Circulaire 2017/C/44 betreffende de toekenning van verminderingen van onroerende voorheffing aan gezinnen met pleegkinderen in het Waals Gewest
Deze circulaire heeft het over de toekenningsvoorwaarden voor de vermindering van onroerende voorheffing voor gezinslasten bepaald in artikel 257, 3°, WIB 92, zoals dit van toepassing is in het Waals Gewest voor gezinnen met pleegkinderen.
Onroerende voorheffing ; Waals Gewest ; vermindering voor gezinslasten ; pleegkinderen, toekenningsvoorwaarden
FOD Financiën, 13.07.2017
Algemene Administratie van de Fiscaliteit - Inkomstenbelasting
Inhoudstafel
I. Inleiding
II. Wettelijke bepaling
Artikel 257, 3°, WIB 92, zoals van toepassing in het Waals Gewest
III. Bespreking
A. De toekenningsvoorwaarden van de vermindering voor gezinslasten: van het concept van gezinshoofd tot dat van het gezin
B. Het pleegkind wordt gelijkgesteld met een 'eigen' of geadopteerd kind van het gezin
C. Het in een pleeggezin opgenomen kind moet als een kind in leven worden gezien
D. Synthese
E. Inwerkingtreding
I. Inleiding
1. Deze circulaire heeft het over de toekenningsvoorwaarden voor de vermindering van onroerende voorheffing voor gezinslasten bepaald in artikel 257, 3°, 1ste lid, WIB 92, zoals dit van toepassing is in het Waals Gewest voor gezinnen met pleegkinderen.
II. Wettelijke bepaling
Artikel 257, 3°, WIB 92, zoals van toepassing in het Waals Gewest
2. Art. 257, 3° - een vermindering van onroerende voorheffing in verband met het onroerend goed dat wordt betrokken door het hoofd van een gezin met ten minste twee kinderen in leven of met een in de zin van artikel 135, eerste lid, gehandicapte persoon.
Die vermindering bedraagt 250 EUR voor iedere gehandicapte persoon ten laste, met inbegrip van de echtgenoot of de wettelijk of feitelijk samenwonende, en 125 EUR voor ieder niet-gehandicapt kind ten laste, en de helft van één van beide bedragen voor elk kind ten laste onderworpen aan het gezamenlijk ouderlijk gezag waarvan de huisvesting gelijkmatig is verdeeld over de beide belastingplichtigen, vermenigvuldigd met de breuk [100/(100 + bovenop de onroerende voorheffing totaal opcentiemen bepaald door de gemeente, de agglomeratie en de provincie waar de door het gezin betrokken woning gelegen is)].
Het bestaan van het gezamenlijk ouderlijk gezag en de gelijkmatige huisvesting dienen door belanghebbende aangetoond te worden:
- hetzij op grond van een uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar geregistreerde of door een rechter gehomologeerde overeenkomst waarin uitdrukkelijk is vermeld dat de huisvesting van die kinderen gelijkmatig is verdeeld over beide belastingplichtigen en dat zij bereid zijn de toeslagen op de belastingvrije som voor die kinderen te verdelen;
- hetzij op grond van een uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar uitgesproken rechterlijke beslissing waarin uitdrukkelijk is vermeld dat de huisvesting van die kinderen gelijkmatig is verdeeld over beide belastingplichtigen;
- hetzij op grond van een overeenkomst, tot stand gekomen ten gevolge van een vrijwillige gezinsbemiddeling gevoerd door een bemiddelaar erkend door de Commissie bedoeld in artikel 1727 van het Gerechtelijk Wetboek uiterlijk op 1 januari van het aanslagjaar waarin uitdrukkelijk is vermeld dat de huisvesting van die kinderen gelijkmatig is verdeeld over beide belastingplichtigen en dat zij bereid zijn de toeslagen op de belastingvrije som voor die kinderen te verdelen.
In afwijking van het voorgaande wordt er geen enkele vermindering ten gunste van de belastingplichtige verleend voor de kinderen voor welke hij uitkeringen zoals bedoeld in artikel 104, 1° kan aftrekken.
Een kind dat gedurende de veldtochten 1914-1918 of 1940-1945 als militair, weerstander, politiek gevangene of burgerlijk oorlogsslachtoffer overleden of vermist is, wordt meegerekend alsof het in leven was.
