30.07.2002 - Omzendbrief D.I. 802.1 - D.C. 12.900
INVORDERING en GESCHILLEN
|
STRAFRECHTELIJKE VERANT- WOORDELIJKHEID VAN DE RECHTSPERSONEN Toepassing inzake douane en accijnzen | D.I. 802.1 |
D.C. 12.900 |
Bijlage : 1 Brussel, 30 juli 2002.
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEGINSELEN VAN DE STRAF- RECHTELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE RECHTSPERSOON
Inleiding
- De wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen (B.S. 22 juni 1999) die op 2 juli 1999 in werking is getreden, heeft een aantal belangrijke wijzigingen aangebracht in het Belgische strafrecht t.a.v. de positie van de rechtspersoon. Een kopie van de wet is opgenomen in bijlage.
Bon O.S.D. nr. 203/02
- Deze wet wijzigt een aantal artikelen van het Eerste boek van het Strafwetboek, de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, het Wetboek van strafvordering en de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie. Deze wetboeken en deze wet bevatten de algemene beginselen inzake het gemeen strafrecht. Die algemene beginselen zijn echter ook van toepassing op het bijzonder strafrecht zoals het strafrecht inzake douane en accijnzen.
- Tot vóór de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 werd de positie van de rechtspersoon in het Belgische strafrecht traditioneel zo omschreven dat de rechtspersoon wel een misdrijf kan plegen, maar daarvoor niet kan worden gestraft. De bestraffing van de rechtspersoon gebeurde in hoofde van de natuurlijke personen die voor de rechtspersoon hebben gehandeld of dit hebben nagelaten. Met die natuurlijke personen worden zowel de organen (bestuurders, zaakvoerders, afgevaardigd bestuurders) als de aangestelden (personen belast met het dagelijks bestuur, werknemers, bedienden, arbeiders) van een rechtspersoon bedoeld.
- Dat algemeen beginsel was ook van toepassing op de mis- drijven inzake douane en accijnzen. Telkens een misdrijf inzake douane en accijnzen werd vastgesteld in hoofde van een rechtspersoon, werd tot op heden het proces-verbaal opgesteld en de strafvordering ingeleid ten laste van de natuurlijke personen die de materiële handeling hebben gesteld waardoor het misdrijf tot stand kwam (bijv. de bediende van een douane-expediteur die de verkeerde aangifte bij invoer heeft opgesteld en ondertekend) en ten laste van de organen van de rechtspersoon (bijv. de afgevaardigd bestuurder van een douane-expediteur).
- Tot op heden wordt de rechtspersoon in de zaak enkel betrokken als burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de belast- ingen en de boeten die worden uitgesproken in hoofde van de vervolgde natuurlijke personen. De rechtspersoon zelf wordt nooit strafrechtelijk veroordeeld.
- De strafrechtelijke niet-aansprakelijkheid van de rechts- persoon gekoppeld aan de vervolging van de natuurlijke personen door wie de rechtspersoon heeft gehandeld (bijv. een werknemer),
leidt in bepaalde gevallen tot de situatie dat men verplicht is de natuurlijke personen te vervolgen en te straffen, terwijl het in feite de bedoeling was om de rechtspersoon verantwoordelijk te stellen voor de begane inbreuk.
- Ook inzake douane en accijnzen kan een dergelijke situatie zich voordoen. Wanneer een bedrijf (rechtspersoon) een invoeraangifte inreikt waarvan bij controle door de administratie wordt vastgesteld dat de goederen onder een verkeerde benaming werden aangegeven, zal de Administratie bij niet transactionele regeling van het geschil de zaak voor de strafrechter brengen. Daartoe zal de werknemer die de aangifte heeft opgesteld en ondertekend en het orgaan van de aangever voor de strafrechter worden gedagvaard. In feite is de aangifte echter ingereikt door de rechtspersoon en is het logisch dat de rechtspersoon de strafrechtelijk verantwoordelijke is en niet zijn werknemer.
- Om aan deze situatie te verhelpen heeft de wetgever met de wet van 4 mei 1999 de mogelijkheid gecreëerd om ook de rechtsper- soon, al dan niet samen met de natuurlijke personen die de handelingen daadwerkelijk hebben gesteld, als dader voor de strafrechter te dagvaarden, ongeacht welk soort misdrijf het betreft. De wetgever heeft de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon niet beperkt tot bepaalde categorieën van misdrijven, maar toepasbaar gemaakt op alle in de Belgische wetgeving omschreven misdrijven, dus ook de misdrijven inzake douane en accijnzen.
- De rechtspersoon wordt inzake vervolging en bestraffing in feite gelijkgeschakeld met een natuurlijke persoon. Hij zal bijgevolg kunnen gedagvaard worden als dader, mededader medeplichtige, belanghebbende of verzekeraar van een misdrijf inzake douane en accijnzen.
- het invoeren van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon heeft ingrijpende gevolgen voor het voeren van het strafonderzoek inzake douane en accijnzen, het opstellen van processen-verbaal en het inleiden van de strafvordering.
Er zal voortaan rekening moeten worden gehouden met de rechtspersoon als zelfstandige entiteit, los van de natuurlijke personen door wie hij handelt.
Afdeling 1. Materieel strafrecht
- RECHTSPERSONEN WAAROP DE WET VAN TOEPASSING IS
- Het beginsel van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersonen wordt ingeschreven in het opnieuw ingevoegde artikel 5 van het Strafwetboek (zie artikel 2 van de wet van 4 mei 1999).
De wetgever heeft de bedoeling gehad om de strafrechtelijke verantwoordelijkheid zo ruim mogelijk toe te passen op de rechtsper- sonen. Daarom wordt geen onderscheid gemaakt tussen privaatrechtelijk rechtspersonen en publiekrechtelijke rechtspersonen.
De wet breidt de strafrechtelijke verantwoordelijkheid zelfs uit tot een aantal entiteiten die geen rechtspersoonlijkheid hebben.
De wet heeft echter ook een gering aantal rechtspersonen uitgesloten van de toepassing van de wet.
Privaatrechtelijke rechtspersonen
- De privaatrechtelijke rechtspersonen die onder de toepas- sing van de wet vallen zijn niet alleen de handelsvennootschappen met rechtspersoonlijkheid (N.V., B.V.B.A., coöperatieve vennootschappen, enz.) maar ook alle niet-commerciële rechtspersonen (VZW, instellingen van openbaar nut, vennootschappen met sociaal oogmerk).
Publiekrechtelijke rechtspersonen
- De publiekrechtelijke rechtspersonen die onder de toepas- sing van de wet vallen zijn een aantal gepersonaliseerde besturen (bv. de regie der gebouwen, regie der luchtwegen), intercommunale verenigingen (zgn. intercommunales), autonome overheidsbedrijven (bv. de NMBS, ABX, de Post) en openbare kredietinstellingen.
Entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid
- Ook een aantal entiteiten die geen rechtspersoonlijkheid hebben worden op basis van artikel 5 van het Strafwetboek met een rechtspersoon gelijkgesteld :
- de tijdelijke verenigingen en verenigingen bij wijze van deelneming;
- de vennootschappen met commercieel doel die hun akte niet hebben neergelegd (zie artikel 2, 3de lid gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen);
- de handelsvennootschappen in oprichting;
- de burgerlijke vennootschappen die niet de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen.
Buitenlandse rechtspersonen
- Ook buitenlandse privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersonen vallen onder de toepassing van de wet. Zulks staat niet met zoveel worden in artikel 5 van het Strafwetboek, maar vermits het de bedoeling van de wetgever was om de rechtspersonen zoveel mogelijk gelijk te schakelen met de natuurlijke personen en buitenlandse natuurlijke personen die in België misdrijven kunnen begaan, moet hetzelfde besloten worden voor buitenlandse rechtspersonen.
Rechtspersonen waarop de strafrechtelijke verantwoordelijkheid niet van toepassing is
- De wetgever heeft een aantal uitzonderingen gemaakt op het principe dat alle rechtspersonen strafrechtelijk verantwoordelijk zijn.
Daarbij heeft men de rechtspersonen voor ogen gehad die een rechtstreeks verkozen orgaan hebben, zoals de federale staat, de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de gemeenten, OCMW’s, enz. (zie art. 5, laatste lid Sw).
Het betreft dus uitsluitend publiekrechtelijke rechtspersonen.
II. MISDRIJVEN DIE AAN EEN RECHTSPERSOON KUNNEN WORDEN TOEGEREKEND
- De rechtspersonen kunnen in principe voor alle misdrijven strafrechtelijk verantwoordelijk worden gesteld. Dit betekent dat alle misdrijven die kunnen worden begaan door natuurlijke personen thans kunnen worden begaan door en ten laste kunnen worden gelegd van de rechtspersonen.
- Vanzelfsprekend zal de materiële handeling die het misdrijf uitmaakt (bijv. het invullen van een verkeerde invoeraangifte) nog steeds worden gesteld door een natuurlijke persoon. In tegenstelling tot de situatie zoals deze bestond vóór de wet van 4 mei 1999 zal men echter niet meer de natuurlijke persoon moeten identificeren die de handeling heeft gesteld om de rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk te stellen. Van zodra een strafrechtelijke handeling is vastgesteld, zal men de rechtspersoon voor de strafrechter kunnen brengen. De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon kan bijgevolg voortvloeien uit om het even welke handeling die niet alleen door een orgaan of een wettelijke vertegenwoordiger wordt gesteld, maar ook door een handeling van een bediende of een arbeider.
Zulks betekent echter niet dat niet al het mogelijke in het werk moet worden gesteld om de natuurlijke persoon te identificeren die de materiële handeling heeft gesteld. Indien men daar echter niet in slaagt, zal zulks geen beletsel vormen om de rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk te stellen.
- Niet elke materiële handeling gesteld door een orgaan of een werknemer van een rechtspersoon zal echter de strafrechtelijk verantwoordelijkheid van de rechtspersoon in het gedrang brengen. Dit zal slechts het geval zijn wanneer een aantal voorwaarden vervuld zijn. Uitgangspunt is dat het misdrijf aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.
- Opdat een misdrijf aan een rechtspersoon kan worden toegerekend, moeten net als voor een natuurlijke persoon, zowel het materieel als het moreel element aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend.
a. Materieel element
- Het nieuwe artikel 5 van het Strafwetboek bepaalt dat de rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk is voor de misdrijven die :
- een intrinsiek verband houden met de verwezenlijking van zijn doel;
OF
- een intrinsiek verband houden met de waarneming van zijn belangen;
OF
- naar blijkt uit de feiten, voor zijn rekening zijn gepleegd.
Indien aan één van de voorwaarden is voldaan, moet geacht worden dat de rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk is en het misdrijf hem materieel kan worden toegerekend. De voorwaarden moeten niet cumulatief vervuld zijn.
Het verband tussen de feiten en de rechtspersoon zal moeten blijken uit de gedane vaststellingen.
- In bepaalde gevallen zal het voor de hand liggen dat aan één of meerdere voorwaarden is voldaan.
Zo zullen bijvoorbeeld de misdrijven die verband houden met in-, uit- of doorvoer van goederen die begaan worden door een douane-expediteur (rechtspersoon), steeds intrinsiek verband houden met de verwezenlijking van zijn doel, nl. het vervullen van douaneformaliteiten of ten minste moeten geacht worden voor zijn rekening te zijn gepleegd.
