Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 07.09.1990 (21e afl.)

Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 07.09.1990 (21e afl.)


Bull. nr. 698, nr. UI/321, 2678-2679

BEROEPSKOSTEN
Autokosten
Kledingkosten
Receptiekosten
Relatiegeschenken
Restaurantkosten
Taks op winstdeelnemingen

BIJZONDERE AANSLAG VEN.B.
Niet-bewezen lasten of bedragen

DEFINITIEF BELASTE INKOMSTEN
Aftrek

FORFAITAIR GEDEELTE VAN DE BUITENLANDSE BELASTING
Verrekenbaar bedrag

GEDWONGEN MEERWAARDEN
Wederbeleggingstermijn

HERVORMINGSWET 1988
Beroepskosten
Bijzondere aanslag Ven.B.
Investeringsaftrek
Meerwaarden
Roerende inkomsten
Verrekening van de voorheffingen

INVESTERINGSAFTREK
Percentages
Toekenningsvoorwaarden

MEERWAARDEN
Meerwaarden verwezenlijkt op autovoertuigen

ROERENDE INKOMSTEN
Belastbaar bedrag
Inkomsten van buitenlandse oorsprong

VRIJGESTELDE MEERWAARDEN
Onaantastbaarheidsvoorwaarden

VRIJGESTELDE ROERENDE INKOMSTEN
Aftrek


Commentaar, inzake Ven.B. op de art. 20, 21, 22, 23, 29, 30, 32,33, §1 en 40, §4, W. 7.12.1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen:

  • belastbaar bedrag van roerende inkomsten;
  • verrekening van het F.B.B.;
  • meerwaarden;
  • aftrekbare kosten;
  • investeringsaftrek;
  • definitief belaste en vrijgestelde roerende inkomsten;
  • niet-bewezen kosten.

Inhoudstabel

Nrs.

Belastbaar bedrag van roerende inkomsten - Verrekening van het forfaitaire gedeelte van buitenlands belastingen(F.B.B.)

I. Wetteksten

III/101

II. Algemeen

III/102 en 103

III. Draagwijdte

III/104

IV. Bepaling van het belastbare bedrag van de roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong

III/105

V. Inwerkingtreding

III/106

Vrijstelling van meerwaarden

I. Wetteksten

III/201

II. Algemene draagwijdte

III/202

III. Onaantastbaarheidsvoorwaarde

III/203

IV. Specifieke maatregelen inzake gedwongen meerwaarden

III/204 tot 206

V. Belastingvrije verrichtingen

III/207 en208

VI. Inwerkingtreding

III/209 tot 214

Aftrekbare kosten

I. Wetteksten

III/301

II. Algemeen

III/302

III. Jaarlijkse taks op winstdeelnemingen

III/303tot 308

IV. Niet-aftrekbare autokosten en vaststellingen van meerwaarden of minderwaarden op autovoertuigen

III/309 tot 318

V. Niet-aftrekbare restaurantkosten, receptiekosten en kosten voor relatiegeschenken

III/319 tot322

VI. Kosten voor niet-specifieke beroepskleding

III/323 tot 326

Investeringsaftrek

I. Wetteksten

III/401

II. Algemene draagwijdte

III/402

III. Toepassing van de investeringsaftrek

III/403 en 404

IV. In aanmerking komende investeringen

III/405

V. Percentages van de aftrek voor de AJ. 1990 en 1991

III/406

VI. Voorbeelden

III/407

Definitief belaste en vrijgestelde roerende inkomsten

I. Wetteksten

III/501

II. Draagwijdte

III/502 tot 504

III. Inwerkingtreding

III/505

Niet-bewezen kosten

I. Wetteksten

III/601

II. Algemeen

III/602

III. Grondslag van de bijzondere aanslag

III/603 en 604

IV. Berekening en tarief van de afzonderlijke bijzondere aanslag

III/605 tot 607

V. Aftrekbaarheid

III/608

VI. Geheime commissielonen als bedoeld in art. 47, § 2, WIB

III/609 en 610

VII. Inwerkingtreding

III/611

Belastbaar bedrag van roerende inkomsten - Verrekening van het forfaitaire gedeelte vanbuitenlandse belasting (F.B.B.)

I. WETTEKSTEN

III/101

Art. 29

§ 1. De netto-inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt omvatten de werkelijke of fictieve roerende voorheffing bepaald in de artikelen 174, 191, 3°, en 193 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, het belastingkrediet bedoeld in artikel 135, § 1, tweede lid, 1°, en derde lid van hetzelfde Wetboek, alsmede het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting bedoeld in artikel 187 van hetzelfde Wetboek maar berekend overeenkomstig § 3 van dit artikel doch niet de innings- en bewaringskosten en de andere soortgelijke kosten of lasten.

§ 2. Dat bedrag wordt evenwel noch met dat belastingkrediet, noch met het in § 1 bedoelde forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting verhoogd in geval het gaat om inkomsten die ingevolge artikel 111, 1° en 2°, van hetzelfde Wetboek in aftrek van de winst kunnen komen.

§ 3. Het krachtens artikel 187 van hetzelfde Wetboek aftrekbare forfaitaire gedeelte van buitenlandse belasting wordt bepaald op vijftien vijfentachtigsten van het bedrag van de geïnde of verkregen inkomsten voor aftrek van de roerende voorheffing.

Art. 35
§1. In het Wetboek van de inkomstenbelastingen worden opgeheven :

...

23° artikel 97, eerste lid;

...

28° artikel 195;

...

Art. 39

Titel I van deze wet is van toepassing :

1° met betrekking tot de artikelen ... 22 tot 30 en 32 tot35, ..., met ingang van het aanslagjaar 1990;

Art. 40

...

§ 4. Elke wijziging die vanaf 1 januari 1988 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van hoofdstuk II van titel I van deze wet.

II. ALGEMEEN

III/102
Tot en met het aj. 1989 bedroeg het F.B.B., dat luidens art. 187, WIB in de regel met de verschuldigde Ven.B. kon worden verrekend, 15 pct. van het bedrag van de verkregen roerende inkomsten (voor aftrek van de eventuele RV) die in het buitenland aan een belasting werden onderworpen die gelijkaardig is aan de PB, de Ven.B. of de B. NV Dit F.B.B. diende evenwel, in tegenstelling tot de andere verrekenbare bestanddelen (RV, F.RV en B.K.), niet in het belastbare inkomen te worden opgenomen).

III/103
Art. 29, § 1, van de hervormingswet bepaalt dat vanaf het aj. 1990 de netto-inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen voortaan naast de RV, de F.RV en het B.K., eveneens het F.B.B. moeten omvatten.

Bovendien wordt ingevolge deze"brutering" het F.B.B. voortaan op 15/85 van de geïnde inkomsten (voor aftrek van de eventuele RV) vastgesteld, watneer komt op 15 pct. van het belastbare inkomen na toevoeging van de eventuele RV en het F.B.B.

De commentaar die inzake PB op art.29, §§ 1 en 3, van de hervormingswet is verstrekt (zie 11e aflevering van onderhavige circ.) geldt mutatis mutandis voor aan de Ven.B. onderworpen belastingplichtigen.

III. DRAAGWIJDTE

III/104
Art. 35, § 1, 23° en 28°, van de hervormingswet heeft de art. 97, eerste lid, en 195, WIB met ingang van het aj. 1990 opgeheven. Deze opgeheven wetsbepalingen zijn in feite hernomen in art. 29 van de hervormingswet, zodat geen wezenlijke wijzigingen zijn aangebracht in de bepaling van het belastbare bedrag van inkomsten uit roerende goederen en kapitalen van zowel Belgische als buitenlandse oorsprong, behoudens dat voor inkomsten van buitenlandse oorsprong thans ingevolge § 1 van voormeld art. 29 aan het geïnde netto-bedrag van die inkomsten, voor aftrek van de eventuele RV, een F.B.B. van 15/85 moet worden toegevoegd om de belastbare grondslag vast te stellen.

Zoals voorheen wordt in § 2 va nvoormeld art. 29 bepaald dat voor roerende inkomsten die als definitief belaste inkomsten (D.B.I.) als bedoeld in art. 111, 1°en 2°, WIB worden aangemerkt, de geïnde bedragen noch met het F.B.B. noch met het B.K. worden verhoogd.

De richtlijnen van de commentaar op art. 97, WIB blijven bij voortduur van toepassing, voor zover ze geen betrekking hebben op inkomsten van buitenlandse oorsprong.Voor het overige zijn de regels die inzake Ven.B. gelden voor inkomsten waarvoor voorheen de verrekening van een F.B.B. werd toegestaan (Com.IB, 186/26 tot 30) mutatis mutandis van toepassing op de inkomsten waarvoor voortaan in de belastbare grondslag een F.B.B. moet worden opgenomen.

