Aanschrijving nr. 4 dd. 24.02.1988
AANSCHRIJVING 88/004
Aanschrijving nr. 4 dd. 24.02.1988
Teruggaaf BTW aan buitenlandse belastingplichtige
Inleiding.
1. De in het buitenland gevestigde belastingplichtige kan de B.T.W. geheven van de aan hem in België geleverde goederen en verstrekte diensten en de door hem bij invoer voldane B.T.W. als voorbelasting recupereren.
Deze belastingen zijn niettemin slechts voor teruggaaf vatbaar in de mate waarin zij, overeenkomstig de wettelijke bepalingen ter zake, geheven worden van goederen en diensten die de betrokkene gebruikt voor de werkzaamheid die hem de hoedanigheid van belastingplichtige verleent. Verder gelden ten aanzien van de in het buitenland gevestigde belastingplichtigen dezelfde beperkingen of uitsluitingen van het recht op aftrek als ten aanzien van de in België gevestigde belastingplichtigen
2. Voor de in het buitenland gevestigde belastingplichtige in België diensten of leveringen van goederen verricht welke aan de B.T.W. onderworpen zijn, geschiedt de recuperatie van de B.T.W. door aftrek in de periodieke aangiften die ingediend worden door de vaste inrichting van de belastingplichtige in België of door de aansprakelijke vertegenwoordiger die hij normaal in België moet laten erkennen.
3. Zij geschiedt bij wijze van teruggaaf indien het een belastingplichtige betreft die niet bedoeld is in nr. 2, inzonderheid wanneer hij geen vaste inrichting heeft en hij gebruik maakt van het ontslag van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen (z. aanschr. 30 van 5 december 1975 (1)), of wanneer de in het buitenland gevestigde belastingplichtige in België geen in het B.T.W.-Wetboek beoogde leveringen van goederen of diensten verricht .
4. De aanschrijving nr. 6 van 10 maart 1981 (2), opgemaakt ter uitvoering van de achtste B.T.W.-richtlijn van 6 december 1979, omschreef de te volgen regeling en procedure voor teruggaaf aan sommige in een andere E.E.G.-Lid-Staat gevestigde belastingplichtigen bedoeld in nr. 3 hierboven.
Onderwerp van de aanschrijving.
5. Deze aanschrijving heeft tot doel de te volgen regeling en procedure te omschrijven voor teruggaaf van B.T.W. aan de belastingplichtigen bedoeld in nr. 3 waarop de aanschrijving nr. 6 van 10 maart 1981 niet van toepassing is (z. nr. 4).
Zij houdt rekening met de bepalingen van de dertiende B.T.W.-richtlijn van 17 november 1986, met betrekking tot de modaliteiten van teruggaaf van B.T.W. aan niet op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen (3).
6. In het eerste hoofdstuk wordt omschreven op welke belastingplichtigen deze aanschrijving van toepassing is. Het behandelt eveneens de voor teruggaaf vatbare B.T.W. De teruggaafprocedure wordt beschreven in hoofdstuk II. Diverse bepalingen zijn opgenomen in hoofdstuk III.
Eerste hoofdstuk. - Bedoelde belastingplichtigen en voor teruggaaf vatbare B.T.W.
Bedoelde belastingplichtigen.
7. Deze aanschrijving is van toepassing op elk in het land gevestigde persoon die overeenkomstig de bepalingen van het B.T.W.-Wetboek belastingplichtige is en die :
1° hier te lande leveringen van goederen of diensten verricht die bedoeld zijn in het B.T.W.-Wetboek (z. art. 15, 16, 21 en 51, § 4, van het Wetboek, waarvan de tekst opgenomen is in bijlage 1) in de mate dat :
a) hij in België geen vaste inrichting heeft (z. aanschr. 30/1975 nrs. 8 tot 10) van waaruit de handelingen worden verricht;
b) hij gebruik maakt van het ontslag van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen (z. bijlage 2);
2° hier te lande in 1° bedoelde handelingen niet verricht
8. Het betreft inzonderheid de buitenlandse belastingplichtigen bedoeld in de aanschrijving nr. 6 van 10 maart 1981 (z. nr. 4) die de erin voorziene voorwaarden niet vervullen. Zij kunnen de terugbetaling van de B.T.W. bekomen in de mate dat zij voldoen aan de in onderhavige aanschrijving gestelde voorwaarden.
Voor teruggaaf vatbare B.T.W.
9. In de mate dat bij toepassing van het B.T.W.-Wetboek recht op aftrek ontstaat, heeft elke belastingplichtige die voldoet aan de hierboven vermelde voorwaarden (z. nrs. 7 en 8) recht op teruggaaf van de B.T.W. welke geheven werd ter zake van de hem door andere belastingplichtigen in het binnenland geleverde goederen en verstrekte diensten en ter zake van de invoeren van goederen die hij hier te lande verricht.
10. Bij toepassing van artikel 45 van het B.T.W.-Wetboek is niet aftrekbaar : de B.T.W. geheven van :
1° leveringen van tabaksfabrikaten;
2° leveringen van geestrijke dranken, daaronder niet begrepen die welke bestemd zijn om te worden wederverkocht of om te worden verstrekt ter uitvoering van een dienstverrichting;
3° kosten van logies en kosten van spijzen en dranken om ter plaatse te worden verbruikt, daaronder niet begrepen de kosten die worden gedaan :
Het reisbureau dat niet rechtstreeks met eigen middelen aan de reizigers vervoer, logies, ter plaatse verbruikte spijzen of dranken en vermaak verschaft, kan de B.T.W. die geheven is van deze diensten en die aan het reisbureau in eigen naam in rekening worden gebracht, of van de vergoeding van een ander reisbureau dat zijn tussenkomst heeft verleend voor het verrichten van deze diensten, niet in aftrek brengen.
Ten aanzien van levering en invoer van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van leveringen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in principe niet meer bedragen dan 50 pct. van de B.T.W. die over die handelingen geheven is.
Hoofdstuk II. - Teruggaafprocedure.
Eerste afdeling. - Te vervullen formaliteiten.
Aanvraag tot teruggaaf.
11. De teruggaaf wordt slechts toegestaan mits een aanvraag wordt ingediend bij het Centraal B.T.W.-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, Joseph Stevensstraat 7 (25 ste verdieping) 1000 BRUSSEL (Tel: 02/552 59 77 - 02/552 59 82 -- Fax: 02/552 55 42 - mail: contr.btw.ckbb@minfin.fed.be ), overeenkomstig de hierna vermelde bepalingen (z. nrs. 13 tot 26).
12. De belastingplichtige is er bovendien toe gehouden alle bijkomende inlichtingen te verstrekken die nodig worden geacht voor de beoordeling van de gegrondheid van de aanvraag tot teruggaaf.
Vorm van de aanvraag.
13. De aanvraag tot teruggaaf moet in drie exemplaren worden opgesteld op een formulier overeenkomstig het in bijlage 3 opgenomen model.
14. De aanvrager dient bij zijn aanvraag een bewijs te voegen waaruit blijkt dat hij de hoedanigheid van belastingplichtige bezit overeenkomstig de bepalingen van het B.T.W.-Wetboek.
Dit bewijs kan worden geleverd bij wijze van een attest uitgereikt door de administratieve overheid van het land van verblijf.
15. Het attest moet een voldoende gedetailleerde omschrijving bevatten van de werkzaamheid welke door de aanvrager uitgeoefend werd tijdens de periode waarop de aanvraag tot teruggaaf betrekking heeft, en dit op zodanige wijze dat het bevoegde met kennis van zaken uitspraak kan doen over de hoedanigheid belastingplichtige waarop de aanvrager aanspraak maakt.
16. Voor de rechtspersonen kan dit bewijs eveneens blijken uit het voor echt verklaarde afschrift van de statuten (en de eraan aangebrachte wijzigingen) van de verzoekende vennootschap, en uit de balans met betrekking tot het laatste boekjaar dat de voornoemde periode voorafgaat.
17. Indien het bewijs van hoedanigheid van belastingplichtige blijkt uit een openbare akte, opgesteld op het grondgebied van een Staat die gebonden is door het Verdrag van 's Gravenhage van 5 oktober 1961, moet het bewijsstuk vergezeld gaan van de apostille voorzien door dit Verdrag. Voor de in België opgestelde onderhandse akten moeten de handtekeningen worden echt verklaard door de bevoegde ambtenaar van het gemeentebestuur of door een Belgische notaris.
In de andere gevallen moeten de handtekeningen worden echt verklaard door de Belgische diplomatieke of consulaire agent en door het Belgisch Ministerie van Buitenlandse Zaken.
18. Voor de in een andere Lid-Staat van de Europese gemeenschap gevestigde aanvrager volstaat het bij zijn aanvraag tot teruggaaf een attest te voegen conform het model hierbij (z. bijlage 4), afgeleverd door de fiscale administratie van de Lid-Staat waar hij gevestigd is en waaruit blijkt dat hij de hoedanigheid van belastingplichtige bezit.
19. De attesten bedoeld in de nrs. 14, 2de alinea, en 18, of het document waarvan sprake in nr. 16, gesteld in een andere taal dan het Frans, het Nederlands of het Duits, moeten vergezeld gaan van een voor echt verklaarde vertaling.
20. Wanneer het in nr. 11 bedoelde kantoor reeds in het bezit is van het bewijs van hoedanigheid van belastingplichtige, is de belastingplichtige er niet meer toe gehouden een nieuw bewijs te leveren gedurende één jaar, te rekenen vanaf de datum van het eerste bewijs .
21. Bij de aanvraag moeten eveneens de van de leveranciers of dienstverrichters ontvangen originele facturen en creditnota's evenals, in voorkomend geval, de invoerdocumenten worden gevoegd.