Zo zullen inbreuken inzake accijnzen die worden vastgesteld in hoofde van een rechtspersoon die handel drijft in accijnsproducten en die houder is van een machtiging belastingentrepot inzake accijnzen wezenlijk verband houden met de verwezenlijking van zijn doel of ten minste intrinsiek verband houden met waarneming van zijn belangen.
Zo zal het uitbaten van een drankgelegenheid zonder betaling van de openingsbelasting of vergunningsrecht vastgesteld in hoofde van een rechtspersoon met activiteiten in de horeca-sector (bijv. restauranthouder) wezenlijk verband houden met zijn belangen of althans voor zijn rekening zijn gepleegd.
- In een aantal andere gevallen zal dit verband niet zo voor de hand liggend zijn en zal door het onderzoek moeten aangetoond worden dat de rechtspersoon in feite voordeel heeft gehaald uit de vastgestelde feiten, dan wel dat hij er belang bij heeft gehad.
De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon komt immers niet in het gedrang voor feiten die worden gepleegd door een natuurlijke persoon die wel een band heeft met de rechtspersoon (bijv. werknemer), maar die enkel gebruik heeft gemaakt van het juridisch kader van de rechtspersoon en de hem ter beschikking gestelde middelen om misdrijven te plegen voor eigen belang of voor eigen rekening.
Zo zal de overtreding wegens onttrekking van goederen aan het douanetoezicht ingevolge diefstal gepleegd door een werknemer van een opslagbedrijf in een zeehaven waarbij deze gebruik maakt van de hem door zijn werkgever (rechtspersoon) ter beschikking gestelde middelen (bijv. een kraan of een vrachtwagen) niet aan de rechtspersoon kunnen worden aangerekend indien uit de feiten blijkt dat de werknemer op eigen houtje en voor eigen rekening heeft gehandeld zonder enig medeweten van zijn werkgever.
Zo zal de overtreding inzake vergunningsrecht gepleegd door een werknemer van een restaurantuitbater (rechtspersoon) die zonder toestemming van zijn werkgever sterke dranken verkoopt en de daaruit voortvloeiende opbrengst voor zichzelf houdt, niet aan de restaurantuitbater kunnen worden aangerekend, tenzij kan aangetoond worden dat de restaurantuitbater op de hoogte was van de feiten en de verkoop van sterke dranken oogluikend heeft toegestaan.
In dergelijke gevallen zal enkel de natuurlijke persoon kunnen worden aangesproken en zal de rechtspersoon met wie hij een band heeft (bijv. werkgever-werknemer) niet strafrechtelijk in de zaak kunnen worden betrokken.
- Om de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon aan te tonen, zal in alle gevallen uit het onderzoek moeten blijken dat de gepleegde inbreuken op een of andere wijze kunnen gelinkt worden aan de rechtspersoon en dat ze zijn gebeurd in het kader van de uitoefening van de activiteiten van de rechtspersoon of dat hij er op een of andere manier belang of voordeel heeft bij gehad.
Vanzelfsprekend zal het toepassen van de criteria aanleiding kunnen geven tot discussies, vooral wanneer het de intrinsieke band betreft met de verwezenlijking van het doel van de rechtspersoon. Bedrijven worden officieel immers niet opgericht om fraude te plegen. In het statutaire doel van een douane-expediteur zal vanzelfsprekend het ontduiken van belastingen niet terug te vinden zijn.
Het is daarom van het grootste belang dat in het onderzoek en bij de vaststelling duidelijk wordt gemaakt welke handelingen door wie werden gesteld en of de persoon die de handelingen stelde (bijv. een werknemer) handelde binnen het kader van de hem toevertrouwde opdrachten, dat de gevolgde werkwijze de gebruikelijke manier van werken binnen het bedrijf is, dat bepaalde praktijken door de leiding van het bedrijf zonder opmerkingen werden toegestaan, enz.
b. Moreel element
- In tegenstelling tot de meeste bedrijven van gemeen recht is voor het merendeel van de misdrijven inzake douane en accijnzen geen opzet vereist en volstaat de loutere overtreding van de voorgeschreven norm om een inbreuk vast te stellen (zie ' 43 van de Leidraad inzake geschillen, D.I. 803.41).
Men moet bijgevolg niet voor alle inbreuken inzake douane en accijnzen kunnen aantonen dat de overtreder de bedoeling had de voorgeschreven norm te overtreden.
Ook al is de loutere niet-naleving van de norm voldoende om een overtreding inzake douane en accijnzen te kunnen vaststellen, toch vereist elke overtreding naast het bestaan van het materieel element (zie hiervoor) ook een moreel element, namelijk dat de persoon die schuldig wordt geacht ten minste kennis had van het bestaan van de inbreuk (Cass. 19.11.1997, Arr. Cass. 1997, 1180).
Zulks kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de vaststelling van een overtreding wegens het aandrijven van de motor van een voertuig met gekleurde en gefurfuroleerde gasolie op de openbare weg. Indien uit de vaststelling blijkt dat een werknemer van een bedrijf die het voertuig bestuurde dieselgasolie had aangekocht en betaald in een tankstation en bijgevolg niet op de hoogte was of zelfs kon zijn van het feit dat de aangekochte dieselgasolie furfurol en rood kleursel bevatten, zal de werkgever (rechtspersoon) niet kunnen vervolgd worden omdat het moreel element, nl. kennis hebben van het misdrijf, ook in hoofde van de rechtspersoon ontbreekt.
III. SAMENLOOP VAN STRAFRECHTELIJKE VERANT WOORDELIJKHEID VAN EEN
RECHTSPERSOON EN EEN NATUURLIJKE PERSOON
- Aangezien thans zowel rechtspersonen als natuurlijke personen strafrechtelijk verantwoordelijk zijn voor de door hen begane misdrijven rijst de vraag wie uiteindelijk zal worden veroordeeld : de rechtspersoon voor wiens rekening het misdrijf is gepleegd, de natuurlijke persoon die de handeling heeft gesteld voor de rechtspersoon of beiden ?
- Het nieuwe artikel 5, lid 2, van het Strafwetboek bepaalt daaromtrent het volgende :
“Wanneer de rechtspersoon verantwoordelijk gesteld wordt uitsluitend wegens het optreden van een geïdentificeerde persoon, kan enkel degene die de zwaarste fout heeft begaan worden veroordeeld. Indien de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout wetens en willens heeft gepleegd, kan hij samen met de rechtspersoon worden veroordeeld.”
- In de praktijk kan het dus gebeuren dat ofwel enkel de rechtspersoon wordt veroordeeld, ofwel enkel de natuurlijke persoon wordt veroordeeld, ofwel beiden worden veroordeeld.
De basisregel is echter dat cumul van veroordeling van de rechtspersoon en de natuurlijke persoon niet de regel mag zijn.
a. Veroordeling van de rechtspersoon alleen
- De veroordeling van de rechtspersoon alleen is mogelijk in 2 gevallen :
- wanneer geen natuurlijke persoon kan worden geïdentificeerd die de fout (de inbreuk) heeft begaan;
- wanneer in de gevallen dat een natuurlijke persoon kan worden geïdentificeerd, de rechtspersoon de zwaarste fout heeft begaan.
Er kan geen natuurlijke persoon worden geïdentificeerd
- In de meeste gevallen zal bij een inbreuk inzake douane en accijnzen de natuurlijke persoon kunnen worden geïdentificeerd die de fout heeft begaan : de man of vrouw die de aangifte heeft ondertekend, de bestuurder van het voertuig waarmede de sluikinvoer wordt gepleegd, hij die het injectieapparaat voor furfurol en rood kleursel heeft gemanipuleerd.
Er kunnen zich echter ook gevallen voordoen dat die natuurlijke persoon niet kan worden geïdentificeerd.
Wanneer bijvoorbeeld een tekort wordt vastgesteld in een belastingentrepot inzake accijnzen is het niet altijd mogelijk de natuurlijke persoon aan te duiden die dit tekort heeft veroorzaakt. De verplichting om de in belastingentrepot opgeslagen goederen te vertonen rust op de houder van de machtiging belastingentrepot die veelal een rechtspersoon is. Onder het stelsel dat de rechtspersoon niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld, werd in dat geval de in hoofde van de rechtspersoon vastgestelde overtreding vervolgd door de bestuurder voor de strafrechter te dagvaarden.
Ingevolge de wet van 4 mei 1999 zal in dat geval de rechtspersoon zelf kunnen worden aangesproken en voor de strafrechter worden gedagvaard. Ook het proces-verbaal zal enkel ten laste van de rechtspersoon kunnen worden opgesteld.
Uit de gegevens van het onderzoek zal in dergelijke gevallen echter duidelijk moeten blijken dat het ingestelde onderzoek niet toeliet de natuurlijke persoon of personen te identificeren die de inbreuk heeft of hebben begaan, waardoor enkel de rechtspersoon als dader overblijft.
Een of meerdere natuurlijke personen kunnen worden geïdentificeerd
- Wanneer één of meerdere natuurlijke personen kunnen worden geïdentificeerd, zal de veroordeling van de rechtspersoon afhankelijk zijn van de beoordeling wie de zwaarste fout heeft begaan. Dat is een feitenkwestie.
Algemeen kan worden gesteld dat wanneer de natuurlijke persoon (bijv. een werknemer) handelt binnen het kader van de hem toevertrouwde taak, hij niet kan beschouwd worden als de persoon die de zwaarste fout heeft begaan.
Wanneer een bediende van een bedrijf op basis van de gege- vens waarover hij beschikt een invoeraangifte opmaakt waarvan naderhand blijkt dat bijvoorbeeld bepaalde kosten niet in de douane- waarde zijn opgenomen of dat de goederen onder een verkeerde tariefpost werden aangegeven, zal deze persoon, behoudens indien blijkt hij niet gehandeld heeft volgens de hem gegeven instructies, niet kunnen aangemerkt worden als de persoon die de zwaarste fout heeft begaan.
Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de bediende van een douane-expediteur die in het kader van de hem toevertrouwde taken een aangifte T1 ondertekent die naderhand niet gezuiverd wordt. Het is niet de taak van de bediende om erop toe te zien dat de goederen op het kantoor van bestemming worden aangeboden, maar het is de rechtspersoon voor wie hij handelt die aansprakelijk is voor het nale- ven van de verplichtingen die uit de regeling voortvloeien. De zwaarste fout berust dan ook bij de rechtspersoon en hij alleen kan strafrechtelijk verantwoordelijk worden gesteld.
De situatie is anders wanneer een werknemer van een douane- expediteur een aangifte T1 geldig maakt voor het vervoer van bijvoorbeeld sigaretten, terwijl er binnen het bedrijf instructies bestonden dat de firma niet optreedt als aangever voor douanevervoer van dergelijke fraudegevoelige goederen. Wanneer de aangifte niet wordt gezuiverd, kan geoordeeld worden dat de zwaarste fout werd begaan door de werknemer - de aangifte had immers nooit mogen worden ingereikt - waardoor de rechtspersoon- werkgever niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld.
Indien uit het onderzoek echter zou blijken dat ondanks het bestaande verbod dergelijke goederen onder de regeling douane- vervoer te plaatsen, het een praktijk betreft die binnen het bedrijf wordt gedoogd zonder dat iemand de betrokken werknemer daarvoor ter verantwoording heeft geroepen, kan de zwaarste fout toch bij de rechtspersoon komen te liggen.