IV. BEPALING VAN HET BELASTBARE BEDRAG VAN DE ROERENDE INKOMSTEN VAN BUITENLANDSE OORSPRONG

III/105
Benevens de eventuele werkelijk ingehouden RV moet voortaan ook het F.B.B. onder de "verworpen uitgaven" worden opgenomen. Het bedrag van het F.B.B. wordt bepaald door op de als inkomsten uit roerende goederen en kapitaal "geïnde nettobedragen" (wat dit begrip betreft, zie Com.IB, 186/32, 1e lid, dat ongewijzigd is gebleven) de volgende breuk toe te passen :

[(100)/(75) × (15)/(85)] = (20)/(85) of (4)/(17)

indien van de bedoelde inkomsten de RV isingehouden;

(15)/(85) ou (3)/(17) in het tegenovergestelde geval.

De volgende schematische tabel (zie Com.IB,97/8, 2°) vermeldt de bedragen die als F.B.B. en/of RV in de belastbare grondslag van de Ven.B. moeten worden opgenomen met betrekking tot roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong(nettobedrag, na aftrek van de buitenlandse belastingen, voor eventuele RV = 85) :

Geïnd bedrag

Geen RV ingehouden:

Wel RV ingehouden

85, -

85, -

R.V. 0

R.V. - 21,25

85, -

63,75

Als V. Uitg. bij te tellen en te verrekenen


a)

a) indien deinkomsten als D.B.I. in aftrek kunnen komen:

-

-ingehouden RV

0

21,25

b)

b) indien de inkomsten niet als D.B.I. in aftrek kunnen komen :

-

F.B.B.

15(1)

15(2)

-

ingehouden RV

0

21,25

V. INWERKINGTREDING

III/106
De voormelde bepalingen zijn van toepassing met ingang van het aj. 1990, met dien verstande dat elke wijziging die vanaf 01.01.1988 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening is aangebracht ter zake zonder uitwerking is.

VRIJSTELLING VAN MEERWAARDEN

I. WETTEKSTEN

III/201

Art.32

§ 1. De in artikel 35, § 1, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde wederbelegging moet ten laatste gebeuren bij de stopzetting van de exploitatie.

Wanneer de stopzetting van de exploitatie gebeurt ingevolge een verrichting die overeenkomstig artikel 40 van hetzelfde Wetboek van belasting is vrijgesteld, moetd e wederbelegging, die niet voor de stopzetting van de exploitatie is gebeurd, door de nieuwe belastingplichtige worden verricht zonder dat zulks een verlenging van de wederbeleggingstermijn tot gevolg mag hebben.

§ 2. Indien een wederbelegging voor vrijstelling van meerwaarden geschiedt in aandelen, moet het gaan om aandelen van vennootschappen of van andere rechtspersonen bedoeld in de artikelen 98, 100 en 102 van dat Wetboek.

§ 3. Indien de vrijstelling van meerwaarden afhankelijk is gesteld van enige wederbelegging, wordt ze opgeheven in het belastbaar tijdperk waarin de als wederbelegging in aanmerking genomen bestanddelen minder dan drie jaar na de verkrijging of vervaardiging ervan worden vervreemd, tenzij de belastingplichtige bewijst dat een bedrag gelijk aan de verkoopprijs van die bestanddelen is wederbelegd in de voorwaarden vereist voor de oorspronkelijke wederbelegging en binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van de vervreemding van de als wederbelegging aangeschafte of vervaardigde bestanddelen.

Art. 39

Titel I van deze wet is van toepassing :

1° met betrekking tot de artikelen ... 32 tot 35 ... met ingang van het aanslagjaar 1990;

...

Art. 40

...

§ 4. Elke wijziging die vanaf 1 januari 1988 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van hoofdstuk II van titel I van deze wet.

II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE

III/202
Deze circ. verstrekt commentaar op de wijzigingen die door art. 32 van de hervormingswet van 07.12.198 8in het belastingstelsel van meerwaarden zijn aangebracht voor de toepassing van de Ven.B.

Onder voorbehoud van wat volgt, zijn de desbetreffende richtlijnen inzake PB mutatis mutandis van toepassing inzake Ven.B. (zie de 16e aflevering van onderhavige circ.).

III. ONAANTASTBAARHEIDSVOORWAARDE

III/203
De vrijstelling van meerwaarden wordt in deVen.B. in de regel slechts verleend mits aan de onaantastbaarheidsvoorwaarde (art. 105, WIB) is voldaan (zie Com.IB105/6 e.v.).

Ter zake wordt de aandacht in het bijzonder gevestigd op nr. 105/9, Com.IB, luidens hetwelk een meerwaarde, die onderworpen is aan de onaantastbaarheidsvoorwaarde, in de regel slechts kan worden vrijgesteld voor zover zij-uiterlijk bij de goedkeuring van de jaarrekening over het boekjaar waarin de meerwaarde is verwezenlijkt- in de boekhouding is opgenomen in een afzonderlijke rekening die uitsluitend voor de inschrijving van belastingvrije reserves wordt gebruikt.

Zodra in enig belastbaar tijdperk niet meer aan de onaantastbaarheidsvoorwaarde is voldaan (en ongeacht of eventueel de vereiste wederbeleggingen hebben plaatsgevonden) moet de al dan niet voorlopig vrijgestelde meerwaarde vanzelfsprekend als winst van dat belastbare tijdperk aangemerkt worden.

IV. SPECIFIEKE MAATREGELEN INZAKE GEDWONGEN MEERWAARDEN

III/204
Tot nu toe bestond er geen overeenstemming tussen de bepalingen van art. 35, WIB en art. 36, WIB, wat de uiterste datum van wederbelegging betreft bij stopzetting van de exploitatie.

III/205
Immers wanneer, voor de wederbelegging werd gedaan, een vennootschap in ontbinding werd gesteld en die ontbinding een einde maakte van haar exploitatie, kon deze vennootschap niet meer aan de wederbeleggingsvoorwaarde van art. 35, § 1, WIB voldoen. In tegenstelling tot wat nog steeds het geval is m.b.t. vrijwillig verwezenlijkte meerwaarden als bedoeld in art. 36, WIB, konden voorheen in dat geval de (voorlopig) vrijgestelde gedwongen meerwaarden niet meer aan de gewone aanslag in de Ven.B. onderworpen worden.

Wanneer de exploitatie naar aanleiding van de ontbinding evenwel niet werd stopgezet, kon de meerwaarde bij gebreke van wederbelegging wel aan de Ven.B.onderworpen worden.

III/206
Art. 32, § 1, eerste lid, van de hervormingswet maakt een einde aan de sub III/204 vermelde anomalie, door voortaan ook als voorwaarde te stellen dat de wederbelegging inzake gedwongen meerwaarden uiterlijk bij de stopzetting van de exploitatie moet gebeuren.

Derhalve moet de wederbeleggingvoortaan plaats hebben binnen een termijn van drie jaar die aanvangt op de eerste dag van het belastbare tijdperk na dat waarin de vergoeding is ontvangen en ten laatste bij het stopzetten van de exploitatie (met inbegrip van de gevallen van belastbare fusie, splitsing of omzetting).

De voorheen verleende vrijstelling wordt ingetrokken indien in de gestelde vormen en binnen de gestelde termijn geen wederbelegging heeft plaatsgevonden. In dat geval worden de (voorlopig) vrijgestelde meerwaarden aangemerkt als winsten van het belastbare tijdperk waarin dew ederbeleggingstermijn verstreken is.

Ingeval een vennootschap voor het verstrijken van de wederbeleggingstermijn op enige wijze wordt ontbonden en die ontbinding een einde maakt aan haar exploitatie, zonder dat de ontvangen vergoeding die de meerwaarde heeft doen ontstaan is wederbelegd, moet de (voorlopig) vrijgestelde meerwaarde aan de gewone aanslag in de Ven.B. onderworpen worden. Die aanslag is verbonden aan het aanslagjaar over het belastbare tijdperk, gaande van de afsluiting van het vorige boekjaar tot de datum van de ontbinding.

V. BELASTINGVRIJE VERRICHTINGEN

III/207
Het bepaalde in rubriek IV geldt zoals voorheen niet in geval van belastingvrije fusie, splitsing of omzetting van een vennootschap.

In dat geval moet de wederbelegging (zowel voor gedwongen als voor vrijwillig verwezenlijkte meerwaarden), voor zover ze niet door de belastingplichtige die de meerwaarden heeft verwezenlijkt is verricht, worden gedaan door de nieuwe vennootschap, zonder dat daaruit een verlenging van de oorspronkelijke termijn mag voortvloeien (zie Com.IB 105/52 en 57, en 124/38). Wanneer het een opslorping door (een) bestaande vennootschap(pen) betreft, kunnen de investeringen die de overnemende vennootschap(pen) voor de verrichting heeft (hebben) gedaan, evenwel voor die wederbelegging niet in aanmerking komen.

