Aanschrijving nr. 76/1970 d.d. 16.11.1970

Registratierechten en Btw

Inhoudsopgave

Eerste hoofdstuk. – Onroerende goederen door bestemming

1. Onderscheid.

2. Belasting over de toegevoegde waarde.

3. Registratierechten.

4. Inbrengen in vennootschap en schenkingen.

5. Afzonderlijke verkrijgingen van de grond en van de tot de dienst van het onroerend goed aangewende voorwerpen.

Hoofdstuk II. – Vervreemdingen van nieuwe gebouwen

Eerste afdeling. – Algemeenheden

6. Principiële uitsluiting van de onroerende goederen uit hun aard uit het stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde.

7. Vervreemding onder bezwarende titel van op te richten, in aanbouw zijnde of onlangs opgerichte gebouwen. Toepasselijkheid van de belasting over de toegevoegde waarde.

8. Registratierecht.

Afdeling II. – Toepassingsvoorwaarden van de belasting over de toegevoegde waarde in geval van vervreemding van gebouwen.

9. Algemeen overzicht.

§ 1. Aard van het goed.

10. Gebouwen.

11. Muurgemeenschap.

§ 2. Aard van het contract.

12. Bedoelde contracten.

13. Inbrengen in vennootschap.

14. Ruil.

15. Verdeling, met verdeling gelijkstaande overdracht en afstand van onverdeelde delen tussen medeëigenaars.

16. Opeising.

§ 3. Vervreemder die de hoedanigheid van belastingplichtige bezit.

17. Begrip "belastingplichtige" wat betreft de afstand van gebouwen.

A. Belastingplichtigen van rechtswege.

18. Personen die geregeld gebouwen oprichten om ze te vervreemden.

19. Maatschappijen voor de bouw van sociale woningen.

20. Gemeenten.

B. Toevallige belastingplichtigen.

21. Personen die toevallig een gebouw oprichten en vervreemden.

22. Personen die een gebouw vervreemden dat zij met voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde hebben verkregen

23. Wijze van optie.

24. Voorafgaande verklaring bij het controlekantoor.

25. Vermelding in de akte die de vervreemding vaststelt.

§ 4. Tijdstip van de vervreemding.

26. Termijn.

27. Gebrek aan vervreemding onder bezwarende titel binnen de termijn gesteld in artikel 9, § 3, van het Wetboek van de Btw.

28. Vervreemding na de termijn gesteld in artikel 9, § 3, van het Wetboek van de Btw.

29. Bewijs van het tijdstip der vervreemding.

Afdeling III. – Voorwaarden voor de vrijstelling van het evenredig registratierecht in geval van vervreemding van gebouwen.

30. Aard der goederen, aard van de overeenkomst, hoedanigheid van belastingplichtige in hoofde van de vervreemder en datum van de vervreemding.

31. Vermeldingen in de akte.

Afdeling IV. – Tarief

32. Tarief van de Btw.

33. Tarief der registratierechten.

Afdeling V. – Maatstaf van heffing

§ 1. Algemene regels

34. Maatstaf van heffing van de Btw.

35. Minimummaatstaf van heffing. Normale waarde.

36. Bewijs van een ongenoegzaamheid.

37. Gevolgen van een ongenoegzaamheid.

38. Deskundige schatting.

§ 2. Toepassingen en bijzondere regels.

39. Onderscheiden contracten van vervreemding van de grond en van aanneming voor het oprichten van het gebouw.

40. Vervreemding bij twee afzonderlijke contracten, waarvan het ene de grond tot voorwerp heeft en het andere de gebouwen.

41. Onttrekking van een gebouw door een belastingplichtige van rechtswege.

42. Vervreemding, voor een niet gesplitste prijs, van een onroerend goed bestaande uit gebouwen en grond.

43. Vervreemding van een onafgewerkt gebouw, gevolgd door een of meer aannemingscontracten voor de afwerking.

44. Vervreemding van een onroerend goed bestaande uit grond en onafgewerkte gebouwen, voor een niet gesplitste prijs gevolgd door een of meer aannemingscontracten voor de afwerking.

Afdeling VI. – Overgangsmaatregelen.

45. Teksten.

46. In artikel 8, § 1, van het Wetboek van de Btw bedoelde belastingplichtige.

47. In artikel 8, § 2, van het Wetboek van de Btw bedoelde belastingplichtige.

Hoofdstuk III. – Lichamelijke roerende goederen

48. Eisbaarheid van de Btw

49. Afzonderlijke verkrijgingen van de grond en van de opstal (constructies, bomen).

50. Openbare verkopingen van inlands hout.

51. Openbare verkopingen van goederen bedoeld in artikel 2, 3o, van het Wetboek van de Btw (automobielen, jachten, vliegtuigen, enz.).

52. Openbare verkopingen van andere lichamelijke roerende goederen op verzoek van een belastingplichtige.

53. Hoedanigheid van belastingplichtige van de verkoper.

54. Erfgenamen van een belastingplichtige.

55. Openbare verkopingen op verzoek van een landbouwondernemer.

56. Erfgenamen van een landbouwondernemer.

57. Openbare verkoping op verzoek van de uitbater van een verkoopzaal.

Hoofdstuk IV. – Huurcontracten

58. Huurcontracten die betrekking hebben op lichamelijke roerende voorwerpen aangewend tot de dienst en de exploitatie van een onroerend goed.

59. Huurcontracten die betrekking hebben op op te richten gebouwen.

60. Onroerende financieringshuur of "onroerende leasing".

Hoofdstuk V. – Akten van vennootschappen

61. Behoud der registratierechten.

62. Nieuwe gebouwen.

63. Lichamelijke roerende voorwerpen aangewend tot de dienst en de exploitatie van onroerende goederen.

De wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (z. aanschr. nr. 2794), gewijzigd bij die van 19 december 1969 (z. aanschr. nr. 2808), onderwerpt, vanaf 1 januari 1971, aan de genoemde belasting sommige handelingen die thans belast worden met een evenredig registratierecht.

Anderzijds past de wet van 10 juli 1969 (z. aanschr. nr. 2795), gewijzigd bij de voormelde wet van 19 december 1969 (z. aanschr. nr. 2808), eveneens vanaf 1 januari 1971, het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten aan, met het doel de heffing van registratierechten in principe te voorkomen op de handelingen die onder toepassing vallen van de belasting over de toegevoegde waarde.

Onderhavige aanschrijving heeft tot doel de gevolgen uiteen te zetten die de voormelde wetten hebben op de heffing der registratierechten.

Die gevolgen worden achtereenvolgens onderzocht voor:

  1. 1° onroerende goederen door bestemming (z. hierna nrs. 1 tot 5);

  2. 2° nieuwe gebouwen (z. hierna nrs. 6 tot 47);

  3. 3° lichamelijke roerende goederen (z. hierna nrs. 48 tot 57);

  4. 4° huurcontracten (z. hierna nrs. 58 tot 60);

  5. 5° akten van vennootschappen (z. hierna nrs. 61 tot 63).

Eerste hoofdstuk. – Onroerende goederen door bestemming

1. Onderscheid.

Er zijn twee soorten van onroerende goederen door bestemming:

  1. 1° Enerzijds bepaalt artikel 524, 1ste lid van het Burgerlijk Wetboek dat "voorwerpen die eigenaar van een erf voor de dienst en de exploitatie van dat erf daarop geplaatst heeft", onroerend zijn door bestemming; dat is bijvoorbeeld het geval met machines die door de eigenaar in een fabriek worden geplaatst, om te dienen voor de exploitatie van die fabriek;

  2. 2° Anderzijds kent het laatste lid van hetzelfde artikel het karakter van onroerende goederen door bestemming toe aan "alle roerende voorwerpen die de eigenaar blijvend aan het erf verbon- den heeft" onder de voorwaarden bepaald in artikel 525 van het Burgerlijk Wetboek, zoals bijvoorbeeld in woningen geïnstalleerde badkamers en linoleum die uitgesneden is naar de vorm van de vertrekken waarin hij gelegd is.

2. Belasting over de toegevoegde waarde.

In algemene regel is de belasting over de toegevoegde waarde (Btw) verschuldigd op de volgende handelingen, in België verricht door een belastingplichtige (d.w.z. door ieder wiens werkzaamheid erin bestaat, geregeld en zelfstandig, leveringen van goederen of diensten te verrichten die in het Wetboek van de Btw zijn omschreven), in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid:

  1. leveringen van goederen, bedoeld in het genoemd wetboek, ingevolge een contract onder bezwarende titel tot overdracht of aanwijzing van eigendom of vruchtgebruik;

  2. het verrichten van diensten in uitvoering van een contract onder bezwarende titel. (Wetboek Btw, art. 2, 1°, 4, 9, 10 en 18, § 1).

De goederen bedoeld in het Wetboek van de Btw begrijpen ondermeer de lichamelijke roerende voorwerpen gebruikt voor de dienst en de exploitatie van onroerende goederen" (art. 9, § 1), dus de goederen die ingevolge artikel 524, 1ste lid, van het Burgerlijk Wetboek, onroerend door bestemming zijn (zie hierboven nr. 1, 1°). De verhuur en de overdracht van huur van dezelfde goederen zijn diensten bedoeld in het Wetboek van de Btw (art. 18, § 1, 4°).

Vallen daarentegen als dusdanig niet in het toepassingsgebied van de belasting over de toegevoegde waarde, de roerende goederen die niet dienen voor de exploitatie van een onroerend goed, maar die onroerend door bestemming zijn omdat de eigenaar ze blijvend aan het erf verbonden heeft (B.W., art. 524, laatste lid, en 525; z. hierboven, nr. 1, 2°); om economische en praktische redenen heeft de wetgever immers geoordeeld dat de laatstgenoemde goederen, die meestal moeilijk te onderscheiden zijn van onroerende goederen uit hun aard, hetzelfde fiscaal statuut als deze laatste behouden (z. verslag van de Commissie voor de Financiën van de Kamer van Volksvertegenwoordigers over het ontwerp van wet tot invoering van het Wetboek van de Btw, Parl. besch., Kamer, zitting 1968-1969, nr. 88/15, blz. 73; verslag der verenigde Commissies voor de Economische Zaken en de Financiën van de Senaat over hetzelfde wetsontwerp, Parl. besch., Senaat, zitting 1968-1969, nr. 455, blz. 89). Bijgevolg zijn de overdracht, de verhuur en de overdracht van huur van roerende zaken, die niet dienen tot de exploitatie van een onroerend goed maar die er blijvend aan verbonden zijn, samen met het gebouw waaraan ze verbonden zijn, onderworpen aan het registratierecht of aan de belasting over de toegevoegde waarde, naargelang de overdracht, de verhuur of de overdracht van huur van het gebouw zelf onderworpen zijn aan het registratierecht of aan de belasting over de toegevoegde waarde.

3. Registratierechten.

Artikel 1 van de wet van 10 juli 1969 vervangt artikel 21(2), 2°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten door een nieuwe tekst volgens dewelke de lichamelijke roerende voorwerpen aangewend tot de dienst en de exploitatie van onroerende goederen, voor de toepassing van dat wetboek, niet als onroerende goederen worden beschouwd.

Evenals de overeenstemmende beschikking van het Wetboek van de Btw, beoogt deze tekst niet de roerende voorwerpen die niet dienen voor de exploitatie van een onroerend goed maar die nochtans onroerend door bestemming zijn omdat ze blijvend aan een erf verbonden zijn (Memorie van toelichting op de wet van 10 juli 1969, Parl. besch., Kamer, buitengewone zitting 1968, nr. 91/1, blz. 2).

De bepaling van het nieuwe artikel 21(2), 2°, is algemeen; dat artikel is van toepassing ook op verrichtingen die niet onderworpen zijn aan belasting over de toegevoegde waarde, b.v. op een verkoop door een persoon die geen Btw-belastingplichtige is (voormelde Memorie van toelichting, blz. 2).

De voornaamste gevolgen van het nieuwe artikel 21(2), 2°, van het Wetboek der registratierechten zijn de volgende:

  1. 1° De verkopen, de andere overdragende overeenkomsten onder bezwarende titel – met uitzondering van inbrengen in een Belgische vennootschap – de contracten van verhuring, onderverhuring en overdracht van huur, de verdelingen en de afstanden onder bezwarende titel, onder medeëigenaars, van onverdeelde delen, zijn niet meer onderworpen aan een evenredig registratierecht in de mate waarin zij betrekking hebben op lichamelijke roerende voorwerpen gebruikt voor de dienst en de exploitatie van onroerende goederen.

  2. 2° Het recht gevestigd door artikel 118 van het Wetboek voor de inbrengen in een buitenlandse vennootschap van in België gelegen onroerende goederen is niet meer van toepassing op dezelfde lichamelijke roerende voorwerpen.

  3. 3° Diezelfde voorwerpen vallen voortaan niet meer onder de toepassing van de artikelen 129 en 130 van het Wetboek der registratierechten.

4. Inbrengen in vennootschap en schenkingen.

Het registratierecht op inbrengen in Belgische vennootschappen en het registratierecht op schenkingen treffen zowel de roerende als de onroerende goederen. Die rechten zijn bijgevolg verschuldigd in geval van inbreng of schenking van roerende goederen die dienen voor de exploitatie van een onroerend goed. De controleschatting (W.Reg., art. 189 tot 200) mag evenwel niet gevorderd worden voor die goederen.

In geval van gemengde inbreng is het bijzonder recht van overdracht onder bezwarende titel, gevestigd door artikel 120 van het Wetboek der registratierechten niet meer toepasselijk op de roerende goederen die dienen voor de exploitatie van onroerende goederen.

5. Afzonderlijke verkrijgingen van de grond en van de tot de dienst van het onroerend goed aangewende voorwerpen.

In geval van afzonderlijke verkrijging van de grond en van de tot de dienst van het onroerend goed aangewende voorwerpen, voorzien de artikelen 74 en 75 van het Wetboek der registratierechten thans, onder bepaalde voorwaarden, in de opeisbaarheid van het recht van onroerende verkoop op de voormelde voorwerpen.