Wie strafrechtelijk verantwoordelijk is, zal uiteindelijk moeten blijken uit de gedane vaststellingen. Bij het voeren van het onderzoek zal daarom de nodige aandacht moeten worden besteed aan het verzamelen van elementen waarop de rechtbank zich zal kunnen steunen om te bepalen wie de zwaarste fout heeft begaan, de geïdentificeerde natuurlijke persoon die de materiële handeling heeft gesteld of de rechtspersoon.
b. Veroordeling van de natuurlijke persoon alleen
- Wanneer uit de feiten blijkt dat de zwaarste fout werd begaan door de geïdentificeerde natuurlijke persoon, zal alleen de natuurlijke persoon kunnen worden veroordeeld.
Wanneer een werknemer van een opslagbedrijf uitdrukkelijk de opdracht heeft gekregen om een bepaalde container met daarin zich onder douaneverband bevindende goederen slechts weg te nemen en te laden op de vrachtwagen van de bestemmeling dan nadat de goederen in het vrije verkeer waren gebracht en nadat hij daartoe toestemming heeft gekregen van de directie van het bedrijf, en deze werknemer de gegeven richtlijnen negeert, kan geoordeeld worden dat de werknemer de zwaarste fout heeft begaan en kan hij persoonlijk verantwoordelijk worden gesteld voor de onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht.
Indien de natuurlijke persoon strafrechtelijk verantwoordelijk wordt geacht, zal de rechtspersoon op basis van de regel dat in dergelijk geval geen cumul mogelijk is, strafrechtelijk buiten de zaak worden gelaten.
Het feit dat de rechtspersoon strafrechtelijk buiten de zaak wordt gelaten, doet echter geen afbreuk aan zijn burgerlijke aansprakelijkheid voor de betaling van de belastingen en de boeten die worden uitgesproken in hoofde van zijn orgaan of werknemer (toepassing art. 1382 en 1384 Burgerlijke wetboek en art. 265, ' 3, AWDA).
c. Veroordeling van de rechtspersoon en de natuurlijke persoon
- Ondanks het feit dat cumul van veroordeling van de rechtspersoon en de natuurlijke persoon niet de regel mag zijn, heeft de wetgever toch de mogelijkheid gecreëerd om in bepaalde gevallen beide personen te veroordelen.
Men heeft willen voorkomen dat natuurlijke personen zich achter de rechtspersoon zouden verschuilen om straffeloos misdrijven te plegen.
Daarom wordt in artikel 5 van het Strafwetboek bepaalde dat wanneer de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout wetens en willens heeft gepleegd, hij samen met de rechtspersoon kan worden veroordeeld.
- Het element “wetens en willens” wordt niet gelijkgescha- keld met “opzet”. Ook misdrijven waarvoor geen opzet is vereist (noch algemeen opzet, noch bijzonder opzet) kunnen wetens en willens worden begaan.
Alhoewel inzake douane en accijnzen het louter overtreden van de norm in de meeste gevallen voldoende is om de inbreuk vast te stellen en het element “wetens en willens” in feite niet bepalend is voor het bestaan van de inbreuk, zal het aantonen van dit element van groot belang zijn indien men in de toekomst zowel de natuurlijke personen als de rechtspersoon wil veroordeeld zien.
Of een inbreuk wetens en willens werd begaan door een ge- identificeerde natuurlijke persoon, zal moeten blijken uit de vaststel- lingen.
- Inzake douane en accijnzen zal deze situatie zich vooral voordoen bij georganiseerde of opzettelijke fraude.
Bij onttrekking van grote hoeveelheden minerale olie aan de schorsingsregeling of bij het manipuleren van een injectieapparaat voor rood kleursel en furfurol waardoor verwarmingsgasolie als dieselgasolie in verbruik wordt gesteld zonder betaling van de ver- schuldigde belastingen, zullen de geïdentificeerde natuurlijke personen die de materiële handelingen hebben gesteld, in de regel wetens en willens hebben gehandeld.
Ook bij fraude van andere hoogbelaste goederen zoals sigaret- ten zullen de geïdentificeerde natuurlijke personen in de regel wetens en willens hebben gehandeld. Ook bij sluikinvoer ligt het voor de hand dat de geïdentificeerde natuurlijke personen wetens en willens handelen.
- Wanneer meerdere geïdentificeerde natuurlijke personen aan de fraude hebben deelgenomen, kan het gebeuren dat het element “wetens en willens” slechts weerhouden kan worden in hoofde van bepaalde natuurlijke personen.
Wanneer bijvoorbeeld een werknemer van een opslagbedrijf op bevel van de zaakvoerder zich onder accijnsverband bevindende goederen op de markt brengt zonder betaling van de in het spel zijnde belastingen, maar deze werknemer enkel belast is met het laden en het vervoer van de goederen, zonder dat hij tussenbeide komt wat het fiscaal aspect betreft, zal enkel de zaakvoerder “wetens en willens” hebben gehandeld en niet de werknemer die enkel de uitvoerder is van de hem gegeven opdracht.
- Het feit dat niet alle natuurlijke personen wetens en willens hebben gehandeld, belet niet dat de rechtspersoon samen met de gedaagde natuurlijke personen die wel wetens en willens gehandeld hebben, wordt veroordeeld. Voor de natuurlijke personen die niet wetens en willens hebben gehandeld, zal geacht worden dat de zwaarste fout door de rechtspersoon werd begaan.
Dit alles zal echter moeten blijken uit de gedane vaststellingen en het zal uiteindelijk de rechter zijn die zal oordelen of beide dan wel één van de gedaagde personen (rechtspersoon of natuurlijke persoon) zal moeten worden veroordeeld.
- De veroordeling van een rechtspersoon samen met de natuurlijke personen heeft voor gevolg dat de rechtspersoon niet burgerlijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de geldboete die uitgesproken wordt in hoofde van zijn organen of aangestelden.
Het nieuwe artikel 50bis van het Strafwetboek (zie art. 10 van de wet van 4 mei 1999) bepaalt dat niemand burgerrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de betaling van een geldboete waartoe een ander wordt veroordeeld, indien hij wegens dezelfde feiten wordt veroordeeld.
IV. DE STRAFFEN TEN AANZIEN VAN DE RECHTSPERSOON
- De straffen die kunnen worden opgelegd aan een rechtspersoon worden omschreven in artikel 7bis van het Strafwetboek (zie art. 4 van de wet van 4 mei 1999).
Het spreekt vanzelf dat de gevangenisstraf daarin niet voor- komt, vermits een vrijheidsstraf niet kan worden aangewend in hoofde van een rechtspersoon.
De wetgever heeft dan ook geopteerd voor de geldboete als gemeenschappelijke hoofdstraf voor de rechtspersonen. Daarnaast werd in een aantal bijkomende straffen voorzien.
Vermits de misdrijven inzake douane en accijnzen voor de correctionele rechtbank moeten worden gebracht, wordt hier enkel stilgestaan bij de straffen opgelegd in correctionele aangelegenheden (correctionele straffen).
a. De geldboete
- Het bedrag van een geldboete die aan een rechtspersoon kan worden opgelegd, wordt bepaald in artikel 41bis van het Strafwetboek (zie art. 8 van de wet van 4 mei 1999).
De bedoeling van de wetgever is om een zo groot mogelijk parallellisme te bewerkstelligen met de straffen die voor dezelfde feiten aan natuurlijke personen zouden worden opgelegd. Tevens is de wetgever er bij het bepalen van de geldboete van uitgegaan dat de natuurlijke personen niet strenger mogen bestraft worden dan de rechtspersoon.
Vermits een rechtspersoon geen vrijheidsstraf kan worden opgelegd, werd een conversiemechanisme ontwikkeld om de ge- vangenisstraffen die voorzien zijn voor natuurlijke personen, te con- verteren naar geldboeten die wel kunnen worden toegepast.
- Bij het bepalen van de door de correctionele rechtbank uit te spreken geldboete wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de feiten die met een geldboete en een hoofdgevangenisstraf of met een van die straffen alleen worden bestraft en anderzijds de feiten die enkel met een geldboete worden bestraft. Het feit dat daarnaast ook een verbeurdverklaring kan worden uitgesproken, speelt bij dit onderscheid geen rol.
Feiten bestraft met een hoofdgevangenisstraf en een geldboete
- Wanneer de feiten door de wet bestraft worden met een vrijheidsstraf én een geldboete of met een van die straffen alleen, dient de volgende conversie te worden toegepast.
De geldboete bedraagt minimum 500 euro vermenigvuldigd met het aantal maanden van de minimumvrijheidstraf, zonder dat die geldboete lager mag zijn dan de minimumgeldboete die op het feit is gesteld. De geldboete bedraagt maximum 2.000 euro te vermenig-
vuldigen met het aantal maanden van de maximumvrijheidstraf, zonder dat die geldboete lager mag zijn dan het dubbele van de maximumgeldboete die op het feit is gesteld. Deze bedragen moeten worden verhoogd met de opdeciemen die thans 40 bedragen (d.w.z. de bedragen vermenigvuldigen met 5).
Toegepast op een sluikinvoer inzake douane en accijnzen waarbij 10.000 euro aan rechten en accijnzen wordt ontdoken geeft dit het volgende resultaat.
Sluikinvoer wordt op basis van artikel 222 e.v. AWDA bestraft met een gevangenisstraf van vier maanden tot een jaar en een geldboete van tienmaal de in het spel zijnde belastingen.
Op basis van de conversieregels van toepassing op de hoofdgevangenisstraf bedraagt de geldboete minimum 500 x 4 (maanden) x 5 (opdeciemen) = 10.000 euro. Vermits de geldboete op de vastgestelde sluikinvoer echter tienmaal de belastingen bedraagt, betekent dit dat de minimumgeldboete 10.000 x 10 =
100.000 euro zal bedragen.
De maximum geldboete bedraagt 2.000 x 12 (maanden) x 5 (opdecimen) = 120.000 euro. Vermits de geldboete op de vastgestelde sluikinvoer tienmaal de belastingen bedraagt, betekent dit dat de maximumgeldboete 10.000 x 10 x 2 = 200.000 euro zal bedragen, zijnde het dubbel van het maximum van de op te leggen geldboete.
De geldboete die ten laste van een rechtspersoon in de dagvaarding wordt gevorderd wegens sluikinvoer inzake douane en accijnzen, zal zich in het voorgaande voorbeeld moeten situeren tussen 100.000 euro en 200.000 euro.
Er zal bijgevolg voor ieder geval afzonderlijk moeten worden beoordeeld welk bedrag aan geldboete van de rechtspersoon zal kunnen worden gevorderd, waarbij telkens rekening moet worden gehouden met de minimum- en de maximumbedragen.
Wanneer de in het spel zijnde belastingen in het voorgaande voorbeeld slechts 900 euro zouden bedragen, zal de van de rechtspersoon te vorderen boete zich situeren tussen 10.000 en
120.000 euro.
Feiten bestraft met een geldboete alleen
- Wanneer de feiten door de wet bestraft worden met een geldboete alleen, dan zal in hoofde van de rechtspersoon dezelfde geldboete worden opgelegd als aan de natuurlijke persoon.
Wanneer een rechtspersoon strafrechtelijk wordt vervolgd wegens bijvoorbeeld niet zuivering van een aangifte voor douanever- voer, dan zal op basis van artikel 257, § 1, AWDA een boete worden gevorderd van 125 euro tot 375 euro.
b. Verbeurdverklaring
- De in de wetgeving ingeschreven verbeurdverklaringen kunnen ook worden gevorderd ten laste van de rechtspersoon.