22. Bij de aanvragen, gerechtvaardigd door het verrichten van handelingen die aan de belasting in België onderworpen zijn of die vrijgesteld zijn krachtens de artikelen 39 tot 43 van het B.T.W.-Wetboek (verg. Wetboek, art. 45, § 1, 1° en 2°), moeten bovendien volgende stukken worden gevoegd :
Bewijs van betaling.
24. Het bewijs van betaling van de belasting beoogd in nr. 22 tweede streepje, kan worden geleverd door de voorlegging van het dubbel van de facturen welke aan de medecontractant zijn uitgereikt, overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 31 van 29 december 1970 (z. bijlage 5). Het dubbel dient behoorlijk voorzien te zijn met het onderste deel van de fiscale zegels.
Wanneer de belasting niet werd voldaan door de buitenlandse leverancier of dienstverrichter maar door de medecontractant, kan het bewijs geleverd worden bij wijze van een document waarin de medecontractant verklaart dat hij de verschuldigde B.T.W. heeft betaald, hetzij door ze op te nemen in zijn periodieke B.T.W.-aangifte, hetzij door het aanbrengen en onbruikbaar maken van gehele fiscale zegels (z. bijlage 5).
25. Het attest van de medecontractant moet volgende vermeldingen bevatten :
1° de identificatie van de partijen evenals hun adres;
2° een verwijzing naar de factuur (nr., datum);
3° indien de belasting betaald is geworden door opname in een periodieke B.T.W.-aangifte, de vermelding van het tijdvak waarop de aangifte betrekking heeft, en de datum van de betaling van de belasting.
Indien de medecontractant de belasting voldaan heeft door het aanbrengen en onbruikbaar maken van gehele fiscale zegels (z. nr. 24, tweede alinea), moet het attest vergezeld zijn van een fotokopie van het met zegels beklede document.
26. De aanvrager moet op het teruggaafformulier zich er toe verbinden alle ten onrechte ontvangen bedragen terug te betalen.
Afdeling II. - Periodiciteit van de aanvragen tot teruggaaf. Minimumbedrag van de aanvraag tot teruggaaf.
27. Slechts één aanvraag tot teruggaaf mag worden ingediend per kalenderkwartaal.
Onder voorbehoud van het bepaalde in nr. 29 hierna mag de aanvraag facturen of invoerdocumenten betreffen waarvoor eerder geen aanvraag tot teruggaaf werd ingediend, voor zover zij wordt ingediend binnen de vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van het ontstaan van het recht op aftrek.
Het recht op aftrek ontstaat :
1° voor de belasting geheven op aan de belastingplichtige geleverde goederen en verleende diensten, op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt krachtens de artikelen 17 en 22 van het B.T.W.-Wetboek;
2° voor de belasting geheven wegens invoer, op het tijdstip waarop die belasting verschuldigd wordt krachtens artikel 24 van voornoemd Wetboek.
28. Het bedrag waarop de aanvraag tot teruggaaf betrekking heeft, mag niet lager zijn dan de tegenwaarde van 200 Europese rekeneenheden (4).
Gaat het evenwel om een verzoek ingediend in de loop van het eerste kwartaal van het kalenderjaar, dan mag het bedrag waarop de aanvraag tot teruggaaf betrekking heeft niet lager zijn dan de tegenwaarde van 25 Europese rekeneenheden (5).
29. Wanneer het terug te betalen bedrag de tegenwaarde van 25 Europese rekeneenheden (6) niet bereikt, wordt geen teruggaaf toegestaan.
Het bedrag van de belasting waarvoor de teruggaaf niet is toegestaan, mag niet het voorwerp uitmaken van een latere aanvraag.
Afdeling III. - Beslissing over de aanvraag tot teruggaaf.
Kennisgeving van de beslissing betreffende de teruggaaf.
30. De beslissing betreffende de teruggaaf wordt betekend binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum vande indiening van de aanvraag op het in nr. 11 bedoelde kantoor samen met alle documenten die volgens deze aanschrijving voor het onderzoek nodig zijn en voor zover alle nodige inlichtingen werden verstrekt.
Termijn en modaliteiten van de teruggaaf.
a) door overschrijving op een in België of in het geopende postrekening op naam van de schuldeiser of van zijn lasthebber;
b) door overmaking aan :
32. Indien de terugbetaling niet in België plaatsvindt zijn de kosten van overmaking ten laste van de rechthebbende.
33. Indien de betaling aan een lasthebber moet geschieden, moet bij de aanvraag tot teruggaaf een volmacht worden gevoegd.
Betreffende de volmacht gelden mutatis mutandis dezelfde bepalingen als vermeld in nr. 17.
34. Indien de teruggaaf niet wordt toegestaan, wordt de afwijzende beslissing met redenen omkleed.
35. De rechthebbende op teruggaaf kan echter de bij artikel 90 van het B.T.W.-Wetboek bepaalde vordering tot teruggaaf instellen binnen vijf jaar te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van de beslissing waarbij de bij de administratie ingediende aanvraag tot teruggaaf wordt verworpen.
Die vordering wordt ingesteld, bij exploot met dagvaarding, betekend aan de Belgische Staat, aan het hoofd van het Centraal B.T.W.-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, Joseph Stevensstraat 7 (25 ste verdieping) 1000 BRUSSEL (Tel: 02/552 59 77 - 02/552 59 82 -- Fax: 02/552 55 42 - mail: contr.btw.ckbb@minfin.fed.be ) (kon. besl. 4 van 29 december 1969, art . 14) .
Hoofdstuk III. - Diverse bepalingen.
Fraude.
36. Ingeval de teruggaaf op bedrieglijke of onregelmatige wijze werd verkregen zal het Centraal B.T.W.-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen de ten onrechte ontvangen bedragen en de bij de wet bepaalde boeten invorderen.
Elke latere teruggaaf kan worden opgeschort totdat de sommen zijn betaald die de belastingplichtige nog verschuldigd blijft ingevolge een ten onrechte uitgevoerde teruggaaf.
Inwerkingtreding. Opheffingsbepaling.
37. De bepalingen van deze aanschrijving treden in werkingop 1 januari 1988.
38. Deze aanschrijving vervangt de nummers 97 tot 107 van de aanschrijving nr. 30 van 5 december 1975.
-------------- (1) Z. Revue nr.24, blz.21. (2) Z. Revue nr.49, blz.426. (3) Z. Revue nr.75, blz.95. (4) Thans 200,00 EUR (9.000, BEF)(*) [(*) Omzetting naar euro : aanschrijving 101.564 dd.19.12.2001 (inwerkingtreding 01.01.2002)] (5) Thans 1.100, BEF (27,27 EUR) (6) Thans 1.100, BEF (27,27 EUR) BlJLAGE 1 Tekst van de artikelen 15, 16, 21 en 51, § 4, van het B.T.W.-Wetboek.
Artikel 15. § 1. De levering vindt plaats op het tijdstip waarop het goed ter beschikking van de verkrijger of de overnemer wordt gesteld.
De levering wordt evenwel geacht plaats te vinden :
1° wanneer het goed in verband met de terbeschikkingstelling wordt vervoerd, op het tijdstip van aanvang van het vervoer, tenzij het goed door of voor rekening van de leverancier wordt geïnstalleerd of gemonteerd, in welk geval de levering plaatsvindt op het tijdstip waarop de installatie of de montage wordt beëindigd;
2° in geval van doorlopende leveringen van goederen die aanleiding geven tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen, bij het verstrijken van elke periode waarop een afrekening of betaling betrekking heeft;
3°ter zake van de vervreemding van gebouwen, uiterlijk bij het verstrijken, naargelang van het geval, van de in 1° of 2° van artikel 9, § 3, eerste lid, bepaalde termijn.
§ 2. Wanneer het goed ter beschikking van de verkrijger of overnemer is voor het sluiten van het contract of wanneer de verkoper of overdrager het bezit van het goed behoudt na het sluiten van het contract, wordt de levering geacht plaats te vinden op het tijdstip waarop het contract uitwerking heeft.
Ten aanzien van in consignatie gegeven goederen vindt de levering aan de consignataris plaats op het tijdstip waarop deze er eigenaar van wordt. Wanneer de consignataris verkoopcommissionair is, wordt de levering aan hem geacht plaats te vinden naarmate hij de door zijn toedoen verkochte goederen levert.
Artikel 16. De levering vindt plaats hier te lande wanneer het goed zich op het tijdstip van de levering binnen het Rijk bevindt, behoudens tegenbewijs wordt het goed geacht zich binnen het Rijk te bevinden als één der bij de levering betrokken partijen er een zetel van beroepswerkzaamheid of een vaste inrichting heeft gevestigd, of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, een woonplaats of een gebruikelijke verblijfplaats.
Artikel 21. § 1. Een dienst vindt plaats hier te lande als de overeenkomstig de §§ 2 tot 4 aangemerkte plaats zich hier te lande bevindt.
§ 2. Als plaats van een dienst wordt aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn beroepswerkzaamheid of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats.