Daar vanaf 1 januari 1971 de overdracht onder bezwarende titel van goederen aangewend tot de dienst van een erf niet meer zal onderworpen zijn aan het registratierecht van onroerende verkoop, zijn de voormelde artikelen 74 en 75 doelloos geworden voor wat die goederen betreft. De tekst van die artikelen werd in die zin aangepast bij de artikelen 3 en 4 van de wet van 10 juli 1969.

Hoofdstuk II. – Vervreemdingen van nieuwe gebouwen

Eerste afdeling. – Algemeenheden

6. Principiële uitsluiting van de onroerende goederen uit hun aard uit het stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde.

De overdrachten van onroerende goederen uit hun aard vallen in regel buiten het toepassingsgebied van de belasting over de toegevoegde waarde.

Wat de gronden betreft bestaat er geen uitzondering op die regel. Wanneer iemand twee onderscheiden contracten sluit, het eerste zijnde de aankoop van een grond en het tweede een werkaannemingscontract voor het oprichten van een gebouw op die grond, dan is voor de aankoop van de grond het evenredig registratierecht verschuldigd, zowel na 1 januari 1971 als voordien; de uitvoering van het werkaannemingscontract, door een belastingplichtige, in het raam van zijn beroepswerkzaamheid, geeft aanleiding tot de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde (Wetboek Btw, art. 2, 1°, 4, 18, § 1, 1°).

Wat de gebouwen betreft, bestaat er een uitzondering op de regel vermeld in het 1ste lid hierboven. Ten einde een evenwicht van belastingdruk te behouden tussen degene die een grond koopt en op die grond laat bouwen, en degene die een op te richten, een in aanbouw zijnde of een opgericht gebouw koopt, valt de vervreemding van zulk gebouw – grond niet inbegrepen – door een belastingplichtige, vanaf 1 januari 1971 in het toepassingsgebied van de belasting over de toegevoegde waarde; om die reden wordt de vervreemding vrijgesteld van het evenredig registratierecht.

7. Vervreemding onder bezwarende titel van op te richten, in aanbouw zijnde of onlangs opgerichte gebouwen. Toepasselijkheid van de belasting over de toegevoegde waarde.

Artikel 9, § 3, 1ste lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt:

"gebouwen, uitgezonderd de grond waarop ze zijn of worden opgericht, worden als goederen aangemerkt wanneer ze vóór, tijdens of na de oprichting, doch uiterlijk op 31 december van het jaar na dat waarvoor ze voor het eerst zijn opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing, door een in artikel 8 bedoelde belastingplichtige worden vervreemd ingevolge een contract onder bezwarende titel tot overdracht of aanwijzing van eigendom of vruchtgebruik."

Artikel 8, waarnaar de bovenstaande tekst verwijst voor wat betreft het begrip belastingplichtige, luidt als volgt:

"Art. 8. § 1. Belastingplichtige is hij wiens geregelde werkzaamheid erin bestaat gebouwen op te richten of te laten oprichten om ze vóór, tijdens of na de oprichting, onder bezwarende titel geheel of ten dele te vervreemden.

"Ieder door of voor die belastingplichtige opgericht gebouw wordt geacht te zijn opgericht om onder bezwarende titel te worden vervreemd.

"§ 2. Hij die, anders dan in de uitoefening van een geregelde werkzaamheid, een gebouw opricht of laat oprichten en het vóór, tijdens of na de oprichting, doch uiterlijk op 31 december van het jaar na dat waarvoor het voor het eerst is opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing, onder bezwarende titel geheel of ten dele vervreemdt, heeft ten aanzien van die vervreemding de hoedanigheid van belastingplichtige, wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van de vervreemding te doen met betaling van de belasting.

"§ 3. Hij die een gebouw met voldoening van de belasting heeft verkregen en dat gebouw, vóór het verstrijken van de in § 2 bepaalde termijn, onder bezwarende titel geheel of ten dele vervreemdt, heeft ten aanzien van die vervreemding de hoedanigheid van belastingplichtige, wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de vervreemding te doen met betaling van de belasting."

8. Registratierecht.

Door de wijziging aangebracht aan artikel 21(2), 2°, van het Wetboek der registratierechten, bij artikel 1 van de wet van 10 juli 1969, wordt de bepaling volgens dewelke op te richten gebouwen niet als onroerende goederen worden beschouwd voor de toepassing van het genoemde wetboek, opgeheven.

Daaruit volgt dat alle overdragende of aanwijzende vervreemdingen van op te richten gebouwen, binnen de drie maanden moeten worden geregistreerd (W.Reg., art. 19, 2o, 31, 1°, 32, 4°, en 33) en in principe onderworpen zijn aan het registratierecht.

Doch om te voorkomen dat de vervreemdingen van op te richten gebouwen en ook de vervreemdingen van in oprichting zijnde of reeds opgerichte gebouwen tegelijkertijd zouden onderworpen zijn aan de belasting over de toegevoegde waarde en aan een evenredig registratierecht, in de gevallen waarin die tweevoudige belasting niet gerechtvaardigd is, wordt bij artikel 8 van de wet van 10 juli 1969 in het Wetboek der registratierechten een artikel 159, 8°, ingevoegd, dat in de volgende bewoordingen een vrijstelling van het evenredig registratierecht invoert:

"Art. 159. Worden van het evenredig recht vrijgesteld en aan het algemeen vast recht onderworpen:

"8°. de overdragende of aanwijzende vervreemdingen onder bezwarende titel, andere dan inbrengen in vennootschap, van op te richten gebouwen, van gebouwen in oprichting of van nieuwe gebouwen, op voorwaarde:

"a) dat de vervreemding wordt toegestaan uiterlijk op 31 december van het jaar na dat waarvoor de eerste inkohiering van de onroerende voorheffing van die gebouwen plaatshad;

"b) dat de vervreemding wordt toegestaan door iemand die voor die vervreemding de hoedanigheid van belastingplichtige bezit zoals bedoeld in de wetgeving op de belasting over de toegevoegde waarde.

"De vrijstelling geldt niet voor de grond begrepen in de vervreemding. Wanneer de gebouwen en de grond waarop ze opgericht zijn samen voor een niet gesplitste prijs worden vervreemd, wordt het evenredig recht met betrekking tot de afstand van de grond berekend op de verkoopwaarde van de grond, geraamd op het tijdstip van de vervreemding doch met inachtneming van de staat van de grond vóór de aanvang van het werk. In dit geval wordt de belastbare verkoopwaarde van de grond aangeduid in een overeenkomstig artikel 168 onderschreven verklaring.

"De toepassing van dit artikel is afhankelijk van de aanduiding in de akte of in een geschrift dat bij die akte vóór de registratie is gevoegd:

"1° van het kantoor waar de vervreemder wegens zijn beroep de periodieke aangiften moet indienen voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde;

"2° in voorkomend geval, van het jaar waarvoor de eerste inkohiering van de onroerende voorheffing der vervreemde gebouwen heeft plaatsgehad.

"In geval van onjuistheid van die vermeldingen, verbeuren de partijen in de akte ondeelbaar een geldboete gelijk aan het ontdoken recht."

Afdeling II. – Toepassingsvoorwaarden van de belasting over de toegevoegde waarde in geval van vervreemding van gebouwen

9. Algemeen overzicht.

De toepassing van de bepalingen aangaande gebouwen, weergegeven onder nr. 7 hierboven, vereist de vervulling van bepaalde voorwaarden die slaan op de aard van het goed (z. hierna nrs. 10 en 11), de aard van het contract (z. hierna nrs, 12 tot 16), de hoedanigheid van de vervreemder (z. hierna nrs. 17 tot 25) en het tijdstip van de vervreemding (z. hierna nrs. 26 tot 29).

§ 1. Aard van het goed.

10. Gebouwen.

Alleen gebouwen kunnen in het toepassingsgebied van de belasting over de toegevoegde waarde vallen. Ook indien de grond krachtens één enkel contract, samen met de gebouwen wordt vervreemd, blijft hij volledig onderworpen aan het stelsel van het registratierecht.

De aard van de gebouwen heeft geen belang; het nieuwe fiscale stelsel is toepasselijk ongeacht of het gaat om een woonhuis, een handelshuis, een verdieping of een gedeelte van verdieping, gemene of privatieve delen van een appartement, een fabriek of enig ander gebouw.(z. Memorie van toelichting op de wet van 3 juli 1969, Parl. besch., Kamer, buitengewone zitting 1968, nr. 88/1, blz. 18). Het moet gaan om nieuwe gebouwen, daar het kwestieuze nieuwe fiscale stelsel enkel van toepassing is op vervreemdingen gedaan binnen een bepaalde periode vastgesteld met betrekking tot de oprichting van het gebouw of zijn eerste opname in het kohier van de onroerende voorheffing. (z. hierna nr. 26).

11. Muurgemeenschap.

De wettelijke bepalingen, aangeduid onder de nummers 7 en 8 hierboven, zijn voor toepassing vatbaar in geval van afstand van muurgemeenschap.

§ 2. Aard van het contract.

12. Bedoelde contracten.

Opdat de vervreemding van een gebouw onderworpen zou zijn aan de belasting over de toegevoegde waarde en vrijgesteld van het evenredig registratierecht, is er vereist dat die vervreemding gebeurt ingevolge een contract onder bezwarende titel tot overdracht of aanwijzing van eigendom of vruchtgebruik (Wetboek Btw, art. 9, § 3, 1ste lid, en 10).

De overgangen door overlijden blijven buiten het toepassingsgebied van de belasting over de toegevoegde waarde.

Hetzelfde geldt voor de schenkingen onder levenden.

Tussen de contracten onder bezwarende titel tot overdracht of aanwijzing van eigendom (volle eigendom of blote eigendom) of vruchtgebruik, bedoeld in artikel 9, § 3, van het Btw-Wetboek, kan men vermelden: de verkoop, ook onder ontbindende voorwaarde of met uitgestelde eigendomsoverdracht, de ruil, de inbreng in vennootschap, de inbetalinggeving, de verdeling en de met verdeling gelijkstaande overdracht (Memorie van toelichting op de wet van 3 juli 1969, Parl. besch., Kamer, buitengewone zitting 1968, nr. 88/1, blz. 19; verslag van de verenigde Commissies voor de Economische Zaken en de Financiën van de Senaat, Parl. besch., Senaat, zitting 1968-1969, nr. 455, blz. 91).

De verkoop onder opschortende voorwaarde is geen aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen handeling zolang de voorwaarde niet is vervuld (zelfde verslag, Parl. besch., Senaat, zitting 1968-1969, nr. 455, blz. 92).

13. Inbrengen in vennootschap.

Inbrengen in vennootschap (Belgische of buitenlandse) door belastingplichtigen, van goederen die in het toepassingsgebied van de belasting over de toegevoegde waarde vallen, zijn onderworpen aan die belasting, zonder dat er onderscheid moet gemaakt worden naargelang de inbreng zuiver en eenvoudig (uitsluitend vergolden door aandelen of deelbewijzen van de vennootschap die de inbreng ontvangt) dan wel gemengd is (vergolden door zulke aandelen of deelbewijzen en door andere goederen) (z. Memorie van toelichting op de wet van 3 juli 1969, Parl. besch., Kamer, buitengewone zitting 1968, nr. 88/1, blz. 19 en 20). Bij uitzondering is de belasting over de toegevoegde waarde niet verschuldigd in geval van overdracht bij wege van inbreng in vennootschap of anderszins, van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, wanneer de overnemer belastingplichtige is. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten (Wetboek Btw, art. 11).

Dat de inbreng onderworpen is aan de belasting over de toegevoegde waarde brengt nochtans geen vrijstelling van het evenredig registratierecht mede. De tekst van artikel 159, 8°, van het Wetboek der registratierechten, dat die vrijstelling bepaalt voor de vervreemdingen van gebouwen die onderworpen zijn aan de belasting over de toegevoegde waarde, sluit de vrijstelling uitdrukkelijk uit voor inbrengen in vennootschap.

Het spreekt vanzelf dat in geval van gemengde inbreng, het bij artikel 120 van het Wetboek der registratierechten vastgestelde recht van overdracht onder bezwarende titel, in de mate waarin de inbreng vergolden wordt anders dan door maatschappelijke rechten, niet van toepassing is op de gebouwen waarvan de inbreng onderworpen is aan de belasting over de toegevoegde waarde.

14. Ruil.

De ruil is een overdragend contract onder bezwarende titel. Hij omvat twee wederkerige overdrachten die elk onderworpen zijn aan de belasting over de toegevoegde waarde (Memorie van toelichting op de wet van 3 juli 1969, Parl. besch., Kamer, buitengewone zitting 1968, nr. 88/1, blz. 19) indien, wel te verstaan, alle voorwaarden van eisbaarheid van de belasting over de toegevoegde waarde vervuld zijn ten aanzien van die overdrachten.

Zo een onroerend goed wordt afgestaan in ruil voor een ander goed en de overdracht van het eerste niet is onderworpen aan de belasting over de toegevoegde waarde, terwijl de afstand van het tweede goed wel onderhevig is aan die belasting, dan is het registratierecht verschuldigd op de overdracht van het eerde belasting over de toegevoegde waarde op de andere.

Voorbeeld: ruil tussen A en B; A staat een onverdeeld deel af van een grond waarop B een appartementsgebouw heeft opgericht – appartementsgebouw dat hem toebehoort ingevolge een toelating tot bouwen gegeven door A die heeft afgezien van zijn recht van natrekking – mits afstand door B van de constructies van een der appartementen zo de afstand van die constructies onder toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde valt, dan moet het registratierecht geheven worden wegens de afstand, door A, van de onverdeelde delen in de grond.

Zo slechts een deel van het goed of van de goederen, begrepen in een van de geruilde loten, onder toepassing valt van de belasting over de toegevoegde waarde en de goederen die het andere geruilde lot uitmaken eveneens geheel of gedeeltelijk ontsnappen aan gezegde belasting, dan wordt het registratierecht geheven met inachtneming alleen van de geruilde gedeelten waarvoor de belasting over de toegevoegde waarde niet is verschuldigd.

Voorbeelden.