III/208
In gevallen van belastingvrije inbrengen van een tak van werkzaamheid of van een algemeenheid door een vennootschap (art. 40, WIB), mag anderzijds voor de toepassing vanart. 36, WIB en voor zover de wederbelegging niet is gedaan door de inbrengende vennootschap die de meerwaarde heeft verwezenlijkt, de wederbelegging worden gedaan door de vennootschap bij wie is ingebracht, zonder dat daaruit een verlenging van de oorspronkelijke wederbeleggingstermijn mag voortvloeien. De investeringen die deze laatste vennootschap voor de inbreng zou hebben verricht, komen voor die wederbelegging evenwel niet in aanmerking.

Art. 32, § 1, tweede lid, van de hervormingswet voert voor gedwongen meerwaarden een gelijkaardige bepaling in.

Indien niet binnen de gestelde termijn aan de voorwaarde tot wederbelegging is voldaan, wordt de voorlopig vrijgestelde meerwaarde (art. 35 en 36, WIB) derhalve belastbaar. Aangezien inzake Ven.B. de inbreng van een tak van werkzaamheid of van een algemeenheid door een vennootschap niet de stopzetting van de exploitatie van die vennootschap tot gevolgheeft en - gelet op de onaantastbaarheidsvoorwaarde- de voorlopig vrijgestelde meerwaarde slechts in het vermogen van de inbrengende vennootschap kan worden teruggevonden, moet logischerwijze worden besloten dat bij gebreke van gunstige wederbelegging, de bedoelde meerwaarde bij de inbrengende vennootschap belastbaar wordt.

VI. INWERKINGTREDING

III/209
Overeenkomstig art. 39, eerste lid, 1°, vande hervormingswet treden de bepalingen van art. 32 van diezelfde wet in werking met ingang van het aj. 1990, d.i. in de regel :

  • vanaf het jaar 1989 voor belastingplichtigen die per kalenderjaar boekhouden;
  • vanaf het boekjaar dat in 1990 voor 31 december wordt afgesloten voor belastingplichtigen die niet per kalenderjaar boekhouden.

Zulks impliceert dat de bepalingen van dat art. 32 van toepassing zijn op vrijwillige verwezenlijkte en op gedwongen meerwaarden die zijn verwezenlijkt of die voortkomen van vergoedingen ontvangen vanaf het belastbare tijdperk dat aan het aj. 1990 verbonden is.

III/210
Art. 32, § 1, van de hervormingswet (wederbelegging inzake gedwongen meerwaarden ten laatste bij de stopzetting van de exploitatie) is eveneens van toepassing op gedwongen meerwaarden die zijn ontstaan tijdens een belastbaa rtijdperk dat verbonden is aan een aj. dat voorafgaat aan het aj.1990, indien de vennootschap ten vroegste tijdens het aj. 1990 wordt ontbonden en die ontbinding aan haar exploitatie een einde maakt zonder dat de vereiste wederbelegging is gedaan.

Voorbeeld

Een vennootschap die per kalenderjaar boekhoudt heeft in 1987 (aj. 1988) ingevolge een schadegeval (bv.een brand) een gedwongen meerwaarde van 5.000.000 F verwezenlijkt.De hierop betrekking hebbende schadevergoeding van 12.000.000 F is tijdens hetzelfde jaar uitbetaald. Aan de onaantastbaarheidsvoorwaarde (art. 105, WIB) is voldaan. Op 10.02.1990 wordt de betrokken vennootschap ontbonden (ontbinding die een einde maakt aan de exploitatie) zonder dat tot de vereiste wederbelegging werd overgegaan.

De voorheen (voorlopig) vrijgestelde gedwongen meerwaarde is aan de gewone aanslag in de Ven.B. onderworpen voor het aj. 1990 (belastbaar tijdperk van 01.01.1990 tot 10.02.1990).

III/211
Art. 32, § 2, van de hervormingswet (wederbelegging in aandelen van aan de Ven.B. onderworpen belastingplichtigen) is van toepassing op gedwongen of vrijwillig verwezenlijkte meerwaarden waarvoor de wederbelegging in aandelen is gedaan met ingang van de eerste dag van het belastbare tijdperkdat aan het aj. 1990 is verbonden.

Voorbeeld

Een vennootschap die anders dan perkalenderjaar boekhoudt, verkrijgt tijdens het boekjaar 1988/1989 (gaande van bv. 01.07.1988 tot 30.06.1989) - aj. 1989- een vrijwillig verwezenlijkte meerwaarde van 120.000 F ingevolge de verkoop van een machine die in 1990 is aangeschaft.

Wanneer met ingang van 01.07.1989 in aandelen wordt wederbelegd, komen alleen de aandelen van aan de Ven.B. onderworpen vennootschappen als nuttige wederbelegging in aanmerking.

III/212
Art. 32, § 3 van de hervormingswet (behoudt van de wederbelegde bestanddelen gedurende drie jaar) is niet van toepassing op gedwongen of vrijwillig verwezenlijkte meerwaarden (art. 35 en 36, WIB) die zijn verwezenlijkt gedurende een belastbaar tijdperk dat verbonden is aan het aj. 1989 of aan eenvorig aj., behalve indien de wederbelegde bestanddelen -voor het verstrijken van de voor het behoud ervan bepaalde termijn van drie jaar- worden vervreemd tijdens een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aan het aj. 1990 is verbonden.

III/213
Voorts wordt eraan herinnerd dat elke wijziging vanaf 01.01.1988 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening zonder uitwerking is voor de toepassing van art. 32van de hervormingswet (art. 40, § 4, van diezelfde wet).

III/214
De aandacht wordt erop gevestigd dat de W.22.12.1989 (V. 2019 - B.691) het belastingstelsel voor meerwaarden grondig heeft gewijzigd en een stelsel van gespreide belasting heeft ingevoerd. Die nieuwe wetsbepalingen hebben evenwel pas uitwerking op meerwaarden die vanaf 01.01.1990 zijn vastgesteld, uitgedrukt of verwezenlijkt. De draagwijdte van deze nieuwe bepalingen zal in een aflevering bij de circ. 12.03.1990, Ci.D.19/416.334 (B. 694) worden behandeld.

AFTREKBARE KOSTEN

I. WETTEKSTEN

III/301

Art. 21

De jaarlijkse taks op de winstdeelnemingen, bedoeld in artikel 183bis van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen is, voor de vaststelling van het belastbaar inkomen, slechts aftrekbaar tot beloop van 50 pct.

Art. 22

§ 1. De bedrijfsuitgaven en -lasten met betrekking tot het gebruik van personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, zoals zij zijn omschreven in de reglementering inzake inschrijving van motorvoertuigen, worden met uitzondering van die met betrekking tot de verbruikte brandstof, slechts voor 75 pct. als bedrijfslasten aangemerkt.

§2. Paragraaf 1 is niet van toepassing:
op voertuigen die uitsluitend worden gebruikt voor een taxidienst of voor verhuring met bestuurders en die uit dien hoofde van de verkeersbelasting op de autovoertuigenvrijgesteld zijn krachtens artikel 5, § 1, 8°, van het Wetboek vande met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen;
op speciaal daartoe uitgeruste voertuigen die in erkende autorijscholen uitsluitend worden gebruikt voor praktisch onderricht;
op voertuigen die uitsluitend aan derden worden verhuurd.

§ 3. De in § 1 bedoelde uitgaven en lasten omvatten die welke zijn gedaan met betrekking tot de in § 2,1° en 3°, bedoelde voertuigen die toebehoren aan derden, zomede het bedrag van de in dit artikel bedoelde uitgaven en lasten die aan derden worden terugbetaald.

§ 4. Latere meer- of minderwaarden op de in § 1 bedoelde voertuigen worden slechts voor 75 pct. in aanmerking genomen.

Art. 23
§1. Als bedrijfslasten worden niet aangemerkt :

1° 50 pct. van het bedrijfsmatig gedeelte van de restaurant- en receptiekosten, van de kosten voor relatiegeschenken, en van het bedrag dat daarvoor aan derden wordt terugbetaald;

2° kosten voor niet-specifieke beroepskleding en het bedrag dat daarvoor aan derden wordt terugbetaald.

Onder specifieke beroepskleding wordt verstaan de werkkleding opgelegd door de reglementering op de arbeidsbescherming, of door een collectieve arbeidsovereenkomst, alsmede de bijzondere kleding die bij het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid wordt gedragen, die daaraan is aangepast en die wegens de aard van de beroepswerkzaamheid verplicht, noodzakelijk of gebruikelijk is, met uitsluiting telkens van de kleding die in het privé-leven doorgaans als stads-, avond-, ceremonie-, reis- of vrijetijdskleding wordt aangemerkt of daartoe dient.

