Circulaire nr. Ci.RH.241/443.713 dd. 27.10.1992
CIRC 27.10.92/1
Circulaire nr. Ci.RH.241/443.713 dd. 27.10.1992
Bull. nr. 722
ACHTERSTALLIGE BEZOLDIGING
Loods
Bezoldiging
Mijnheer de Secretaris-generaal,
Uw onder referte vermelde brief strekt ertoe te vernemen of de veranderlijke bezoldigingen van de loodsen in dienst bij de Administratie Waterinfrastructuur en Zeewezen, voor de maanden november en december van een bepaald jaar, die pas in februari van het volgende jaar worden uitbetaald, als achterstallige bezoldigingen kunnen worden aangemerkt.
Ter zake heb ik de eer U mede te delen dat als achterstallige bezoldigingen worden beschouwd, de bezoldigingen waarvan de uitbetaling uitzonderlijk ingevolge een feit te wijten aan een openbare overheid of ingevolge het bestaan van een geschil heeft plaats gehad na het verstrijken van het jaar tijdens hetwelk ze normaal hadden moeten betaald zijn (cf. artikel 171, 5., b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 - artikel 93, # 1, 3., b, W.I.B. oud).
In de praktijk geldt als regel dat wanneer de reglementering ter zake bepaalt dat sommige buitengewone prestaties slechts worden vergoed na het einde van een bepaalde periode waarin die prestaties werden geleverd, de vergoeding slechts als een achterstallige bezoldiging aan te merken is, indien de betaling meer dan drie maanden na het einde van die periode plaats heeft en mits die omstandigheid tot gevolg heeft dat de betaling gebeurt binnen een later kalenderjaar dan datgene waarin vorenbedoelde termijn van drie maanden verstrijkt.
De Administratie der directe belastingen is dan ook van oordeel dat de bepalingen van voormeld artikel 171, 5., b, W.I.B. 1992 (artikel 93, # 1, 3., W.I.B. oud), niet van toepassing zijn op de in uw brief bedoelde veranderlijke bezoldigingen, daar de laattijdige betaling van die bezoldigingen, in plaats van uitzonderlijk te zijn, essentieel te wijten is aan de omstandigheden die verband houden met de complexiteit van de bezoldigingen en met de bijzondere vereffeningsmodaliteiten ervan. M.a.w. de interpretatie die door uw diensten gegeven wordt aan de administratieve onderrichtingen ter zake, alsmede aan het begrip "door toedoen van een openbare overheid", wordt bijgetreden.
Voorts is het ook zo dat het feit dat de wedde van de maand november later wordt betaald dan die van de maand december niet zonder meer impliceert dat de eerstgenoemde wedde als een achterstal moet worden aangemerkt.
Met de meeste hoogachting,
Circulaire nr. Ci.RH.241/443.713 dd. 27.10.1992
Bull. nr. 722
ACHTERSTALLIGE BEZOLDIGING
Loods
Bezoldiging
Mijnheer de Secretaris-generaal,
Uw onder referte vermelde brief strekt ertoe te vernemen of de veranderlijke bezoldigingen van de loodsen in dienst bij de Administratie Waterinfrastructuur en Zeewezen, voor de maanden november en december van een bepaald jaar, die pas in februari van het volgende jaar worden uitbetaald, als achterstallige bezoldigingen kunnen worden aangemerkt.
Ter zake heb ik de eer U mede te delen dat als achterstallige bezoldigingen worden beschouwd, de bezoldigingen waarvan de uitbetaling uitzonderlijk ingevolge een feit te wijten aan een openbare overheid of ingevolge het bestaan van een geschil heeft plaats gehad na het verstrijken van het jaar tijdens hetwelk ze normaal hadden moeten betaald zijn (cf. artikel 171, 5., b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 - artikel 93, # 1, 3., b, W.I.B. oud).
In de praktijk geldt als regel dat wanneer de reglementering ter zake bepaalt dat sommige buitengewone prestaties slechts worden vergoed na het einde van een bepaalde periode waarin die prestaties werden geleverd, de vergoeding slechts als een achterstallige bezoldiging aan te merken is, indien de betaling meer dan drie maanden na het einde van die periode plaats heeft en mits die omstandigheid tot gevolg heeft dat de betaling gebeurt binnen een later kalenderjaar dan datgene waarin vorenbedoelde termijn van drie maanden verstrijkt.
De Administratie der directe belastingen is dan ook van oordeel dat de bepalingen van voormeld artikel 171, 5., b, W.I.B. 1992 (artikel 93, # 1, 3., W.I.B. oud), niet van toepassing zijn op de in uw brief bedoelde veranderlijke bezoldigingen, daar de laattijdige betaling van die bezoldigingen, in plaats van uitzonderlijk te zijn, essentieel te wijten is aan de omstandigheden die verband houden met de complexiteit van de bezoldigingen en met de bijzondere vereffeningsmodaliteiten ervan. M.a.w. de interpretatie die door uw diensten gegeven wordt aan de administratieve onderrichtingen ter zake, alsmede aan het begrip "door toedoen van een openbare overheid", wordt bijgetreden.
Voorts is het ook zo dat het feit dat de wedde van de maand november later wordt betaald dan die van de maand december niet zonder meer impliceert dat de eerstgenoemde wedde als een achterstal moet worden aangemerkt.
Met de meeste hoogachting,
Voor de Directeur-generaal :
De Adjunct-adviseur,
B. MATTHIEU.
Bron: FisconetPlus