  1. Ruil tussen A en B; A staat een grond af aan B, mits afstand door deze van een appartement bevattende de constructies en de onverdeelde delen in de grond die er betrekking op hebben, zo de belasting over de toegevoegde waarde eisbaar is wegens de afstand van de constructies van het appartement, dan moet de verrichting, voor de heffing van het registratierecht, beschouwd worden als een ruiling van een grond tegen onverdeelde delen van een andere grond en het registratierecht zal, overeenkomstig artikel 45 van het Wetboek der registratierechten, vereffend worden op de hoogste van de volgende twee waarden: enerzijds, de waarde van de verdeelde grond en, anderzijds, de waarde van de onverdeelde delen van de andere grond.

  2. Ruil tussen A en B; A staat een appartement af, met inbegrip van de onverdeelde delen in de grond die erbij horen, mits afstand door B van een appartement in een ander gebouw, eveneens met inbegrip van de onverdeelde delen in de grond die erbij horen; zo de afstand van de constructies der twee appartementen aanleiding geeft tot de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde, dan zal de verrichting, voor de heffing van het registratierecht, beschouwd worden als een ruiling van onverdeelde delen van gronden en dat recht zal vereffend worden op de onverdeelde delen met de hoogste waarde.

15. Verdeling, met verdeling gelijkstaande overdracht en afstand van onverdeelde delen tussen medeëigenaars.

De verdeling, de met verdeling gelijkstaande overdracht en de afstand van onverdeelde delen zijn contracten onder bezwarende titel die, naar gelang van het geval, overdragend of aanwijzend zijn. Zo zij betrekking hebben op eigendom of vruchtgebruik van een goed bedoeld in het Wetboek van de Btw-goed dat een gebouw kan zijn - dan brengen die contracten de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde mede, voor zover de andere voorwaarden van eisbaarheid van die belasting vervuld zijn (z. Verslag van de Commissie voor de Financiën van de Kamer, Parl. besch., Kamer, zitting 1968-1969, nr. 88/15, blz. 74 en 75; verslag van de verenigde Commissies voor de Economische zaken en de Financiën van de Senaat, Parl. besch., Senaat, zitting 19681969, nr. 455, blz. 91).

Daar de belasting over de toegevoegde waarde elke levering van een goed, ingevolge een contract onder bezwarende titel tot overdracht of aanwijzing van eigendom of vruchtgebruik treft (Wetboek Btw, art. 2, 1, en 10), moeten de verdeling, de met verdeling gelijkstaande overdracht en de afstand van onverdeelde delen tussen medeëigenaars, uit het oogpunt van de belasting over de toegevoegde waarde, naar gelang van het geval, beschouwd worden als ruilingen van onverdeelde delen of als afstanden van zulke delen. Anderzijds omvat een ruiling twee wederzijdse overdrachten die elk onderworpen zijn aan de belasting over de toegevoegde waarde, indien, wel te verstaan, de andere voorwaarden voor de eisbaarheid van die belasting vervuld zijn (z. hierboven nr. 14). Daaruit volgt dat, om te bepalen of, en in welke mate, de belasting over de toegevoegde waarde eisbaar is in geval van verdeling, met verdeling gelijkstaande overdracht en afstand van onverdeelde delen tussen medeëigenaars, men, afzonderlijk voor elk goed begrepen in de verrichting, moet nagaan welke onverdeelde delen door elke medeëigenaar worden afgestaan. De belasting over de toegevoegde waarde is verschuldigd in de mate waarin de medeëigenaars Btw-belastingplichtigen zijn en de afstand betrekking heeft op een goed onderworpen aan die belasting, voor het overige is zij niet verschuldigd.

Geen evenredig registratierecht is verschuldigd op de afgestane onverdeelde delen waarop de belasting over de toegevoegde waarde wordt geheven (W.Reg., art. 159, 8°, z. hierboven nr. 8).

Vermits de grond die begrepen is in de verrichting, zelfs zo het gaat om een enige verrichting, niet onder toepassing valt van de belasting over de toegevoegde waarde (Wetboek Btw, art. 9, § 3; z. hierboven nr. 6), is het recht bepaald in artikel 109 van het Wetboek der registratierechten verschuldigd voor de grond, ofwel op de afgestane onverdeelde delen zo de akte de onverdeeldheid van de grond niet doet ophouden onder alle medeëigenaars, of wel op de geheelheid van de grond in het tegenovergestelde geval (W.Reg., art. 110).

Betreffende het gebouw moet er voor de toepassing van de artikelen 110 en 159, 8°, van het Wetboek der registratierechten verder onderscheid gemaakt worden.

Géén evenredig registratierecht is verschuldigd indien alle afgestane onverdeelde delen onderworpen zijn aan de belasting over de toegevoegde waarde, zelfs zo, wegens de afstand, één enkele persoon eigenaar wordt van het gehele gebouw. Zo daarentegen sommige afgestane onverdeelde delen wel en andere niet onderworpen zijn aan de belasting over de toegevoegde waarde, dan is, indien de onverdeeldheid van het gebouw niet ophoudt onder alle medeëigenaars, het registratierecht van 1 t.h. verschuldigd op de afgestane onverdeelde delen die niet onderworpen zijn aan de belasting over de toegevoegde waarde.

Zo, tenslotte, sommige afgestane onverdeelde delen wel en andere niet onderworpen zijn aan de belasting over de toegevoegde waarde, maar de onverdeeldheid ophoudt onder alle medeëigenaars, dan zal het registratierecht van 1 t.h. geheven worden op de afgestane delen die niet onderworpen zijn aan de belasting over de toegevoegde waarde en op de delen die blijven toebehoren aan de afstandhouder. Immers is, in dit laatste geval, de verrichting, naar luid van artikel 110 van het Wetboek der registratierechten, onderworpen aan het recht van 1 t.h. op de geheelheid van het gebouw, behoudens dat er, in de mate waarin de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar is, vrijstelling is van het evenredig registratierecht ingevolge artikel 159, 8o, van hetzelfde wetboek.

Voorbeelden.

  1. A en B zijn eigenaars van een huis, elk voor de helft; A staat zijn deel, hierin begrepen zijn deel in de grond, af aan B, mits een bepaalde prijs; in de onderstelling dat A belastingplichtige is voor de Btw en dat het gebouw een goed is onderworpen aan die Btw, dan is er verschuldigd:

    • registratierecht van 1 t.h. op de geheelheid van de grond;

    • Btw op de helft van het gebouw.

  2. A, B, C en D zijn eigenaars, elk voor 1/4, van een appartementsgebouw (grond en gebouw); A is belastingplichtige voor de Btw, B echter niet; het gebouw valt onder toepassing van het Wetboek van de Btw; A en B staan hun deel af aan C en D, mits een bepaalde prijs. Er is verschuldigd:

    • registratierecht van 1 t.h. op de helft van de grond en op 1/4 van het gebouw;

    • Btw op 1/4 van het gebouw.

  3. A, B en C zijn eigenaars, elk voor 1/3, van een appartementsgebouw (grond en gebouw); A is belastingplichtige voor de Btw, B niet; het gebouw valt onder toepassing van het Wetboek van de Btw; A en B staan hun deel af aan C, mits een bepaalde prijs. Er is verschuldigd:

    • registratierecht van 1 t.h. op de geheelheid van de grond en op 2/3 van het gebouw;

    • Btw op 1/3 van het gebouw.

16. Opeising.

Volgens artikel 12, § 1, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wordt er geacht levering plaats te hebben "wanneer de eigendom van een goed tegen betaling van een vergoeding wordt overgedragen ingevolge een vordering door of namens de overheid."

Bij toepassing van deze tekst maakt de onteigening van een in het Wetboek van de Btw bedoeld gebouw de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar, wanneer die onteigening gedaan wordt lastens een belastingplichtige.

§ 3. Vervreemder die de hoedanigheid van belastingplichtige heeft.

17. Begrip "belastingplichtige" met betrekking tot de vervreemdingen van gebouwen.

Opdat de vervreemding van een gebouw, ingevolge een contract onder bezwarende titel tot overdracht of aanwijzing van eigendom of vruchtgebruik, onder de toepassing zou kunnen vallen van de belasting over de toegevoegde waarde en vrijgesteld zou kunnen zijn van het evenredig registratierecht, is er vereist dat de vervreemder terzake van die vervreemding de hoedanigheid heeft van belastingplichtige voor de belasting over de toegevoegde waarde (Wetboek Btw, art. 2, 1° en 2°, en 9, § 3; W.Reg., art. 159, 8°).

Ten aanzien van de vervreemdingen van gebouwen kent het Wetboek van de Btw drie soorten van belastingplichtigen:

  1. 1° de personen wier geregelde werkzaamheid erin bestaat gebouwen op te richten of te laten oprichten om ze te verkopen (z. hierna nrs. 18 tot 20);

  2. 2° de persoon die een gebouw dat hij heeft opgericht of laten oprichten, anders dan in de uitoefening van zijn geregelde werkzaamheid, geheel of ten dele vervreemdt; die persoon kan opteren voor de hoedanigheid van belastingplichtige (z. hierna nrs. 21 en 23 tot 25);

  3. 3° de persoon die een gebouw met voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde heeft verkregen en dat gebouw geheel of ten dele vervreemdt; die persoon kan opteren voor de hoedanigheid van belastingplichtige ( z. hierna nrs. 22 tot 25).

A. Belastingplichtigen van rechtswege.

18. Personen die geregeld gebouwen oprichten om ze te vervreemden.

Hebben de hoedanigheid van belastingplichtige, de fysieke of rechtspersonen, wier geregelde werkzaamheid erin bestaat gebouwen op te richten of te laten oprichten om ze vóór, tijdens of na de oprichting, onder bezwarende titel geheel of ten dele te vervreemden. (Wetboek Btw, art, 8, § 1.)

Die personen hebben van rechtswege de hoedanigheid van belastingplichtige, door het louter feit van hun werkzaamheid.

Anderzijds wordt, naar luid van artikel 8, § 1, 2e lid, van het Wetboek van de Btw, ieder door of voor die belastingplichtige opgericht gebouw geacht te zijn opgericht om onder bezwarende titel te worden vervreemd. Deze tekst, die een wettelijk vermoeden juris et de jure vestigt (z. Memorie van toelichting op de wet van 3 juli 1969, Parl, besch., Kamer, buitengewone zitting 1968, nr. 88/1, blz. 17; verslag van de Commissie voor de Financiën van de Kamer, Parl. besch., Kamer, zitting 1968-1969, nr. 88/15, blz. 72) – dit wil zeggen een vermoeden dat niet kan weerlegd worden door het tegenbewijs –, heeft voor gevolg elke mogelijkheid te voorkomen om te betwisten dat de handeling werd verricht in de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van belanghebbende en dat deze laatste bijgevolg ten aanzien van het gebouw de hoedanigheid van belastingplichtige heeft.

19. Maatschappijen voor de bouw van sociale woningen.

De Nationale Maatschappij voor de Huisvesting, de Nationale Landmaatschappij en de door hen erkende maatschappijen behoren van rechtswege tot de soort belastingplichtigen bedoeld in artikel 8, § 1, van het Wetboek van de Btw, voor zover zij geregeld gebouwen oprichten of laten oprichten om ze onder bezwarende titel te vervreemden (z. Memorie van toelichting op de wet van 3 juli 1969, Parl. besch., Kamer, buitengewone zitting 1968, nr. 88/1, blz. 16; verslag van de Commissie voor de Financiën van de Kamer, Parl. besch., Kamer, zitting 1968-1969, nr. 88/15, blz. 72).

20. Gemeenten.

Het komt voor dat gemeenten woningen of andere gebouwen oprichten of laten oprichten om ze te verkopen.

Luidens artikel 6 van het Wetboek van de Btw zijn de Staat, de provincies, de gemeenten en de openbare instellingen geen belastingplichtige. Hetzelfde artikel voegt er nochtans aan toe dat de Koning ze evenwel als belastingplichtige aanmerkt, wanneer ze geregeld de economische werkzaamheid van een producent, een handelaar of een dienstverrichter uitoefenen.

Er is dus een koninklijk besluit vereist om de hoedanigheid van belastingplichtige toe te kennen aan gemeenten die geregeld woningen of andere gebouwen oprichten of laten oprichten om ze te verkopen.

B. Toevallige belastingplichtigen.

21. Personen die toevallig een gebouw oprichten en vervreemden.

Hij die, anders dan in de uitoefening van een geregelde werkzaamheid; een gebouw opricht of laat oprichten en het vóór het verstrijken van de in artikel 8, § 2, van het Wetboek van de Btw bepaalde termijn, onder bezwarende titel geheel of ten dele vervreemdt, heeft ten aanzien van die toevallige handeling niet de hoedanigheid van belastingplichtige.

Hij kan nochtans ten aanzien van die vervreemding, door optie die hoedanigheid verkrijgen wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis geeft van zijn bedoeling de vervreemding te doen met betaling van de belasting over de toegevoegde waarde. (Voormeld art. 8, § 2.).

22. Personen die een gebouw vervreemden dat zij met voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde hebben verkregen.

Hij die een gebouw met voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde heeft verkregen en dat gebouw, vóór het verstrijken van de in artikel 8, § 2, van het Wetboek van de Btw bepaalde termijn, onder bezwarende titel geheel of ten dele vervreemdt, kan ten aanzien van die vervreemding de hoedanigheid van belastingplichtige verkrijgen, wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis geeft van zijn bedoeling de vervreemding te doen met betaling van de belasting over de toegevoegde waarde. (Wetboek van de Btw, art. 8, § 3.).

Dit artikel 8, § 3, beoogt niet alleen de personen die toevallig met voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde een gebouw verkrijgen dat zij vervreemden, maar ook eenieder wiens geregelde werkzaamheid erin bestaat gebouwen te verkrijgen om ze te vervreemden. (z. verslag van de Commissie en de Financiën van de Kamer, Parl, besch., Kamer, zitting 1968-1969, nr. 88/15, blz. 73.).

23. Wijze van optie.

De wijze van optie is bepaald door artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 14 van 3 juni 1970 (aanschr. nr. 2828).

Volgens dat artikel moet de persoon, bedoeld onder de nrs. 21 of 22 hierboven, die wenst een gebouw geheel of ten dele te vervreemden met voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde:

  1. 1° vooraleer de overeenkomst tot vervreemding wordt gesloten, bij het controlekantoor van de Btw waaronder hij ressorteert, een verklaring in tweevoud indienen waarin hij zijn bedoeling uitdrukt de vervreemding te doen met betaling van de belasting over de toegevoegde waarde;

  2. 2° de verkrijger op de hoogte brengen van zijn bedoeling de vervreemding te doen met betaling van de belasting, door middel van een vermelding in de eerste akte die tussen hen titel vormt van de vervreemding.