1° de plaats waar het onroerend goed is gelegen wanneer het gaat om een dienst die volgens een door de Koning te bepalen lijst verband houdt met een uit zijn aard onroerend goed;
2° de plaats waar het goed zich bevindt, wanneer het gaat om een werk, inbegrepen de expertise, dat betrekking heeft op een in artikel 9, § 1, bedoeld goed;
3° de plaats waar het vervoer plaatsvindt, zulks naar verhouding van de afgelegde afstanden, wanneer het vervoerdiensten betreft;
4° de plaats waar de dienst materieel wordt verricht :
a) in verband met culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, onderwijs- en vermakelijkheidsactiviteiten of soortgelijke activiteiten, met inbegrip van die van de organisatoren van zulke activiteiten, alsmede van daarmee samenhangende diensten;
b) in verband met het verschaffen van spijs en drank om ter plaatse te worden verbruikt, als bedoeld in artikel 18, § 1, 11°;
c) in verband met activiteiten die met vervoer samenhangen;
5° (opgeheven);
6° de plaats waar het gebruik plaatsvindt van een vervoermiddel dat is verhuurd :
a) door een verhuurder die hier te lande is gevestigd in de mate waarin dit vervoermiddel buiten de Europese Economische Gemeenschap wordt gebruikt;
b) door een verhuurder die buiten die Gemeenschap is gevestigd;
7° de plaats waar de ontvanger van de dienst de zetel van zijn beroepswerkzaamheid of een vaste inrichting heeft gevestigd voor de dienst is verricht of, bij gebreke, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats, wanneer de dienst wordt verleend aan een ontvanger die buiten de Europese Economische Gemeenschap is gevestigd of aan een ontvanger die in die Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter is gevestigd en handelt voor beroepsdoeleinden, en voor zover de dienst tot voorwerp heeft :
a) de overdracht van of het verlenen van een auteursrecht, een octrooi, een licentierecht, een fabrieks- of handelsmerk, of een ander soortgelijk recht;
b) de overdracht van of het verlenen van rechten op een cliënteel, een verkoop- of aankoopmonopolie; het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen; de verbintenis een beroepswerkzaamheid of een onder a bedoeld recht niet uit te oefenen;
c) werkzaamheden op het gebied van de reclame;
d) intellectueel werk in het kader van hun geregelde werkzaamheden verricht door juridische of andere adviseurs, accountants, ingenieurs, adviesbureaus en andere soortgelijke dienstverrichters, met uitzondering van onder § 3, 1°, bedoelde diensten;
e) verrichtingen van banken en andere financiële instellingen in het raam van hun specifieke werkzaamheid, met uitzondering van de verhuur van brandkasten;
f) de terbeschikkingstelling van personeel;
g) verrichtingen van makelaars en lasthebbers die niet handelen als bedoeld in artikel 13, § 2, en die tussenkomst verlenen bij diensten bedoeld in dit 7°;
h) de verhuur van een uit zijn aard roerend goed ander dan een vervoermiddel.
§ 4. Ten einde dubbele heffing of niet-heffing van belasting alsmede concurrentieverstoring te voorkomen, kan de Koning, voor de diensten als bedoeld in § 3, 7° :
1° de plaats van de dienst die, krachtens dit artikel, in het binnenland is gelegen, aanmerken als buiten de Europese Economische Gemeenschap te zijn gelegen wanneer het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie buiten die Gemeenschap geschieden;
2° de plaats van de dienst die, krachtens dit artikel, buiten de genoemde Gemeenschap is gelegen, aanmerken als in het binnenland te zijn gelegen, wanneer het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie in het binnenland geschieden.
§ 5. Behoudens tegenbewijs wordt de plaats van een dienst geacht zich hier te lande te bevinden als één van de bij de dienst betrokken partijen er een zetel van beroepswerkzaamheid of een vaste inrichting heeft gevestigd of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, een woonplaats of een gebruikelijke verblijfplaats
Artikel 51. ...
§ 4. Wanneer de levering door de persoon op wiens naam de ter zake van invoer verschuldigde belasting regelmatig is voldaan en, eventueel, de daaropvolgende leveringen gepaard gaan met de verzending van het goed van het buitenland naar een plaats in België, dan worden die leveringen in afwijking van artikel 16 hier te lande te zijn verricht.
BIJLAGE 2
Gevallen die geen aanleiding geven tot het laten erkennen van een aansprakelijke vertegenwoordiger.
De buitenlandse belastingplichtige dient geen aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen wanneer hij volgende handelingen verricht :
1° diensten van intellectuele aard beoogd in artikel 21, § 3, 7°, van het Belgisch B.T.W.-Wetboek;
2° diensten van materiële aard, die hij occasioneel in België verricht;
3° occasionele handelingen die erin bestaan in België ingekochte goederen of ingevoerde goederen hier te lande weder te verkopen;
4° leveringen van goederen en dienstprestaties hier te lande verricht, maar vrijgesteld op grond van de artikelen 39 tot 42 van genoemd Wetboek (b.v. internationaal goederenvervoer).
BIJLAGE 3
TOELICHTING
1. De regeling voorzien in de achtste B.T.W.-richtlijn van de Europese Gemeenschappen werd, voor wat België betreft, toegelicht in aanschrijving nr. 6 van 10 maart 1981.
2. Het verzoek tot teruggaaf moet in drievoud worden ingediend bij het Centraal B.T.W.-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, Joseph Stevensstraat 7 (25 ste verdieping) 1000 BRUSSEL (Tel: 02/552 59 77 - 02/552 59 82 -- Fax: 02/552 55 42 - mail: contr.btw.ckbb@minfin.fed.be).
Het verzoek wordt gesteld op een formulier dat bij het hierboven vermeld kantoor kan worden bekomen.
Slechts één aanvraag tot teruggaaf mag per kalenderkwartaal worden ingediend.
3. In te vullen indien door de rechthebbende reeds eerder een aanvraag tot teruggaaf werd ingediend.
4. De rechthebbende moet bewijzen dat hij een economische werkzaamheid verricht.
Het bewijs kan geleverd worden door, onder meer :
In de andere gevallen moeten de handtekeningen worden echt verklaard door de Belgische diplomatieke of consulaire agent en door het Belgisch Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Voor de in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschap gevestigde aanvrager volstaat het bij zijn aanvraag tot teruggaaf een attest te voegen, afgeleverd door de fiscale administratie van de Lid-Staat waar hij gevestigd is en waaruit blijkt dat hij de hoedanigheid van belastingplichtige bezit overeenkomstig de bepalingen van het B.T.W.-Wetboek.
Het document dat als bewijs dient, gesteld in een andere taal dan het Nederlands, het Frans of het Duits, moet vergezeld gaan van een voor echt verklaarde vertaling.
Wanneer de in nr. 2 bedoelde dienst reeds beschikt over een bewijs van hoedanigheid van belastingplichtige, is de belastingplichtige gedurende één jaar te rekenen vanaf de datum van het eerste bewijs, ervan ontheven een nieuw bewijs te leveren.
5. Slechts één aanvraag tot teruggaaf mag worden ingediend per kalenderkwartaal.
De aanvraag kan facturen of invoerdocumenten betreffen waarvoor eerder geen aanvragen tot teruggaaf werden ingediend, voor zover zij wordt ingediend binnen de vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van het ontstaan van het recht op aftrek, en de teruggaaf eerder niet werd geweigerd.
Het recht op aftrek ontstaat :
1° voor de belasting geheven op aan de belastingplichtige geleverde goederen en verleende diensten, op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt krachtens de artikelen 17 en 22 van het B.T.W.-Wetboek;
2° voor de belasting geheven wegens invoer, op het tijdstip waarop die belasting verschuldigd wordt krachtens artikel 24 van voornoemd Wetboek.
De aanvraag moet slaan op een minimumbedrag in Belgische frank dat de tegenwaarde is van 200 Europese rekeneenheden (1).
Gaat het evenwel om een verzoek ingediend in de loop van het eerste kwartaal van het kalenderjaar, dan moet het bedrag waarop de aanvraag betrekking heeft ten minste de tegenwaarde in Belgische frank van 25 Europese rekeneenheden (2) belopen.
a) door overschrijving op een in België of in het buitenland geopende postrekening op naam van de rechthebbende op teruggaaf;
b) door overmaking op de rekening geopend op naam van de rechthebbende op teruggaaf bij :
Indien de betaling aan een lasthebber moet geschieden moet bij de aanvraag tot teruggaaf een volmacht worden gevoegd.
Wordt de volmacht gegeven bij openbare akte, opgesteld in een Staat die gebonden is door het Verdrag van 's Gravenhage, van 5 oktober 1961, dan moet ze vergezeld gaan van de apostille voorzien door dit Verdrag. Voor de in België opgestelde onderhandse akten moeten de handtekeningen worden echt verklaard door een gemeentebestuur of door een Belgische notaris.
In de andere gevallen moeten de handtekeningen worden echt verklaard door de Belgische diplomatieke of consulaire agent en door het Belgisch Ministerie van Buitenlandse Zaken. De volmachten, gesteld in een andere taal dan het Nederlands, het Frans of het Duits, moeten vergezeld gaan van een voor echt verklaarde vertaling.
7. De teruggaaf wordt toegestaan in de mate dat bij toepassing van het B.T.W.-Wetboek recht op aftrek ontstaat.
Bij toepassing van artikel 45, § 1, van het B.T.W.-Wetboek is onder meer aftrekbaar de belasting geheven van de aan de belastingplichtige geleverde goederen en diensten gebruikt voor :
1° handelingen onderworpen aan de belasting;
2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 43 van het B.T.W.-Wetboek;
3° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden.
Bij toepassing van artikel 45 van het B.T.W.-Wetboek is niet aftrekbaar de B.T.W. geheven van :
1° leveringen van tabaksfabrikaten;
2° leveringen van geestrijke dranken, daaronder niet begrepen die welke bestemd zijn om te worden wederverkocht of om te worden verstrekt ter uitvoering van een dienstverrichting;
3° kosten van logies en kosten van spijzen en dranken om ter plaatse te worden verbruikt, daaronder niet begrepen de kosten die worden gedaan :
Het reisbureau dat niet rechtstreeks met eigen middelen aan de reizigers vervoer, logies, ter plaatse verbruikte spijzen of dranken en vermaak verschaft, kan de B.T.W. die geheven is van deze diensten, en die aan het reisbureau in eigen naam in rekening worden gebracht, of van de vergoeding van een ander reisbureau dat zijn tussenkomst heeft verleend voor het verrichten van deze diensten, niet in aftrek brengen.