§ 2. In afwijking van § 1, 1°, worden evenwel als bedrijfslasten aangemerkt :

a)restaurantkosten voor zover de belastingplichtige, vertegenwoordiger van de voedingssector, bewijst dat zij bij de uitoefening van de beroepswerkzaamheid noodzakelijk zijn in het kader van een mogelijke of werkelijke relatie van leverancier tot klant;
b)reclameartikelen die opvallend en blijvend de benaming van de schenkende onderneming dragen.

Art. 35

§1. In het Wetboek van deinkomstenbelastingen worden opgeheven :

.....

artikel 48, § 3;

.....

Art. 39

Titel I van deze wet is van toepassing :

met betrekking tot de artikelen .....22 tot 30 en 32 tot 35 ..... met ingang van het aanslagjaar 1990;

.....

met betrekking tot artikel 21, op de taks die vanaf 1 januari 1989 is verschuldigd;

Art. 40

§ 1. In afwijking van artikel 39, 1°, blijft artikel 48, § 3, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, zoals het bestond alvorens te zijn opgeheven door artikel 35, § 1, 4°, van deze wet, van toepassing met betrekking tot de voertuigen waarvan de afschrijvingen werden beperkt overeenkomstig het eerste lid van diezelfde paragraaf 3.

....

§ 4. Elke wijziging die vanaf 1 januari 1988 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van hoofdstuk II van titel I van deze wet.

II. ALGEMEEN

III/302
Deze circ. verstrekt commentaar op de niet-aftrekbaarheid van bepaalde kosten (zomede op de vaststelling van meer- en minderwaarden op bepaalde autovoertuigen) ten name vanaan de Ven.B. onderworpen belastingplichtigen.

Met name zijn hier bedoeld :

  • de jaarlijkse taks op winstdeelnemingen op levensverzekeringscontracten bij verzekeringsmaatschappijen;
  • kosten voor personenauto's, auto's voor dubbel gebruik en minibussen, zomede de meerwaarden of minderwaarden op zulke voertuigen;
  • restaurantkosten, receptiekosten en kosten voor relatiegeschenken;
  • kosten voor niet-specifieke beroepskleding.

III. JAARLIJKSE TAKS OP WINSTDEELNEMINGEN

III/303
Art. 43 van de hervormingswet heeft in het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen een nieuwe titel XIIbis (de art. 183bis tot 183undecies van dat Wetboek) ingelastdie de heffing regelt van een jaarlijkse taks van 9,25 pct. op de sommen die als winstdeelneming verdeeld worden. Deze winstdeelnemingen moeten betrekking hebben op levensverzekeringenen contracten van lijfrente of tijdelijke rente die gesloten zijn met een verzekeringsonderneming of elke andere beroepsverzekeraarinzake levensverzekeringen die in België zijn hoofdinrichting, een bijhuis, een vertegenwoordiger of enigerlei zetel van verrichtingen heeft.

III/304
De bedoeling van de wetgever bestond erin die taks op zijn minst gedeeltelijk ten laste te leggen van de verzekeringsmaatschappijen en niet van de verkrijgers van debedoelde winstdeelnemingen (zie Senaat, buitengewone zitting 1988, stuk 440/2, blz. 104).

Derhalve bepaalt art. 21 van de hervormingswet dat de jaarlijkse taks op winstdeelnemingen, die door voormeld art. 183bis ten name van verzekeringsmaatschappijen is ingesteld slechts ten belope van 50 pct. aftrekbaar is.

III/305
Van de voornoemde taks zijn vrijgesteld, de als winstdeelneming uitgekeerde sommen die betrekking hebben op spaarverzekeringen als bedoeld in art. in art. 72, § 1, 1e lid, 3°, WIB (pensioensparen).

Die taks treft ook niet de bedragen die tijdens voorgaande jaren verdeeld zijn en toegewezen zijn aan het deelnemingsfonds en evenmin de winstdeelnemingen die tijdens het belastingjaar ten laste van de voorheen samen gestelde provisies toegekend zijn.

III/306
Zowel art. 21, als voormeld art. 43 van de hervormingswet treden in werking vanaf 01.01.1989, zodat elke op winstdeelnemingen verschuldigde taks de aftrekbeperking van 50 pct.moet ondergaan.

Gelet op de verwarring die bij de verzekeringsondernemingen zou zijn ontstaan over de toepassing in de tijd van de taks zelf is door de Administratie van de BTW, registratie en domeinen met de betrokken ondernemingen het volgende overeengekomen :

de verzekeringsondernemingen zullen elk jaar voor 11 december, en voor de eerste keer in 1989, een voorschot betalen op de jaarlijkse taks die ze krachtens voornoemde art. 183bis, e.v., verschuldigd zijn. Dit voorschot zal gelijk zijnaan 9,25 pct. van het bedrag van de dotaties aan de technische provisies voor de winstdeelnemingen waartoe besloten wordt of van het bedrag dat de onderneming voornemens is voor deze dotaties te bestemmen, dit alles op basis van de technische resultaten van het jaar in kwestie (d.w.z., voor de eerste keer, van het jaar1989);
het bedrag van de verschuldigde taks zal geregulariseerd worden binnen de drie eerste maanden van het volgende jaar, d.w.z. bij toepassing van art. 183octies van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, binnen 3 maanden te rekenen vanaf de afsluitingsdatum van het betrokken boekjaar (deze datum wordt beschouwd als die van de beslissing tot verdeling van de winstdeelnemingen).

III/307
In dit verband wordt opgemerkt dat zowel de ten laste van het resultaat geboekte voorschotten (zie III/306, 2elid, 1°) als de tijdens het boekjaar geboekte taks (zie III/306, 2elid, 2°) ten belope van 50 pct. onder de verworpen uitgaven moeten worden opgenomen.

Het totale bedrag van de niet-aftrekbare taksen moet worden verminderd met 50 pct. van d etijdens het belastbare tijdperk verkregen terugbetalingen van taksen die in een vorig belastbaar tijdperk voor de helft als verworpen uitgaven zijn aan gemerkt.

III/308
De aandacht wordt erop gevestigd dat de op de taks verschuldigde nalatigheidsinteresten (zie art. 183octies, voorlaatste lid, van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen) eveneens aan de aftrekbeperking van 50 pct. moeten worden onderworpen.

Daarentegen moeten geldboeten die in het kader van de wetgeving op de jaarlijkse taks op winstdeelnemingen zouden worden toegepast (inz. ingevolge de art.183octies, laatste lid, art. 183novies en art. 183undecies, 2e lid, van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen), ingevolge art. 50, 5°, WIB voor hun totale bedrag als niet aftrekbare uitgaven worden aangemerkt.

IV. NIET-AFTREKBARE AUTOKOSTEN EN VASTSTELLING VAN MEERWAARDE OF MINDERWAARDEN OP AUTOVOERTUIGEN

III/309
De richtlijnen die inzake PB zijn verstrekt omtrent de toepassing van de art. 22 en 40, § 1, van de hervormingswet, zijn mutatis mutandis van toepassing inzake Ven.B.(zie nr. II/221, e.v. van deze circ., 2e aflevering en addenda).

De hierna volgende richtlijnen hebben dan ook slechts betrekking op de specifieke weerslag van voormelde wetsbepalingen op de Ven.B.

A. Niet-aftrekbare autokosten

III/310
Wat de aan de Ven.B. onderworpen belastingplichtigen betreft, moet 25 pct. van het bedrag van de kosten waarop de beperking van toepassing is, onder de verworven uitgaven worden opgenomen in de rubriek "Niet-aftrekbare autokosten en minderwaarden op autovoertuigen".

III/311
Het sub nr. III/310 uiteengezette principe geldt eveneens voor de in nr. II/235 bedoelde herstellingskosten. Wanneer als schadeloosstelling voor herstellingskosten, van een derde of van een verzekeringsmaatschappij een vergoeding wordt verkregen moet derhalve 25 pct. van die vergoeding in mindering worden gebracht in de voormelde rubriek "Niet-aftrekbare autokosten en minderwaarden op autovoertuigen" (terwijl heteventuele overschot aanleiding geeft tot een aanpassing van de begintoestand van de reserves op het einde van het vorige belastbare tijdperk).