24. Voorafgaande verklaring bij het controlekantoor.

Formulieren voor de verklaring die de vervreemding voorafgaat (z. 1° van het voorgaand nummer) zullen in alle controlekantoren van de Btw ter beschikking van de belanghebbenden worden gesteld.

Het controlekantoor van de Btw waaronder de belanghebbende ressorteert en waar de verklaring moet worden ingediend is dat in het ambtsgebied waarvan hij zijn woonplaats of zijn maatschappelijke zetel heeft. (Art. 3 van voornoemd koninklijk besluit nr. 14 van 3 juni 1970.) In de onderstelling dat de belanghebbende zijn woonplaats of zijn maatschappelijke zetel in het buitenland heeft, wordt de verklaring ingediend bij het controlekantoor in het ambtsgebied waarvan het gebouw of gedeelte van gebouw, waarvan de vervreemding wordt overwogen, is gelegen.

Het Bestuur neemt aan dat de voorafgaande verklaring wordt gedaan door de notaris, namens de eigenaar van het te verkopen gebouw, zonder dat er onderscheid moet worden gemaakt naargelang het de bedoeling is uit de hand dan wel openbaar te verkopen. In geval van verkoop op beslag wordt de verklaring, uitgaande van de notaris, aanvaard.

Er kan voor het stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde geopteerd worden zelfs in geval van vervreemding van slechts een gedeelte van een gebouw. In dat geval blijft de vervreemder vrij de andere vervreemdingen van een gedeelte van hetzelfde gebouw te doen onder het stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde of ze onder toepassing van het registratierecht te laten.

Het feit dat een verklaring werd ingediend, heeft niet voor gevolg dat de vervreemding noodzakelijk en werkelijk moet gebeuren met de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde. Het staat de afstanddoener vrij op het ogenblik van de overeenkomst deze laatste onder de regeling van het registratierecht te laten. Daartoe volstaat het de vermelding, bedoeld in artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 14 van 3 juni 1970, niet in de akte in te lassen.

25. Vermelding in de akte die de vervreemding vaststelt.

Om de verkrijger op de hoogte te brengen dat de vervreemding gedaan wordt onder het stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde, moet er in de eerste akte die tussen partijen titel vormt van die vervreemding, een vermelding ingelast worden. (zie nr. 23).

Het Bestuur beschouwt als geldig een vermelding onderaan de akte, vóór de registratie, op voorwaarde dat zij ondertekend werd door de twee partijen.

Hetzelfde geldt in geval van aanbieding ter registratie van een verklaring bedoeld in artikel 31, 1°, van het Wetboek der registratierechten, die de kwestieuze vermelding bevat, op voorwaarde dat zij door de twee partijen werd ondertekend.

Maar een dergelijke verklaring die enkel werd ondertekend door één der partijen (hetzij door de vervreemder, hetzij door de verkrijger) laat de registratie met vrijstelling van het evenredig recht niet toe.

In geval van openbare verkoping volstaat een vermelding in het lastenboek; zij moet niet herhaald worden in het proces-verbaal van elke daarop volgende toewijzing.

Zo de vervreemding wordt gesloten onder de vorm van een akte houdende aanbod, gevolgd door een akte die de aanneming van het aanbod vaststelt, is de vermelding in de eerste akte voldoende.

§ 4. Tijdstip van de vervreemding.

26. Termijn.

Opdat de vervreemding van een gebouw of ervan aan de belasting over de toegevoegde waarde kan onderworpen zijn, is er vereist dat het bedoelde gebouw of gedeelte van gebouw vervreemd wordt vóór, tijdens of na de oprichting, doch uiterlijk op 31 december van het jaar na dat waarvoor het voor het eerst is opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing (Wetboek Btw, art. 9, § 3).

In geval van vervreemding vóór de oprichting, is er geen termijn gesteld voor de aanvang der werken na de vervreemding.

Daarentegen moet de vervreemding gebeuren uiterlijk op 31 december van het jaar na dat waarvoor het gebouw voor het eerst is opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing. Aangezien nieuw opgerichte gebouwen onderworpen zijn aan de onroerende voorheffing vanaf 1 januari volgend op de ingebruikneming (Wetboek der inkomstenbelastingen, Art. 394), kan het volgende voorbeeld gegeven worden: een huis wordt gebouwd tussen 1 april 1971 en 30 oktober 1971; op 1 maart 1972 wordt het in gebruik genomen; de onroerende voorheffing op dit gebouw is eisbaar vanaf het jaar 1973; de vervreemding die uiterlijk op 31 december 1974 geschiedt, kan, voor zover ze betrekking heeft op het gebouw, onderworpen zijn aan de belasting over de toegevoegde waarde en vrijgesteld van het evenredig registratierecht.

De ingebruikneming van het gebouw door de eigenaar of een huurder, stelt op zichzelf geen einde aan de periode van toepasselijkheid van de belasting over de toegevoegde waarde; zij doet enkel een termijn lopen waarvan het verstrijken dat gevolg heeft.

27. Gebrek aan vervreemding onder bezwarende titel binnen de termijn gesteld in artikel 9, § 3, van het Wetboek van de Btw.

Artikel 12, § 2, van het Wetboek van de Btw luidt als volgt:

"§ 2. De in artikel 8, § 1, bedoelde belastingplichtige die het door hem of voor zijn rekening opgerichte gebouw bij het verstrijken van de in artikel 9, § 3, bepaalde termijn niet vervreemd heeft, wordt geacht dat gebouw op dat tijdstip voor eigen behoeften aan zijn bedrijf te hebben onttrokken.

"Wanneer die belastingplichtige het gebouw vóór het verstrijken van de genoemde termijn om niet onder de levenden heeft overgedragen, heeft de onttrekking evenwel plaats op de datum van die overdracht.

"Die onttrekkingen zijn gelijkgesteld met een levering in die zin van artikel 10."

Volgens dat artikel 10 is de levering "het feit waarbij een goed ter beschikking van de verkrijger of de overnemer wordt gesteld ingevolge een contract onder bezwarende titel tot overdracht of aanwijzing van eigendom of vruchtgebruik".

Krachtens die teksten wordt de belasting over de toegevoegde waarde eisbaar lastens de persoon wiens geregelde werkzaamheid erin bestaat gebouwen op te richten of te laten oprichten om ze onder bezwarende titel te vervreemden:

  1. op 31 december van het jaar na dat waar zij voor het eerst zijn opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing voor wat betreft de gebouwen of gedeelten van gebouwen die hij heeft opgericht of laten oprichten en die niet uiterlijk op deze datum van 31 december werden vervreemd onder bezwarende titel of om niet;

  2. op de dag van de vervreemding om niet, voor wat betreft de gebouwen of gedeelten van gebouwen die uiterlijk op voormelde datum van 31 december om niet worden vervreemd.

Er valt op te merken dat het vermoeden vervat in het 1ste lid van artikel 12, § 2, van het Wetboek van de Btw, volgens hetwelk de belanghebbende geacht wordt het gebouw voor eigen behoeften aan zijn bedrijf te hebben onttrokken, een wettelijk vermoeden juris et de jure is (z. Memorie van toelichting op de wet van 3 juli 1969, Parl. besch., Kamer, buitengewone zitting 1968, nr. 88/1, blz. 22), dat dus niet kan weerlegd worden door het tegenbewijs.

Anderzijds verhindert de omstandigheid dat de belasting over de toegevoegde waarde eisbaar is wegens de onttrekking van een gebouw of gedeelte van een gebouw met het oog op een vervreemding onder kosteloze titel, niet dat de vervreemding onder kosteloze titel zelf onderworpen is aan het evenredig registratierecht.

28. Vervreemding na de termijn gesteld in artikel 9, § 3, van het Wetboek van de Btw.

De vervreemding na het verstrijken van de voormelde termijn valt buiten het toepassingsgebied van de belasting over de toegevoegde waarde en is onderworpen aan het evenredig registratierecht.

Dit is zo in alle gevallen, zelfs indien de geregelde werkzaamheid van de vervreemder erin bestaat gebouwen op te richten of te laten oprichten om ze onder bezwarende titel te vervreemden.

29. Bewijs van het tijdstip der vervreemding.

Omdat de datum van vervreemding onder bezwarende titel van een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de elementen is die bepalen of de handeling onderworpen is aan de regeling van de belasting over de toegevoegde waarde, en aangezien dit stelsel praktisch altijd voordelig is voor de vervreemder, bepaalt artikel 9, § 3, 1ste lid, van het Wetboek van de Btw dat de datum van die vervreemding alleen kan worden aangetoond "door bewijsmiddelen die tegen derden kunnen worden ingeroepen".

Volgens die tekst moet de datum van de vervreemding blijken uit de datum van een authentieke akte of uit de vaste datum die een onderhandse akte verkreeg overeenkomstig artikel 1328 van het Burgerlijk Wetboek.

Het bestuur neemt nochtans aan dat, zoals voor de toepassing van artikel 18 van het Wetboek der registratierechten (z. aanschr. nr. 11 van 26 maart 1956, Repertorium R.J., W.Reg. 18, nr. 1), het bewijs van de datum van de vervreemding ook kan blijken uit bestanddelen buiten de van de partijen zelf uitgaande akten en bescheiden, bijvoorbeeld uit de betaling van de prijs per bank- of postoverschrijving, de mededeling van de akte aan een openbaar bestuur, de aanvraag tot het bekomen van een lening gericht tot een kredietinstelling, door de koper in deze hoedanigheid, enz.

Afdeling III. – Voorwaarden voor de vrijstelling van het evenredig registratierecht in geval van vervreemding van gebouwen

30. Aard der goederen, aard van de overeenkomst, hoedanigheid van belastingplichtige in hoofde van de vervreemder en datum van de vervreemding.

De heffing van het vast recht bij de registratie van akten die overdragende of aanwijzende vervreemdingen onder bezwarende titel, andere dan inbrengen in vennootschap, van op te richten gebouwen, van gebouwen in oprichting of van nieuwe gebouwen vaststellen, is vooreerst ondergeschikt aan de voorwaarden opgesomd in artikel 159, 8°, 1ste lid, van het Wetboek der registratierechten (z.tekst van dit artikel onder nr. 8 hierboven). Die voorwaarden stemmen overeen met die welke vervuld moeten zijn voor de eisbaarheid van de belasting over de toegevoegde waarde: aard van het goed (z. nrs 10 en 11 hierboven), aard van het contract (z. nrs. 12 tot 16 hierboven), hoedanigheid van belastingplichtige van de vervreemder (z. nrs. 17 tot 25 hierboven) en tijdstip van de vervreemding (z. nrs 26 tot 29 hierboven).

31. Vermeldingen in de akte.

Artikel 159, 8°, van het Wetboek eist daarenboven "de aanduiding in de akte of in een geschrift dat bij die akte vóór de registratie is gevoegd:

  1. "1° van het kantoor waar de vervreemder wegens zijn beroep de periodieke aangiften moet indienen voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde;

  2. "2° in voorkomend geval, van het jaar waarvoor de eerste inkohiering van de onroerende voorheffing der vervreemde gebouwen heeft plaatsgehad."

Wanneer de inkohiering bedoeld onder 2o hierboven nog niet plaats vond, moet de akte of het bij die akte gevoegd geschrift, bij toepassing van artikel 168 van het Wetboek der registratierechten, of wel die omstandigheid vermelden, of wel, in voorkomend geval vermelden dat de vervreemding gebeurde vóór of tijdens de oprichting van het vervreemde gebouw of gedeelte van gebouw.

De verklaringen te doen ter uitvoering van artikel 159, 8°, 1° en 2°, en van artikel 168 van het Wetboek der registratierechten mogen, in geval van authentieke akte, namens de partijen door de instrumenterende openbare ambtenaar worden gedaan.

De vermelding waarvan sprake onder 1° hierboven beoogt, door haar bewoordingen, het geval van de vervreemder wiens geregelde werkzaamheid erin bestaat gebouwen op te richten of te laten oprichten om ze onder bezwarende titel te vervreemden en die hierdoor van rechtswege de hoedanigheid van belastingplichtige heeft (art. 8, § 1, van het Wetboek van de Btw) en, bijgevolg, ertoe gehouden is periodieke aangiften in te dienen voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde.

Zo, daarentegen, de vervreemder slechts belastingplichtige is omdat hij voor die hoedanigheid opteerde (z. hierboven nrs. 21 tot 25), dan moet men, bij toepassing van de artikelen 159, 8°, en 168 van het Wetboek der registratierechten, in de akte of in het bij die akte gevoegd geschrift, het controlekantoor van de Btw vermelden waar de verklaring voorgeschreven in het 1° van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 14 van 3 juni 1970, werd ingediend. In dat geval mag het voordeel van registratie tegen het vast recht worden toegestaan indien de verklaring op het controlekantoor werd ingediend uiterlijk op de datum van de akte die voor het bestuur de eerste gekende titel van de vervreemding uitmaakt, en voor zover die akte de vermelding bevat van de bedoeling van de vervreemder de vervreemding te doen met toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde. Zo, bijvoorbeeld, het bestuur kennis krijgt van de vervreemding door de registratie van een notariële of onderhandse akte die deze vervreemding vaststelt, dan volstaat het dat de verklaring bij het controlekantoor werd gedaan uiterlijk op de datum van die akte en dat deze laatste de vermelding bestemd voor de verkrijger bevat.

Afdeling IV. – Tarief

32. Tarief van de Btw.

Het tarief van de Btw bedraagt 14 t.h. voor:

  • gebouwen bedoeld in artikel 9, § 3, van het Wetboek van de Btw (koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970, art. 1, 2o, en tabel B, IX, 1, van de bijlage bij dat besluit, aanschr. nr. 2837), met inbegrip van de roerende goederen die niet dienen voor de exploitatie van het gebouw, maar die er blijvend aan verbonden zijn en die samen met het gebouw worden vervreemd (z. hierboven nr. 2);

  • werk in onroerende staat (zelfde besluit en tabel B, IX van de bijlage).