III. Bespreking
A. De toekenningsvoorwaarden van de vermindering voor gezinslasten: van het concept van gezinshoofd tot dat van het gezin
3. Krachtens artikel 257, 3°, WIB 92, zoals gewijzigd door artikel 23 van het Waals decreet van 19.09.2013 houdende diverse bepalingen (BS 11.10.2013), moet de woning waarvoor de vermindering wegens gezinslasten wordt gevraagd bewoond worden door een gezin met ten minste twee kinderen in leven of met een in de zin van artikel 135, 1ste lid, WIB 92, gehandicapte persoon.
In de versie voor de wijziging ervan door het Waals decreet van 19.09.2013, bepaalde artikel 257, 3°, WIB 92, dat het gebouw moest bewoond zijn door 'het gezinshoofd'.
In een traditionele opvatting werd als het 'gezinshoofd' altijd de man in aanmerking genomen. In die zin had de minister van Financiën in zijn antwoord op een parlementaire vraag nr. 96/402 van 26.04.1996 bevestigd dat 'in de gebruikelijke betekenis van het begrip "gezin" (...) is dit voor de toepassing van artikel 257, WIB 92, de man'.
Rekening houdend met de evolutie van de maatschappij, bleek het echter meer en meer evident dat het huwelijk niet meer kon worden aangemerkt als het 'enige overheersende model' van samenlevingsvormen en dat het behoud van dat traditionele begrip waarbij het 'gezinshoofd' met de man wordt gelijkgesteld door de feiten duidelijk was achterhaald.
Logischerwijze vloeide uit die evolutie voort dat de banden die voor de vermindering voor gezinslasten in aanmerking moeten worden genomen, niet meer alleen deze waren die uit het huwelijk voortkwamen maar dat die banden het gevolg moesten zijn van het ouderschap, waarin de rechten en verplichtingen van de ouders tegenover hun kinderen gezamenlijk worden uitgeoefend.
Daarom maken we geleidelijk aan een vervaging mee van het concept 'gezinshoofd' ten voordele van het begrip 'gezin'.
Naar aanleiding van een beslissing van het Hof van Cassatie van 12.03.2010 (Cass., 12.03.2010, RG F.09.0023F, juridat.be), is het absoluut noodzakelijk dat het traditionele concept van 'gezinshoofd' evolueert naar het ruimere begrip van 'gezin'.
Uit dat arrest vloeiden in het bijzonder twee overwegingen voort:
- De administratie wil ten onrechte het begrip personen die deel uitmaken van het gezin gelijkstellen met de leden van het gezin die ten laste vallen van de belastingplichtige, hoewel het hier om twee aparte begrippen gaat.
- De in aanmerking te nemen gezinsbanden zijn niet alleen de banden van echtgenoten maar vooral banden als ouders, wat impliceert dat zij hun rechten en verplichtingen jegens hun kinderen gezamenlijk uitoefenen zodat die kinderen niet als buitenstaanders kunnen worden behandeld.
Op basis van deze rechtspraak heeft de Waalse wetgever de tekst van artikel 257, 3°, WIB 92, gewijzigd in die zin dat het begrip 'gezin' in de plaats komt van het begrip 'gezinshoofd'.
B. Het pleegkind wordt gelijkgesteld met een 'eigen' of geadopteerd kind van het gezin
4. Het onthaal van kinderen op grond van de familiale plaatsingsprocedure is gereglementeerd door het decreet van de Franse Gemeenschap van 04.03.1991 inzake hulpverlening aan de jeugd (BS 12.06.1991).
Krachtens artikel 1, 5°, van dat decreet is de pleegouder: de persoon die vrijwillig, in het kader van een maatregel van gespecialiseerde hulpverlening voor de huisvesting van een kind zorgt voor wie hij niet over de ouderlijke macht beschikt.
De pleegouder moet instaan voor de dagelijkse opvoeding van het kind en het een leefomgeving bieden, samen met de voor zijn ontwikkeling noodzakelijke affectieve en sociale relaties.
Het geplaatste kind woont bij de pleegouders en wordt als fiscaal ten laste aangemerkt. Het valt onder hun mutualiteit (de pleegouders zijn verantwoordelijk voor de medische opvolging van het kind) en zij krijgen ook de kinderbijslag. Het geplaatste kind wordt ook in aanmerking genomen voor de toegang tot een sociale woning en tot diverse bouwpremies (of gelijkaardige premies) en voor de toekenning van studiebeurzen.