III/312
Ter zake van autokosten die aan derden worden terugbetaald, wordt de aandacht gevestigd op de P.V. nr. 207 van 08.05.1989 van Senator VAN THILLO (B. 690) die ertoe strekt te vernemen hoe de beperking op autokosten moet worden toegepast bij een vennootschap uit de dienstensector (A) die een gedeelte van haar werkzaamheden laat uitvoeren in onderaanneming door een andere onderneming (B), waarbij B benevens de aan A geleverde diensten ook kosten aan A doorrekent voor verplaatsingen met een personenwagen(ofwel op grond van een nadere specificatie van de voor iedere klant gedane kilometers, ofwel volgens een forfaitair maandelijks bedrag). Uit het antwoord blijkt dat de autokosten in dit concrete geval worden beperkt bij de belastingplichtige die de uitgaven in zijn beroepskosten opneemt, zijnde in het beschouwde geval onderneming B. De door A aan B ter zake gestorte sommen zijn daarentegen de vergoeding van een dienstverlening en zijn voor A geen autokosten.

B. Meerwaarden of minderwaarden op autovoertuigen

1° Algemene regel

III/313
Meerwaarden of minderwaarden op autovoertuigen waarvan de kosten zijn beperkt ingevolge art. 22, §1, van de hervormingswet, worden overeenkomstig de § 4 van dat art. 22, slechts voor 75 pct. in aanmerking genomen.

Bij de vervreemding van een zulkdaning autovoertuig moet inzake Ven.B. al naar het geval als volgt worden gehandeld :

  • 25 pct. van de fiscale meerwaarde wordt uit de belastbare grondslag in de Ven.B. verwijderd door een verhoging van de begintoestand van de reserves;
  • 25 pct. van de vastgestelde fiscale minderwaarde wordt bij de belastbare grondslag in de Ven.B. gevoegd door ze in de rubriek"Niet-aftrekbare autokosten en minderwaarden op autovoertuigen" van de verworpen uitgaven op te nemen.

Deze bijzonderheden worden hierna met een voorbeeld toegelicht.

Voorbeeld

III/314

Een vennootschap die per kalenderjaar boekhoudt heeft in 1989 een personenauto aangekocht voor 1.050.000F (d.i. 840.000 F + 25 pct. BTW). De af te schrijven aanschaffingswaarde van het voertuig bedraagt :

- aanschaffingsprijs : 840.000 F - niet-aftrekbare BTW :105.000 F (1) - totaal : 945.000 F

Een afschrijving over 5 jaar wordt aanvaard en het voertuig wordt in 1992 verkocht.

(1)Er wordt aan herinnerd dat de niet-aftrekbare BTW tegen hetzelfde percentage als de aanschaffingsprijs van het voertuig moet worden afgeschreven (zieCom.IB 44/237).
1ste veronderstelling : verkoopprijs : 438.000 F Vaststelling van het fiscale resultaat : - verkoopprijs : 438.000 F - aanschaffingswaarde : 945.000 F - fiscaal aanvaarde afschrijvingen(zonder de beperking tot 75 pct.) : 945.000 F x 20 pct. x 3 : -567.000 F - verschil : - 378.000 F -fiscale meerwaarde : 60.000 F - belastbare meerwaarde (art. 22, § 4van de hervormingswet) : 60.000 F x 25 pct. : 45.000 F - niet-belastbare meerwaarde : 60.000 F x 25 pct. : 15.000 F

Dit laatste bedrag (15.000 F) wordt uit de belastbare grondslag in de Ven.B. verwijderd door een verhoging van de begintoestand van de reserves.

2e veronderstelling : verkoopprijs : 298.000 F Vaststelling van het fiscale resultaat : - verkoopprijs : 298.000 F - aanschaffingswaarde : 945.000 F - fiscaal aanvaarde afschrijvingen(zie 1e veronderstelling) : - 567.000 F - verschil : -378.000 F - fiscale minderwaarde : 80.000 F - fiscaal aftrekbare minderwaarde (art. 22, § 4, van de hervormingswet) : 80.000 F x 75 pct. : 60.000 F - niet-aanvaarde minderwaarde :80.000 F x 25 pct. : 20.000 F

Dit laatste bedrag (20.000 F) wordt bij de belastbare grondslag in de Ven.B. gevoegd als verworpen uitgave.

2° Overgangsbepaling

III/315
Met betrekking tot voertuigen die aangekocht zijn in een belastbaar tijdperk dat verbonden is aan het aj. 1989 of een voorgaand aj., worden de meer- of de minderwaarden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van art. 48, § 3, 2e lid, WIB (1), die van toepassing blijven krachtens art. 40, § 1, van de hervormingswet.

(1) Art. 48, § 3, 2e lid, WIB :"Latere meer- of minderwaarden zijn gelijk aan het verschiltussen eensdeels, de verkoopprijs vermenigvuldigd met de verhouding tussen de totale aanvaardbare afschrijvingen en de aanschaffings-of beleggingswaarde en, anderdeels, de totale aanvaardbare afschrijving verminderd met de reeds aanvaarde afschrijvingen".

III/316
Ter zake wordt opgemerkt dat bij de vervreemding van een in het vorige nr. bedoeld voertuig, het eventuele verschil tussen het boekhoudkundige en het fiscale resultaat :

  • indien het positief is, uit de belastbare grondslag in de Ven.B. worden verwijderd door een verhoging van de begintoestand van de reserves;
  • indien het negatief is, bij de belastbare grondslag in deVen.B. moet worden gevoegd door opneming in de verworpen uitgaven.

Voorbeeld

III/317 Gegevens
Een vennootschap die per kalenderjaar boekhoudt heeft in 1987 een personenwagen aangekocht voor 1.000.000F (BTW en aanvullende weeldetaks niet inbegrepen); de boekhoudkundige afschrijvingsbasis bedraagt m.a.w. 1.000.000 F +165.000 F (niet-aftrekbare BTW en aanvullende weeldetaks) =1.165.000 F. Een afschrijving over 5 jaar wordt aanvaard.

De wagen wordt in 1990 verkocht (aj.1991).

A. Totaal van de boekhoudkundige afschrijvingen :

- aj. 1988 tot 1990 : 1.165.000 F x 20 pct. x 3 = 699.000F

B. De volgende afschrijvingen zijn fiscaal aanvaard :

- aj. 1988 : (614.000 F + 165.000 F) x 20 pct. : 155.800 F -aj. 1989 : (614.000 F + 165.000 F) x 20 pct. : 155.800 F - aj. 1990: 1.165.000 F x 20 pct. x 75 pct. : 174.750 F 486.350F
C.Totaal van de afschrijvingen diefiscaal zouden zijn aangenomen indien het voertuig niet in 1990 zou zijn verkocht :
- aj. 1988 tot aj. 1990 : (zie B hierboven) : 486.350 F - aj.1991 : 1.165.000 F x 20 pct. x 75 pct. : 174.750 F - aj. 1992 :1.165.000 F x 20 pct. x 75 pct. : 174.750 F 835.850F
D.Bepaling van het fiscale resultaat:

1e veronderstelling : verkoopprijs : 100.000 F

a) Boekhoudkundig resultaat :

- verkoopprijs : 100.000 F - aanschaffingsprijs : 1.165.000 F - boekhoudkundige afschrijvingen : - 699.000 F - 466.000 F - boekhoudkundig verlies : - 366.000F
b)Fiscaal resultaat (toepassing van art.48, § 3, 2e lid, WIB - zie Com.IB 44/324) :
(100.000 x 835.850) - (835.850 - 486.350) = 1.165.000 71.747 - 349.500 = - 277.753 F (fiscaal aanvaardbare minderwaarde)
c)Verschil tussen het boekhoudkundige enhet fiscale resultaat :

(- 366.000) - (- 277.753) = - 88.247 F; vermits dit verschil negatief is, moet een bedrag van 88.247 F in de verworpen uitgaven worden opgenomen (zie nr. III/316).

2e veronderstelling : verkoopprijs : 600.000 F

a ) Boekhoudkundig resultaat :

- verkoopprijs : 600.000 F - aanschaffingsprijs : 1.165.000 F - boekhoudkundige afschrijvingen : - 699.000 F - 466.000 F - boekhoudkundige meerwaarde : 134.000F

b) Fiscaal resultaat :

(600.000 x 835.850) - (835.850 - 486.350) = 1.165.000 4 30.481 - 349.500 = 80.981 F
c)Verschil tussen het boekhoudkundige enhet fiscale resultaat : 134.000 - 80.981 = 53.019 F; vermits dit verschil positief is, moet een bedrag van 53.019 F uit de belastbare grondslag worden verwijderd door een verhoging van de begintoestand van de reserves (zie nr. III/316).

C. Inwerkingtreding

III/318
Overeenkomstig art. 39, 1e lid, 1°, van de hervormingswet treden de bepalingen van art. 22 van die wet inwerking met ingang van aj. 1990, d.w.z. wat de aan de Ven.B.onderworpen belastingplichtigen betreft :

  • vanaf het jaar 1989 voor belastingplichtigen die perkalenderjaar boekhouden;
  • vanaf het in 1990 afgesloten boekjaar voor belastingplichtigen die niet per kalenderjaar boekhouden.