De in de strafbepalingen inzake douane en accijnzen inge- schreven verbeurdverklaringen kunnen dus ook gevorderd worden van de rechtspersoon.
Indien het een publieke rechtspersoon betreft, kan de bijzondere verbeurdverklaring enkel betrekking hebben op de goederen die vatbaar zijn voor burgerlijk beslag.
c. De ontbinding van de rechtspersoon
- Artikel 35 van het Strafwetboek (zie art. 6 van de wet van 4 mei 1999) bepaalt dat de ontbinding van de rechtspersoon kan worden uitgesproken : “indien de rechtspersoon opzettelijk is opge- richt om de strafbare werkzaamheden te verrichten waarvoor hij wordt veroordeeld of wanneer hij opzettelijk van zijn doel is afgewend om dergelijke werkzaamheden te verrichten”.
De straf van ontbinding van de rechtspersoon is facultatief. Indien de rechter de ontbinding uitspreekt, zal hij het dossier wat dat aspect betreft, doorverwijzen naar de rechtbank die bevoegd is om kennis te nemen van vereffeningen van rechtspersonen.
Ook hier zal uit de vaststellingen moeten blijken of de ontbin- ding van de frauderende rechtspersoon kan worden gevorderd.
Wanneer bijvoorbeeld wordt vastgesteld dat een vennootschap werd opgericht om handel te drijven inzake minerale olie, maar die vennootschap in feite enkel een dekmantel is voor frauduleuze praktijken, zal de ontbinding kunnen worden gevorderd en uitgesproken. In dat geval wordt geacht dat de rechtspersoon zich van bij het begin van zijn activiteiten in de illegaliteit bevond.
Een transportbedrijf daarentegen dat veroordeeld zou worden voor onttrekking van goederen aan het douanetoezicht (bijv. recht- streekse levering bij een bestemmeling) maar dat in hoofdzaak activiteiten verricht die binnen zijn maatschappelijk doel vallen (m.a.w. het transport van goederen, al dan niet onder douaneverband), zal niet door de rechter kunnen worden ontbonden. Er kan immers niet geoordeeld worden dat het bedrijf met het oog op het frauderen is opgericht of dat het opzettelijk van zijn doel is afgewend om fraude te plegen.
d. Verbod om een werkzaamheid te verrichten die deel uitmaakt van het maatschappelijk doel
- Op basis van artikel 36 van het Strafwetboek (zie art. 6 van de wet van 4 mei 1999) kan de rechter een tijdelijk of definitief verbod uitspreken om een werkzaamheid te verrichten die deel uitmaakt van het maatschappelijk doel van de rechtspersoon.
Het mag echter niet gaan om werkzaamheden die behoren tot een opdracht van openbare dienstverlening.
Deze straf kan slechts worden opgelegd voor zover in de wetgeving een dergelijke sanctie is voorzien.
Inzake douane en accijnzen is een dergelijke sanctie bijvoor- beeld voorzien in artikel 24 van de wet van 28.12.1983 op het vergunningsrecht.
Wanneer een restaurantuitbater (rechtspersoon) in overtreding wordt gesteld wegens het schenken van sterke dranken aan minderjarigen kan de rechter die over de inbreuk moet oordelen op basis van vorenvermeld artikel 24 van de wet op het vergunningsrecht, de rechtspersoon verbieden om gedurende een periode van ten hoogste drie jaar sterke dranken te schenken in zijn restaurant. Het schenken van sterke dranken is een van de werkzaamheden van de restaurantuitbater die deel uitmaakt van zijn maatschappelijk doel.
- Het door de rechtbank uit te spreken verbod om een werk- zaamheid te verrichten die deel uitmaakt van het maatschappelijk doel, mag niet verward worden met de ontzegging om een bepaalde activiteit uit te oefenen die voortvloeit uit de wet.
Een douane-expediteur (rechtspersoon) die bijvoorbeeld ver- oordeeld wordt wegens de niet-zuivering van een aangifte voor douanevervoer op basis van art. 257, § 1, AWDA, zal ingevolge die veroordeling geschrapt moeten worden in het register der douane- expediteur (toepassing art. 129, § 1, AWDA).
e. Sluiting van 1 of meer inrichtingen
- Op basis van artikel 37 van het Strafwetboek (zie art. 6 van de wet van 4 mei 1999) kan de rechter overgaan tot de tijdelijke of definitieve sluiting van één of meer inrichtingen van een rechtspersoon.
Het mag echter niet gaan om inrichtingen waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot een opdracht van openbare dienstverlening.
Deze straf kan slechts worden opgelegd voor zover in de wetgeving een dergelijke sanctie is voorzien.
Inzake douane en accijnzen wordt bijvoorbeeld zowel inzake openingsbelasting als inzake vergunningsrecht in een aantal gevallen de sluiting van de drankgelegenheid voorzien. Dergelijke sluiting kan voortaan ook uitgesproken worden bij veroordeling van een rechtspersoon.
f. Bekendmaking of verspreiding van de uitspraak van de strafrechter
- Op basis van artikel 37bis van het Strafwetboek (zie art. 6 van de wet van 4 mei 1999) kan de rechter de bekendmaking of de verspreiding van de getroffen beslissing uitspreken.
Deze straf kan slechts worden opgelegd voor zover in de wetgeving een dergelijke sanctie is voorzien.
Inzake douane en accijnzen zijn er geen bepalingen die een dergelijke sanctie opleggen.
V. DE STRAFTOEMETING
- De algemene regels inzake straftoemeting opgenomen in boek I van het Strafwetboek zijn ook van toepassing op de straffen die worden uitgesproken tegen rechtspersonen (art. 41bis, § 2, Strafwetboek - zie art. 8 van de wet van 4 mei 1999).
Dit betekent dat de regels inzake verzachtende omstandighe- den, de verschoningsgronden, de wettelijke herhaling en de strafbare poging en deelneming van een misdrijf ook van toepassing zijn voor het bepalen van de straffen van de rechtspersoon.
Verzachtende omstandigheden
- Het toepassen van verzachtende omstandigheden kan slechts gebeuren voor zover daarin voorzien wordt door de bijzondere strafwet.
Vermits de wetten inzake douane en accijnzen bijzondere strafwetten zijn, zal de rechter bij het bepalen van de aan de rechtspersoon op te leggen geldboete slechts rekening kunnen houden met verzachtende omstandigheden bij inbreuken op de wet van 28.12.83 inzake het vergunningsrecht. Voor het overige kunnen inzake douane en accijnzen geen verzachtende omstandigheden in aanmerking worden genomen.
Verschoningsgronden
- Ook een rechtspersoon kan zich beroepen op de verscho- ningsgronden (dwang, overmacht, onoverwinnelijke dwaling - zie
§ 55 van de Leidraad inzake geschillen). Of verschoningsgronden aanwezig zijn, zal echter moeten blijken uit de vaststellingen.
Ingevolge de nieuwe wet op de strafrechtelijke verantwoorde- lijkheid van de rechtspersonen werd in feite een nieuwe verschoningsgrond gecreëerd die zowel door een natuurlijke persoon als door de rechtspersoon kan worden ingeroepen.
Zoals hiervoor uiteengezet (zie § 27) zal bij samenloop van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon en de natuurlijke persoon enkel die persoon worden veroordeeld die de zwaarste fout heeft begaan.
Indien de rechter oordeelt dat de zwaarste fout werd begaan door de geïdentificeerde natuurlijke persoon, zal dit automatisch inhouden dat de rechtspersoon wordt verschoond en strafrechtelijk niet kan worden veroordeeld. Het omgekeerde kan zich vanzelfsprekend ook voordoen.
Wettelijke herhaling
- Door de nieuwe wet wordt geen uitzondering gemaakt op de regels van de wettelijke herhaling in hoofde van een rechtspersoon.
Indien de feiten bestraft worden met een hoofdgevangenisstraf (bijv. sluikinvoer - art. 220, § 2, AWDA) zal bij het vorderen van de op te leggen (geconverteerde) geldboete rekening moeten worden gehouden met de hogere gevangenisstraf die wegens herhaling kan worden opgelopen.
Teneinde te vernemen of een rechtspersoon zich in een geval van herhaling bevindt, zal een uittreksel uit het centraal strafregister van de rechtspersonen worden gevraagd. Daartoe wordt op dezelfde wijze gehandeld als voor de natuurlijke personen.
Opschorting en uitstel
- Een rechtspersoon kan eveneens genieten van de modaliteiten bepaald in de wet van 29 juni 1964 betreffende opschorting, uitstel en probatie (zie art. 21 van de wet van 4 mei 1999).
Of een rechtspersoon in aanmerking komt voor uitstel of opschorting is afhankelijk van de straffen waartoe hij reeds werd veroordeeld. De in de wet van 29 juni 1964 betreffende opschorting, uitstel en probatie, voor de natuurlijke personen opgenomen strafdrempels inzake de hoofdgevangenisstraffen werden met het oog op de toepassing op de rechtspersonen geconverteerd naar geldboeten. Die geconverteerde geldboeten zijn opgenomen in het artikel 18bis van vorenvermelde wet van 29 juni 1964 (zie art. 21 van de wet van 4 mei 1999).
Ook bij de bestraffing inzake douane en accijnzen kan de rechter bijgevolg de straffen die hij oplegt aan een rechtspersoon uitspreken met uitstel van tenuitvoerlegging of kan hij de uitspraak opschorten.
Op die regel bestaan inzake douane en accijnzen drie uitzonderingen. De veroordeling met uitstel en de opschorting van de uitspraak zijn niet van toepassing op :
- de verbeurdverklaring, die steeds effectief moet worden uitgesproken (zie § 70 van de Leidraad inzake geschillen - D.I. 803.41);
- de straffen zonder fiscaal karakter opgelegd wegens overtre- dingen inzake vergunningsrecht (art. 30 van de wet van 28 december 1983 inzake het vergunningsrecht);
- de straffen opgelegd wegens overtredingen inzake openings- belasting met uitzondering van de hoofdgevangenisstraf (art. 41 van de Samengeordende wetsbepalingen inzake de slijterijen van gegiste dranken van 3 april 1953).
VI. DE STRAFUITVOERING
- Ook op gebied van de strafuitvoering wordt de rechtsper- soon gelijkgeschakeld met de natuurlijke persoon. Dit betekent dat dezelfde verjaringstermijnen gelden, dat de verjaring van de straffen op dezelfde wijze kan worden gestuit, dat een rechtspersoon genade kan vragen, enz.
Een belangrijk onderscheid is echter dat in tegenstelling tot de dood van de natuurlijke personen, het verlies van de rechtspersoonlijkheid van de veroordeelde rechtspersoon de straf niet doet vervallen.
Indien een rechtspersoon na de veroordeling failliet wordt verkaard, zal de opgelegde geldboete moeten opgenomen worden in het passief van het faillissement.
Indien een rechtspersoon in vereffening gaat, is het de taak van de vereffenaars om de veroordeling uit te voeren, bij gebreke waarvan zij voor de niet-betaling verantwoordelijk kunnen worden gesteld.
