13.01.2004 - Omzendbrief D.I. 581.21 - D.R.D. 226.813

DIVERSE REGELINGEN

VERKEERSBELASTING OP DE AUTOVOERTUIGEN

D.I. 581.21

D.R.D. 226.813

Brussel, 13 januari 2004.

GUNSTREGELINGEN TEN VOORDELE VAN BEPAALDE CATEGORIEEN VAN INVALIDEN EN GEHANDICAPTEN

  1. INLEIDING
  1. De Centrale Administratie der directe belastingen deelt mede dat, gelet op het strikt karakter van de wettelijke bepalingen, de vrijstelling van de verkeersbelasting slechts in een beperkt aantal gevallen kan worden toegestaan. Bovendien kunnen de door de huidige wetgeving voor de toepassing van genoemde gunst- regelingen opgelegde voorwaarden een bron zijn van moeilijkheden in geval van gebruik van het voertuig zonder dat de gehandicapte zich aan boord bevindt.

Bon O.S.D. nr. 03/04


2

II. RICHTLIJNEN

  1. Uit de wettelijke bepalingen van betreffende gunstregeling zelf blijkt dat de fiscale voordelen ten gunste van bepaalde categorieën van invaliden en gehandicapten die een automobiel voor personenvervoer langs de weg gebruiken, een strikt persoonlijk recht zijn die slechts worden verleend aan de invalide of de gehandicapte zelf.
  1. Niets belet dat de invalide of gehandicapte zich met het voertuig verplaatst in gezelschap van andere personen of dat hij, in zijn aanwezigheid, het besturen toevertrouwt aan een verwante of zelfs aan een derde.
  1. Het voertuig mag daarentegen in principe niet worden gebruikt zonder de invalide of gehandicapte. De fiscale voordelen worden immers slechts verleend om tegemoet te komen aan de verplaatsingsmoeilijkheden van laatstgenoemde.
  1. Als de invalide of gehandicapte niet zelf met de wagen kan rijden, is het evenwel evident dat de persoon die hem naar zijn werk of – als het een kind betreft – naar de school voert, zonder de invalide of gehandicapte met de wagen terugkeert naar het huis van de invalide of de gehandicapte en dat die persoon ’s avonds weer vertrekt met het “lege” voertuig om betrokkene te halen. Dit is a fortiori ook zo voor het vervoer van de invalide of gehandicapte met het oog op zijn hospitalisatie, zonder onderscheid of betrokkene gewoonlijk al dan niet zelf rijdt. In deze context is de administratie er altijd van uitgegaan dat er een onmiddellijk verband is tussen die uitzonderlijke trajecten zonder de invalide of gehandicapte en de noodwendigheden van het persoonlijk vervoer van betrokkene, zodat die trajecten het voordeel van de fiscale gunstregelingen niet in het gedrang brengen. De administratie zal voortaan ook geen kritiek leveren op het feit dat een familielid of een derde alleen met het voertuig naar de apotheek rijdt ten behoeve van de invalide of gehandicapte die, om gezondheidsredenen, zijn woning tijdelijk niet kan verlaten.

3

  1. Behalve die gevallen waarvoor een tolerantie logischerwijze gerechtvaardigd is, beantwoordt elk ander gebruik van het voertuig zonder de invalide of gehandicapte niet aan de doelstellingen die aan de basis lagen van de invoering van betreffende gunstregeling. Het oneigenlijk gebruik van het voertuig heeft dus het verlies van de fiscale voordelen tot gevolg. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de echtgenoot het voertuig gebruikt zonder de invalide of gehandicapte voor boodschappen of om betrokkene te komen bezoeken in het ziekenhuis.
  2. Een werkgroep heeft ondertussen onderzocht of in verband met het gebruik van het voertuig niet één en ander kan worden bijgestuurd. Er mag in dit verband niet uit het oog worden verloren dat elke nieuwe tolerantie noodzakelijkerwijze beperkt moet blijven tot situaties die duidelijk afgebakend zijn en die op grond van uitzonderlijke en concrete omstandigheden verantwoord blijken. Elke uitgesproken uitbreiding van de toepassing van betreffende gunstregelingen, zoals de afschaffing of een volledige versoepeling van de voorwaarde inzake het gebruik van het voertuig door de invalide of gehandicapte, zou in strijd zijn met de basisprincipes van die regelingen.
  3. Naar aanleiding van de besprekingen van de werkgroep werd de aandacht gevestigd op het feit dat invalide of gehandicapte kinderen voor het gebruik van het voertuig altijd afhankelijk zijn van een meerderjarige. Het voertuig zal dan ook meestal worden bestuurd door de wettige vertegenwoordiger van de invalide of gehandicapte die minderjarig is of onder het statuut van verlengde minderjarigheid is geplaatst. De wettige vertegenwoordiger is trouwens belast met het verrichten van alle rechtshandelingen die betrekking hebben op het voertuig en die de invalide of gehandicapte ingevolge zijn handelingsonbekwaamheid niet zelf kan stellen. Rekening houdend hiermee zal de administratie voortaan geen kritiek leveren op het gebruik van het voertuig zonder de invalide of gehandicapte die minderjarig is of onder het statuut van verlengde minderjarigheid is geplaatst, voor zover het gaat om een gebruik van het voertuig door de wettige vertegenwoordiger van de invalide of gehandicapte en voor zover het ook het enige voertuig van het gezin betreft. Deze versoepeling zal worden gehandhaafd tot op het ogenblik dat de betrokken invalide in aanmerking komt voor hetzij de inkomensvervangende tegemoetkoming, hetzij de integratietegemoetkoming bedoeld door de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten (Belgisch Staatsblad van 1 april 1987).

Voor de Directeur-generaal :

De Directeur, dienstchef,

R. GEENENS