33. Tarief der registratierechten.

De wet van 10 juli 1969 brengt geen enkele wijziging aan in de tarieven die voorkomen in het Wetboek der registratierechten.

De inlassing in dat Wetboek van artikel 159, 8°, en de invoering van de belasting over de toegevoegde waarde voor vervreemdingen van gebouwen, sluit de toepassing van de tarieven voorzien door de artikelen 52 en 53 van het Wetboek der registratierechten niet uit.

Voormeld artikel 52 verlaagt tot 1,50 t.h. het recht voor de verkopingen van woningen toegestaan door de Nationale Maatschappij voor de huisvesting, de Nationale Landmaatschappij, de door hen erkende maatschappijen, de openbare besturen of de openbare instellingen, aan personen wie de door de Staat verleende aankooppremie ten goede komt. Zo in die gevallen de in de verkoop begrepen gebouwen onderworpen zijn aan de belasting over de toegevoegde waarde, dan mag het verminderd recht van 1,50 t.h. worden toegepast voor de grond die begrepen is in hetzelfde enig contract van verkoop.

Dezelfde toestand doet zich voor en een soortgelijke oplossing mag aangenomen worden voor wat betreft het verminderd recht voorzien door artikel 53 van het Wetboek der registratierechten, in geval van verkoop van een woning of een onroerend landgoed, begrijpende grond en gebouwen: indien de gebouwen onderworpen zijn aan de belasting over de toegevoegde waarde, mag het verminderd registratierecht worden toegepast op de grond begrepen in hetzelfde enig contract van verkoop.

Hetgeen gezegd werd in de twee vorige leden veronderstelt dat alle voorwaarden om van het verminderd tarief te genieten vervuld zijn, zelfs ten opzichte van de gebouwen en voor zover ze betrekking hebben op die gebouwen. Aldus, voor de toepassing van artikel 53 van het Wetboek der registratierechten, is het nodig:

  • dat het verkochte onroerend goed (grond en gebouwen), naar gelang van het geval, een onroerend landgoed of een woning is, in de zin van voormeld artikel 53;

  • rekening te houden met het kadastraal inkomen zowel van de gebouwen als van de grond, om na te gaan of het maximum kadastraal inkomen niet werd overschreden;

  • dat het aan de akte gehecht uittreksel uit de kadastrale legger (W.Reg., Art. 55, 1°) eveneens betrekking heeft op de verkregen gebouwen; indien het kadastraal inkomen van de gebouwen nog niet werd vastgesteld, moeten de artikelen 56 en 58 van het genoemde wetboek worden toegepast;

  • dat de vermeldingen voorgeschreven door artikel 55, 2o, betrekking hebben zowel op de gebouwen als op de grond;

  • dat er voldaan wordt aan de voorwaarde van uitbating, voor een onroerend landgoed, of bewoning, voor een woning, zowel voor de grond als voor de gebouwen.

Afdeling V. – Maatstaf van heffing

§ 1. Algemene regels.

34. Maatstaf van heffing van de Btw.

In principe wordt de belasting over de toegevoegde waarde berekend over het totale bedrag van de prijs en van de lasten en andere prestaties welke de leverancier van het goed of de dienstverrichter aan zijn medecontractant oplegt (Wetboek Btw, art. 26, 1ste lid). Bij vordering (opeising) of onteigening door of vanwege de overheid wordt de wederbeleggingsvergoeding evenwel niet begrepen in de maatstaf van heffing (Wetboek Btw, art. 31).

Anderzijds behoort de belasting over de toegevoegde waarde zelf in geen enkel geval tot de maatstaf van heffing (zelfde Wetboek, art. 28, 6°).

Artikel 32, 1ste lid, van het Wetboek van de Btw bepaalt dat bij ruil en, meer algemeen, wanneer de tegenprestatie niet uitsluitend uit een geldsom bestaat, die prestatie voor de berekening van de belasting op haar normale waarde wordt gerekend; het 2de lid van hetzelfde artikel preciseert dat "onder normale waarde wordt verstaan de prijs die hier te lande, op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt, in dezelfde handelsfase voor iedere van de prestaties kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen". Naast het uitdrukkelijk genoemde geval van ruil, is artikel 32 onder meer toepasselijk in geval van verdeling en inbreng in vennootschap.

De normale waarde, zoals zij wordt bepaald door artikel 32, 2de lid, van het Wetboek van de Btw, vormt eveneens de maatstaf van heffing wanneer de belasting eisbaar is op een gebouw ingevolge artikel 12, § 2, van genoemd wetboek (z. Wetboek Btw, art. 33, en nr. 27 hierboven).

Voor het geval waarin gebouwen, bedoeld in artikel 9, § 3, van het Wetboek van de Btw, samen met de grond waarop ze zijn opgericht voor een enige prijs worden vervreemd, bepaalt artikel 30 van hetzelfde wetboek dat de belasting wordt berekend over de bedongen prijs en lasten (in geld of anders), onder aftrek van de verkoopwaarde van de grond, geraamd op het tijdstip van de vervreemding doch met inachtneming van de staat van de grond vóór de aanvang van het werk.

35. Minimummaatstaf van heffing. Normale waarde.

Artikel 36 van het Wetboek van de Btw bepaalt dat de maatstaf van heffing niet lager dan de normale waarde mag zijn ten aanzien van gebouwen bedoeld in artikel 9, § 3, en werk in onroerende staat, wanneer het betrekking heeft op op te richten gebouwen. Dat artikel is als volgt opgesteld:

"Art. 36. § 1. De maatstaf van heffing mag niet lager zijn dan de normale waarde zoals die is bepaald door artikel 32, tweede lid, ten aanzien van:

  1. gebouwen bedoeld in artikel 9, § 3;

  2. werk in onroerende staat, wanneer het betrekking heeft op op te richten gebouwen.

§ 2. Wanneer de opdrachtgever meer dan één contract sluit voor de oprichting van een gebouw, mag het totaal van de maatstaven van heffing betreffende die contracten, niet lager zijn dan de normale waarde van de gezamenlijke werken.

Wanneer werken in onroerende staat betrekking hebben op de voltooiing van een gebouw dat met betaling van de belasting werd verkregen, mag het totaal van de maatstaven van heffing niet lager zijn dan het minimum dat in het vorige lid is aangegeven.

§ 3. In afwijking van artikel 32, lid 2, kan de Koning ten aanzien van goederen en diensten bedoeld in de §§ 1 en 2, het tijdstip bepalen dat in aanmerking dient te worden genomen voor de vaststelling van de normale waarde."

36. Bewijs van een ongenoegzaamheid.

Het bewijs dat de normale waarde hoger is dan de prijs of de aangegeven waarde wordt geregeld door artikel 59 van het Wetboek van de Btw, dat in de volgende bewoordingen het bewijs toelaat, enerzijds, door middelen van gemeen recht en, anderzijds, door een deskundige schatting:

"Art. 59. § 1. Overtredingen van de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën.

De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

§ 2. Onverminderd de in § 1 genoemde bewijs middelen, is de door de Minister van Financiën aangewezen ambtenaar of de belastingplichtige bevoegd een deskundige schatting te vorderen om de normale waarde van de in artikel 36, §§ 1 en 2 bedoelde goederen en diensten te bepalen.

Die bevoegdheid bestaat eveneens ten aanzien van de goederen bedoeld in artikel 12, § 2, en de diensten bedoeld in artikel 19, 2°, wanneer ze betrekking hebben op de oprichting van een gebouw.

Als minimummaatstaf van heffing geldt de normale waarde van het goed of van de dienst, zoals ze door de deskundige is bepaald.

De Koning geeft regelen in verband met de schattingsprocedure. Hij bepaalt de termijn waarbinnen die procedure moet worden ingesteld en wijst aan wie de kosten ervan moet dragen."

37. Gevolgen van een ongenoegzaamheid.

Wanneer ten aanzien van goederen en diensten waarvoor de in artikel 59, § 2, van het Wetboek van de Btw bedoelde deskundige schatting kan worden gevorderd, bevonden wordt dat de belasting over de toegevoegde waarde werd voldaan over een onvoldoende maatstaf, is de aanvullende belasting verschuldigd door de persoon tegen wie de schattingsprocedure dient te worden ingesteld (voormeld wetboek, art. 53, § 2). In dat geval verbeurt de schuldenaar van de aanvullende belasting een geldboete ten bedrage van die belasting indien het tekort gelijk is aan of groter is dan een achtste van de maatstaf waarover de belasting werd voldaan (zelfde wetboek, art. 70, § 5).

De persoon tegen wie de schattingsprocedure moet worden ingesteld, wordt aangeduid door het koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970 (aanschr. nr. 2829).

Volgens de tekst van artikel 70, § 5, van het Wetboek van de Btw is de boete wegens een ongenoegzaamheid die gelijk is aan of groter is dan een achtste van de maatstaf waarover de belasting over de toegevoegde waarde werd voldaan, eisbaar, welk ook het middel zij waardoor de ongenoegzaamheid werd vastgesteld (erkenning door de schuldenaar van de belasting, bewijs door middelen van gemeen recht of deskundige schatting).

38. Deskundige schatting.

Het koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970 (aanschr. nr. 2829), genomen in uitvoering van de artikelen 36, 53, § 2, en 59, § 2, van het Wetboek van de Btw:

  • regelt de schattingsprocedure;

  • bepaalt de termijn waarin die procedure moet worden ingeleid;

  • wijst de ambtenaar aan die de vordering tot deskundige schatting moet inleiden;

  • duidt de persoon aan tegen wie de procedure moet worden ingeleid en die, bijgevolg, in voorkomend geval, schuldenaar wordt van de aanvullende rechten en van een boete (z. Wetboek van de Btw, art. 53, § 2, en 70, § 5);

  • geeft de gevallen aan waarin de schuldenaar van de aanvullende belasting, bij toepassing van artikel 59, § 2, van het Wetboek van de Btw zelf de deskundige schatting kan vorderen;

  • bepaalt het tijdstip dat in aanmerking dient te worden genomen voor de vaststelling van de normale waarde en wijst de persoon aan die de kosten van de deskundige schatting moet dragen.

Er valt op te merken dat, niettegenstaande het feit dat de belasting over de toegevoegde waarde voldaan wordt op basis van een door de belastingplichtige in te dienen aangifte (Wetboek van de Btw, art. 50, § 1, 3° en 4°), en dat zij bijgevolg niet wordt geheven bij de registratie van een akte, er van de vordering tot deskundige schatting moet kennis gegeven worden door of aan de ontvanger der registratie in de gevallen bepaald in de artikelen 1, 14, § 2, en 19, van het koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970.

§ 2. Toepassingen en bijzondere regels.

39. Onderscheiden contracten van vervreemding van de grond en van aanneming voor het oprichten van het gebouw.

Wanneer er twee contracten bestaan, het eerste zijnde een vervreemding van de grond, en het andere een werkaanneming voor het oprichten van het gebouw, gesloten tussen dezelfde personen of tussen verschillende personen, dan is elk van die contracten onderworpen aan zijn eigen fiscaal regime.

De vervreemding van de grond ondergaat het registratierecht volgens de aard van het contract (verkoop, verdeling, inbreng in vennootschap, enz.) en op de basis aangeduid door het Wetboek der registratierechten.

De bouwaanneming is, indien de aannemer een belastingplichtige is, onderworpen aan de belasting over de toegevoegde waarde over het totale bedrag van de prijs en van de lasten en andere prestaties opgelegd aan de opdrachtgever, met minimum van de normale waarde der geleverde prestatie (prijs die normaal kan bekomen worden voor de oprichting van het gebouw).

Een ongenoegzaamheid vastgesteld op de prijs of op de verklaarde waarde van de grond, blijft zonder invloed op de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde wegens de bouwaanneming. In voorkomend geval moet de controleschatting voor de grond door de ontvanger der registratie worden gevorderd (W.Reg., art. 190).

Omgekeerd heeft een ongenoegzaamheid van de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde ten opzichte van de normale waarde van de bouwaanneming, geen weerslag op de heffingsbasis van het registratierecht op de grond.

De eventuele deskundige schatting om de normale waarde van de bouwaanneming te bepalen moet worden ingeleid door een vordering waarvan kennis gegeven wordt door of aan het hoofd van het controlekantoor van de Btw (koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970, art. 14 en 19).

40. Vervreemding bij twee afzonderlijke contracten, waarvan het ene de grond tot voorwerp heeft en het andere de gebouwen.

De vervreemding van de grond is onderworpen aan het registratierecht volgens de aard van het contract en op de heffingsgrondslag bepaald door het Wetboek der registratierechten.

Zo de vervreemding van het (op te richten, in oprichting zijnde of reeds opgericht) gebouw, door de vervreemder van de grond of door een andere persoon alle voorwaarden voor de eisbaarheid van de belasting over de toegevoegde waarde vervult, dan zal deze belasting verschuldigd zijn over het totale bedrag van de prijs en van de lasten en andere prestaties opgelegd aan de afstandhouder, met minimum van de normale waarde van het vervreemde gebouw. Naast de belasting over de toegevoegde waarde zou er een evenredig registratierecht eisbaar zijn wegens de vervreemding van de gebouwen, indien alle voorwaarden vereist voor de vrijstelling van dat evenredig recht niet vervuld waren (b.v. in geval van inbreng in vennootschap).

Een ongenoegzaamheid vastgesteld op de prijs of de verklaarde waarde van de grond heeft geen invloed op de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde wegens de vervreemding van de gebouwen, en een ongenoegzaamheid op deze laatste maatstaf van heffing kan de heffingsbasis van het registratierecht verschuldigd op de vervreemding van de grond niet wijzigen.

Een eventuele controleschatting om de verkoopwaarde van de grond te bepalen dient gevorderd door de ontvanger der registratie (W.Reg., art. 190).

In geval van deskundige schatting om de normale waarde van het gebouw, onderworpen aan de belasting over de toegevoegde waarde te bepalen, moet de kennisgeving van de vordering van die deskundige schatting gedaan worden door of aan de ontvanger der registratie (koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970, art. 1 en 19).