Afdeling 2. De Strafprocedure
- Vermits een rechtspersoon voortaan als dader van een misdrijf voor de strafrechter kan worden gedaagd heeft dit ook gevolgen op het vlak van de strafprocedure. Aangezien de beginselen die gelden voor de natuurlijke personen niet altijd mutatis mutandis kunnen worden toegepast op de rechtspersonen, werd in het Wetboek van de strafvordering een aantal wijzigingen aangebracht. Er wordt hier enkel stilgestaan bij de wijzigingen in hoofde van de rechtspersoon.
I. VERVAL VAN DE STRAFVORDERING
- Naast de verjaring van de strafvordering vervalt de strafvordering bij een natuurlijke persoon eveneens door zijn overlijden.
Vermits een rechtspersoon niet kan “overlijden” werd artikel 20 van het Wetboek van Strafvordering aangepast om rekening te houden met de wijzen waarop een rechtspersoon ophoudt te bestaan.
De strafvordering ten laste van een rechtspersoon vervalt door afsluiting van vereffening, door gerechtelijke ontbinding of door ontbinding zonder vereffening.
Artikel 20 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering (zie art. 13 van de wet van 4 mei 1999) voorziet echter in twee uitzonderingen :
- indien de invereffeningstelling, de gerechtelijke ontbinding of de ontbinding zonder vereffening tot doel hebben te ontsnappen aan de vervolging;
- indien de rechtspersoon reeds in verdenking was gesteld door een onderzoeksrechter vóór het verlies van de rechtspersoonlijkheid.
Dit betekent dat indien een rechtspersoon tijdens het opspo- ringsonderzoek naar fraude inzake douane en accijnzen en vooraleer de zaak bij de strafrechter werd ingeleid, wordt ontbonden of veref- fend, hij toch nog voor de strafrechter kan worden gebracht indien aangetoond wordt dat de ontbinding of de vereffening het ontlopen van strafvordering tot doel had.
Het faillissement van een vennootschap daarentegen belet niet dat de vennootschap voor de strafrechter wordt gedaagd. Het faillissement op zich doet de vennootschap niet ophouden te bestaan. Een failliete vennootschap kan bijgevolg nog steeds voor de strafrechter worden gedagvaard zolang het faillissement niet is afgesloten.
Ook de omvorming van een rechtspersoon door fusie, splitsing, opslorping of wijziging van rechtsvorm of de wijziging van de statuten is zonder invloed op de strafrechtelijk verantwoordelijkheid van de rechtspersoon.
II. VOORLOPIGE MAATREGELEN
- Wanneer het onderzoek naar de misdrijven die begaan zijn door een rechtspersoon zich in de handen van een onderzoeksrechter bevindt (bijv. ingevolge toepassing van artikel 281, § 2, AWDA), kan de onderzoeksrechter bij toepassing van artikel 91 van het Wetboek van strafvordering (zie art. 16 van de wet van 4 mei 1999) een aantal voorlopige maatregelen treffen.
Deze maatregelen zijn :
- schorsing van de procedure van ontbinding of vereffening van de rechtspersoon;
- verbod van specifieke vermogensrechtelijke transacties die tot het onvermogen van de rechtspersoon kunnen leiden;
- neerlegging van een borgsom tot een door hem bepaald bedrag, als waarborg voor de inachtneming van de maatregelen die hij gelast.
Dit zijn maatregelen die enkel door een onderzoeksrechter kunnen worden gelast tijdens het gerechtelijk onderzoek, niet door de Administratie tijdens het opsporingsonderzoek. De Administratie heeft hierin geen enkel initiatiefrecht.
III. BEVOEGDE RECHTBANK
Ratione materiae
- De wet van 4 mei 1999 bevat geen bepaling betreffende de materieel bevoegde rechtbank waarbij de strafvordering kan worden ingeleid.
Dit betekent dat dezelfde regels van toepassing zijn als in hoofde van de natuurlijke personen.
Op basis van artikel 281, § 1, AWDA zullen alle strafvorderingen lastens een rechtspersoon bijgevolg voor de correctionele rechtbanken worden ingeleid.
Ratione loci
- Naast de bestaande bevoegdheidsgronden inzake de territoriaal bevoegde rechtbank worden voor de rechtspersonen twee nieuwe bevoegdheidsgronden toegevoegd : de plaats van de maatschappelijke zetel (juridisch criterium) en de plaats van de bedrijfszetel (feitelijk criterium).
Dit betekent dat inzake douane en accijnzen een rechtspersoon kan worden gedagvaard voor de correctionele rechtbank van de plaats waar het misdrijf is gepleegd, waar de goederen werden in beslag genomen, waar zijn maatschappelijke zetel is gevestigd of waar zijn bedrijfszetel is gevestigd.
IV. VERSCHIJNING EN VERTEGENWOORDIGING VAN DE RECHTSPERSOON
- Voor de correctionele rechtbank kan de rechtspersoon in persoon verschijnen of zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een advocaat (art. 185, Wetboek van strafvordering, zie art. 18 van de wet van 4 mei 1999).
Er wordt in de gewijzigde wetgeving echter niet bepaald hoe een rechtspersoon in personen kan verschijnen of vertegenwoordigd worden.
Dit aspect is niet alleen van belang bij het behandelen van de zaak voor de rechtbank maar komt ook aan bod bij het voeren van het onderzoek naar de strafbare feiten. Indien de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon in het gedrang komt, zal hij tijdens het onderzoek net als de natuurlijke personen immers moeten gehoord worden.
- De rechtspersoon moet geacht worden in persoon te kunnen verschijnen of vertegenwoordigd te worden door de natuurlijke personen die krachtens de wet of krachtens de statuten aangewezen zijn om hem in rechte te vertegenwoordigen, m.a.w. de organen van de rechtspersoon. Wanneer het een naamloze vennootschap betreft, zal dit de raad van bestuur zijn of één of meerder afgevaardigd bestuurders. Bij een BVBA kan dit gebeuren door elke zaakvoerder. Is een vennootschap in vereffening dan zal dit de vereffenaar zijn.
Er kan echter een probleem ontstaan indien niet alleen de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon in het gedrang komt, maar ook de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de natuurlijke persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt. Dit zal het geval zijn wanneer moet onderzocht worden wie de zwaarste fout heeft begaan (zie §§ 31 en 32 hiervoor) of wanneer zowel de natuurlijke persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt als de rechtspersoon zelf strafrechtelijk verantwoordelijk zijn (zie §§ 33 t/m 38 hiervoor).
- Eens de zaak voor de rechtbank werd ingeleid zowel ten laste van de rechtspersoon als ten laste van de natuurlijke persoon (vertegenwoordiger) wegens dezelfde samenhangende feiten, kan de rechtbank op basis van artikel 2bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering (zie art. 12 van de wet van 4 mei 1999) ambtshalve of op verzoekschrift, een lasthebber ad hoc aanstellen om de rechtspersoon te vertegenwoordigen.
Het verzoekschrift om een lasthebber aan te duiden, kan uit- gaan onder meer van de vervolgende partij. De Administratie de douane en accijnzen kan in een strafprocedure een aanstelling van een vertegenwoordiger ad hoc vragen, wanneer vastgesteld wordt dat dit van belang is voor een goede rechtspleging.
- Ook tijdens het opsporingsonderzoek kan worden vastge- steld dat er zich een belangenconflict kan voordoen indien een of meerdere wettelijke of statutaire vertegenwoordiger(s) van de rechts- persoon in een fraude betrokken is/zijn. Wanneer de rechtspersoon door meerdere natuurlijke personen kan vertegenwoordigd worden, zal in dat geval in eerste instantie ernaar gestreefd worden om de ondervragingen van de rechtspersoon te verrichten in hoofde van de vertegenwoordiger(s) die niet in de zaak betrokken is/zijn. Indien zulks niet mogelijk is kan aan de rechtspersoon gevraagd worden een vertegenwoordiger ad hoc aan te duiden. De rechtspersoon kan daartoe echter niet gedwongen worden.
Het hier aangehaalde probleem kan zich niet voordoen wanneer de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een werknemer samen met deze van de rechtspersoon in het gedrang komt. In dat geval zal de rechtspersoon vertegenwoordigd kunnen worden door zijn wettelijke of statutaire organen.
Afdeling 3. Toepassing van de wet in de tijd
- De wet van 4 mei 1999 is slechts toepasselijk op feiten die zich hebben voorgedaan vanaf de datum van inwerkingtreding ervan,
m.a.w. vanaf 2 juli 1999.
Voor feiten die zich hebben voor gedaan vóór het van toepas- sing worden van de wet van 4 mei 1999 kan een rechtspersoon bijge- volg nooit veroordeeld worden. Anderzijds kan een natuurlijke per- soon (bijv. orgaan of werknemer van een rechtspersoon) die vervolgd wordt voor feiten die dateren van vóór 2 juli 1999 en die volgens de bepalingen van de nieuwe wet onder de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon zouden vallen, zich niet op de nieuwe wet beroepen om strafrechtelijk te worden vrijgesproken. De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon is in hoofde van de natuurlijke personen geen strafuitsluitingsgrond voor de feiten die dateren van vóór de inwerkingtreding van de wet (Cass. 3 oktober 2000, R.W. 2000-01, 1233; Rev. dr. pén. 2001, 865).
Indien de feiten die aanleiding geven tot strafvervolging zich hebben voorgedaan tijdens een periode die begint vóór de inwerking- treding van de wet van 4 mei 1999 en hebben voortgeduurd tot na de inwerkingtreding ervan, zal bij het inleiden van de zaak voor de strafrechter de vordering worden opgesplitst naargelang de feiten zich vóór dan wel na de inwerkingtreding van de nieuwe wet hebben voorgedaan. Dit betekent dat inzake douane en accijnzen voor de feiten die dateren van vóór de inwerkingtreding van de wet enkel de natuurlijke personen kunnen worden gedagvaard als dader of mededader en de rechtspersonen als burgerlijk aansprakelijk voor de belastingen en de geldboeten (art. 265, § 3 AWDA) en de belastingen (art. 1382 en 1384 B.W.). Voor de feiten vanaf de inwerkingtreding van de nieuwe wet zal naargelang het geval enkel de rechtspersoon of enkel de natuurlijke persoon of zowel de rechtspersoon als de natuurlijke persoon kunnen worden gedagvaard.
HOOFDSTUK II
TOEPASSING INZAKE DOUANE EN ACCIJNZEN
Inleiding
- De wet van 4 mei 1999 inzake de strafrechtelijke verant- woordelijkheid van de rechtspersonen heeft een aantal concrete gevolgen op gebied van de vaststelling en de afhandeling van overtredingen inzake douane en accijnzen die bestraft worden met een strafrechtelijke sanctie (geldboete, verbeurdverklaring, gevangenisstraf) en waarbij een rechtspersoon betrokken is.
- Deze wet heeft vanzelfsprekend geen gevolgen wanneer enkel natuurlijke personen in een geschil betrokken zijn. In dat geval kan de vaststelling van de overtreding en de afhandeling van het geschil verder gebeuren overeenkomstig de bestaande regels.
Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn bij vaststelling van een inbreuk wegens het aandrijven van een motorvoertuig op de openbare weg met gekleurde en gefurfuroleerde gasolie in hoofde van een particulier die met zijn persoonlijk voertuig rijdt. Dit zal bijvoorbeeld ook het geval zijn bij vaststelling van een overtreding inzake vergunningsrecht wanneer de drankgelegenheid uitgebaat wordt door een natuurlijke persoon die zulks doet voor eigen rekening en niet voor rekening van of als vertegenwoordiger van een rechtspersoon. In die gevallen komt het aspect strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon niet aan bod.
