Circulaire nr. Ci.RH.242/420.664 dd. 13.09.1990
CIRC 13.09.90/1
Circulaire nr. Ci.RH.242/420.664 dd. 13.09.1990
Bull. nr. 699, pag. 2921
CONTROLEMAATREGELEN
Investeringsaftrek
HERVORMINGSWET 1988
Investeringsaftrek
INVESTERINGSAFTREK
Bevoegdheid van de Gewesten
Investeringen voor onderzoek en ontwikkeling
Toekenningsvoorwaarden
Verhoogde investeringsaftrek voor investeringen voor onderzoek en ontwikkeling die geen effect hebben op het leefmilieu of die beogen het ongunstige effect op het leefmilieu zoveel mogelijk te beperken (art. 20, §1, eerste lid, litt. b, 1°, hervormingswet 1988 - KB 17.4.1990):
1. INLEIDING
1. Art. 20, § 1, eerste lid, litt. b, 1°, hervormingswet 1988 bepaalt dat het in art. 42ter, § 2, WIB bedoelde basispercentage van de investeringsaftrek met 10 percentpunten wordt verhoogd wanneer het o.m. bestanddelen betreft die worden gebruikt ter bevordering van het onderzoek en de ontwikkeling wan nieuwe produkten en toekomstgerichte technologieën die geen effect op het leefmilieu hebben of die beogen het negatieve effect op het leefmilieu zoveel mogelijk te beperken. Deze bepaling is met ingang van het aj. 1990 van toepassing (voor meer bijzonderheden wordt verwezen naar de nrs. II/151 tot 175 van de circ. Ci.D.19/402.192 - PB, 12e aflevering, van 25.09.1989).
2. De parlementaire werkzaamheden betreffende de voormelde wet verduidelijken niet wat de wetgever met milieuvriendelijke investeringen heeft bedoeld. Overigens behoort die materie thans tot de bevoegdheid van de Gewesten.
Daarom beperkt het KB van 17.04.1990 (V. 2051 - B. 695) (1) zich ertoe te stellen dat de betrokken belastingplichtige een door de bevoegde Gewestexecutieve uitgereikt attest bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen van het belastbare tijdperk waarin de investeringen zijn aangeschaft of tot stand gebracht moeten voegen, waaruit blijkt dat ter zake aan de bovenvermelde vereist inzake het leefmilieu is voldaan.
(1) Zie bijlage.
3. Onderhavige circ. bespreekt de specifieke controlemaatregelen die dienaangaande door de taxatiediensten voor het aj. 1990 in acht moeten worden genomen.
II. FORMALITEITEN.
4. Om de verhoogde investeringsaftrek betreffende milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling te kunnen verkrijgen, moeten de betrokken belastingplichtigen bij hun aangifte in de inkomstenbelastingen waarin een dergelijke aftrek is vermeld, naast een behoorlijk ingevuld, gedateerd en ondertekend formulier 276 U en de in de nrs. 42ter/64 tot 66, Com.I.B;, bedoelde opgaven en verantwoordingsstukken, een door de bevoegde Gewestexecutieve uitgereikt attest voegen.
5. Uit dat attest blijken dat de nieuwe produkten en toekomstgerichte technologieën die voortspruiten uit het onderzoek en de ontwikkeling waartoe de bedoelde investeringen zijn gebruikt, geen weerslag op het leefmilieu hebben of die beogen de negatieve weerslag op het leefmilieu zoveel mogelijk te beperken.
Daar die materie tot de bevoegdheid van de Gewesten behoort, beperkt de tussenkomst van de Administratie der directe belastingen zich ertoe na te gaan of het vereiste attest wel degelijk is uitgereikt. Elke vraag om te vernemen of de bewuste investeringen al dan niet voldoen, moet door de betrokken belastingplichtigen aan de bevoegde gewestelijke administraties worden gericht.
III. CONTROLEMAATREGELEN.
6. Bij gebreke van het in nr. 5 hierbovenvermelde attest moet de verhoogde investeringsaftrek in principe worden geweigerd, met dien verstande dat de gewone aftrek in dit geval mag worden toegekend indien aan de overige voorwaarden is voldaan.