Ten aanzien van levering en invoer van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van leveringen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in principe niet meer bedragen dan 50 pct. van de B.T.W. die over die handelingen geheven is.
Indien de teruggaaf niet wordt toegestaan is de afwijzende beslissing met redenen omkleed.
8. Nadat de rechthebbende de aanvraag tot teruggaaf heeft ingevuld, dateert en ondertekent hij ze.
Wanneer de rechthebbende een rechtspersoon is, wordt de aanvraag ondertekend door degene of degenen die daartoe gemachtigd zijn ingevolge de statuten of krachtens een aan hen toevertrouwde volmacht.
Wanneer de rechthebbende een derde als lasthebber heeft aangesteld om de aanvraag te ondertekenen, moet bij de in nr. 2 vermelde dienst een volmacht worden ingediend. In voorkomend geval wordt deze volmacht gegeven op hetzelfde document als bedoeld in nr. 6, 3de en 4de alinea. Wat betreft de voor de volmacht te vervullen voorwaarden wordt verwezen naar hetzelfde nummer.
Na iedere handtekening worden de naam, de voornamen en de hoedanigheid (beheerder, zaakvoerder, lasthebber, enz.) van de ondertekenaar in hoofdletters vermeld.
A. In België verrichte output.
In de kolommen 2 tot 8 worden de documenten ontleed, die bewijzen dat de goederen en de diensten, belast met de Belgische B.T.W., gebruikt geweest zijn :
1° hetzij voor het leveren van goederen of het verrichten van diensten in België.
Het is van geen belang dat die handelingen vrijgesteld zijn van B.T.W. krachtens de artikelen 39 tot 43 van het B.T.W.-Wetboek, zoals uitvoer, internationaal vervoer van goederen, leveringen aan ambassades, enz. (vgl. vak 8, a, eerste en tweede streepje);
2° hetzij voor de uitvoering van een contract van internationaal personenvervoer waarvoor een kwitantie 258 door de douane werd afgeleverd aan de buitenlandse vervoerder (vgl. met vak 8, a, eerste streepje).
B. Input.
De documenten met vermelding van de goederen en diensten, gebruikt voor het verrichten van uitgaande handelingen, en waarvoor de teruggaaf van de B.T.W. wordt gevraagd, worden ontleed in de kolommen 9 tot 17 van de aanvraag.
Het betreft de facturen, door leveranciers en dienstverrichters gericht aan de rechthebbende en opgesteld overeenkomstig de voorschriften van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde. Zij moeten meer bepaald bevatten : de datum waarop ze werden uitgereikt; het volgnummer van inschrijving in het uitgaand factuurboek; de naam en het adres van de leverancier van het goed of van de dienstverrichter, en van de klant; het B.T.W.-registratienummer, het inschrijvingsnummer van de leverancier of dienstverrichter in het handels- of.ambachtsregister; de datum van levering van het goed of voltooiing van de dienst; de gewone benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten, met aanduiding, naargelang het geval, van de hoeveelheid van de goederen of van het voorwerp van de dienst, en, meer algemeen, van alle gegevens die nodig zijn om de aard van de verrichte handeling te kunnen vaststellen, alsmede het tarief van de verschuldigde belasting; de prijs en de andere elementen van de maatstaf van heffing; het tarief en bedrag van de verschuldigde belasting.
Ingeval de ruimte in vak 9 onvoldoende is, moet de rechthebbende een blad toevoegen. Dit blad bevat bovenaan het Belgisch belastingnummer en wordt gehecht aan het aanvraagformulier. De documenten bedoeld in A en B moeten gedurende 5 jaar worden bewaard, te rekenen van 1 januari volgend op hun datum.
10. Elke op onregelmatige wijze verkregen teruggaaf geeft aanleiding tot de toepassing van de boeten of sancties voorzien door de Belgische wetgeving.
---------------- (1) Thans 200,00 EUR (9.000, -B.F.)(*) [(*) Omzetting naar euro : aanschrijving 101.564 dd.19.12.2001 (inwerkingtreding 01.01.2002)] (2) Thans 1.100, -B.F. BIJLAGE 4 Dit document wordt niet verstrekt door de Belgische administratie. De belastingplichtige dient het zelf op te maken. VERKLARlNG OMTRENT DE HOEDANIGHEID VAN BELASTINGPLICHTIGE ........................................................................ (Bevoegde dienst en adres) verklaart dat........................................................... (Naam en voornamen of handelsnaam) ........................................................................ (Aard van de bedrijfsuitoefening) (1) ........................................................................ (Adres van de vestiging) aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen is onder nummer (2) .................................................................... Hij/Zij oefent bovendien volgende werkzaamheid uit waarvoor hij/zij niet als dusdanig geregistreerd is : ........................................ ........................................................................ .................... (datum) Visum en stempel van de dienst ............................... van de fiscale administratie (Handtekening, naam en functie) -------------------- (1) Het attest moet een voldoende gedetailleerde omschrijving bevatten van de werkzaamheid welke door de aanvrager werd uitgeoefend tijdens de periode waarop de aanvraag tot teruggaaf betrekking heeft, en dit op zodanige wijze dat het bevoegd kantoor met kennis van zaken uitspraak kan doen over de hoedanigheid van belastingplichtige waarop de aanvrager aanspraak maakt. (2) Indien de aanvrager geen B.T.W.-nummer heeft, moet de bevoegde dienst de reden hiervan vermelden. BIJLAGE 5 Tekst van de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit nr. 31 van 29 december 1970.
Artikel 5. Wanneer een in het buitenland gevestigde belastingplichtige die in België geen vaste inrichting heeft, ontslagen is van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen, wordt de belasting die verschuldigd is ter zake van de leveringen en de diensten die hij hier te lande verricht, voldaan door het aanbrengen en het onbruikbaar maken van fiscale plakzegels tot beloop van het bedrag van die belasting.
De in voorgaand lid bedoelde belastingplichtige maakt binnen de bij artikel 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 bepaalde termijn, een factuur in tweevoud op die de bij artikel 2 van dat besluit voorgeschreven vermeldingen bevat; het bovenste deel van de plakzegels brengt hij aan en maakt hij onbruikbaar op de factuur die hij aan zijn medecontractant uitreikt en het onderste deel van die plakzegels op het dubbel van de factuur, dat hij bewaart.
Ieder deel van de plakzegels wordt met duidelijke lettertekens onbruikbaar gemaakt hetzij door middel van een met onuitwisbare inkt geschreven vermelding die de datum van de onbruikbaarmaking en de handtekening van de in het buitenland gevestigde belastingplichtige omvat, hetzij door middel van een naamstempel die, met vette inkt, benevens de datum ook de familienaam, de benaming of de firma van de in het buitenland gevestigde belastingplichtige afdrukt. Alleen de datum moet geheel op het deel van de plakzegel staan. De handtekening moet volledig zijn, maar mag gedeeltelijk buiten de rand van het deel van de plakzegel komen.
Artikel 6. Wanneer een in het buitenland gevestigde belastingplichtige die in België geen vaste inrichting heeft, geen aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen en de belasting niet heeft voldaan op de in artikel 5 bepaalde wijze, voldoet de medecontractant die belasting :
1° wanneer hij een belastingplichtige is die gehouden is een periodieke aangifte in te dienen, door ze op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting dat wordt vermeld in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin het belastbaar feit zich heeft voorgedaan;
2° wanneer hij niet een belastingplichtige is die gehouden is een periodieke aangifte in te dienen, door het aanbrengen en het onbruikbaar maken van gehele fiscale plakzegels, binnen tien dagen te rekenen van het verstrijken van de termijn bepaald bij artikel 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969, op de ontvangen factuur of, bij ontstentenis van een factuur, op een stuk dat hij daarvoor opmaakt. De factuur of het vervangend stuk dient te vermelden : de datum van het uitreiken of de datum van het opmaken ervan, het volgnummer van inschrijving in het boek voor inkomende facturen, alsmede de vermeldingen voorgeschreven bij artikel 2, 2° tot 6°, van het voormeld koninklijk besluit nr. 1. Het onbruikbaar maken van de plakzegels gebeurt op de in artikel 5, derde lid, aangegeven wijze, met dien verstande dat beide delen van de plakzegel aan elkaar moeten blijven en dat de vermelding of de afdruk van de naamstempel moet worden aangebracht in de richting van de langste afmeting van de plakzegel.
Aanschrijving nr. 4 dd. 24.02.1988
Teruggaaf BTW aan buitenlandse belastingplichtige
Inleiding.
1. De in het buitenland gevestigde belastingplichtige kan de B.T.W. geheven van de aan hem in België geleverde goederen en verstrekte diensten en de door hem bij invoer voldane B.T.W. als voorbelasting recupereren.
Deze belastingen zijn niettemin slechts voor teruggaaf vatbaar in de mate waarin zij, overeenkomstig de wettelijke bepalingen ter zake, geheven worden van goederen en diensten die de betrokkene gebruikt voor de werkzaamheid die hem de hoedanigheid van belastingplichtige verleent. Verder gelden ten aanzien van de in het buitenland gevestigde belastingplichtigen dezelfde beperkingen of uitsluitingen van het recht op aftrek als ten aanzien van de in België gevestigde belastingplichtigen
2. Voor de in het buitenland gevestigde belastingplichtige in België diensten of leveringen van goederen verricht welke aan de B.T.W. onderworpen zijn, geschiedt de recuperatie van de B.T.W. door aftrek in de periodieke aangiften die ingediend worden door de vaste inrichting van de belastingplichtige in België of door de aansprakelijke vertegenwoordiger die hij normaal in België moet laten erkennen.