- Deze wet heeft evenmin invloed op de louter burgerlijke geschillen (dwangbevel, burgerlijke vordering, recht van administratief beroep) die voor de burgerlijke fiscale rechtbank kunnen worden ingeleid.
- Er zal bijgevolg steeds moeten worden nagegaan of de vastgesteld inbreuk strafrechtelijk vervolgbaar is en gepleegd door of voor rekening van een rechtspersoon (zie §§ 18 t/m 25 hiervan).
- De wet van 4 mei 1999 zal vooral gevolgen hebben op het vlak van :
- het opsporingsonderzoek
- het opstellen van een proces-verbaal
- de transactie
- de dagvaarding.
Afdeling 1. Het opsporingsonderzoek
- De vaststelling van een overtreding inzake douane en accijnzen waarbij een rechtspersoon betrokken is, zal in een aantal gevallen aanleiding geven tot het instellen van een opsporingsonder- zoek teneinde de strafrechtelijk verantwoordelijken (de natuurlijke personen -zaakvoerders en werknemers- of/en de rechtspersoon) voor de vastgestelde feiten te identificeren.
- Een dergelijk onderzoek zal vanzelfsprekend niet moeten gevoerd worden wanneer een inbreuk onmiddellijk wordt afgehandeld met hetzij een akte van onderwerping hetzij een vrijstelling van bekeuren. In die gevallen zal er steeds een natuurlijke persoon of een rechtspersoon zijn die bereid is de overtreding af te handelen en daardoor in feite de strafrechtelijke verantwoordelijkheid op zich neemt.
Ook wanneer een inbreuk niet het gevolg is van opzettelijk frauduleuze handelingen en bijgevolg bij wege van transactie zal kunnen worden afgehandeld, zal in eerste instantie volstaan kunnen worden met het opnemen van de vastgestelde feiten en de omstandigheden waarin deze zich hebben voorgedaan in een relaas 359 zonder dat reeds van in het begin alle elementen moeten worden verzameld om op basis van de wet van 4 mei 1999 toe te laten te besluiten wie strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld. Dit belet echter niet dat in het verslag van de ambtenaren reeds een eerste aanduiding moet worden gegeven van wie volgens hen strafrechtelijk verantwoordelijk is voor de inbreuk (de rechtspersoon of de natuurlijke persoon/personen of beide).
- Van zodra echter een proces-verbaal moet worden opge- steld, zal steeds moeten worden onderzocht welke de betrokkenheid is van de natuurlijke personen en de rechtspersonen aan een fraude inzake douane en accijnzen.
Naast de door de ambtenaren gedane vaststellingen en onder- zoeken zal uit het proces-verbaal moeten blijken wie uiteindelijk strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld en door de straf- rechter kan worden veroordeeld voor de vastgestelde feiten.
Vermits de rechtspersoon voortaan als een dader of mededader kan worden beschouwd, zal uit het onderzoek moeten blijken aan wie het misdrijf moet worden toegerekend : de rechtspersoon alleen, de natuurlijke persoon/personen alleen of beiden.
I. INBREUK TOE TE REKENEN AAN DE RECHTSPERSOON
- In een aantal gevallen zal het voor de hand liggen dat de inbreuk door de rechtspersoon zelf is begaan en dringt zich geen doorgedrongen onderzoek op naar de natuurlijke personen die de materiële handelingen hebben gesteld en hun mogelijke strafrechtelijke aansprakelijkheid.
Dit zal onder meer het geval zijn bij de niet-naleving van de verplichtingen van een douane- of accijnsregeling waarbij een rechtspersoon is opgetreden als aangever en de feiten niet het gevolg zijn van een opzettelijk handelen, maar eerder te wijten zijn aan nalatigheid of een niet-opzettelijke fout bij het inreiken van een aangifte of de zuivering van een regeling.
Voorbeelden hiervan zijn :
- de loutere niet-zuivering van een douane- of accijnsregeling (bijv. aangifte voor douanevervoer) waarbij in hoofde van de aangever geen andere strafbare handelingen kunnen worden weerhouden (toepassing van art. 257, § 1, AWDA):
- de niet-zuivering van een douane- of accijnsregeling ingevolge het onttrekken van de goederen aan de regeling door personen vreemd aan de aangever (rechtspersoon). Ingevolge die onttrekking komt de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de aangever als rechtspersoon in het gedrang wegens de niet-zuivering van de aangifte (art. 257, § 1, AWDA). Deze verantwoordelijkheid staat los van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de werkelijke daders (natuurlijke personen en/of rechtspersoon) van de onttrekking van de goederen aan de regeling (art. 257, § 3, AWDA).
- de gevallen waarin een douane-expediteur een aangifte heeft ingereikt op basis van de gegevens die hem door zijn klant werden verstrekt en waarin hij toepassing zou kunnen vragen van artikel 135 AWDA;
- vaststelling van tekorten in een douane-entrepot of belastingentrepot inzake accijnzen in hoofde van de persoon verantwoordelijk voor de entrepotregeling waarbij uit het onderzoek niet blijkt dat de goederen bewust aan het toezicht werden onttrokken.
Vermits in deze gevallen de zwaarste fout bij de rechtspersoon ligt waardoor hij als strafrechtelijk verantwoordelijke moet worden aangemerkt, moet de rechtspersoon worden gehoord nopens de hem ten laste gelegde feiten. Dit horen zal gebeuren in hoofde van een orgaan van de rechtspersoon (bijv. de afgevaardigd bestuurder).
Uit dit onderzoek zal moeten blijken dat de rechtspersoon de zwaarste fout heeft begaan en niet de bediende die bijvoorbeeld de aangifte voor douanevervoer of de aangifte voor het in het vrije ver- keer brengen heeft opgesteld en ondertekend of de chauffeur van de vervoersonderneming die met het transport was belast van de goede- ren.
Dit kan onder meer blijken uit het feit dat door de rechtsper- soon wordt verklaard dat de arbeider of de bediende hebben gehandeld binnen de grenzen van de hen toevertrouwde taak en hen geen enkele fout kan ten laste worden gelegd.
In een dergelijk geval dient geen grondig onderzoek te worden gevoerd in hoofde van de natuurlijke personen die de materiële handeling(en) hebben gesteld. Er kan worden volstaan met een verklaring dat zij gehandeld hebben conform de hen toevertrouwde opdracht of overeenkomstig de binnen het bedrijf bestaande richtlijnen.
II. INBREUK TOE TE REKENEN AAN NATUURLIJKE PERSONEN OF AAN DE RECHTSPERSOON
EN AAN NATUURLIJKE PERSONEN
- Vooral in de gevallen dat sprake is van een opzettelijke fraude, zal moeten worden onderzocht welke natuurlijke personen strafrechtelijk verantwoordelijk kunnen zijn voor de vastgestelde feiten. Uit het onderzoek zal moeten blijken welke natuurlijke perso- nen de strafbare handelingen effectief hebben gesteld en of zij daarbij wetens en willens hebben gehandeld.
- Daarbij zal onderscheid worden gemaakt naargelang de handelingen die aan de basis liggen van de inbreuk werden gesteld door een werknemer van het bedrijf dan wel door een orgaan van de rechtspersoon, dan wel door beiden samen.
De materiële handelingen werden gesteld door een werknemer
- Met handelingen gesteld door een werknemer of het niet- verrichten van bepaalde handelingen, worden hier vooral de mate- riële handelingen bedoeld, bijvoorbeeld : het foutief vervullen van de invoerformaliteiten door een bediende van een bedrijf, het onvolledig bijhouden door een magazijnier van de goederencomptabiliteit in het kader van een entrepotregeling, het manipuleren door een arbeider van een injectieapparaat voor het furfuroleren en kleuren van minerale olie, het onttrekken van goederen aan een douane- of accijnsregeling door een chauffeur van een vervoersonderneming, kortom de handelingen gesteld door de natuurlijke personen, andere dan het orgaan van de rechtspersoon, die binnen het bedrijf verantwoordelijk zijn voor het niet-correct vervullen/niet-vervullen van de verplichtingen inzake douane en accijnzen.
- Bij het onderzoek naar de toerekenbaarheid van het misdrijf aan een werknemer zal getracht worden een antwoord te krijgen op de volgende vragen (dit is geen limitatieve opsomming en de vragen moeten worden aangepast in functie van de concrete omstandigheden) :
- Wat is de bevoegdheid van de betrokken werknemer binnen het bedrijf ?
- Is de werknemer bevoegd om zelf te beslissen een opdracht te aanvaarden of komt die beslissing van zijn werkgever ? (bijvoorbeeld heeft een werknemer van een douane-expediteur die de aangiften opstelt en ondertekent de bevoegdheid om zelf te beslissen voor welke klanten aangiften worden ingereikt of mag hij enkel aangiften inreiken voor klanten die door de leiding van het bedrijf werden aangeduid ?)
- Heeft de werknemer gehandeld binnen het kader van de hem toevertrouwde taken ?
- Heeft de werknemer wetens en willens gehandeld ?
- Heeft de werknemer de problemen ter kennis gebracht van zijn werkgever (bijv. slecht functioneren van een injectieapparaat voor furfurol en rode gasolie) ?
- Hoe heeft de werkgever gereageerd op hem gesignaleerde problemen ? Werden maatregelen getroffen om de problemen te voorkomen ?
- Bij wie ligt volgens de werknemer de verantwoordelijkheid ?
- Gaat het om handelingen die niet tot het takenpakket van de werknemer behoren maar waarvan de bedrijfsleiding gedoogde dat ze door deze werknemer werden gesteld ?
- Moet de werknemer de werkgever in kennis stellen van de inbreuken die hebben plaats gevonden ?
- Heeft de werknemer de bevoegdheid om de vastgestelde overtredingen af te handelen namens zijn werkgever ?
Indien de handelingen werden gesteld door een werknemer van het bedrijf dient ook de rechtspersoon (als werkgever) te worden gehoord. Dit zal gebeuren in hoofde van zijn of een van zijn wettelijke vertegenwoordiger(s) (bijv. de zaakvoerder van een BVBA, de afgevaardigd-bestuur of een van de bestuurders van een N.V.).
Vragen die daarbij aan bod kunnen komen zijn de volgende (dit is geen limitatieve opsomming en de vragen moeten worden aangepast in functie van de concrete omstandigheden) :
- Bestaan binnen het bedrijf richtlijnen omtrent hoe moet worden gehandeld bij het vervullen van de formaliteiten inzake douane en accijnzen ?
- Heeft de werknemer gehandeld binnen de hem toevertrouwde opdracht ?
- Diende de werknemer te rapporteren aan het dagelijks bestuur of aan de verantwoordelijke zaakvoerder ?
- Wie draagt binnen het bedrijf de uiteindelijke verantwoorde- lijkheid voor de vastgestelde inbreuken (de rechtspersoon, de zaak- voerder of de werknemer) ?
Aan de hand van deze vragen en aan de hand van de gedane vaststellingen moet getracht worden de verantwoordelijkheid van de werknemer(s) te omlijnen. Daaruit zal moeten blijken wie eventueel de zwaarste fout heeft begaan : de werknemer of de rechtspersoon. Tevens zal daaruit moeten blijken of de werknemer wetens en willens heeft gehandeld in welk geval zowel de rechtspersoon als de werknemer kan worden vervolgd.