7. Voor het aj. 1990 zal dergelijk attest doorgaans slechts na het verstrijken van de door het indienen van de aangifte in de inkomstenbelastingen gestelde termijn kunnen worden uitgereikt.
Daarom is beslist voor het aj. 1990 de volgende maatregelen te treffen :
BIJLAGE
KB 17.04.1990 tot vastlegging van de voorwaarden voor de toekenning van de verhoogde investeringsaftrek betreffende bestanddelen gebruikt voor onderzoek en ontwikkeling (V. 2051 - B. 695).
Art. 1
Onverminderd de bepalingen van de artikelen 12sexies en 12octies van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, wordt de verhoogde investeringsaftrek ingevolge artikel 20, § 1, b, 1°, van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen toegepast op voorwaarde dat de belastingplichtige een door de bevoegde Gewestexecutieve uitgereikt attest overlegt waaruit blijkt dat de beoogde nieuwe produkten en toekomstgerichte technologieën, tot het onderzoek en de ontwikkeling waarvan de desbetreffende bestanddelen worden gebruikt, geen effect op het leefmilieu beogen te minimaliseren.
Het attest waarvan sprake in het eerste lid moet worden gevoegd bij de aangifte in de inkomstenbelastingen van het belastbare tijdperk waarin de bedoelde bestanddelen zijn aangeschaft of tot stand gebracht.
Art. 2
Dit besluit is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1990.
Circulaire nr. Ci.RH.242/420.664 dd. 13.09.1990
Bull. nr. 699, pag. 2921
CONTROLEMAATREGELEN
Investeringsaftrek
HERVORMINGSWET 1988
Investeringsaftrek
INVESTERINGSAFTREK
Bevoegdheid van de Gewesten
Investeringen voor onderzoek en ontwikkeling
Toekenningsvoorwaarden
Verhoogde investeringsaftrek voor investeringen voor onderzoek en ontwikkeling die geen effect hebben op het leefmilieu of die beogen het ongunstige effect op het leefmilieu zoveel mogelijk te beperken (art. 20, §1, eerste lid, litt. b, 1°, hervormingswet 1988 - KB 17.4.1990):
- bij de aangifte te voegen attest;
- controlemaatregelen voor het aj. 1990.
1. INLEIDING
1. Art. 20, § 1, eerste lid, litt. b, 1°, hervormingswet 1988 bepaalt dat het in art. 42ter, § 2, WIB bedoelde basispercentage van de investeringsaftrek met 10 percentpunten wordt verhoogd wanneer het o.m. bestanddelen betreft die worden gebruikt ter bevordering van het onderzoek en de ontwikkeling wan nieuwe produkten en toekomstgerichte technologieën die geen effect op het leefmilieu hebben of die beogen het negatieve effect op het leefmilieu zoveel mogelijk te beperken. Deze bepaling is met ingang van het aj. 1990 van toepassing (voor meer bijzonderheden wordt verwezen naar de nrs. II/151 tot 175 van de circ. Ci.D.19/402.192 - PB, 12e aflevering, van 25.09.1989).
2. De parlementaire werkzaamheden betreffende de voormelde wet verduidelijken niet wat de wetgever met milieuvriendelijke investeringen heeft bedoeld. Overigens behoort die materie thans tot de bevoegdheid van de Gewesten.
Daarom beperkt het KB van 17.04.1990 (V. 2051 - B. 695) (1) zich ertoe te stellen dat de betrokken belastingplichtige een door de bevoegde Gewestexecutieve uitgereikt attest bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen van het belastbare tijdperk waarin de investeringen zijn aangeschaft of tot stand gebracht moeten voegen, waaruit blijkt dat ter zake aan de bovenvermelde vereist inzake het leefmilieu is voldaan.
(1) Zie bijlage.
3. Onderhavige circ. bespreekt de specifieke controlemaatregelen die dienaangaande door de taxatiediensten voor het aj. 1990 in acht moeten worden genomen.
