.000 F
Winst : 542.000 F __________
Totaal netto-inkomen : 580.000 F
Aftrekbare bestedingen : - 5.000 F _________
Gezamenlijk belastbaar inkomen : 575.000 F
Verrekenbare O.V.-prive : 4.750 F V.A. 1 : 10.000 F
Toe te passen verhoging op het gedeelte van de P.B. dat op de niet aangegeven inkomsten betrekking heeft : 200 %
* * *
1. P.B. verschuldigd op de uiteindelijk belaste inkomsten : 157.673 F
2. P.B. berekend op de aangegeven inkomsten (fictieve aanslag) : 128.866 F ___________
3. Verschil : 28.807 F 4. Verhoging : 28.807 x 200 % = 57.614 F
Maximumverhoging : Verschil tussen de inkomsten : 575.000 - 515.000 = 60.000 F
Verschil tussen de aanslagen : - 28.807 F _________Blijft : 31.193 F
Over te brengen : 31.193 F
Overgebracht : 31.193 F
Verschil tussen de werkelijk verrekende voorheffingen, enz. :
- O.V.-prive : 4.750 - 2.500 = - 2.250 F
- V.A. : 10.000 - 10.000 = 0 F _________Toepasselijke maximumverhoging : 28.943 F
TITEL V - AANSLAG IN DE TWEEDE GRAAD MET VERHOGING
Hoofdstuk I - DE GEHELE INKOMSTENVERHOGING GEEFT AANLEIDING TOT BELASTINGVERHOGING
204.
1. De aanslag berekenen op het belastbare inkomen;
2. de aanvankelijke aanslag aftrekken indien hij positief is;
3. de belastingverhoging toepassen op het bekomen resultaat.
Indien de aanvankelijke aanslag tot een terugbetaling aanleiding heeft gegeven, wordt de belastingverhoging op de in 1. bedoelde aanslag toegepast.
In feite is de te volgen werkwijze dezelfde als in het voorbeeld van nr. 203, daar de aanvankelijke aanslag met de fictieve aanslag kan gelijkgesteld worden.

Hoofdstuk II - SLECHTS EEN GEDEELTE VAN DE INKOMSTENVERHOGING GEEFT AANLEIDING TOT BELASTINGVERHOGING
205.
1. De aanslag berekenen op het belastbare inkomen;
2. de fictieve aanslag berekenen op de inkomsten die geen aanleiding geven tot belastingverhoging;
3. de belastingverhoging toepassen op het verschil tussen de definitieve en de fictieve aanslag.
Indien de in 2. bedoelde fictieve aanslag tot een negatief resultaat leidt, wordt de belastingverhoging op de in 1. bedoelde aanslag toegepast.
Voor de berekening van de verschuldigde P.B. wordt natuurlijk nog het verschil gemaakt tussen de definitieve en de aanvankelijke aanslag.

Hoofdstuk III - VOORBEELD
206.
Aanvankelijk in de P.B. belaste handelswinsten : 240.000 F
O.V.-bedrijf : 5.000 F
Gezinslasten : geen.
Bedrag van de aanvankelijke aanslag : 13.422 F
Definitief belaste handelswinsten : 300.000 F
Inkomsten die geen aanleiding geven tot belastingverhoging : 250.000 F
Toe te passen belastingverhoging : 200 %
* * *
1. P.B. verschuldigd op de uiteindelijk belaste inkomsten : 34.982 F
2. P.B. berekend op de inkomsten die geen aanleiding geven tot verhoging (250.000 F) : 16.762 F ________Verschil : 18.220 F
3. Belastingverhoging : 18.220 x 200 % = 36.440 F, te beperken tot : 300.000 - 250.000 - 18.220 = 31.780 F.
DEEL VII AANVULLENDE GEMEENTE- EN AGGLOMERATIE- BELASTING OP DE P.B.
TITEL I - GRONDSLAG VAN DE P.B./GEM. EN DE P.B./AGG.
207. Onder bepaalde voorwaarden mag op de P.B. een aanvullende belasting geheven worden door de gemeenten (P.B./Gem.) en door de (Brusselse) agglomeratie (P.B./Agg.).
208.
De P.B./Gem. en de P.B./Agg. worden berekend op het bedrag van de P.B. :
na toepassing van :
  • de bepalingen inzake de belastingvrije som;
  • de vermindering voor alternatieve beroepsinkomsten;
  • de vermindering tot de helft voor inkomsten van buitenlandse oorsprong;
  • de vermindering van 100 % voor bij verdrag vrijgestelde inkomsten van buitenlandse oorsprong;
maar voor :
  • aftrek van de verrekenbare voorheffingen en bestanddelen (met inbegrip van de V.A.);
  • toepassing van de vermeerdering ingeval geen of ontoereikende V.A. gedaan zijn;
  • toepassing van de aan de V.A. verbonden bonificaties;
  • toepassing van de belastingverhoging.
Kortom de P.B./Gem. en de P.B./Agg. worden berekend op de hoofdsom (zie inzonderheid de nrs. 85 tot 91), in voorkomend geval verhoogd met de P.B. op de afzonderlijk belaste inkomsten.