In die zin kan het geplaatste kind worden gelijkgesteld met een 'eigen' of geadopteerd kind van het gezin omdat het feitelijk en wettelijk dezelfde plaats inneemt.
C. Het in een pleeggezin opgenomen kind moet als een kind in leven worden gezien
5. Artikel 257, 3°, WIB 92, verleent een vermindering van onroerende voorheffing aan het gezin met minstens twee kinderen in leven.
Rekening houdend met het feit dat, enerzijds, de wet niet verduidelijkt dat het moet gaan om biologische of geadopteerde kinderen en dat, anderzijds, het Hof van Cassatie bevestigd heeft dat het begrip 'gezin' een feitelijk begrip en geen rechtsbegrip is, moet worden besloten dat elk in een pleeggezin geplaatst kind in rekening moet worden genomen om te bepalen of aan de wettelijke voorwaarde van de aanwezigheid van minstens twee kinderen in leven in het gezin, om het recht op vermindering van onroerende voorheffing te openen, is voldaan.
Wij herinneren eraan dat alhoewel de belastingwet dit niet nader bepaalt, het de toestand op 1 januari van het aanslagjaar is die in aanmerking wordt genomen om het recht op de gevraagde vermindering(en) vast te stellen.
Het is immers de financiewet die de belastingschuld doet ontstaan ten laste van de belastingplichtige voor wie de toepassingsvoorwaarden voor de belasting verenigd zijn (Cass., 09.11.1954, Bindelle en consorten, Pas. 1955, I, 207), en, voor de OV worden, gelet op de algemene beginselen van die belasting, welke o.m. bij vooruitbetaling wordt geïnd op het KI, die voorwaarden bepaald door de toestand van het onroerend goed op 1 januari van het jaar (Cass., 28.05.1934, Roersch, Bull. 85, blz. 4; en 25.01.1955, Soeurs Augustines hospitalières, Pas. 1955, I, 550; Brussel, 24.04.1974, Leroy René, Bull. 530, blz. 970).
Bijgevolg moet, om in aanmerking te komen, het geplaatste kind deel uitmaken van het pleeggezin op 1 januari van het aanslagjaar waarop de aanvraag voor vermindering betrekking heeft.
6. Voorbeelden
Op 01.01.2017 heeft een gezin een 'eigen' kind dat in 2016 is geboren en een sedert 2015 geplaatst kind. Op 01.01.2017 heeft dat gezin twee kinderen in leven en kan het dus een dubbele vermindering wegens gezinslasten krijgen.
Als het pleegkind in 2017 werd geplaatst, zou het recht op vermindering (minstens twee kinderen in leven hebben) slechts vanaf het aanslagjaar 2018 van toepassing zijn.
Op 01.01.2017 heeft een gezin twee 'eigen' kinderen, geboren in 2014 en 2016 en een begin 2017 geplaatst kind. Op 01.01.2017 heeft dat gezin twee 'eigen' kinderen in leven en kan het dus een dubbele vermindering wegens gezinslasten krijgen. Vanaf 2018 kan het gezin een drievoudige vermindering krijgen omdat vanaf dat jaar het pleegkind eveneens wordt meegerekend.
D. Synthese
7. Krachtens artikel 257, 3°, WIB 92, zoals gewijzigd door artikel 23 van het Waals decreet van 19.09.2013 moet voortaan worden gezegd dat het 'gezin' een entiteit vormt waarvan de volgende personen deel kunnen uitmaken:
1. De ouder(s), met name:
a. de enige ouder van een eenoudergezin;
b. de twee echtgenoten;
c. de twee wettelijke samenwonenden;
d. de twee feitelijk samenwonenden (partners).
2. Hun eigen en/of gemeenschappelijke kinderen en ook de kinderen waarvoor het gezin uitsluitend of in hoofdzaak instaat zoals kinderen die in een pleeggezin werden geplaatst;
3. Eventueel de gehandicapte(n) in de zin van artikel 135, 1ste lid, WIB 92.
E. Inwerkingtreding
8. Deze circulaire is van onmiddellijke toepassing en is van toepassing op alle hangende administratieve en gerechtelijke geschillen.
Interne ref.: 711.008