41. Onttrekking van een gebouw door een belastingplichtige van rechtswege.

Wanneer iemand wiens geregelde werkzaamheid erin bestaat gebouwen op te richten of te laten oprichten om ze te vervreemden onder bezwarende titel, uiterlijk op 31 december van het jaar na dat waarvoor de eerste inkohiering van de onroerende voorheffing plaatsvond, een door hem of voor zijn rekening opgericht gebouw niet heeft vervreemd, dan wordt die persoon schuldenaar van de belasting over de toegevoegde waarde wegens bedoeld gebouw dat hij geacht wordt voor eigen behoeften aan zijn bedrijf te hebben onttrokken; evenzo, wanneer zulke persoon een dergelijk gebouw vóór genoemde datum om niet overdraagt, dan wordt hij schuldenaar van de belasting over de toegevoegde waarde op het ogenblik van de overdracht.(Wetboek Btw, art. 12, § 2; z. hierboven nr. 27).

In die gevallen vormt de normale waarde van het gebouw de maatstaf van heffing (zelfde wetboek, art. 33).

Een eventuele vordering tot deskundige schatting om die normale waarde te bepalen moet door of aan de ontvanger der registratie kennis worden gegeven. (Koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970, art. 1 en 19).

42. Vervreemding, voor een niet gesplitste prijs, van een onroerend goed bestaande uit gebouwen en grond.

Wanneer (op te richten, in oprichting zijnde of reeds opgerichte) gebouwen worden vervreemd samen met de grond waarop ze opgericht zijn of zullen worden, voor een niet gesplitste prijs, en de vervreemding van de gebouwen onderworpen is aan de belasting over de toegevoegde waarde en vrijgesteld is van het evenredig registratierecht, dan wordt het evenredig registratierecht op de vervreemding van de grond berekend op de verkoopwaarde van die grond, geraamd op het tijdstip van de vervreemding doch met inachtneming van de staat van de grond vóór de aanvang van het werk, in dat geval wordt de belastbare verkoopwaarde van de grond aangeduid in een overeenkomstig artikel 168 van het Wetboek der registratierechten onderschreven verklaring.

(Zelfde wetboek, art. 159, 8°.) Het is dus niet het deel van de prijs dat betrekking heeft op de grond dat de heffingsgrondslag vormt en dat moet verklaard worden.

De maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde wegens de vervreemding van de gebouwen wordt bekomen door van de bedongen prijs en lasten (voor de gebouwen en de grond samen) af te trekken de verkoopwaarde van de grond, geraamd op het tijdstip van de vervreemding doch met inachtneming van de staat van de grond vóór de aanvang van het werk. (Wetboek Btw, art.30.) Naar luid van artikel 36, § 1, a, van hetzelfde wetboek, mag die maatstaf van heffing niet lager zijn dan de normale waarde van de vervreemde gebouwen.

De administratie heeft het recht aan te tonen, door middelen van gemeen recht en door de deskundige schatting, dat de verkoopwaarde van de grond en/of de normale waarde van de gebouwen hoger zijn dan de verklaarde waarden. (W.Reg., art. 185 en 189, Wetboek Btw, art. 59.) Maar, voor het geval van meerwaarde op de verklaarde waarden, bepaalt artikel 9, § 3 leden 3 en 4: "In geen geval mag het totaal van de ... waarden voor de grond en voor het gebouw meer bedragen dan de verkoopwaarde van het onroerend goed als geheel".

Daaruit volgt dat:

  • een meerwaarde vastgesteld op de grond de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde wegens de vervreemding van de gebouwen tot beloop van het bedrag van die meerwaarde vermindert, behalve wanneer, en in de mate waarin, een meerwaarde wordt vastgesteld op de verkoopwaarde van het geheel;

  • een meerwaarde vastgesteld op de gebouwen, de heffingsgrondslag van het registratierecht op de vervreemding van de grond vermindert tot beloop van het bedrag van die meerwaarde, behalve wanneer, en in de mate waarin, een meerwaarde wordt vastgesteld op de verkoopwaarde van het geheel.

De eventuele controleschatting om de verkoopwaarde van de grond, onderworpen aan het registratierecht, te bepalen, moet gevorderd worden door de ontvanger der registratie (W.Reg., art. 190).

Van de vordering tot deskundige schatting om de belastbare waarde van de gebouwen, onderworpen aan de belasting over de toegevoegde waarde te bepalen, moet kennis worden gegeven door of aan de ontvanger der registratie (koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970, art. 1 en 19) en, gelet op hetgeen werd gezegd met betrekking tot artikel 9, § 3, leden 3 en 4, van het Wetboek van de Btw, moet de schatting terzelfder tijd gedaan worden voor de verkoopwaarde van de grond, de normale waarde van de gebouwen en de verkoopwaarde van geheel het onroerend goed (zelfde koninklijk besluit, art. 3, 9 en 20).

43. Vervreemding van een onafgewerkt gebouw, gevolgd door een of meer aannemingscontracten voor de afwerking.

Het gebeurt dat een vervreemding onderworpen aan de belasting over de toegevoegde waarde een onafgewerkt gebouw als voorwerp heeft (b.v. de ruwbouw), en dat de afstandhouder een of meer aannemingscontracten sluit voor de afwerking van het gebouw. In dat geval is de maatstaf van heffing voor elk contract (vervreemding of aanneming) het totale bedrag van de prijs en van de lasten en andere prestaties opgelegd aan de afstandhouder of aan de opdrachtgever van het werk (Wetboek Btw, art. 26). Volgens artikel 36, § 2, van het zelfde Wetboek mag, in dat geval, het totaal van de maatstaven van heffing betreffende die contracten niet lager zijn dan de gezamenlijke normale waarde van het vervreemde (onafgewerkte) gebouw en van de uitgevoerde werken. Om een bijkomend bedrag aan belasting over de toegevoegde waarde te kunnen vorderen, volstaat het dus niet dat men aantoont dat de normale waarde van het gebouw of van een der aannemingen hoger is dan de belaste waarde van dat gebouw of die aanneming; er moet aangetoond worden dat het totaal van de normale waarden van alle prestaties (levering van het gebouw en uitvoering van de aannemingscontracten), elk afzonderlijk beschouwd, hoger is dan het totaal van de belaste waarden; op het verschil tussen die twee totalen is de aanvullende belasting eisbaar.

Voorbeeld.

Verkoop door A aan B van de ruwbouw van een gebouw met twee appartementen, voor de prijs van500.000 F
Aannemingscontract tussen A en B voor het stukadoorwerk en het bevloeren, mits de prijs van150.000 F
Aannemingscontract tussen B en C voor alle andere werken van afwerking der appartementen, mits de prijs van600.000 F
Totaal:1.250.000 F

De normale waarde bedraagt:

Voor de ruwbouw600.000 F
Voor het stukadoorwerk en de bevloering150.000 F
Voor de andere werken550.000 F
Totaal1.300.000 F

De aanvullende belasting is verschuldigd over 50.000 F (1.300.000 F - 1.250.000 F), en niet over 100.000 F (600.000 F - 500.000 F).

In geval van deskundige schatting moet zij betrekking hebben op het onafgewerkte gebouwen op elk der uitgevoerde aannemingen en zij moet gevorderd worden bij kennisgeving door of aan de ontvanger der registratie (koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970, art. 1, 14, § 2, 16, 17 en 19 tot 21).

44. Vervreemding van een onroerend goed bestaande uit grond en onafgewerkte gebouwen, voor een niet gesplitste prijs, gevolgd door een of meer aannemingscontracten voor de afwerking.

Wanneer onafgewerkte gebouwen samen met de grond worden vervreemd voor een niet gesplitste prijs, en de vervreemding van de (onafgewerkte) gebouwen onderworpen is aan de belasting over de toegevoegde waarde en vrijgesteld is van het evenredig registratierecht, dan wordt het evenredig registratierecht op de vervreemding van de grond berekend op de verkoopwaarde van die grond, geraamd op het tijdstip van de vervreemding doch met inachtneming van de staat van de grond vóór de aanvang van het werk; een overeenkomstig artikel 168 van het Wetboek der registratierechten onderschreven verklaring moet de belastbare verkoopwaarde van de grond vermelden. (Vergel. hierboven nr. 42, 1ste lid).

De belasting over de toegevoegde waarde wegens de vervreemding van de onafgewerkte gebouwen wordt berekend op een maatstaf die verkregen wordt door van de bedongen prijs en lasten (voor het onafgewerkte gebouw en de grond samen) de verkoopwaarde van de grond geraamd op het tijdstip van de vervreemding, doch met inachtneming van de staat van die grond vóór de aanvang van het werk, af te trekken. (Verg. hierboven, nr. 42, 2de lid).

Wanneer de vervreemding, die betrekking heeft op de grond en de onafgewerkte gebouwen, gevolgd wordt door een of meer aannemingscontracten voor de afwerking van de gebouwen, dan is voor elk van die aannemingscontracten de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde gelijk aan het totale bedrag van de prijs en van de lasten en andere prestaties opgelegd aan de opdrachtgever van het werk (Wetboek Btw, art. 26).

De administratie heeft het recht aan te tonen, door middelen van gemeen recht en door de controleschatting, dat de verkoopwaarde van de grond hoger is dan de verklaarde waarde. (W.Reg. art. 185 en 189.) Een eventuele schatting in dit verband moet door de ontvanger der registratie worden gevorderd. (W.Reg., art. 190).

De administratie mag eveneens aantonen, door middelen van gemeen recht en door de deskundige schatting, dat de normale waarde van de vervreemde onafgewerkte gebouwen en van de uitgevoerde aannemingen hoger is dan de verklaarde waarde.(Wetboek Btw, art. 59).

Om in geval van meerwaarde de belastbare basis van het registratierecht en van de belasting over de toegevoegde waarde te bepalen, moet men de artikelen 9, § 3, leden 3 en 4, en 36, § 2, van het Wetboek van de Btw gecombineerd toepassen. Daaruit volgt:

  1. 1° dat een meerwaarde inzake registratierecht, vastgesteld op de grond, de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde wegens de vervreemding van de onafgewerkte gebouwen vermindert tot beloop van die meerwaarde, behalve wanneer, en in de mate waarin, een meerwaarde wordt vastgesteld op het totaal der heffingsgrondslagen van het registratierecht (vervreemding van de grond) en van de belasting over de toegevoegde waarde (vervreemding van het onafgewerkte gebouw en uitvoering van de aannemingen);

  2. 2° dat om het totaal van die heffingsgrondslagen te bepalen:

    1. eerst de normale waarde van de onafgewerkte gebouwen en de verkoopwaarde van geheel het vervreemde onroerend goed (grond en onafgewerkte gebouwen) moet bepaald worden;

    2. vervolgens de normale waarde moet bepaald worden van elk der uitgevoerde aannemingen, afzonderlijk beschouwd;

    3. de som van de verkoopwaarde van het gehele vervreemde onroerend goed (vervreemde grond en onafgewerkte gebouwen) en van de normale waarde van alle uitgevoerde aannemingen, elk afzonderlijk beschouwd (verg. hierboven, nr. 43) geeft het totaal van de heffingsgrondslagen van het registratierecht en van de belasting over de toegevoegde waarde;

  3. 3° dat de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde gelijk is aan het verschil tussen het totaal bekomen zoals gezegd onder litt. c hierboven en de verkoopwaarde van de grond;

  4. 4° dat een meerwaarde, vastgesteld op de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde, de heffingsgrondslag van het registratierecht op de vervreemding van de grond vermindert tot beloop van die meerwaarde, behalve wanneer, en in de mate waarin, een meerwaarde wordt vastgesteld op het totaal der heffingsgrondslagen van het registratierecht en van de belasting over de toegevoegde waarde (verg. 2° en 3° hierboven).

Een eventuele deskundige schatting om de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde te bepalen moet gevorderd worden bij kennisgeving door of aan de ontvanger der registratie (koninklijk besluit nr. 15 van 3 juni 1970, art. 1, 14, § 2, en 19) en moet terzelfder tijd betrekking hebben op de verkoopwaarde van de grond, op de normale waarde van de vervreemde onafgewerkte gebouwen, op de verkoopwaarde van geheel het vervreemde onroerend goed en op elk der uitgevoerde aannemingen (zelfde besluit, art. 3, 9, 14, § 2, 16, 17, 20 en 21).

Afdeling VI. – Overgangsmaatregelen

45. Teksten.

Artikel 99, § 3, van het Wetboek van de Btw laat de Koning toe te regelen:

"de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, alsmede de teruggaaf, voor gebouwen die, op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, met het oog op verkoop waren opgericht volgens de voorzieningen van artikel 61(2) van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen of in oprichting waren, alsmede voor dienstverrichtingen die niet voltooid waren op dat tijdstip".

Die toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde en die teruggaaf worden geregeld door het koninklijk besluit nr. 21 van 20 juli 1970 (aanschr. nr. 2841) dat onder meer de volgende bepalingen bevat betreffende gebouwen:

"Art. 20. § 1. De in artikel 8, § 1, van het Wetboek bedoelde belastingplichtige heeft, binnen de perken en onder de voorwaarden bepaald bij artikel 21 van dit besluit, recht op teruggaaf van de met het zegel gelijkgestelde taksen die hij betaald heeft voor de gebouwen waarvan hij eigenaar is op het tijdstip van inwerkingtreding van het Wetboek en die op dat tijdstip in oprichting zijn.

Het eerste lid is eveneens van toepassing op de gebouwen die op het tijdstip van inwerkingtreding van het Wetboek voltooid zijn, voor zover ze geheel of gedeeltelijk opgericht zijn onder de regeling van artikel 61(2), § 2, van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, en voor zover de in artikel 61(2), § 2, tweede lid, van dat Wetboek bedoelde faktuurtaks op de werkaannemingscontracten van 7 pct., niet opeisbaar is geworden vóór 1 juli 1970.

§ 2. De gebouwen waarvoor de teruggaaf wordt verleend krachtens § 1 zijn voor het geheel aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen in de gevallen bedoeld in de artikelen 8, § 1, 9, § 3, en 12, § 2, van het Wetboek.