3. Zij geschiedt bij wijze van teruggaaf indien het een belastingplichtige betreft die niet bedoeld is in nr. 2, inzonderheid wanneer hij geen vaste inrichting heeft en hij gebruik maakt van het ontslag van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen (z. aanschr. 30 van 5 december 1975 (1)), of wanneer de in het buitenland gevestigde belastingplichtige in België geen in het B.T.W.-Wetboek beoogde leveringen van goederen of diensten verricht .
4. De aanschrijving nr. 6 van 10 maart 1981 (2), opgemaakt ter uitvoering van de achtste B.T.W.-richtlijn van 6 december 1979, omschreef de te volgen regeling en procedure voor teruggaaf aan sommige in een andere E.E.G.-Lid-Staat gevestigde belastingplichtigen bedoeld in nr. 3 hierboven.
Onderwerp van de aanschrijving.
5. Deze aanschrijving heeft tot doel de te volgen regeling en procedure te omschrijven voor teruggaaf van B.T.W. aan de belastingplichtigen bedoeld in nr. 3 waarop de aanschrijving nr. 6 van 10 maart 1981 niet van toepassing is (z. nr. 4).
Zij houdt rekening met de bepalingen van de dertiende B.T.W.-richtlijn van 17 november 1986, met betrekking tot de modaliteiten van teruggaaf van B.T.W. aan niet op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen (3).
6. In het eerste hoofdstuk wordt omschreven op welke belastingplichtigen deze aanschrijving van toepassing is. Het behandelt eveneens de voor teruggaaf vatbare B.T.W. De teruggaafprocedure wordt beschreven in hoofdstuk II. Diverse bepalingen zijn opgenomen in hoofdstuk III.
Eerste hoofdstuk. - Bedoelde belastingplichtigen en voor teruggaaf vatbare B.T.W.
Bedoelde belastingplichtigen.
7. Deze aanschrijving is van toepassing op elk in het land gevestigde persoon die overeenkomstig de bepalingen van het B.T.W.-Wetboek belastingplichtige is en die :
1° hier te lande leveringen van goederen of diensten verricht die bedoeld zijn in het B.T.W.-Wetboek (z. art. 15, 16, 21 en 51, § 4, van het Wetboek, waarvan de tekst opgenomen is in bijlage 1) in de mate dat :
a) hij in België geen vaste inrichting heeft (z. aanschr. 30/1975 nrs. 8 tot 10) van waaruit de handelingen worden verricht;
b) hij gebruik maakt van het ontslag van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen (z. bijlage 2);
2° hier te lande in 1° bedoelde handelingen niet verricht
8. Het betreft inzonderheid de buitenlandse belastingplichtigen bedoeld in de aanschrijving nr. 6 van 10 maart 1981 (z. nr. 4) die de erin voorziene voorwaarden niet vervullen. Zij kunnen de terugbetaling van de B.T.W. bekomen in de mate dat zij voldoen aan de in onderhavige aanschrijving gestelde voorwaarden.
Voor teruggaaf vatbare B.T.W.
9. In de mate dat bij toepassing van het B.T.W.-Wetboek recht op aftrek ontstaat, heeft elke belastingplichtige die voldoet aan de hierboven vermelde voorwaarden (z. nrs. 7 en 8) recht op teruggaaf van de B.T.W. welke geheven werd ter zake van de hem door andere belastingplichtigen in het binnenland geleverde goederen en verstrekte diensten en ter zake van de invoeren van goederen die hij hier te lande verricht.
10. Bij toepassing van artikel 45 van het B.T.W.-Wetboek is niet aftrekbaar : de B.T.W. geheven van :
1° leveringen van tabaksfabrikaten;
2° leveringen van geestrijke dranken, daaronder niet begrepen die welke bestemd zijn om te worden wederverkocht of om te worden verstrekt ter uitvoering van een dienstverrichting;
3° kosten van logies en kosten van spijzen en dranken om ter plaatse te worden verbruikt, daaronder niet begrepen de kosten die worden gedaan :
- voor het personeel dat buiten de onderneming belast is met een levering van goederen of een dienstverrichting;
- door belastingplichtigen die op hun beurt dezelfde diensten onder bezwarende titel verstrekken;
Het reisbureau dat niet rechtstreeks met eigen middelen aan de reizigers vervoer, logies, ter plaatse verbruikte spijzen of dranken en vermaak verschaft, kan de B.T.W. die geheven is van deze diensten en die aan het reisbureau in eigen naam in rekening worden gebracht, of van de vergoeding van een ander reisbureau dat zijn tussenkomst heeft verleend voor het verrichten van deze diensten, niet in aftrek brengen.
Ten aanzien van levering en invoer van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van leveringen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in principe niet meer bedragen dan 50 pct. van de B.T.W. die over die handelingen geheven is.
Hoofdstuk II. - Teruggaafprocedure.
Eerste afdeling. - Te vervullen formaliteiten.
Aanvraag tot teruggaaf.
11. De teruggaaf wordt slechts toegestaan mits een aanvraag wordt ingediend bij het Centraal B.T.W.-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, Joseph Stevensstraat 7 (25 ste verdieping) 1000 BRUSSEL (Tel: 02/552 59 77 - 02/552 59 82 -- Fax: 02/552 55 42 - mail: contr.btw.ckbb@minfin.fed.be ), overeenkomstig de hierna vermelde bepalingen (z. nrs. 13 tot 26).
12. De belastingplichtige is er bovendien toe gehouden alle bijkomende inlichtingen te verstrekken die nodig worden geacht voor de beoordeling van de gegrondheid van de aanvraag tot teruggaaf.
Vorm van de aanvraag.
13. De aanvraag tot teruggaaf moet in drie exemplaren worden opgesteld op een formulier overeenkomstig het in bijlage 3 opgenomen model.
14. De aanvrager dient bij zijn aanvraag een bewijs te voegen waaruit blijkt dat hij de hoedanigheid van belastingplichtige bezit overeenkomstig de bepalingen van het B.T.W.-Wetboek.
Dit bewijs kan worden geleverd bij wijze van een attest uitgereikt door de administratieve overheid van het land van verblijf.
15. Het attest moet een voldoende gedetailleerde omschrijving bevatten van de werkzaamheid welke door de aanvrager uitgeoefend werd tijdens de periode waarop de aanvraag tot teruggaaf betrekking heeft, en dit op zodanige wijze dat het bevoegde met kennis van zaken uitspraak kan doen over de hoedanigheid belastingplichtige waarop de aanvrager aanspraak maakt.
16. Voor de rechtspersonen kan dit bewijs eveneens blijken uit het voor echt verklaarde afschrift van de statuten (en de eraan aangebrachte wijzigingen) van de verzoekende vennootschap, en uit de balans met betrekking tot het laatste boekjaar dat de voornoemde periode voorafgaat.
17. Indien het bewijs van hoedanigheid van belastingplichtige blijkt uit een openbare akte, opgesteld op het grondgebied van een Staat die gebonden is door het Verdrag van 's Gravenhage van 5 oktober 1961, moet het bewijsstuk vergezeld gaan van de apostille voorzien door dit Verdrag. Voor de in België opgestelde onderhandse akten moeten de handtekeningen worden echt verklaard door de bevoegde ambtenaar van het gemeentebestuur of door een Belgische notaris.
In de andere gevallen moeten de handtekeningen worden echt verklaard door de Belgische diplomatieke of consulaire agent en door het Belgisch Ministerie van Buitenlandse Zaken.
18. Voor de in een andere Lid-Staat van de Europese gemeenschap gevestigde aanvrager volstaat het bij zijn aanvraag tot teruggaaf een attest te voegen conform het model hierbij (z. bijlage 4), afgeleverd door de fiscale administratie van de Lid-Staat waar hij gevestigd is en waaruit blijkt dat hij de hoedanigheid van belastingplichtige bezit.
19. De attesten bedoeld in de nrs. 14, 2de alinea, en 18, of het document waarvan sprake in nr. 16, gesteld in een andere taal dan het Frans, het Nederlands of het Duits, moeten vergezeld gaan van een voor echt verklaarde vertaling.
20. Wanneer het in nr. 11 bedoelde kantoor reeds in het bezit is van het bewijs van hoedanigheid van belastingplichtige, is de belastingplichtige er niet meer toe gehouden een nieuw bewijs te leveren gedurende één jaar, te rekenen vanaf de datum van het eerste bewijs .
21. Bij de aanvraag moeten eveneens de van de leveranciers of dienstverrichters ontvangen originele facturen en creditnota's evenals, in voorkomend geval, de invoerdocumenten worden gevoegd.
22. Bij de aanvragen, gerechtvaardigd door het verrichten van handelingen die aan de belasting in België onderworpen zijn of die vrijgesteld zijn krachtens de artikelen 39 tot 43 van het B.T.W.-Wetboek (verg. Wetboek, art. 45, § 1, 1° en 2°), moeten bovendien volgende stukken worden gevoegd :
- het dubbel van de uitgaande facturen en van de uitgereikte creditnota's;
- de betalingsbewijzen van de op deze dubbels vermelde belasting of de documenten die de vrijstelling van de belasting aantonen;
- eventueel de kwitantie nr. 258 die door de douane wordt uitgereikt aan de buitenlandse vervoerder bij internationaal personenvervoer.