II. FORMALITEITEN.
4. Om de verhoogde investeringsaftrek betreffende milieuvriendelijke investeringen voor onderzoek en ontwikkeling te kunnen verkrijgen, moeten de betrokken belastingplichtigen bij hun aangifte in de inkomstenbelastingen waarin een dergelijke aftrek is vermeld, naast een behoorlijk ingevuld, gedateerd en ondertekend formulier 276 U en de in de nrs. 42ter/64 tot 66, Com.I.B;, bedoelde opgaven en verantwoordingsstukken, een door de bevoegde Gewestexecutieve uitgereikt attest voegen.
5. Uit dat attest blijken dat de nieuwe produkten en toekomstgerichte technologieën die voortspruiten uit het onderzoek en de ontwikkeling waartoe de bedoelde investeringen zijn gebruikt, geen weerslag op het leefmilieu hebben of die beogen de negatieve weerslag op het leefmilieu zoveel mogelijk te beperken.
Daar die materie tot de bevoegdheid van de Gewesten behoort, beperkt de tussenkomst van de Administratie der directe belastingen zich ertoe na te gaan of het vereiste attest wel degelijk is uitgereikt. Elke vraag om te vernemen of de bewuste investeringen al dan niet voldoen, moet door de betrokken belastingplichtigen aan de bevoegde gewestelijke administraties worden gericht.
III. CONTROLEMAATREGELEN.
6. Bij gebreke van het in nr. 5 hierbovenvermelde attest moet de verhoogde investeringsaftrek in principe worden geweigerd, met dien verstande dat de gewone aftrek in dit geval mag worden toegekend indien aan de overige voorwaarden is voldaan.
7. Voor het aj. 1990 zal dergelijk attest doorgaans slechts na het verstrijken van de door het indienen van de aangifte in de inkomstenbelastingen gestelde termijn kunnen worden uitgereikt.
Daarom is beslist voor het aj. 1990 de volgende maatregelen te treffen :
| a) | indien een belastingplichtige een verhoogde investeringsaftrek wegens investeringen voor onderzoek en ontwikkeling in zijn aangifte heeft vermeld, moet die aftrek voorlopig worden toegestaan, zelfs indien het in nr. 5 hierboven vermelde attest niet bij de aangifte is gevoegd; |
| b) | bij het onderzoek van de aangifte nagaan of aan alle opgelegde voorwaarden is voldaan : met name t.a.v. de in de nrs. 42ter/7 tot 19.8, Com.IB, en in de bovenvermelde aflevering verstrekte richtlijnen; |
| c) | indien dit, op het in nr. 5 hierboven vermelde attest na het geval is, moet de verhoogde aftrek voorlopig verder worden toegestaan, maar dient daarvan melding te worden gemaakt op een bij te houden naamlijst (deze lijst wordt aangezuiverd naarmate de vereiste attesten binnenkomen); |
| d) | in de sub c) hierboven voorgeschreven lijst moet tot 30.09.1991 worden bijgehouden; in voorkomend geval wordt de fiscale toestand van de belastingplichtigen die op die datum nog op de lijst voorkomen onverwijld herzien. |
KB 17.04.1990 tot vastlegging van de voorwaarden voor de toekenning van de verhoogde investeringsaftrek betreffende bestanddelen gebruikt voor onderzoek en ontwikkeling (V. 2051 - B. 695).
Art. 1
Onverminderd de bepalingen van de artikelen 12sexies en 12octies van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, wordt de verhoogde investeringsaftrek ingevolge artikel 20, § 1, b, 1°, van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen toegepast op voorwaarde dat de belastingplichtige een door de bevoegde Gewestexecutieve uitgereikt attest overlegt waaruit blijkt dat de beoogde nieuwe produkten en toekomstgerichte technologieën, tot het onderzoek en de ontwikkeling waarvan de desbetreffende bestanddelen worden gebruikt, geen effect op het leefmilieu beogen te minimaliseren.
Het attest waarvan sprake in het eerste lid moet worden gevoegd bij de aangifte in de inkomstenbelastingen van het belastbare tijdperk waarin de bedoelde bestanddelen zijn aangeschaft of tot stand gebracht.
Art. 2
Dit besluit is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1990.
Bron: FisconetPlus