De materiële handelingen werden gesteld door een orgaan van de rechtspersoon
- Met handelingen gesteld door het orgaan van de rechtspersoon worden niet alleen bedoeld het stellen of het niet- stellen van materiële handelingen maar ook het opstarten en het uitdenken van het fraudeproces : het organiseren van de frauduleuze
goederenstroom (bijvoorbeeld een belastingentrepothouder inzake accijnzen die door manipulatie van het injectieapparaat aan zijn klanten gasolie diesel levert die als gasolie verwarming wordt gefactureerd) het opzetten van mechanismen om de belastingen te ontduiken (bijv. het oprichten van een firma met het oog op het onttrekken van goederen aan de betaling van de accijnzen), het niet naleven van de verplichtingen van de regeling waaronder de goederen zich bevinden (bijv. een vervoersonderneming die zich bewust schuldig maakt aan het onttrekken van de goederen aan de regeling douanevervoer).
- Bij het onderzoek naar de toerekenbaarheid van het misdrijf aan een orgaan zal getracht worden een antwoord te krijgen op de volgende vragen (dit is geen limitatieve opsomming en de vragen moeten worden aangepast in functie van de concrete omstandigheden) :
- Wie is volgens de statuten orgaan en welke is de bevoegdheid met betrekking tot de vastgestelde feiten ?
- Heeft de rechtspersoon meerdere organen ? Zo ja, wat zijn hun respectieve bevoegdheden ?
- Welke handelingen werden door het orgaan gesteld of welke handelingen heeft het orgaan nagelaten te stellen en waarom ?
- Heeft het orgaan opdracht gegeven om de handelingen te stellen die aanleiding hebben gegeven tot het plegen van het misdrijf ?
- Indien de rechtspersoon meerdere organen heeft, waren de andere organen op de hoogte van de feiten en hebben zij deze goedgekeurd of stilzwijgend toegestaan of deze proberen te verhinderen ?
- Wie was belast met het dagelijks bestuur van de rechtsper-
soon ?
- Heeft het orgaan wetens en willens gehandeld ?
- Wie is volgens het orgaan verantwoordelijk voor de vastge-
stelde feiten ?
- Wie heeft de zwaarste fout begaan : de rechtspersoon of het orgaan ?
Tevens zal de rechtspersoon zelf ook moeten worden gehoord. Indien mogelijk zal dit gebeuren in hoofde van een vertegenwoordiger van de rechtspersoon die optreedt als orgaan maar zelf geen materiële handelingen heeft gesteld of niet direct bij de feiten betrokken is. Is zulks niet mogelijk dan kan de rechtspersoon een vertegenwoordiger aanduiden. Dit zal aan de rechtspersoon moet worden gevraagd. Indien de rechtspersoon geen vertegenwoordiger aanduidt, zal het horen van de rechtspersoon moeten gebeuren in hoofde van een orgaan dat zelf ook bij de fraude betrokken was.
Ook hier zal aan de hand van de vastgestelde feiten en de antwoorden op de gestelde vragen moeten kunnen uitgemaakt worden wie de zwaarste fout heeft begaan en bijgevolg strafrechtelijk verantwoordelijk is voor het misdrijf : het orgaan, de rechtspersoon of indien het orgaan wetens en willens heeft gehandeld, beiden.
Kan het misdrijf worden aangerekend aan een werknemer én een orgaan van de rechtspersoon ingevolge door beiden gestelde handelingen ?
- Wanneer zowel een orgaan als een werknemer handelingen hebben gesteld die de overtreding tot gevolg hebben gehad, zal het onderzoek naar de strafrechtelijke verantwoordelijkheid in hoofde van hen beiden moeten worden gevoerd om na te gaan of zowel de werknemer als het orgaan strafrechtelijk verantwoordelijk zijn en of een van hen of beiden wetens en willens hebben gehandeld.
Naargelang het resultaat zal ook hier moeten worden nagegaan wie de zwaarste fout heeft begaan om te besluiten tot het vervolgen van de natuurlijke persoon/personen of de rechtspersoon of beiden.
Afdeling 2. Het proces-verbaal
- Vermits de rechtspersoon thans strafrechtelijk verantwoordelijk kan zijn, kan de rechtspersoon voortaan als dader in een proces-verbaal worden opgenomen. Tot voor de wet van
4 mei 1999 kon een rechtspersoon in het proces-verbaal enkel worden opgenomen als burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de in hoofde van zijn organen en aangestelden uitgesproken geldstraffen en belastingen (toepassing van art. 265, § 3 AWDA en de art. 1382-1384 Burgerlijk Wetboek).
Vanzelfsprekend zullen ook alle natuurlijke personen ten laste van wie het onderzoek is gevoerd in het proces-verbaal moeten worden opgenomen indien zij handelingen hebben gesteld die mede aan de basis lagen van de fraude.
- Ook al blijkt uit het gevoerde opsporingsonderzoek naar het oordeel van de bekeurders dat de zwaarste fout door een natuurlijke persoon zou zijn begaan of dat de zwaarste fout bij de rechtspersoon ligt, toch zal het proces-verbaal steeds worden opgesteld ten laste van alle personen (zowel natuurlijke personen als rechtspersonen) waarvan uit het onderzoek blijkt dat zij op een of andere manier bij de fraude betrokken waren of daartoe materiële handelingen hebben gesteld of hebben nagelaten te stellen.
- Of uiteindelijk de rechtspersoon dan wel de natuurlijke persoon of beiden strafrechtelijk verantwoordelijk moeten worden geacht voor het misdrijf en voor de strafrechter moeten worden gedagvaard, zal door de gewestelijke directeur moeten worden beoordeeld aan de hand van de gedane vaststellingen en de afgelegde verklaringen.
- Telkens een proces-verbaal wordt opgesteld waarin een rechtspersoon als dader is vermeld, moeten de statuten van de rechts- persoon zoals deze bestonden op het ogenblik van de feiten, bij het proces-verbaal worden gevoegd.
- Tevens zal een organogram worden toegevoegd waaruit blijkt welke plaats de betrokken natuurlijke personen innamen binnen het bedrijf waar de fraude werd gepleegd. Daardoor komt het onderling verband van deze personen duidelijker tot uiting.
- In de gevallen dat reeds een proces-verbaal werd opgesteld voor feiten die dateren vanaf de datum van inwerkingtreding (2 juli 1999) van de wet van 4 mei 1999 en vóór het verschijnen van onderhavige omzendbrief, zal door de gewestelijk directie worden nagegaan of het proces-verbaal beantwoordt aan de in onderhavige omzendbrief gegeven richtlijnen. Indien de gewestelijke directie van oordeel is dat de in de zaak betrokken rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk is en dat strafvervolgingen zullen worden ingesteld, zal opdracht worden gegeven een aanvullend proces-verbaal op te stellen waarbij de rechtspersoon als dader wordt opgenomen en het bepaalde in onderhavige omzendbrief in acht wordt genomen.
Afdeling 3. De transactie
- Ingevolge de wet van 4 mei 1999 kan met een rechtsper- soon als dader of mededader worden getransigeerd zoals met een natuurlijke persoon.
Dit betekent dat een vrijstelling van bekeuren of een akte van onderwerping kan worden ondertekend en aanvaard door of namens een rechtspersoon. Dit gebeurt nu reeds in de praktijk en kan verder op deze wijze blijven gebeuren door de plaatselijke diensten. Daartoe bestaat thans een wettelijke basis.
Ook in de gevallen dat uit de feiten duidelijk blijkt dat de overtreding aan de rechtspersoon moet worden toegeschreven en het geschil op plaatselijk niveau wordt afgehandeld (bijv. loutere niet- zuivering van een aangifte voor douanevervoer - art. 257, § 1, AWDA; zie §§ 29 t/m 31 hier voor kan de transactie aangeboden worden aan de rechtspersoon alleen).
- In alle andere gevallen (meestal bij de eigenlijke transactie op niveau van de gewestelijke directie) zal op basis van de gegevens van het dossier moeten worden onderzocht of de transactie enkel aan de rechtspersoon moet worden aangeboden (zie de §§ 29 t/m 31 hiervoor), dan wel of de transactie zowel aan de rechts- persoon als aan de natuurlijke personen of enkel aan de natuurlijke
personen moet worden aangeboden (zie de §§ 32 t/m 38 hiervoor). Dit kan van belang zijn met het oog op het inleiden van een strafvordering bij niet-aanvaarding van de transactie zodat met de nodige omzichtigheid moet worden gehandeld.
- Indien de niet-aanvaarde transactie enkel werd aangeboden aan de rechtspersoon en na het opstellen van een proces- verbaal zou besloten worden om zowel de rechtspersoon als de natuurlijke personen voor de strafrechter te dagvaarden, kan door de natuurlijke personen worden ingeroepen dat vermits de transactie enkel werd aangeboden aan de rechtspersoon de Administratie van oordeel was dat de rechtspersoon de zwaarste fout heeft begaan waardoor de natuurlijke personen moeten worden vrijgesproken. Ook het omgekeerde kan vanzelfsprekend voorkomen.
- Indien bijgevolg uit het proces-verbaal dat werd opgesteld met het oog op het inleiden van de zaak bij de strafrechter, zou blijken dat er bijvoorbeeld geen zekerheid bestaat omtrent wie de zwaarste fout heeft begaan (de rechtspersoon of de natuurlijke persoon) of indien zou komen vast te staan dat de natuurlijke personen wetens en willens hebben gehandeld waardoor in beide gevallen zowel de rechtspersoon als de natuurlijke personen strafrechtelijk verantwoordelijk kunnen zijn, zal vooraleer de zaak bij de strafrechter wordt ingeleid, aan alle betrokkenen (zowel de rechtspersoon als de natuurlijke personen) alsnog de mogelijkheid worden geboden de zaak transactioneel te regelen. Op die wijze wordt vermeden dat door een van de partijen zou ingeroepen worden dat vermits hij in tegenstelling tot de andere partij(en) niet de kans heeft gekregen de zaak transactioneel te regelen, hij niet geacht kan worden de zwaarste fout te hebben begaan of niet wetens en willens te hebben gehandeld waardor hij niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld.
- Wanneer de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon én van de natuurlijke personen in het gedrang komt, zullen de transactionele boeten en de belastingen solidair van hen gevorderd worden. De te vorderen boete zal voor alle partijen dezelfde zijn, ook al is het bedrag van de maximumboete voor een rechtspersoon op basis van de conversieregels (zie § 42 hiervoor) niet hetzelfde als voor de natuurlijke personen.
Afdeling 4. De dagvaarding
- PERSONEN DIE MOETEN WORDEN GEDAGVAARD
- Het is de taak van de gewestelijk directeur om te bepalen wie zal worden gedagvaard voor de strafrechter.
Aan de hand van de feiten en het door de bekeurders gevoerde onderzoek zal worden onderzocht wie strafrechtelijk verantwoordelijk moet worden geacht en bijgevolg voor de strafrechter worden gedagvaard.
- De strafvordering moet bijgevolg niet altijd ingeleid worden tegen alle personen ten laste van wie het proces-verbaal is opgesteld.