Bewijs van betaling.
24. Het bewijs van betaling van de belasting beoogd in nr. 22 tweede streepje, kan worden geleverd door de voorlegging van het dubbel van de facturen welke aan de medecontractant zijn uitgereikt, overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 31 van 29 december 1970 (z. bijlage 5). Het dubbel dient behoorlijk voorzien te zijn met het onderste deel van de fiscale zegels.
Wanneer de belasting niet werd voldaan door de buitenlandse leverancier of dienstverrichter maar door de medecontractant, kan het bewijs geleverd worden bij wijze van een document waarin de medecontractant verklaart dat hij de verschuldigde B.T.W. heeft betaald, hetzij door ze op te nemen in zijn periodieke B.T.W.-aangifte, hetzij door het aanbrengen en onbruikbaar maken van gehele fiscale zegels (z. bijlage 5).
25. Het attest van de medecontractant moet volgende vermeldingen bevatten :
1° de identificatie van de partijen evenals hun adres;
2° een verwijzing naar de factuur (nr., datum);
3° indien de belasting betaald is geworden door opname in een periodieke B.T.W.-aangifte, de vermelding van het tijdvak waarop de aangifte betrekking heeft, en de datum van de betaling van de belasting.
Indien de medecontractant de belasting voldaan heeft door het aanbrengen en onbruikbaar maken van gehele fiscale zegels (z. nr. 24, tweede alinea), moet het attest vergezeld zijn van een fotokopie van het met zegels beklede document.
26. De aanvrager moet op het teruggaafformulier zich er toe verbinden alle ten onrechte ontvangen bedragen terug te betalen.
Afdeling II. - Periodiciteit van de aanvragen tot teruggaaf. Minimumbedrag van de aanvraag tot teruggaaf.
27. Slechts één aanvraag tot teruggaaf mag worden ingediend per kalenderkwartaal.
Onder voorbehoud van het bepaalde in nr. 29 hierna mag de aanvraag facturen of invoerdocumenten betreffen waarvoor eerder geen aanvraag tot teruggaaf werd ingediend, voor zover zij wordt ingediend binnen de vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van het ontstaan van het recht op aftrek.
Het recht op aftrek ontstaat :
1° voor de belasting geheven op aan de belastingplichtige geleverde goederen en verleende diensten, op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt krachtens de artikelen 17 en 22 van het B.T.W.-Wetboek;
2° voor de belasting geheven wegens invoer, op het tijdstip waarop die belasting verschuldigd wordt krachtens artikel 24 van voornoemd Wetboek.
28. Het bedrag waarop de aanvraag tot teruggaaf betrekking heeft, mag niet lager zijn dan de tegenwaarde van 200 Europese rekeneenheden (4).
Gaat het evenwel om een verzoek ingediend in de loop van het eerste kwartaal van het kalenderjaar, dan mag het bedrag waarop de aanvraag tot teruggaaf betrekking heeft niet lager zijn dan de tegenwaarde van 25 Europese rekeneenheden (5).
29. Wanneer het terug te betalen bedrag de tegenwaarde van 25 Europese rekeneenheden (6) niet bereikt, wordt geen teruggaaf toegestaan.
Het bedrag van de belasting waarvoor de teruggaaf niet is toegestaan, mag niet het voorwerp uitmaken van een latere aanvraag.
Afdeling III. - Beslissing over de aanvraag tot teruggaaf.
Kennisgeving van de beslissing betreffende de teruggaaf.
30. De beslissing betreffende de teruggaaf wordt betekend binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum vande indiening van de aanvraag op het in nr. 11 bedoelde kantoor samen met alle documenten die volgens deze aanschrijving voor het onderzoek nodig zijn en voor zover alle nodige inlichtingen werden verstrekt.
Termijn en modaliteiten van de teruggaaf.
| 31. | De terugbetalingen geschieden binnen dezelfde termijn : |
b) door overmaking aan :
- een in België gevestigde bank;
- een instelling bedoeld in artikel 1, tweede lid, 1e, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935, op de bankcontrole en het uitgifteregime van titels en effecten;
- een onderneming bedoeld in artikel 1, tweede lid, 3e, van datzelfde besluit;
- een kredietvereniging aangenomen door de Nationale Kas voor Beroepskrediet;
- een kredietkas aangenomen door het Nationaal Instituut voor Landbouwkrediet;
32. Indien de terugbetaling niet in België plaatsvindt zijn de kosten van overmaking ten laste van de rechthebbende.
33. Indien de betaling aan een lasthebber moet geschieden, moet bij de aanvraag tot teruggaaf een volmacht worden gevoegd.
Betreffende de volmacht gelden mutatis mutandis dezelfde bepalingen als vermeld in nr. 17.
34. Indien de teruggaaf niet wordt toegestaan, wordt de afwijzende beslissing met redenen omkleed.
35. De rechthebbende op teruggaaf kan echter de bij artikel 90 van het B.T.W.-Wetboek bepaalde vordering tot teruggaaf instellen binnen vijf jaar te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van de beslissing waarbij de bij de administratie ingediende aanvraag tot teruggaaf wordt verworpen.
Die vordering wordt ingesteld, bij exploot met dagvaarding, betekend aan de Belgische Staat, aan het hoofd van het Centraal B.T.W.-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, Joseph Stevensstraat 7 (25 ste verdieping) 1000 BRUSSEL (Tel: 02/552 59 77 - 02/552 59 82 -- Fax: 02/552 55 42 - mail: contr.btw.ckbb@minfin.fed.be ) (kon. besl. 4 van 29 december 1969, art . 14) .
Hoofdstuk III. - Diverse bepalingen.
Fraude.
36. Ingeval de teruggaaf op bedrieglijke of onregelmatige wijze werd verkregen zal het Centraal B.T.W.-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen de ten onrechte ontvangen bedragen en de bij de wet bepaalde boeten invorderen.
Elke latere teruggaaf kan worden opgeschort totdat de sommen zijn betaald die de belastingplichtige nog verschuldigd blijft ingevolge een ten onrechte uitgevoerde teruggaaf.
Inwerkingtreding. Opheffingsbepaling.
37. De bepalingen van deze aanschrijving treden in werkingop 1 januari 1988.
38. Deze aanschrijving vervangt de nummers 97 tot 107 van de aanschrijving nr. 30 van 5 december 1975.
-------------- (1) Z. Revue nr.24, blz.21. (2) Z. Revue nr.49, blz.426. (3) Z. Revue nr.75, blz.95. (4) Thans 200,00 EUR (9.000, BEF)(*) [(*) Omzetting naar euro : aanschrijving 101.564 dd.19.12.2001 (inwerkingtreding 01.01.2002)] (5) Thans 1.100, BEF (27,27 EUR) (6) Thans 1.100, BEF (27,27 EUR) BlJLAGE 1 Tekst van de artikelen 15, 16, 21 en 51, § 4, van het B.T.W.-Wetboek.
Artikel 15. § 1. De levering vindt plaats op het tijdstip waarop het goed ter beschikking van de verkrijger of de overnemer wordt gesteld.
De levering wordt evenwel geacht plaats te vinden :
1° wanneer het goed in verband met de terbeschikkingstelling wordt vervoerd, op het tijdstip van aanvang van het vervoer, tenzij het goed door of voor rekening van de leverancier wordt geïnstalleerd of gemonteerd, in welk geval de levering plaatsvindt op het tijdstip waarop de installatie of de montage wordt beëindigd;
2° in geval van doorlopende leveringen van goederen die aanleiding geven tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen, bij het verstrijken van elke periode waarop een afrekening of betaling betrekking heeft;
3°ter zake van de vervreemding van gebouwen, uiterlijk bij het verstrijken, naargelang van het geval, van de in 1° of 2° van artikel 9, § 3, eerste lid, bepaalde termijn.
§ 2. Wanneer het goed ter beschikking van de verkrijger of overnemer is voor het sluiten van het contract of wanneer de verkoper of overdrager het bezit van het goed behoudt na het sluiten van het contract, wordt de levering geacht plaats te vinden op het tijdstip waarop het contract uitwerking heeft.
Ten aanzien van in consignatie gegeven goederen vindt de levering aan de consignataris plaats op het tijdstip waarop deze er eigenaar van wordt. Wanneer de consignataris verkoopcommissionair is, wordt de levering aan hem geacht plaats te vinden naarmate hij de door zijn toedoen verkochte goederen levert.
Artikel 16. De levering vindt plaats hier te lande wanneer het goed zich op het tijdstip van de levering binnen het Rijk bevindt, behoudens tegenbewijs wordt het goed geacht zich binnen het Rijk te bevinden als één der bij de levering betrokken partijen er een zetel van beroepswerkzaamheid of een vaste inrichting heeft gevestigd, of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, een woonplaats of een gebruikelijke verblijfplaats.
Artikel 21. § 1. Een dienst vindt plaats hier te lande als de overeenkomstig de §§ 2 tot 4 aangemerkte plaats zich hier te lande bevindt.