Art. 21. Het bedrag van de op grond van artikel 20, § 1, verleende teruggaaf wordt berekend:

  1. 1° voor volledig opgerichte gebouwen, tegen het tarief van 5 pct., over de normale waarde van die gebouwen. Onder normale waarde wordt hier verstaan de prijs die op het tijdstip van inwerkingtreding van het Wetboek kan worden verkregen voor het goed, de grond inbegrepen, in een verkoop onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen, doch onder aftrek van de verkoopwaarde van de grond, geraamd op hetzelfde tijdstip maar met inachtneming van de staat ervan vóór de aanvang van het werk;

  2. 2° voor in oprichting zijnde gebouwen, tegen het tarief van 4,50 pct, over de kostprijs van het deel der verrichte werken en leveringen dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het Wetboek reeds onroerend uit zijn aard geworden is.

Het teruggaaftarief wordt evenwel bepaald op 1 pct. in de mate waarin, met het oog op de oprichting van een in artikel 20 bedoeld gebouw, enkel werken voor het geschikt maken van het terrein, grond-, wegenis- of funderingswerken werden uitgevoerd, met of zonder inlijving van materialen.

Het overeenkomstig het eerste en het tweede lid berekende bedrag van de teruggaaf wordt verhoogd met de faktuurtaks op de werkaannemingscontracten, van 7 pct. of van 7 p.m. naar gelang van het geval, die door de eigenaar van het gebouw werd betaaLd voor het werk in onroerende staat dat door een ander voor zijn rekening werd uitgevoerd vóór de inwerkingtreding van het Wetboek.

"Art. 22. De in artikel 8, § 2, van het Wetboek bedoelde belastingplichtige heeft ten aanzien van het voltooide of in oprichting zijnde gebouw recht op de teruggaaf ingesteld bij artikel 20, § 1, in de mate waarin hij, na de inwerkingtreding van het Wetboek, het gebouw onder bezwarende titel vervreemdt met betaling van de belasting en op het tijdstip bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 14, van 3 juni 1970."

46. In artikel 8, § 1, van het Wetboek van de Btw bedoelde belastingplichtige.

De persoon wiens geregelde werkzaamheid erin bestaat gebouwen op te richten of te laten oprichten om ze onder bezwarende titel te vervreemden, heeft recht op de teruggaaf van de met het zegel gelijkgestelde taksen die hij betaald heeft voor de gebouwen waarvan hij eigenaar is op 1 januari 1971, en die, op dat tijdstip:

  1. 1° hetzij in oprichting zijn;

  2. 2° hetzij voltooid zijn, maar die geheel of gedeeltelijk opgericht zijn onder de regeling van artikel 612, § 2, van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen en waarvoor de in artikel 612, § 2, 2de lid, van dat Wetboek bedoelde factuurtaks van 7 pct. niet opeisbaar is geworden vóór 1 juli 1970. (Koninklijk besluit nr. 21 van 20 juli 1970, art. 20, § 1).

De gebouwen waarvoor de teruggaaf wordt verleend zoals gezegd in het vorige lid, zijn voor het geheel aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen in de gevallen bedoeld in de artikelen 8, § 1, 9, § 3, en 12, § 2. (Zelfde koninklijk besluit, art. 20, § 2).

De vervreemdingen van dezelfde gebouwen die gebeuren vanaf 1 januari 1971, zijn vrijgesteld van het evenredig registratierecht indien alle voorwaarden gesteld door artikel 159, 8°, van het Wetboek der registratierechten, en onder meer de vormvereisten (z. nr. 31 hierboven), vervuld zijn.

Daarentegen heeft de in artikel 8, § 1, van het Wetboek van de Btw bedoelde belastingplichtige geen recht op teruggaaf van de met het zegel gelijkgestelde taksen die hij betaalde voor de gebouwen waarvan hij op 1 januari 1971 eigenaar is en die, op dat tijdstip, afgewerkt zijn en die:

  1. of wel opgericht werden zonder toepassing van de regeling van artikel 61(2), § 2, van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen;

  2. of wel geheel of gedeeltelijk werden opgericht onder de regeling van het genoemde artikel 61(2), § 2, maar waarvoor de in het 2de lid van hetzelfde artikel 61(2), § 2, bedoelde factuurtaks van 7 pct. opeisbaar is geworden vóór 1 juli 1970.

De gebouwen bedoeld onder litt. a en b hierboven blijven buiten de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde. De verrichtingen betreffende die gebouwen zijn onderworpen aan het registratierecht volgens de aard van die verrichtingen.

Gelet op het verschillend stelsel dat gedurende een overgangsperiode van toepassing kan zijn op de vervreemdingen van gebouwen, gedaan door een in artikel 8, § 1, van het Wetboek van de Btw bedoelde belastingplichtige wordt tot 31 december 1972 de vrijstelling van het evenredig registratierecht voor de vervreemding van afgewerkte gebouwen, ondergeschikt gemaakt aan de melding in de akte, onafhankelijk van hetgeen gezegd werd onder nr. 31 hierboven, hetzij dat de gebouwen niet waren afgewerkt op 31 december 1970, hetzij, in het tegenovergestelde geval, dat de vervreemder voor het vervreemde gebouw recht heeft op de teruggaaf bedoeld in artikel 20, § 1, 2de lid, van het koninklijk besluit nr. 21 van 20 juli 1970 en dat, bijgevolg, de vervreemding van het gebouw die wordt vastgesteld in de akte, werkelijk onderworpen is aan de belasting over de toegevoegde waarde.

47. In Artikel 8, § 2, van het Wetboek van de Btw bedoelde belastingplichtige.

Hij die, anders dan in de uitoefening van een geregelde werkzaamheid, een gebouw opricht of laat oprichten, kan teruggaaf bekomen van de door hem betaalde taksen voor een gebouw bedoeld onder 1° en 2° van nr. 46 hierboven, indien hij dat gebouw vervreemdt met toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde onder de voorwaarden bepaald door of in uitvoering van de artikelen 8, § 2, en 9, § 3, van het Wetboek van de Btw.

In dat geval is de vervreemding van het gebouw, die gebeurt vanaf 1 januari 1971, vrijgesteld van het evenredig registratierecht indien alle voorwaarden gesteld door artikel 159, 8°, van het Wetboek der registratierechten en, onder meer de vormvoorwaarden (z. hierboven nr. 31) vervuld zijn.

De optie voor het stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde is niet mogelijk voor de gebouwen bedoeld onder litt. a en b van nr. 46 hierboven. De verrichtingen betreffende zulke gebouwen zijn onderworpen aan het registratierecht volgens de aard van die verrichtingen.

Hoofdstuk III. – Lichamelijke roerende goederen

48. Eisbaarheid van de Btw.

De belasting over de toegevoegde waarde is verschuldigd op de leveringen in België van uit hun aard roerende goederen, wanneer die leveringen worden gedaan ingevolge een contract onder bezwarende titel tot overdracht of aanwijzing van eigendom of vruchtgebruik, door een belastingplichtige - d.w.z. ieder wiens werkzaamheid erin bestaat geregeld en zelfstandig leveringen van goederen of diensten te verrichten die in het Wetboek van de Btw zijn omschreven - in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid. (Wetboek Btw, art. 2, 1°, 4, 9, § 1, en 10, vgl. nr. 2 hierboven).

Door "uit hun aard roerende goederen" bedoelt artikel 9, § 1, van het Wetboek van de Btw zowel de gebruikte goederen als de nieuwe goederen (Memorie van toelichting op de wet van 3 juli 1969, Parl. besch., Kamer, buitengewone zitting 1968, nr. 88/1, blz. 18).

Voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde moet er geen onderscheid gemaakt worden tussen verkopingen uit de hand en openbare verkopingen. (Memorie van toelichting op de wet van 10 juli 1969, Parl. besch., Kamer, buitengewone zitting 1968, nr. 91/1, blz. 3).

Krachtens artikel 2, 3°, van het Wetboek van de Btw is de hoedanigheid van belastingplichtige niet vereist in hoofde van de vervreemder voor de eisbaarheid van de belasting over de toegevoegde waarde, wanneer de levering betrekking heeft op de volgende goederen:

  1. automobielen, motorrijwielen en andere motorrijtuigen voor vervoer te land, ongeacht de soort van de motor, alsmede aanhangwagens daarvoor; chassis en carrosserieën voor die automobielen, rijtuigen en aanhangwagens;

  2. jachten, plezierboten en buitenboordmotoren;

  3. vliegtuigen, watervliegtuigen, hefschroefvliegtuigen en andere dergelijke toestellen, en zweefvliegtuigen.

Om te voorkomen dat een zelfde vervreemding van lichamelijke roerende goederen terzelfder tijd zou onderworpen zijn aan de belasting over de toegevoegde waarde en aan een registratierecht of dat een lichamelijk roerend goed, normaal bestemd om het voorwerp uit te maken van handelingen onderworpen aan gezegde belasting, bezwaard wordt en blijft met een registratierecht, heeft de wet van 10 juli 1969 aan het Wetboek der registratierechten de hierna onder de nrs. 49 tot 57 uiteengezette wijzigingen aangebracht.

49. Afzonderlijke verkrijgingen van de grond en van de opstal (constructies, bomen).

Een vervreemding die terzelfder tijd betrekking heeft op een grond en op de opstal (constructies, bomen) is een onroerende verrichting voor het geheel die, als dusdanig, het registratierecht van onroerende overgang eisbaar maakt zowel op de constructies en de bomen als op de grond, die het voorwerp uitmaken van die verrichting.

Een vervreemding die betrekking heeft op te slopen gebouwen of te vellen bomen, heeft goederen als voorwerp die de contracterende partijen beschouwen als reeds afgescheiden van de grond en die, hierdoor, roerende goederen bij vervroeging zijn, dus roerende goederen uit hun aard.

Om te beletten dat de partijen zouden ontsnappen aan de heffing van het recht van onroerende overgang door een enige vervreemding te splitsen in twee contracten die betrekking hebben, het eerste op de grond en het andere op de opstal, werd door de artikelen 74 en 75 van het Wetboek der registratierechten, onder bepaalde voorwaarden, de eisbaarheid van het recht van onroerende overgang voorzien op de afzonderlijke verkrijgingen van constructies of bomen.

De vervreemdingen van roerende goederen bij vervroeging vallen onder toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde. (Wetboek Btw, art. 9, § 1; Memorie van toelichting op de wet van 3 juli 1969, Parl. besch., Kamer, buitengewone zitting 1968, nr. 88/1, blz. 18.) Dit is de reden waarom de artikelen 3 en 4 van de wet van 10 juli 1969 de artikelen 74 en 75 van het Wetboek der registratierechten wijzigen in die zin dat ze geen toepassing vinden wanneer de afzonderlijke vervreemding van constructies of bomen aanleiding heeft gegeven of geeft tot heffing van de belasting over de toegevoegde waarde.

Luidens het laatste lid van artikel 74 (nieuw) is dit artikel niet van toepassing zo er bewezen wordt dat de belasting over de toegevoegde waarde werd gekweten voor de levering van hout op stam of van te slopen gebouwen, afzonderlijk vervreemd vóór de vervreemding van de grond.

Er valt op te merken dat de uitzondering voorzien in het huidige artikel 74, voor het geval waarin het hout op stam verkregen werd meer dan achttien maand vóór de verkrijging van de grond, niet in de nieuwe tekst werd opgenomen en bijgevolg is opgeheven.

In het geval van artikel 75 van het Wetboek der registratierechten (vervreemding van hout op stam of van constructies ten bate van de eigenaar van de grond) is er, om de heffing van het evenredig registratierecht te vermijden in het geval waarin de vervreemding onderworpen is aan de belasting over de toegevoegde waarde, vereist dat, bij toepassing van de artikelen 75 en 168 van gezegd wetboek, in de akte of in een vóór de registratie aan die akte gehecht geschrift, er vermeld wordt dat de verkoper voor die vervreemding de hoedanigheid van belastingplichtige heeft en het kantoor waar hij de periodieke aangiften voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde indient.

50. Openbare verkopingen van inlands hout.

Krachtens artikel 80, 3°, van het Wetboek der registratierechten, zoals het werd gewijzigd bij artikel 6 van de wet van 10 juli 1969, zijn de openbare verkopingen van inlands hout geleverd op stam of geveld, vrijgesteld van het evenredig registratierecht.

Die vrijstelling is absoluut, in die zin dat zij zelfs toepasselijk is in geval van verkoop door iemand die niet de hoedanigheid van belastingplichtige voor de belasting over de toegevoegde waarde heeft. (Memorie van toelichting op de wet van 10 juli 1969, Parl. besch., Kamer, buitengewone zitting 1968, nr. 91/1, blz. 4).

51. Openbare verkopingen van goederen bedoeld in artikel 2, 3°, van het Wetboek van de Btw (automobielen, jachten, vliegtuigen, enz.).

De leveringen van goederen bedoeld in artikel 2, 3°, van het Wetboek van de Btw zijn onderworpen aan de belasting over de toegevoegde waarde, zelfs indien de vervreemder geen belastingplichtige is voor die belasting. (z. nr. 48 hierboven).

Om een dubbele heffing te vermijden, stelt artikel 80, 2°, van het Wetboek der registratierechten, zoals het werd gewijzigd bij artikel 6 van de wet van 10 juli 1969, vrij van het evenredig registratierecht de openbare verkopingen van de voormelde goederen, ongeacht de hoedanigheid van de verkoper (Memorie van toelichting op de wet van 10 juli 1969, Parl. besch., Kamer, buitengewone zitting 1968, nr. 91/1, blz. 4).

Naar luid van het laatste lid van voornoemd artikel 80 (nieuw) is de vrijstelling van het evenredig recht "ondergeschikt aan de vermelding, in het proces-verbaal of in een erbij gevoegd geschrift, vóór de registratie, van het kantoor waar de verkoper gehouden is de aangifte in te dienen die voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde wordt vereist". Dat voorschrift moet niet nageleefd worden wanneer de verkoper geen belastingplichtige is voor de belasting over de toegevoegde waarde. Immers, in dat geval is hij er niet toe gehouden een aangifte in te dienen voor de heffing van de belasting, maar artikel 9, § 1, van koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 (Aanschr. nr. 2796) verplicht hem de belasting over de toegevoegde waarde, eisbaar wegens de levering van een in artikel 2, 3o, van het Wetboek van de Btw bedoeld goed, te kwijten door het aanbrengen van fiscale zegels op een aan de koper uit te reiken stuk.