Er wordt echter aan herinnerd :

  • dat art. 40 § 1, van de voormelde wet de toepassing regelt van art. 48, § 3, 2e lid, WIB, in gevallen als bedoeld zijn in nr.III/315;
  • dat elke wijziging die vanaf 01.01.1988 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening is aangebracht, zonder uitwerking is voor de toepassing van onder meer art. 22, van de hervormingswet(art. 40, § 4, van dezelfde wet).

V. NIET-AFTREKBARE RESTAURANTKOSTEN, RECEPTIEKOSTEN EN KOSTEN VOOR
RELATIEGESCHENKEN

III/319
De richtlijnen die inzake PB zijn verstrekt omtrent de toepassing van art. 23, § 1, 1° EN § 2, van de hervormingswet zijn mutatis mutandis van toepassing inzake Ven.B.(zie de nrs. II/261 e.v. van deze circ., 3e aflevering en addenda).

III/320
Wat de aan de Ven.B. onderworpen belastingplichtigen betreft, moet 50 pct. van het bedrag van de kosten waarop de beperking van toepassing is, onder de verworpen uitgaven worden opgenomen in de rubriek "Niet-aftrekbare restaurant- en receptiekosten en kosten voor relatiegeschenken".

III/321
De aandacht wordt erop gevestigd dat ingevolge de uitdrukkelijke bepalingen van art. 23, § 1, 1°, van de hervormingswet, de beperking tot 50 pct. niet alleen geldt voor restaurantkosten die de belastingplichtige zelf maakt, doch ook voor die welke hij aan derden terugbetaalt. De wetgever heeft aldus bij voorbaat eventuele maneuvers willen verijdelen die erop gerichtz ouden zijn dergelijke kosten te laten doen door natuurlijke of rechtspersonen die niet aan de voornoemde beperking onderworpenzijn. Strikt genomen belet de tekst van de wet dus niet dat de beperking desnoods bij beide betrokken partijen tegelijkertijd zou worden toegepast.

Deze dubbele beperking wordt evenwel niet toegepast wanneer de kosten in normale omstandigheden worden doorgerekend aan een derde die eveneens aan de beperking onderhevig is, mits dit gebeurt op een wijze die geen twijfel laat bestaan over de precieze draagwijdte van de transactie.

Wanneer een belastingplichtige voor zijn klanten een zakendiner organiseert en de desbetreffende kosten in zijn beroepskosten opneemt en ze niet doorrekent of dit slechts onrechtstreeks doet door zijn vergoeding dien overeenkomstig te bepalen of aan te passen, wordt de beperking uitsluitend bij hemdoorgevoerd en niet bij de klant (in wiens boekhouding de restaurantkosten trouwens niet als zodanig worden teruggevonden).

Wanneer de belastingplichtige de rekening zonder meer aan zijn klant doorgeeft (en ze dus niet opneemt in zijn boekhouding) is de beperking alleen bij deze laatste van toepassing. Hetzelfde geldt wanneer bij ze eerst in zijn boekhouding opneemt en ze later via een faktuur of een kostennota op een onverbloemde wijze en voor hetzelfde bedrag aan zijn klant doorrekent. Daartoe is het onontbeerlijk op zijn minst de aard van de dienst, de naam van het restaurant en de datum van het diner op de faktuur of de kostennota te vermelden en een fotokopie van de restaurantnota toe te voegen (zie P.V. nr. 199 van21.04.1989, van Senator J. LAVERGE, B. 689).

III/322 Inwerkingtreding

De voormelde beperking is voor de eerste maal van toepassing op kosten die verbonden zijn aan het aj.1990. Er wordt dan ook verwezen naar nr. III/318.

V. KOSTEN VOOR NIET-SPECIFIEKE BEROEPSKLEDING

III/323
De richtlijnen die inzake PB zijn verstrekt omtrent de toepassing van art. 23, § 1, 2°, van de hervormingswet zijn mutatis mutandis van toepassing inzake Ven.B. (zie nrs.II/290, e.v. van deze circ. 4e aflevering).

III/324
Wat de aan de Ven.B. onderworpen belastingplichtigen betreft, worden de kosten van niet-specifieke beroepskleding onder de verworpen uitgaven opgenomen in de rubriek"Kosten voor niet-specifieke beroepskleding".

III/325
De aandacht wordt er evenwel op gevestigd dat de bepalingen van voormeld art. 23. § 1, 2°, op kosten van niet-specifieke beroepskleding niet van toepassing zijn wanneer die kosten bij de verkrijgers als voordeel van alle aard belastbaar zijn.

Bovendien is het zo dat, wanneer de vennootschap nalaat die voordelen te verantwoorden door middel van in art. 47, § 1(en eventueel 219), WIB, voorgeschreven fiches(en/of opgaven), het bedrag ervan onderworpen wordt aan deafzonderlijke bijzondere aanslag als bedoeld in art. 33, § 1, van de hervormingswet.

Wat de verkrijger van het voordeel van alle aard betreft, moet de aftrek van de kosten van niet-specifieke beroepskleding bij de betrokkene worden verworpen indien hij aanspraak maakt op de aftrek van zijn werkelijke beroepskosten (zie P.V. nr. 197 van 21.04.1989 van Senator CAPOEN, B. 689).

III/326 Inwerkingtreding

Art. 23, § 1, 2°, van de hervormingswet is van toepassing vanaf het aj. 1990 (zie nr.III/318).

INVESTERINGSAFTREK

I. WETTEKSTEN

III/401

Art. 20

§ 1. De in artikel 42ter, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bepaalde percentages van de investeringsaftrek worden vervangen als volgt :

a)als basispercentage van de aftrekgeldt de percentsgewijs uitgedrukte stijging van het gemiddelde van de indexcijfers van de consumptieprijzen van het Rijk voor het jaar dat het jaar van de investering voorafgaat ten opzichte van het gemiddelde van de indexcijfers van het eraan voorafgaande jaar, afgerond tot de hogere of lager eenheid naargelang de breuk al dan niet vijftig honderdsten bedraagt, en verhoogd met 3 percentpuntenzonder dat het aldus bekomen percentage minder dan 5 pct. of meerdan 12 pct. mag bedragen;
b)het basispercentage wordt verhoogd:
ofwel met 10 percentpunten wanneer het gaat hetzij om bestanddelen die worden gebruikt er bevordering van het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe produkten en toekomstgerichte technologieën die ofwel geen effecten hebben op het leefmilieu of die beogen de negatieve effecten op het leefmilieu te minimaliseren hetzij om bestanddelen waarmede een rationeler energieverbruik, de verbetering van de industriële processen uit energetische overwegingen en, in het bijzonder, deterugwinning van energie in de industrie wordt beoogd;
ofwel met 7 percentpunten in de gevallen bedoeld in artikel 42ter, § 3, van hetzelfdeWetboek.

Wanneer de economische omstandigheden zulks rechtvaardigen kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, het in het eerste lid, a), bedoelde basispercentage van de aftrek verhogen.

§2. ..... (1)

§ 3. De in § 1 bedoelde percentages van de investeringsaftrek worden, onder de in artikel 70 van de herstelwet van 31 juli 1984 bepaalde voorwaarden, verhoogd met 5 punten, met betrekking tot investeringen van de in artikel 68 van diezelfde herstelwet bedoelde innovatievennootschappen.

(1)Het bepaalde in § 2 heeft uitsluitend betrekking op baten in de zin van art. 20, 3°, WIB, en is bijgevolgn iet van toepassing inzake Ven.B.

Art. 39

Titel I van deze wet is van toepassing :

met betrekking tot ... de artikelen 14tot 20, ..., met ingang van het aanslagjaar 1990;

...

Art. 40

...

§ 4. Elke wijziging die vanaf 1 januari 1988 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van hoofdstukII van titel I van deze wet.

II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE

III/402
De door de hervormingswet op het stuk van de investeringsaftrek ingevoerde wijzigingen gelden zowel inzake PB als inzake Ven.B. De commentaar die in de 12e aflevering van onderhavige circ. is verstrekt, is dus ook van toepassing op vennootschappen, behoudens de commentaar op art. 20, § 2 en 35, §1, 3°, van de hervormingswet die uitsluitend betrekking hebben op baten in de zin van art. 20, 3°, WIB

III. TOEPASSING VAN DE INVESTERINGSAFTREK

III/403
Art. 20 van de hervormingswet heeft de vaststelling van de percentages van de investeringsaftrek grondig gewijzigd.

Ter zake wordt er inzonderheid op gewezen dat het basispercentage van de investeringsaftrek voortaan wordt vastgesteld per kalenderjaar waarin de investering is verricht, zodat, wanneer de belastingplichtige niet per kalenderjaar boekhoudt of het boekjaar meer dan 12 maanden telt, voor eenzelfde boekjaar in de toekomst verschillende basispercentages van toepassing kunnen zijn.