§ 2. Als plaats van een dienst wordt aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn beroepswerkzaamheid of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats.
| § | 3. In afwijking van § 2, wordt als plaats van de dienst aangemerkt: |
2° de plaats waar het goed zich bevindt, wanneer het gaat om een werk, inbegrepen de expertise, dat betrekking heeft op een in artikel 9, § 1, bedoeld goed;
3° de plaats waar het vervoer plaatsvindt, zulks naar verhouding van de afgelegde afstanden, wanneer het vervoerdiensten betreft;
4° de plaats waar de dienst materieel wordt verricht :
a) in verband met culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, onderwijs- en vermakelijkheidsactiviteiten of soortgelijke activiteiten, met inbegrip van die van de organisatoren van zulke activiteiten, alsmede van daarmee samenhangende diensten;
b) in verband met het verschaffen van spijs en drank om ter plaatse te worden verbruikt, als bedoeld in artikel 18, § 1, 11°;
c) in verband met activiteiten die met vervoer samenhangen;
5° (opgeheven);
6° de plaats waar het gebruik plaatsvindt van een vervoermiddel dat is verhuurd :
a) door een verhuurder die hier te lande is gevestigd in de mate waarin dit vervoermiddel buiten de Europese Economische Gemeenschap wordt gebruikt;
b) door een verhuurder die buiten die Gemeenschap is gevestigd;
7° de plaats waar de ontvanger van de dienst de zetel van zijn beroepswerkzaamheid of een vaste inrichting heeft gevestigd voor de dienst is verricht of, bij gebreke, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats, wanneer de dienst wordt verleend aan een ontvanger die buiten de Europese Economische Gemeenschap is gevestigd of aan een ontvanger die in die Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter is gevestigd en handelt voor beroepsdoeleinden, en voor zover de dienst tot voorwerp heeft :
a) de overdracht van of het verlenen van een auteursrecht, een octrooi, een licentierecht, een fabrieks- of handelsmerk, of een ander soortgelijk recht;
b) de overdracht van of het verlenen van rechten op een cliënteel, een verkoop- of aankoopmonopolie; het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen; de verbintenis een beroepswerkzaamheid of een onder a bedoeld recht niet uit te oefenen;
c) werkzaamheden op het gebied van de reclame;
d) intellectueel werk in het kader van hun geregelde werkzaamheden verricht door juridische of andere adviseurs, accountants, ingenieurs, adviesbureaus en andere soortgelijke dienstverrichters, met uitzondering van onder § 3, 1°, bedoelde diensten;
e) verrichtingen van banken en andere financiële instellingen in het raam van hun specifieke werkzaamheid, met uitzondering van de verhuur van brandkasten;
f) de terbeschikkingstelling van personeel;
g) verrichtingen van makelaars en lasthebbers die niet handelen als bedoeld in artikel 13, § 2, en die tussenkomst verlenen bij diensten bedoeld in dit 7°;
h) de verhuur van een uit zijn aard roerend goed ander dan een vervoermiddel.
§ 4. Ten einde dubbele heffing of niet-heffing van belasting alsmede concurrentieverstoring te voorkomen, kan de Koning, voor de diensten als bedoeld in § 3, 7° :
1° de plaats van de dienst die, krachtens dit artikel, in het binnenland is gelegen, aanmerken als buiten de Europese Economische Gemeenschap te zijn gelegen wanneer het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie buiten die Gemeenschap geschieden;
2° de plaats van de dienst die, krachtens dit artikel, buiten de genoemde Gemeenschap is gelegen, aanmerken als in het binnenland te zijn gelegen, wanneer het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie in het binnenland geschieden.
§ 5. Behoudens tegenbewijs wordt de plaats van een dienst geacht zich hier te lande te bevinden als één van de bij de dienst betrokken partijen er een zetel van beroepswerkzaamheid of een vaste inrichting heeft gevestigd of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, een woonplaats of een gebruikelijke verblijfplaats
Artikel 51. ...
§ 4. Wanneer de levering door de persoon op wiens naam de ter zake van invoer verschuldigde belasting regelmatig is voldaan en, eventueel, de daaropvolgende leveringen gepaard gaan met de verzending van het goed van het buitenland naar een plaats in België, dan worden die leveringen in afwijking van artikel 16 hier te lande te zijn verricht.
BIJLAGE 2
Gevallen die geen aanleiding geven tot het laten erkennen van een aansprakelijke vertegenwoordiger.
De buitenlandse belastingplichtige dient geen aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen wanneer hij volgende handelingen verricht :
1° diensten van intellectuele aard beoogd in artikel 21, § 3, 7°, van het Belgisch B.T.W.-Wetboek;
2° diensten van materiële aard, die hij occasioneel in België verricht;
3° occasionele handelingen die erin bestaan in België ingekochte goederen of ingevoerde goederen hier te lande weder te verkopen;
4° leveringen van goederen en dienstprestaties hier te lande verricht, maar vrijgesteld op grond van de artikelen 39 tot 42 van genoemd Wetboek (b.v. internationaal goederenvervoer).
BIJLAGE 3
TOELICHTING
1. De regeling voorzien in de achtste B.T.W.-richtlijn van de Europese Gemeenschappen werd, voor wat België betreft, toegelicht in aanschrijving nr. 6 van 10 maart 1981.
2. Het verzoek tot teruggaaf moet in drievoud worden ingediend bij het Centraal B.T.W.-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, Joseph Stevensstraat 7 (25 ste verdieping) 1000 BRUSSEL (Tel: 02/552 59 77 - 02/552 59 82 -- Fax: 02/552 55 42 - mail: contr.btw.ckbb@minfin.fed.be).
Het verzoek wordt gesteld op een formulier dat bij het hierboven vermeld kantoor kan worden bekomen.
Slechts één aanvraag tot teruggaaf mag per kalenderkwartaal worden ingediend.
3. In te vullen indien door de rechthebbende reeds eerder een aanvraag tot teruggaaf werd ingediend.
4. De rechthebbende moet bewijzen dat hij een economische werkzaamheid verricht.
Het bewijs kan geleverd worden door, onder meer :
- een verklaring afgeleverd door de administratieve overheid van het land van verblijf;
- een voor eensluidend verklaard afschrift van de statuten van de aanvragende vennootschap (en de eraan aangebrachte wijzigingen), en van de balans met betrekking tot het laatste boekjaar voorafgaand aan de periode waarop de aanvraag tot teruggaaf betrekking heeft.
In de andere gevallen moeten de handtekeningen worden echt verklaard door de Belgische diplomatieke of consulaire agent en door het Belgisch Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Voor de in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschap gevestigde aanvrager volstaat het bij zijn aanvraag tot teruggaaf een attest te voegen, afgeleverd door de fiscale administratie van de Lid-Staat waar hij gevestigd is en waaruit blijkt dat hij de hoedanigheid van belastingplichtige bezit overeenkomstig de bepalingen van het B.T.W.-Wetboek.
Het document dat als bewijs dient, gesteld in een andere taal dan het Nederlands, het Frans of het Duits, moet vergezeld gaan van een voor echt verklaarde vertaling.
Wanneer de in nr. 2 bedoelde dienst reeds beschikt over een bewijs van hoedanigheid van belastingplichtige, is de belastingplichtige gedurende één jaar te rekenen vanaf de datum van het eerste bewijs, ervan ontheven een nieuw bewijs te leveren.
5. Slechts één aanvraag tot teruggaaf mag worden ingediend per kalenderkwartaal.
De aanvraag kan facturen of invoerdocumenten betreffen waarvoor eerder geen aanvragen tot teruggaaf werden ingediend, voor zover zij wordt ingediend binnen de vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van het ontstaan van het recht op aftrek, en de teruggaaf eerder niet werd geweigerd.
Het recht op aftrek ontstaat :
1° voor de belasting geheven op aan de belastingplichtige geleverde goederen en verleende diensten, op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt krachtens de artikelen 17 en 22 van het B.T.W.-Wetboek;
2° voor de belasting geheven wegens invoer, op het tijdstip waarop die belasting verschuldigd wordt krachtens artikel 24 van voornoemd Wetboek.
De aanvraag moet slaan op een minimumbedrag in Belgische frank dat de tegenwaarde is van 200 Europese rekeneenheden (1).
Gaat het evenwel om een verzoek ingediend in de loop van het eerste kwartaal van het kalenderjaar, dan moet het bedrag waarop de aanvraag betrekking heeft ten minste de tegenwaarde in Belgische frank van 25 Europese rekeneenheden (2) belopen.
| 6. | De terugbetalingen geschieden hetzij : |
b) door overmaking op de rekening geopend op naam van de rechthebbende op teruggaaf bij :
- een in België gevestigde financiële instelling;
- een instelling bedoeld in artikel 1, tweede lid, 1 ste, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935, op de bankcontrole en het uitgifteregime van titels en effecten;
- een onderneming bedoeld in artikel 1, tweede lid, 3de, van datzelfde besluit;
- een kredietvereniging aangenomen door de Nationale Kas voor Beroepskrediet;
- een kredietkas aangenomen door het Nationaal Instituut voor Landbouwkrediet;
Indien de betaling aan een lasthebber moet geschieden moet bij de aanvraag tot teruggaaf een volmacht worden gevoegd.
Wordt de volmacht gegeven bij openbare akte, opgesteld in een Staat die gebonden is door het Verdrag van 's Gravenhage, van 5 oktober 1961, dan moet ze vergezeld gaan van de apostille voorzien door dit Verdrag. Voor de in België opgestelde onderhandse akten moeten de handtekeningen worden echt verklaard door een gemeentebestuur of door een Belgische notaris.
In de andere gevallen moeten de handtekeningen worden echt verklaard door de Belgische diplomatieke of consulaire agent en door het Belgisch Ministerie van Buitenlandse Zaken. De volmachten, gesteld in een andere taal dan het Nederlands, het Frans of het Duits, moeten vergezeld gaan van een voor echt verklaarde vertaling.
7. De teruggaaf wordt toegestaan in de mate dat bij toepassing van het B.T.W.-Wetboek recht op aftrek ontstaat.
Bij toepassing van artikel 45, § 1, van het B.T.W.-Wetboek is onder meer aftrekbaar de belasting geheven van de aan de belastingplichtige geleverde goederen en diensten gebruikt voor :
1° handelingen onderworpen aan de belasting;
2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 43 van het B.T.W.-Wetboek;
3° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden.