209. Voor de berekening van de P.B./Gem. en de P.B./Agg. wordt de grondslag (= hoofdsom + P.B. op afzonderlijk belaste inkomsten) niet afgerond.
TITEL II - AANSLAGVOET
210. De aanslagvoet van de P.B./Gem. en de P.B./Agg. wordt voor alle belastingplichtigen van eenzelfde gemeente of agglomeratie eenvormig bepaald.
De gemeenten kunnen de aanslagvoet van de P.B/Gem. volkomen vrij bepalen, maar die aanslagvoet mag slechts een decimaal bevatten (bv. 9,3 % maar niet 9,33 %).
De aanslagvoet van de P.B./Agg. (Brusselse agglomeratie) is voor het aj. 1992 vastgelegd op 1 %.
TITEL III - VOORBEELD
211. Alleenstaande zonder gezinslasten (loontrekkende).
Gezamenlijk belastbaar inkomen : 860.000 F
Hoofdsom : 275.050 F
P.B. op de afzonderlijk belaste inkomsten : 165.000 F
Terugbetaalbare voorheffingen : 253.450 F
Aanslagvoet :
- P.B./Gem. : 6,5 %
- P.B./Agg. : 1 %
* * *
Hoofdsom : 275.050 F
P.B. op de afzonderlijk belaste inkomsten : 165.000 F
___________
Totaal : 440.050 F
Verrekende voorheffingen : - 253.450 F
___________
Belasting Staat : 186.600 F
P.B./Gem. : 440.050 x 6,5 % = 28.603 F
P.B./Agg. : 440.050 x 1 % = 4.401 F
___________
Te betalen : 219.604 F
DEEL VIII
MINIMUMBEDRAG VAN EEN TERUGGAVE OF EEN BETALING INZAKE P.B., P.B./GEM. EN P.B./AGG.
TITEL I - ALGEMENE REGELS
212. Het eventuele overschot van de terugbetaalbare voorheffingen en bestanddelen (zie nrs. 136 tot 143) wordt verrekend met de aanslagen in de P.B./Gem. en de P.B./Agg. en het dan nog overblijvende gedeelte wordt aan de belastingplichtige teruggegeven indien het totale bedrag ervan ten minste 100 F bereikt.
De belasting wordt slechts gevorderd wanneer het totale bedrag van de te vestigen P.B., met inbegrip van de P.B./Gem. en de P.B./Agg., ten minste 100 F bedraagt.
Opmerking.
Deze regels zijn van toepassing op de oorspronkelijke en op de aanvullende aanslagen in de P.B.
TITEL II - PRAKTISCHE TOEPASSINGSREGELS
213. Voor de toepassing van bovenvermelde regels dient er als volgt gehandeld te worden :
1. het saldo dat na samentelling van de P.B., de P.B./Gem. en de P.B./Agg. bekomen wordt is positief en :
  • kleiner dan 100 F : saldo te verwaarlozen;
  • gelijk aan of groter dan 100 F : saldo te eisen;
2. het saldo dat na samentelling van de P.B., de P.B./Gem. en de P.B./Agg. bekomen wordt is negatief en :
  • kleiner dan 100 F : saldo te verwaarlozen;
  • gelijk aan of groter dan 100 F : saldo terug te betalen.
Onderstaande tabel behelst een samenvatting van de voornoemde regels :
Bedrag van de P.B. na Bedrag van :
aftrek van de voorheffingen, verrekenbare bestanddelen en V.A. [ Het betreft hier de "Belasting Staat", eventueel verhoogd met de belastingverhogingen.]
a) de P.B./Gem. Eindsaldo
b) de P.B./Agg.
- 99 F a) - P.M.
b) -
- 120 F a) - Terug te betalen : 120 F b) -
- 510 F a) 500 F (410 F)
[ Aangezien het positieve saldo dat na samentelling van de P.B., de P.B./Gem. en de P.B./Agg. bekomen wordt, kleiner is dan 100 F, moet het in te kohieren bedrag van de P.B./Gem. en de P.B./Agg. tot het negatieve saldo van de P.B. beperkt worden. Deze beperking slaat in de eerste plaats op de P.B./Gem.] 0 b) 100 F (100 F) (2)
- 390 F (- 300 F)
[ Aangezien het negatieve saldo dat na samentelling van de P.B., de P.B./Gem. en de P.B./Agg. bekomen wordt, kleiner is dan 100 F en de aanvullende belastingen (P.B./Gem. en P.B./Agg.) slechts voor het werkelijk verschuldigde bedrag mogen ingekohierd worden, moet het negatieve overschot van de P.B. herleid worden tot het samengetelde bedrag van de ingekohierde P.B./Gem. en P.B./Agg. ] a) 250 F 0 b) 50 F
- 750 F a) 840 F Te betalen : 230 F
b) 140 F
- 1.000 F a) 900 F Terug te betalen : 100 F
b) -
+ 95 F a) - P.M.
b) -
+ 280 F a) - Te betalen : 280 F
b) -
+ 1 F a) 12 F P.M.
b) -
+ 1 F a) 100 F Te betalen : 101 F
b) -
+ 79 F a) 55 F Te betalen : 134 F
b) -
NAMENS DE MINISTER :
Voor de Directeur-generaal :
De Inspecteur-generaal,
G.A. DE GROOTE.