III/404
Voor investeringen van in art; 68, 1°, W.31.07.1984, bedoelde innovatievennootschappen (1) wordt het percentage van de investeringsaftrek (zowel de eenmalige als de vereenvoudigde gespreide aftrek) voortaan steeds met 5 punten verhoogd (voorheen was deze verhoging niet van toepassing op de eenmalige aftrek op meubelen en kantoormaterieel en op de vereenvoudigde gespreide aftrek).

(1) Zie circ. 08.03.1988, Ci.RH.421/369.649 - B. 671 - inz.de nrs. 38 en 39.

IV. IN AANMERKING KOMENDE INVESTERINGEN

III/405
Alhoewel de principes op het stuk van de ina anmerking komende investeringen door de hervormingswet niet gewijzigd zijn, wordt voor alle duidelijkheid erop gewezen dat en name van een vennootschap alle activa geacht worden tot de uitoefening van de beroepswerkzaamheid te zijn gebruikt, zodat de uitsluiting van de investeringsaftrek op grond van art. 42ter, § 6,2e lid, 1°, WIB (vaste activa die niet uitsluitend voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt - zie Com.IB42ter/19.1) geen toepassing vindt inzake Ven.B. De andere inparagraaf 6 van dat artikel vermelde uitsluitingen (inzonderheid die met betrekking tot vaste activa waarvan het gebruik aan derden is afgestaan - zie 42ter/19.4) zijn evenwel onverkort van toepassing

V. PERCENTAGE VAN DE AFTREK VOOR DE AJ. 1990 EN 1991

III/406
De bepalingen van art. 20 van de hervormingswet zijn van toepassing met ingang van het aj. 1990.

Met betrekking tot vaste activa dietijdens de kalenderjaren 1988 en 1989 zijn verkregen of tot standg ebracht, bedraagt het basispercentage van de aftrek telkens 5 pct.(zie nr. II/172 van onderhavige circ.) (1), met die verstande dat het slechts van toepassing is indien het belastbare tijdperk van verkrijging of tot standbrenging van de investeringen aan het aj.1990 of, in voorkomend geval, aan het aj. 1991 verbonden is.

(1)Voor investeringen van het kalenderjaar 1990 bedraagt het basispercentage eveneens 5 pct. toepassing van art. 20, § 1, a, van de hervormingswet, zoals dit artikel door art. 304, W. 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen is gewijzigd (de draagwijdte van art. 304 zal in een aflevering van circ. Ci.D.19/416.334 worden besproken).

Dit betekent dat voor vennootschappen de nieuwe regels inzake de investeringsaftrek in de regel voor de eerste maal van toepassing zijn op investeringen van 1989 (en uitzonderlijk van 1988), indien het boekjaar ten vroegste op31.12.1989 of in 1990 voor 31 december is of wordt afgesloten en dus aan het aj. 1990 verbonden is.

Investeringen van de kalenderjaren1988 (eventueel), 1989 en 1990 die aan het aj. 1990 of 1991 zijn verbonden, kunnen in beginsel recht geven op een investeringsaftrektegen de volgende percentages :

Vennootschappen andere dan Innovatievennootschappen

Innovatievennootschappen

1.

EENMALIGE AFTREK

-

energiebesparende investeringen

15 pct.

20 pct.

-

milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling

15 pct.

20 pct.

-

andere investeringen

5 pct.

10 pct.

2.

VEREENVOUDIGDEGESPREIDE AFTREK

12 pct.

17 pct.

De in tabel hierboven vermelde percentages gelden niet voor investeringen die in 1988 of 1989 zijn gedaan tijdens een boekjaar waarvan de winst voor het aj. 1989 belastbaar is (in dat geval gelden de vroegere percentages).

De aandacht wordt erop gevestigd dat elke wijziging die vanaf 01.01.1988 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening is aangebracht, zonder uitwerking is voor de toepassing van art. 20 van de hervormingswet.

VI. VOORBEELDEN

Voorbeeld 1

III/407
Een vennootschap sluit elk jaar haar boekhouding af op 30 juni en heeft tijdens het boekjaar 1988-1989 in september 1988 en in maart 1989 investeringen verricht.

Art 20 van de hervormingswet is niet van toepassing, aangezien de investeringen verbonden zijn aan het aj. 1989.

Voorbeeld 2

Een vennootschap is op 01.11.1988 opgericht en sluit haar eerste boekjaar af op 31.12.1989 (aj. 1990)

Voor de investeringen van de periode van 01.11.1988 tot 31.12.1989 heeft de vennootschap aanspraak op de investeringsaftrek volgens de percentages in de tabel sub nr.III/406 (basisaftrek 5 pct.).

Voorbeeld 3

Een vennootschap sluit haar boekjaar elk jaar af op 30 april.

Voor de investeringen van de periodev an 01.05.1989 tot 30.04.1990 heeft de vennootschap aanspraak op de investeringsaftrek volgens de percentages in de tabel sub nr.III/406 (basisaftrek 5 pct.).

Voorbeeld 4

Een vennootschap is op 01.10.1989 opgericht en sluit haar boekjaar elk jaar -en voor het eerst in1990- af op 31 december (aj. 1991).

Voor de investeringen van de periode01.10.1989 tot 31.12.1990 heeft de vennootschap aanspraak op de in nr. III/406 vermelde investeringsaftrek (basisaftrek 5 pct.).

DEFINITIEF BELASTE EN VRIJGESTELDE ROERENDE INKOMSTEN

I. WETTEKSTEN

III/501

Art. 30

Het gedeelte van de in artikel 111,1° tot 4° en 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde inkomsten dat op de in artikel 113, § 1, van hetzelfde Wetboek bepaalde wijze van de winst kan worden afgetrokken, wordt vastgesteld op 90 pct.;

Voor de ondernemingen bedoeld in § 2 van dat artikel 113 wordt dat gedeelte teruggebracht tot 85 pct.

Art. 39

Titel I van deze wet is van toepassing :

1° met betrekking tot de artikelen ... 22 tot 30 ... met ingang van het aanslagjaar 1990;

.....

Art. 40

......

§ 4. Elke wijziging die vanaf 1 januari 1988 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van hoofdstukII van titel I van deze wet.

II. DRAAGWIJDTE

III/502
Tot en met het aj. 1989 worden de definitief belaste inkomsten (D.B.I.) en de vrijgestelde roerende inkomsten (V.R.I.) in de regel geacht in de belastbare inkomstenv an een aan de Ven.B. onderworpen vennootschap voor te komen tenbelope van 90 of 95 pct. van de vastgestelde basisbedragen, n aargelang de genietster al dan niet een zogenaamde "financiële vennootschap" is.

III/503
Art. 30 van de hervormingswet heeft met ingang van het aj. 1990 het aftrekbare gedeelte van de in art. 111,1° tot 4° en 5°, WIB bedoelde D.B.I. en V.R.I. verlaagd en op 85 of 90 pct. vastgesteld, volgens het hierboven gemaakte onderscheid.

III/504
De voormelde wetsbepaling heeft alleen de mate van aftrek van de D.B.I. en de V.R.I. gewijzigd.

De hervormingswet heeft echter geen wijzigingen aangebracht in de categorieën van inkomsten die als D.B.I. en V.R.I. in aftrek kunnen komen, noch aan de vaststellingvan het in aanmerking te nemen basisbedrag, en evenmin aan het begrip "financiële vennootschap" (zie Com.IB 110/27 tot44, 47 en 48).

Er wordt evenwel aan herinnerd dat :

  • ten name van C.V.'s door de Nationale raad van de coöperatie zijn erkend, het aftrekbare gedeelte van 90 pct. nooit tot 85 pct. wordt verlaagd (dit was voorheen ook reeds het geval met het gedeelte van 95 pct.), zelfs niet wanneer het C.V.'s betreft die deelnemingen bezitten waarvan de beleggingswaarde meer dan 50 pct. van hun maatschappelijk vermogen bedraagt;
  • de inkomsten van herfinancieringsleningen als bedoeld in art.111, 4°bis, WIB (dit zijn de inkomsten uit effecten van herfinancieringsleningen met betrekking tot leningen, gesloten doorde Nationale Maatschappij voor de Huisvesting en de Nationale Landmaatschappij of door een nieuwe nationale maatschappij die de verplichtingen van de voornoemde maatschappijen zou overnemen) zoals voorheen voor 100 pct. aftrekbaar blijven.

III. INWERKINGTREDING

III/505
De voormelde bepalingen zijn van toepassing met ingang van het aj. 1990, met dien verstande dat elke wijziging die vanaf 01.01.1988 aan de datum van afsluiting van dej aarrekening is aangebracht ter zake zonder uitwerking is.