52. Openbare verkopingen van andere lichamelijke roerende goederen op verzoek van een belastingplichtige.

Artikel 80, 1°, van het Wetboek der registratierechten, zoals het werd gewijzigd bij artikel 6 van de wet van 10 juli 1969, stelt op algemene wijze vrij van het evenredig registratierecht de openbare verkopingen van alle lichamelijke roerende goederen, gedaan op verzoek van een belastingplichtige voor de belasting over de toegevoegde waarde. De vrijstelling is natuurlijk slechts van toepassing op de lichamelijke roerende goederen die verband houden met de uitoefening van de beroepswerkzaamheid waaruit de hoedanigheid van belastingplichtige voortspruit. Zo is, in geval van openbare verkoping op verzoek van een belastingplichtige, van beroepsmaterieel en van huisraad dienende voor zijn privégebruik, het evenredig registratierecht eisbaar op die huisraad.

De vrijstelling is ondergeschikt aan de vermelding, in de akte of in een erbij gevoegd geschrift, vóór de registratie, van het kantoor waar de verkoper periodiekde aangiften indient die voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde worden vereist, (W.Reg., art. 80, laatste lid).

Als gevolg van die algemene vrijstelling worden de huidige bepalingen van artikel 78 van het Wetboek der registratierechten – dat voorziet in bijzondere tarieven voor sommige openbare verkopingen van nieuwe koopwaren – en van de artikelen 80, 2°, en 159, 4°, van hetzelfde Wetboek – die een vrijstelling voorzien van het evenredig registratierecht voor bepaalde openbare verkopingen van onbewerkte koopwaren en voor de openbare verkopingen van zee- en binnenschepen – praktisch zonder nut, zij worden opgeheven bij de artikelen 5 tot 7 van de wet van 10 juli 1969.

53. Hoedanigheid van belastingplichtige van de verkoper.

De hoedanigheid van belastingplichtige van de verkoper blijft bestaan tijdens de verrichtingen van liquidatie van de werkzaamheid waaruit die hoedanigheid voortspruit en dit zolang die liquidatie niet definitief eindigde. Aldus, wanneer het materieeL van een aannemer van onroerende werken, die beslist heeft een einde te stellen aan die werkzaamheid, openbaar wordt verkocht in het kader van de liquidatie der zaken, dan heeft men te doen met een verkoop door een belastingplichtige. Hetzelfde is waar voor de openbare verkoping gedaan op verzoek van een vennootschap in vereffening.

54. Erfgenamen van een belastingplichtige.

De erfgenamen die uit de nalatenschap van een belastingplichtige goederen verkrijgen, worden door dat feit alleen nog geen belastingplichtigen (Verslag van de Verenigde Commissies voor de Economische Zaken en de Financiën van de Senaat op het ontwerp van wet tot invoering van het Wetboek van de Btw, Parl. besch., Senaat, zitting 1968-1969, nr. 455, blz. 91). Daaruit volgt dat wanneer de erfgenamen zich beperken tot het verkopen van de goederen van de onderneming van de overledene, die zij in de nalatenschap vonden, het niet gaat om verkopen gedaan door belastingplichtigen voor de belasting over de toegevoegde waarde.

Zo, daarentegen, één, enkele of alle erfgenamen het bedrijf van de overledene voortzetten, zelfs al ware het maar voorlopig, dan hebben deze of die erfgenamen, wegens die activiteit, de hoedanigheid van belastingplichtige en dan vallen de openbare verkopingen, gedaan op hun verzoek, onder toepassing van artikel 80, 1° (nieuw), van het Wetboek der registratierechten (voormeld verslag, zelfde referte).

55. Openbare verkopingen op verzoek van een landbouwondernemer.

Een landbouwondernemer die geregeld en zelfstandig leveringen van goederen of diensten bedoeld in het Wetboek van de Btw verricht is een belastingplichtige, (Voormeld Wetboek, art. 4).

Artikel 57 van hetzelfde Wetboek en het koninklijk besluit nr. 22 van 15 september 1970 (aanschr. nr. 2843) voorzien nochtans ten aanzien van de werkzaamheid van de landbouwondernemers, al naar gelang van het geval, in een bijzondere regeling of in de normale regeling van de belasting over de toegevoegde waarde (z. ook aanschr. nr. 59/1970).

Voor de toepassing van die bepalingen wordt als landbouwondernemer aangemerkt de belastingplichtige die een of meer van de volgende werkzaamheden uitoefent:

  • algemene landbouw;

  • groententeelt, fruitteelt, bloementeelt of sierplantenteelt;

  • champignonteelt, teelt van zaai- en pootgoed;

  • druiventeelt;

  • veeteelt, pluimveeteelt en konijnenteelt;

  • bijenteelt;

  • boomkweek;

  • bosbouw.

Uit voormelde bepalingen volgt dat bepaalde landbouwondernemers gehouden zijn tot het indienen van periodieke aangiften voor alle handelingen van hun beroepswerkzaamheid (of werkzaamheden), dat anderen periodieke aangiften moeten indienen voor een deel van hun werkzaamheid, maar vrijgesteld zijn van de aangiften voor de rest van hun werkzaamheid, en dat tenslotte sommige landbouwondernemers geen aangifte moeten indienen.

De andere landbouwondernemers dan zij die gehouden zijn tot het indienen van periodieke aangiften voor al hun handelingen, die een in artikel 2, 3°, van het Wetboek van de Btw bedoeld goed (automobielen, jachten, vliegtuigen, enz.; z. hierboven nr. 48, litt. a, b en c) verkopen, moeten de belasting over de toegevoegde waarde hierop eisbaar, kwijten door het aanbrengen van fiscale zegels op een stuk dat zij aan de koper uitreiken (koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969, art. 9, § 1, en koninklijk besluit nr. 22 van 15 september 1970, art. 4, § 3.)

Van zodra de landbouwondernemer een belastingplichtige is voor de belasting over de toegevoegde waarde, is artikel 80, 1°, (nieuw) van het Wetboek der registratierechten van toepassing op de openbare verkopingen gedaan op zijn verzoek, zonder dat er onderscheid moet worden gemaakt naargelang de landbouwondernemer ertoe gehouden is periodieke aangiften in te dienen voor al zijn beroepswerkzaamheden of slechts voor een deel ervan of dat hij vrijgesteld is van elke aangifte. Het is wel te verstaan dat wanneer het gaat om andere voorwerpen dan deze bedoeld in artikel 2, 3°, van het Wetboek van de Btw, er vereist is dat deze voorwerpen betrekking hebben op de uitoefening van een werkzaamheid waarvoor de belanghebbende de hoedanigheid van belastingplichtige bezit.

Het laatste lid van voormeld artikel 80 maakt de vrijstelling van het evenredig registratierecht ondergeschikt "aan de vermelding, in het proces-verbaal of in een erbij gevoegd geschrift, vóór de registratie, van het kantoor waar de verkoper gehouden is de aangifte in te dienen die voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde wordt vereist". Deze tekst is niet van toepassing wanneer de landbouwondernemer niet gehouden is aangiften in te dienen voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde of wanneer hij slechts aangiften moet indienen voor een gedeelte van zijn werkzaamheid die de verkoop van de voorwerpen waarvan sprake niet dekt. In deze laatste gevallen zal er voldaan zijn aan de vereisten van artikel 80, laatste Lid, van het Wetboek der registratierechten wanneer in het proces-verbaal of in een erbij gevoegd geschrift, vóór de registratie, vermeld wordt dat de verkoop niet het voorwerp moet uitmaken van een aangifte voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde, omdat de verkoper geniet van het bijzonder regime der landbouwondernemers, voorzien door artikel 57, § 1, van het Wetboek van de Btw.

56. Erfgenamen van een landbouwondernemer.

De toestand van de erfgenamen van een landbouwondernemer is dezelfde als die uiteengezet onder nr. 54 hierboven.

57. Openbare verkoping op verzoek van de uitbater van een verkoopzaal.

De uitbater van een verkoopzaal is een belastingplichtige voor de belasting over de toegevoegde waarde. (Wetboek Btw, art. 4, 9, § 1, en 18, § 1).

De openbare verkopingen op verzoek van zulke uitbater, van lichamelijke roerende goederen die hem toebehoren, zijn bijgevolg onderworpen aan de genoemde belasting.

Wanneer de uitbater van een verkoopzaal optreedt als verkoopcommissionair – dus in zijn eigen naam, maar voor rekening van zijn lastgever – dan wordt hij voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde aangemerkt als verkoper en, ten opzichte van zijn lastgever, als koper van het goed dat door zijn toedoen wordt verkocht (Wetboek Btw, art. 13, § 1).

Daaruit volgt dat artikel 80, 1° (nieuw), van het Wetboek der registratierechten toepasselijk is op de openbare verkopingen gehouden op verzoek van de uitbater van een verkoopzaal, zonder onderscheid of hij optreedt voor eigen rekening dan wel voor rekening van een lastgever.

Het is maar wanneer de uitbater zou optreden in naam van zijn lastgever (die hij dus zou aanduiden) dat er rekening zou moeten gehouden worden met de hoedanigheid van deze lastgever voor de toepassing van voormeld artikel 80, 1°.

Hoofdstuk IV. – Huurcontracten

58. Huurcontracten die betrekking hebben op lichamelijke roerende voorwerpen aangewend tot de dienst en de exploitatie van een onroerend goed.

Uit artikel 212, 2° (nieuw), van het Wetboek der registratierechten, volgens hetwelk de lichamelijke roerende voorwerpen aangewend tot de dienst en de exploitatie van onroerende goederen niet worden beschouwd als onroerende goederen voor de toepassing van genoemd Wetboek, volgt dat de contracten van verhuring, onderverhuring en overdracht van huur niet langer onderworpen zijn aan het evenredig registratierecht in de mate waarin zij betrekking hebben op zulke voorwerpen. (z. hierboven, nr. 3).

59. Huurcontracten die betrekking hebben op op te richten gebouwen./

Als gevolg van de wijziging aangebracht aan artikel 21(2), 2°, van het Wetboek der registratierechten is de bepaling volgens dewelke voor de toepassing van dat wetboek op te richten gebouwen niet worden beschouwd als onroerende goederen, opgeheven (z. hierboven nr. 8).

Daaruit volgt dat de akten houdende verhuring, onderverhuring of overdracht van huur van zulke in België gelegen gebouwen voortaan verplicht te registreren zijn aan het recht van 0,20 t.h. (W.Reg., art. 19, 3°, en 83).

60. Onroerende financieringshuur of "onroerende leasing".

Artikel 18, § 2, van het Wetboek van de Btw merkt aan als een dienst "de verhuur van onroerende goederen voor nijverheids- of handelsdoeleinden, toegestaan door een onderneming die gespecialiseerd is in onroerende financieringshuur of zogenaamde onroerende leasing, wanneer het contract betrekking heeft op gebouwen die de verhuurder heeft opgericht of heeft laten oprichten met betaling van de belasting of die hij heeft verkregen in de omstandigheden bepaald bij artikel 9, § 3."

Dezelfde § 2 voegt er het volgende aan toe:

"De Koning omschrijft de voorwaarden waaraan het in vorig lid bedoelde contract moet voldoen, inzonderheid met betrekking tot de duur van dat contract, de aard en de bestemming van de goederen die het voorwerp ervan uitmaken, alsmede de rechten en de plichten van de huurder.

Hij kan bepalen dat hetzelfde lid enkel toepassing vindt op de verhuur die wordt toegestaan door ondernemingen die erkend zijn door de Minister van Economische Zaken."

Anderdeels, luidt § 3 van het voormelde artikel 18 als volgt:

"In de door de Koning te bepalen gevallen en onder de door Hem te stellen voorwaarden, wordt ook als dienst aangemerkt, de verhuur van andere onroerende goederen voor nijverheids- of handelsdoeleinden dan die welke het voorwerp zijn van een contract als bedoeld in § 2."

Ingevolge de invoering van de belasting over de toegevoegde waarde, wordt door artikel 9 van de wet van 10 juli 1969 in het Wetboek der registratierechten een artikel 159, 10°, ingelast, dat als volgt is opgesteld:

"Art. 159. Worden van het evenredig recht vrijgesteld en aan het algemeen vast recht onderworpen:

"...

10° de contracten van financieringshuur of "leasing" toegestaan in de voorwaarden bepaald bij artikel 18, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde".

Die teksten alsook het erin bedoelde koninklijk besluit zullen het voorwerp uitmaken van latere onderrichtingen.

Hoofdstuk V. – Akten van vennootschappen

61. Behoud der registratierechten.

Onder voorbehoud van hetgeen gezegd werd onder de nrs. 62 en 63 hierboven, wordt het stelsel der registratierechten op de akten van vennootschappen niet gewijzigd (z. hierboven nrs. 3, 1°, 4 en 13).

62. Nieuwe gebouwen.

In geval van gemengde inbreng is het bij artikel 120 van het Wetboek der registratierechten vastgestelde recht van overdracht onder bezwarende titel, in de mate waarin de inbreng vergolden wordt anders dan door toekenning van maatschappelijke rechten, niet toepasselijk op de gebouwen waarvan de inbreng onderworpen is aan de belasting over de toegevoegde waarde (z. hierboven nr. 13).

De artikelen 129 en 130 van hetzelfde wetboek zijn niet van toepassing op de verrichtingen bedoeld in deze artikelen in de mate waarin ze onderworpen zijn aan de belasting over de toegevoegde waarde.

63. Lichamelijke roerende voorwerpen aangewend tot de dienst en de exploitatie van onroerende goederen.

Zoals hierboven werd uiteengezet:

  1. 1° is de gemengde inbreng in een Belgische vennootschap van lichamelijke roerende voorwerpen aangewend tot de dienst en de exploitatie van onroerende goederen niet meer onderworpen aan het bijzonder recht van overdracht onder bezwarende titel voorzien bij artikel 120 van het Wetboek der registratierechten (z. hierboven nr. 4);

  2. 2° is het door artikel 118 van hetzelfde Wetboek voorziene recht voor de inbrengen van in België gelegen onroerende goederen in buitenlandse vennootschappen niet meer van toepassing op de roerende goederen die dienen voor de exploitatie van onroerende goederen (z. hierboven, nr. 3, 2°);

  3. 3° ontsnappen die roerende goederen voortaan aan de toepassing van de artikelen 129 en 130 van het Wetboek der registratierechten (z. hierboven nr. 3, 3°).