Bij toepassing van artikel 45 van het B.T.W.-Wetboek is niet aftrekbaar de B.T.W. geheven van :
1° leveringen van tabaksfabrikaten;
2° leveringen van geestrijke dranken, daaronder niet begrepen die welke bestemd zijn om te worden wederverkocht of om te worden verstrekt ter uitvoering van een dienstverrichting;
3° kosten van logies en kosten van spijzen en dranken om ter plaatse te worden verbruikt, daaronder niet begrepen de kosten die worden gedaan :
- voor het personeel dat buiten de onderneming belast is met een levering van goederen of een dienstverrichting;
- door belastingplichtigen die op hun beurt dezelfde diensten onder bezwarende titel verstrekken;
Het reisbureau dat niet rechtstreeks met eigen middelen aan de reizigers vervoer, logies, ter plaatse verbruikte spijzen of dranken en vermaak verschaft, kan de B.T.W. die geheven is van deze diensten, en die aan het reisbureau in eigen naam in rekening worden gebracht, of van de vergoeding van een ander reisbureau dat zijn tussenkomst heeft verleend voor het verrichten van deze diensten, niet in aftrek brengen.
Ten aanzien van levering en invoer van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van leveringen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in principe niet meer bedragen dan 50 pct. van de B.T.W. die over die handelingen geheven is.
Indien de teruggaaf niet wordt toegestaan is de afwijzende beslissing met redenen omkleed.
8. Nadat de rechthebbende de aanvraag tot teruggaaf heeft ingevuld, dateert en ondertekent hij ze.
Wanneer de rechthebbende een rechtspersoon is, wordt de aanvraag ondertekend door degene of degenen die daartoe gemachtigd zijn ingevolge de statuten of krachtens een aan hen toevertrouwde volmacht.
Wanneer de rechthebbende een derde als lasthebber heeft aangesteld om de aanvraag te ondertekenen, moet bij de in nr. 2 vermelde dienst een volmacht worden ingediend. In voorkomend geval wordt deze volmacht gegeven op hetzelfde document als bedoeld in nr. 6, 3de en 4de alinea. Wat betreft de voor de volmacht te vervullen voorwaarden wordt verwezen naar hetzelfde nummer.
Na iedere handtekening worden de naam, de voornamen en de hoedanigheid (beheerder, zaakvoerder, lasthebber, enz.) van de ondertekenaar in hoofdletters vermeld.
| 9. | Redactie van vak 9. |
In de kolommen 2 tot 8 worden de documenten ontleed, die bewijzen dat de goederen en de diensten, belast met de Belgische B.T.W., gebruikt geweest zijn :
1° hetzij voor het leveren van goederen of het verrichten van diensten in België.
Het is van geen belang dat die handelingen vrijgesteld zijn van B.T.W. krachtens de artikelen 39 tot 43 van het B.T.W.-Wetboek, zoals uitvoer, internationaal vervoer van goederen, leveringen aan ambassades, enz. (vgl. vak 8, a, eerste en tweede streepje);
2° hetzij voor de uitvoering van een contract van internationaal personenvervoer waarvoor een kwitantie 258 door de douane werd afgeleverd aan de buitenlandse vervoerder (vgl. met vak 8, a, eerste streepje).
B. Input.
De documenten met vermelding van de goederen en diensten, gebruikt voor het verrichten van uitgaande handelingen, en waarvoor de teruggaaf van de B.T.W. wordt gevraagd, worden ontleed in de kolommen 9 tot 17 van de aanvraag.
Het betreft de facturen, door leveranciers en dienstverrichters gericht aan de rechthebbende en opgesteld overeenkomstig de voorschriften van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde. Zij moeten meer bepaald bevatten : de datum waarop ze werden uitgereikt; het volgnummer van inschrijving in het uitgaand factuurboek; de naam en het adres van de leverancier van het goed of van de dienstverrichter, en van de klant; het B.T.W.-registratienummer, het inschrijvingsnummer van de leverancier of dienstverrichter in het handels- of.ambachtsregister; de datum van levering van het goed of voltooiing van de dienst; de gewone benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten, met aanduiding, naargelang het geval, van de hoeveelheid van de goederen of van het voorwerp van de dienst, en, meer algemeen, van alle gegevens die nodig zijn om de aard van de verrichte handeling te kunnen vaststellen, alsmede het tarief van de verschuldigde belasting; de prijs en de andere elementen van de maatstaf van heffing; het tarief en bedrag van de verschuldigde belasting.
Ingeval de ruimte in vak 9 onvoldoende is, moet de rechthebbende een blad toevoegen. Dit blad bevat bovenaan het Belgisch belastingnummer en wordt gehecht aan het aanvraagformulier. De documenten bedoeld in A en B moeten gedurende 5 jaar worden bewaard, te rekenen van 1 januari volgend op hun datum.
10. Elke op onregelmatige wijze verkregen teruggaaf geeft aanleiding tot de toepassing van de boeten of sancties voorzien door de Belgische wetgeving.
---------------- (1) Thans 200,00 EUR (9.000, -B.F.)(*) [(*) Omzetting naar euro : aanschrijving 101.564 dd.19.12.2001 (inwerkingtreding 01.01.2002)] (2) Thans 1.100, -B.F. BIJLAGE 4 Dit document wordt niet verstrekt door de Belgische administratie. De belastingplichtige dient het zelf op te maken. VERKLARlNG OMTRENT DE HOEDANIGHEID VAN BELASTINGPLICHTIGE ........................................................................ (Bevoegde dienst en adres) verklaart dat........................................................... (Naam en voornamen of handelsnaam) ........................................................................ (Aard van de bedrijfsuitoefening) (1) ........................................................................ (Adres van de vestiging) aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen is onder nummer (2) .................................................................... Hij/Zij oefent bovendien volgende werkzaamheid uit waarvoor hij/zij niet als dusdanig geregistreerd is : ........................................ ........................................................................ .................... (datum) Visum en stempel van de dienst ............................... van de fiscale administratie (Handtekening, naam en functie) -------------------- (1) Het attest moet een voldoende gedetailleerde omschrijving bevatten van de werkzaamheid welke door de aanvrager werd uitgeoefend tijdens de periode waarop de aanvraag tot teruggaaf betrekking heeft, en dit op zodanige wijze dat het bevoegd kantoor met kennis van zaken uitspraak kan doen over de hoedanigheid van belastingplichtige waarop de aanvrager aanspraak maakt. (2) Indien de aanvrager geen B.T.W.-nummer heeft, moet de bevoegde dienst de reden hiervan vermelden. BIJLAGE 5 Tekst van de artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit nr. 31 van 29 december 1970.
Artikel 5. Wanneer een in het buitenland gevestigde belastingplichtige die in België geen vaste inrichting heeft, ontslagen is van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen, wordt de belasting die verschuldigd is ter zake van de leveringen en de diensten die hij hier te lande verricht, voldaan door het aanbrengen en het onbruikbaar maken van fiscale plakzegels tot beloop van het bedrag van die belasting.
De in voorgaand lid bedoelde belastingplichtige maakt binnen de bij artikel 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 bepaalde termijn, een factuur in tweevoud op die de bij artikel 2 van dat besluit voorgeschreven vermeldingen bevat; het bovenste deel van de plakzegels brengt hij aan en maakt hij onbruikbaar op de factuur die hij aan zijn medecontractant uitreikt en het onderste deel van die plakzegels op het dubbel van de factuur, dat hij bewaart.
Ieder deel van de plakzegels wordt met duidelijke lettertekens onbruikbaar gemaakt hetzij door middel van een met onuitwisbare inkt geschreven vermelding die de datum van de onbruikbaarmaking en de handtekening van de in het buitenland gevestigde belastingplichtige omvat, hetzij door middel van een naamstempel die, met vette inkt, benevens de datum ook de familienaam, de benaming of de firma van de in het buitenland gevestigde belastingplichtige afdrukt. Alleen de datum moet geheel op het deel van de plakzegel staan. De handtekening moet volledig zijn, maar mag gedeeltelijk buiten de rand van het deel van de plakzegel komen.
Artikel 6. Wanneer een in het buitenland gevestigde belastingplichtige die in België geen vaste inrichting heeft, geen aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen en de belasting niet heeft voldaan op de in artikel 5 bepaalde wijze, voldoet de medecontractant die belasting :
1° wanneer hij een belastingplichtige is die gehouden is een periodieke aangifte in te dienen, door ze op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting dat wordt vermeld in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin het belastbaar feit zich heeft voorgedaan;
2° wanneer hij niet een belastingplichtige is die gehouden is een periodieke aangifte in te dienen, door het aanbrengen en het onbruikbaar maken van gehele fiscale plakzegels, binnen tien dagen te rekenen van het verstrijken van de termijn bepaald bij artikel 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969, op de ontvangen factuur of, bij ontstentenis van een factuur, op een stuk dat hij daarvoor opmaakt. De factuur of het vervangend stuk dient te vermelden : de datum van het uitreiken of de datum van het opmaken ervan, het volgnummer van inschrijving in het boek voor inkomende facturen, alsmede de vermeldingen voorgeschreven bij artikel 2, 2° tot 6°, van het voormeld koninklijk besluit nr. 1. Het onbruikbaar maken van de plakzegels gebeurt op de in artikel 5, derde lid, aangegeven wijze, met dien verstande dat beide delen van de plakzegel aan elkaar moeten blijven en dat de vermelding of de afdruk van de naamstempel moet worden aangebracht in de richting van de langste afmeting van de plakzegel.
Bron: FisconetPlus