NIET-BEWEZENKOSTEN

I. WETTEKSTEN

III/601

Art. 33, § 1

§ 1. De niet-bewezen lasten en bedragen bedoeld in de artikelen 47, § 1, en 101 van het Wetboekvan de inkomstenbelastingen worden niet opgenomen in de grondslagd ie belastbaar is overeenkomstig de artikelen 126 tot 128 en 130van hetzelfde Wetboek.

Ze worden aan een afzonderlijke bijzondere aanslag onderworpen tegen het tarief van 200 pct.

De afzonderlijke bijzondere aanslag is als bedrijfslast aftrekbaar.

Art. 35, § 1, 24°
§1. In het Wetboek van deinkomstenbelastingen worden opgeheven :

.....

24° artikel 132;

.....

Art. 39

Titel I van deze wet is vantoepassing :

met betrekking tot ... de artikelen... 32 tot 35, ..., met ingang van het aanslagjaar 1990;

....

Art. 40

.....

§ 4. Elke wijziging die vanaf 1 januari 1988 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van hoofdstukII van titel I van deze wet;

II. ALGEMEEN

III/602
De art. 33 en 35, § 1, 24°, van de hervormingswet wijzigen het huidige aanslagstelsel van de niet-bewezen lasten of bedragen.

Tot nog toe werd ingevolge art. 132, WIB,

  • voor de heffing van de gewone aanslag in de Ven.B., het bedragvan de niet- bewezen lasten of bedrage als verworpen uitgaven opgenomen bij de fiscale winsten van de vennootschap;
  • voormeld bedrag van de niet-bewezen lasten of bedragen bovendien onderworpen aan een bijzondere aanvullende aanslag diegelijk was aan het verschil tussen :
  • eensdeels, 67,5 pct. van het drievoudige van die lasten of bedragen;
  • en anderdeels, het gedeelte van de overeenkomstig de art. 126 tot 128 en 130, WIB, berekende belasting dat verhoudingsgewijs op het drievoudige van die lasten of bedragen betrekking had.

Die bijzondere aanvullende aanslag was bovendien niet aftrekbaar.

Art. 35, § 1, 24°, van de hervormingswet heeft met ingang van het aj. 1990 voormeld art. 132, WIB, opgeheven.

In de plaats daarvan is vanaf aj.1990 art. 33, § 1, van de hervormingswet van toepassing en geldt het volgende :

  • voor de heffing van de gewone aanslagen in de Ven.B. moeten de niet-bewezen lasten of bedragen niet meer in de belastbare grondslag worden opgenomen.
  • op die niet-bewezen lasten of bedragen is een afzonderlijkeb ijzondere aanslag van 200 pct. verschuldigd,
  • de afzonderlijke bijzonder aanslagen zijn als beroepskosten aftrekbaar.

III. GRONDSLAG VAN DE BIJZONDERE AANSLAG

III/603
De aanvullende bijzondere aanslag ingevolge art. 132, WIB is van toepassing op :

  • de lasten die niet op de in art. 47, § 1, WIB gestelde wijze waren verantwoord en die derhalve voor de heffing van de gewone aanslag in de Ven.B. als verworpen uitgaven onder de fiscale winstv an de vennootschap werden opgenomen;
  • de bedragen verleend of toegekend aan vennoten van personenvennootschappen waarvoor de vennootschap naam en adres van de vennoten en de aan elk van hen toegekende sommen niet aan de administratie bekend maakte en die ingevolge art. 101, WIB, eveneens als verworpen uitgaven onder de fiscale winst van de vennootschap werden gebracht voor de heffing van de gewone aanslag in de Ven.B.

III/604
De bepalingen van voormeld art. 33, § 1, hebben in wezen geen wijzigingen aangebracht in de hierboven bedoelde grondslag waarop binnen het nieuwe stelsel de afzonderlijke bijzondere aanslag van toepassing is.

De onderrichtingen van Com.I.B 132/1en 132/3 tot 4.2 blijven dan ook van toepassing om de grondslag te bepalen waarop de afzonderlijke bijzondere aanslag moet worden berekend.

De niet-bewezen lasten en bedragen moeten echter voortaan niet meer in de gewone aanslag in de Ven.B. worden opgenomen.

Aangezien de berekening van deb ijzondere aanslag in het nieuwe stelsel totaal los staat van de gewone aanslag in de Ven.B., moet het compenseerbare verlies in geen enkel geval nog worden berekend volgens de regels van Com.IB110/54.

IV. BEREKENING EN TARIEF VAN DE AFZONDERLIJKE BIJZONDERE AANSLAG

III/605
De afzonderlijke bijzonder aanslag wordt geheven tegen het tarief van 200 pct. op de hierboven bedoelde grondslag van de niet-bewezen lasten en bedragen. Zoals voorheen moet het hoge tarief van de bijzondere aanslag ertoe leiden dat de belastingplichtigen er praktisch geen voordeel meer kunnen bij hebben de vereiste verantwoording niet over te leggen.

III/606
Op die bijzonder aanslag :

  • mag geen verrekening van voorheffingen gebeuren (art. 200WIB);
  • zijn de vermeerdering ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen zijn gedaan en de verlaging van de aanslagvoet tot1/4 voor inkomsten van hun buitenlandse oorsprong niet van toepassing;

Voorbeeld

III/607
Een NV kent tijdens het boekjaar 1989 (aj.1990) 2.000.000 F toe aan niet-geïdentificeerde personen.

Bijzondere aanslag :

2.000.000 F x 200 pct. = 4.000. 000 F

(ongeacht of de grondslag in de gewone aanslag een belastbaar resultaat, dan wel een compenseerbaar verlies oplevert).

V. AFTREKBAARHEID

III/608
Art. 33, 3e lid van de hervormingswet bepaalt dat de afzonderlijke bijzondere aanslagen over de niet-bewezen lasten of bedragen als beroepskosten aftrekbaar zijn.

Wanneer de onderneming overeenkomstig het KB van 08.10.1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen, een kostenrubriek heeft gedebiteerd met de verschuldigde belastingen met inbegrip van de afzonderlijke bijzondere aanslag, moet in een bijlage bij de aangifte de splitsing worden gemaakt tussen :

  • het gedeelte dat betrekking heeft op niet als bedrijfskosten aftrekbare belastingen en dat derhalve onder de verworpen uitgaven moet worden opgenomen;
  • en het gedeelte dat betrekking heeft op als bedrijfskosten aftrekbare belastingen.

VI. GEHEIME COMMISSIELONEN ALS BEDOELD IN ART. 47, § 2, WIB

III/609
Onder de in art. 47, § 2, WIB gestelde voorwaarden kan voor geheime commissielonen die betaald zijn om de buitenlandse concurrentie te bestrijden, een gunstregime worden toegepast waardoor die commissielonen -mits een forfaitaire belasting betaald wordt- als beroepskosten in aanmerking komen. Deze wetsbepaling blijft van toepassing.

Aangezien voortaan alle niet-bewezen lasten of bedragen in de gewone aanslag in de Ven.B. als beroepskosten aftrekbaar zijn, onderscheid het gunstregime van art. 47, § 2, WIB zich -ten opzichte van het nieuwe stelsel inzake niet-bewezen lasten of bedragen- nog uitsluitend op het stuk van deaanslag zelf.

III/610
Uiteraard is de afzonderlijke bijzondere aanslag van 200 pct. niet van toepassing op geheime commissielonen waarvoor krachtens art. 47, § 2, WIB een gunstige beslissing van de Minister van Financiën is verkregen. Zoals voorheen blijft op zulke commissielonen een forfaitaire belasting van minimaal 20 pct. verschuldigd.

Die forfaitaire belastingen zijn eveneens als beroepskosten aftrekbaar voor zover zij betrekkingh ebben op geheime commissielonen die zijn betaald met ingang van het belastbare tijdperk dat aan het aj. 1990 is verbonden.

VII. INWERKINGTREDING

III/611
Overeenkomstig art. 39, 1e lid, 1°, van de hervormingswet, is voormeld art. 33, § 1, van toepassing met ingang van het aj. 1990, d.w.z. in de regel :

  • op de vanaf 1989 betaalde niet-bewezen lasten of bedragen, voor belastingplichtigen die niet of per kalenderjaar boekhouden;
  • op de niet-bewezen lasten of bedragen die betaalbaar zijn met ingang van het in 1990 voor 31 december afgesloten boekjaar, voor belastingplichtigen die niet per kalenderjaar boekhouden.

Bovendien is overeenkomstig art. 40, § 4, van de hervormingswet elke wijziging die vanaf 01.01.1988 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening is aangebracht zonder uitwerking voor de toepassing van de hierbovenvermelde bepalingen.