- In de gevallen dat duidelijk blijkt dat de zwaarste fout door de rechtspersoon (zie de voorbeelden in §§ 30 en 31 hiervoor) of door de natuurlijke persoon/personen (zie de voorbeelden in § 32 hiervoor) werd begaan, zullen naargelang van het geval enkel de rechtspersoon of de natuurlijke persoon/personen voor de strafrechter worden gedagvaard, ook al werd het proces-verbaal ten laste van beiden opgesteld.
- In de gevallen dat twijfel bestaat omtrent wie de zwaarste fout heeft begaan, de natuurlijke persoon/personen of de rechtsper- soon, zullen beiden voor de strafrechter worden gedagvaard. In die gevallen wordt het aan het oordeel van de strafrechter overgelaten om te bepalen wie uiteindelijk strafrechtelijk verantwoordelijk is. Dit zal voor gevolg hebben dat ofwel de rechtspersoon ofwel de natuurlijk persoon/personen worden veroordeeld, respectievelijk worden vrijgesproken.
- Bij twijfel hoeven niet noodzakelijk alle in het proces- verbaal opgenomen personen voor de strafrechter te worden gedag- vaard. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat het proces-verbaal werd opgesteld ten laste van de rechtspersoon/werkgever, ten laste van het orgaan van de rechtspersoon en ten laste van een werknemer terwijl er enkel twijfel bestaat omtrent het feit of de zwaarste fout werd begaan door de rechtspersoon of zijn orgaan. Uit het dossier kan blijken dat de werknemer in feite geen verantwoordelijkheid draagt. In dat geval zullen enkel de rechtspersoon en zijn orgaan voor de strafrechter worden gedaagd en de werknemer ongemoeid worden gelaten.
- In de gevallen dat de natuurlijke persoon/personen wetens en willens hebben gehandeld, zullen zowel de natuurlijke persoon/personen als de rechtspersoon voor de strafrechter worden gedagvaard.
- Indien niet met zekerheid kan worden vastgesteld of de natuurlijke persoon/personen wetens en willens hebben gehandeld, zullen ook hier zowel de natuurlijke persoon/personen als de rechtspersoon voor de strafrechter worden gedagvaard. Zoals reeds aangehaald in ' 94 hiervoor, betekent dit niet dat alle personen ten laste van wie het proces-verbaal is opgesteld voor de strafrechter moeten worden gedagvaard. Ook hier is het mogelijk dat bepaalde personen slechts een zeer ondergeschikte rol hebben gespeeld en niet wetens en willens hebben gehandeld en evenmin kunnen beschouwd worden als personen die de zwaarste fout hebben begaan.
- Wanneer twijfel bestaat omtrent het feit of bepaalde natuurlijke personen “wetens en willens” hebben gehandeld, zal het bijgevolg aan het oordeel van de rechter worden overgelaten om daaromtrent uitspraak te doen. Indien de rechter van oordeel is dat de gedaagde natuurlijke personen niet wetens en willens hebben gehan- deld, zal hij een bijkomende afweging moeten maken omtrent het feit wie de zwaarste fout heeft begaan en enkel die persoon/personen (natuurlijke persoon of rechtspersoon) veroordelen die volgens hem de zwaarste fout heeft/hebben begaan.
- Vanzelfsprekend is ook een combinatie mogelijk van de verschillende situaties zoals blijkt uit het hierna gegeven voorbeeld.
Bij onttrekking van goederen aan de regeling douanevervoer door personen vreemd aan de aangever zullen de vastgestelde feiten in hoofde van de werkelijke daders bestraft worden op basis van arti- kel 257, § 3, AWDA. Tevens zal deze onttrekking van de goederen voor de aangever tot gevolg hebben dat zijn aangifte voor douanevervoer niet is gezuiverd, wat een overtreding is die bestraft wordt op basis van artikel 257, § 1, AWDA. Bij het inleiden van een strafvordering wegens de onttrekking van de goederen aan de regeling zullen zowel de natuurlijke personen die in dergelijke gevallen wetens en willens zullen hebben gehandeld als de rechtspersoon (bijvoorbeeld de vervoersfirma) kunnen worden gedagvaard. Wegens de niet-zuivering van de aangifte voor douanevervoer daarentegen zal de aangever als rechtspersoon worden gedagvaard aangezien de zwaarste fout door de rechtspersoon werd begaan en niet door de natuurlijke persoon (werknemer of orgaan) die de aangifte heeft opgesteld en ondertekend.
II. BURGERRECHTELIJKE AANSPRAKELIJKHEID VAN DE RECHTSPERSOON
- Tot op het ogenblik van het in werking treden van de wet van 4 mei 1999 werd de rechtspersoon wegens misdrijven inzake douane en accijnzen enkel gedagvaard als burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten en kosten op basis van artikel 265, § 3, AWDA en als burgerrechtelijke aansprakelijk voor de betaling van de belastingen op basis van de artikelen 1382 en 1384 van het Burgerlijk Wetboek.
- Vermits de rechtspersoon ingevolge de wet van 4 mei 1999 thans zelf strafrechtelijk verantwoordelijk kan zijn, kan hij bij veroordeling voor dezelfde feiten als waarvoor zijn aangestelden of zijn organen werden gedagvaard, niet meer burgerrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor de in hoofde van zijn organen of aangestelden uitgesproken bedragen.
Artikel 50bis van het Strafwetboek (zie art. 10 van de wet van 4 mei 1999) bepaalt immers dat niemand burgerrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de betaling van een geldboete waartoe een ander wordt veroordeeld, indien hij wegens dezelfde feiten wordt veroordeeld.
- Dit betekent niet dat een rechtspersoon niet meer kan worden gedagvaard als burgerrechtelijk aansprakelijk.
Daarbij kunnen zich de volgende situaties voordoen.
Enkel de rechtspersoon wordt gedagvaard
- Wanneer enkel de rechtspersoon wordt gedagvaard (zwaarste fout begaan door de rechtspersoon) spreekt het vanzelf dat in dit geval geen sprake kan zijn van een burgerrechtelijke aansprakelijkheid.
Enkel de natuurlijke personen worden gedagvaard
Wanneer enkel de natuurlijke personen worden gedagvaard (zwaarste fout begaan door de natuurlijke persoon) zal de rechtsper- soon nog steeds moeten gedagvaard worden als burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de bedragen waartoe zijn organen of aangestelden worden veroordeeld.
Zowel de rechtspersoon als de natuurlijke personen worden gedagvaard
- Wanneer zowel de rechtspersoon als de natuurlijke personen worden gedagvaard (bij twijfel nopens wie de zwaarste fout heeft begaan of wanneer de natuurlijke personen wetens en willens hebben gehandeld) zal de rechtspersoon worden gedagvaard als strafrechtelijk verantwoordelijk voor de feiten en tevens worden gedagvaard als burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de bedragen waartoe zijn aangestelden of organen kunnen worden veroordeeld.
De kans bestaat immers dat de strafrechter de rechtspersoon vrijspreekt van de hem ten laste gelegde feiten, bijvoorbeeld omdat de rechter van oordeel is dat de zwaarste fout door de natuurlijke personen werd begaan. In dat geval kan de rechtspersoon wel worden veroordeeld als burgerrechtelijk aansprakelijke voor de betaling van de bedragen uitgesproken in hoofde van zijn organen of aangestelden. Voorwaarde is echter dat de rechtspersoon in die hoedanigheid werd gedagvaard.
III. IN DE DAGVAARDING TE VERMELDEN ARTIKELEN INGEVOLGE DE STRAFRECHTELIJKE
VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE RECHTSPERSOON
- Telkens een rechtspersoon wordt gedagvaard als strafrechtelijk verantwoordelijk voor een misdrijf inzake douane en accijnzen, zal in de dagvaarding melding worden gemaakt van de
door de wet van 4 mei 1999 in het Strafwetboek en het Wetboek van Strafvordering gewijzigde of ingevoegde artikelen. Een aantal artikelen zal steeds moeten worden vermeld : de artikelen 5, 7bis, en 41bis van het Strafwetboek. Een aantal andere artikelen moeten worden vermeld indien daarvan de toepassing wordt gevraagd : bijvoorbeeld art. 35 Strafwetboek indien de ontbinding van de rechtspersoon wordt gevraagd, art. 2bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wanneer zowel het orgaan als de rechtspersoon worden gedagvaard.
Wat de van de rechtspersoon te vorderen straffen betreft, wordt verwezen naar de §§ 39 t/m 49 hiervoor van deze omzendbrief.
- Wanneer zowel een rechtspersoon als natuurlijke personen worden gedagvaard voor dezelfde feiten zal in de dagvaarding de solidaire veroordeling worden gevorderd tot de betaling van de in het spel zijnde belastingen en geldboeten.
Wanneer de feiten bestraft worden met een hoofdgevangenis- straf, zal de in hoofde van de rechtspersoon gevorderde boete hoger zijn dan de geldboete die wordt gevorderd van de natuurlijke personen. In dit geval zal de solidariteit voor de geldboete tussen de rechtspersoon en de natuurlijke personen zich moeten beperken tot de geldboete waartoe de natuurlijke persoon wordt veroordeeld. Het overige gedeelte van de geldboete waartoe de rechtspersoon wordt veroordeeld zal enkel in zijn hoofde kunnen worden gevorderd.
IV. DAGVAARDING VOOR FEITEN BEGAAN VOOR EN VANAF DE INWERKINGTREDING VAN
DE WET VAN 4 MEI 1999
- Een rechtspersoon kan slechts strafrechtelijk verantwoordelijk worden gesteld voor inbreuken die werden begaan vanaf 2 juli 1999, zijnde de datum van inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999. Daarom zal bij dagvaarding wegens feiten waarbij de strafrechtelijk verantwoordelijkheid van een rechtspersoon in het gedrang komt, in de dagvaarding onderscheid worden gemaakt tussen de feiten die zich hebben voorgedaan vóór 2 juli 1999 en de feiten die zich hebben voorgedaan vanaf die datum.
- Voor de feiten die zich hebben voorgedaan vóór 2 juli 1999, kunnen enkel de natuurlijke personen worden gedagvaard en de rechtspersoon als burgerrechtelijk aansprakelijk.
- Voor de feiten die zich hebben voorgedaan vanaf 2 juli 1999 zal door de gewestelijke directeur moeten worden geoordeeld wie wordt gedagvaard : de rechtspersoon, de natuurlijke persoon/personen of beiden.
Voorbeeld :
Een aangever (rechtspersoon) wordt strafrechtelijk vervolgd wegens de niet-zuivering van verschillende aangiften voor douanevervoer waarvan een gedeelte niet werd gezuiverd vóór 2 juli 1999 en een gedeelte vanaf die datum.
Voor de aangiften die dienden te worden gezuiverd vóór 2 juli 1999 zal de dagvaarding moeten worden opgemaakt en ondertekend en ten laste van het orgaan van de aangever (rechtspersoon) en zal de rechtspersoon enkel als burgerrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gedagvaard.
Voor de aangiften die dienden te worden gezuiverd vanaf 2 juli 1999, zal de aangever (rechtspersoon) rechtstreeks kunnen worden gedagvaard als strafrechtelijk verantwoordelijk, ervan uitgaande dat op basis van de feiten de zwaarste fout moet geacht worden te zijn begaan door de rechtspersoon.
- Het aanhangig maken van de zaak bij de strafrechter zal gebeuren door het opstellen van één enkele dagvaarding waarin zowel de natuurlijke personen als de rechtspersoon worden gedagvaard. In de dagvaarding zal echter worden gespecificeerd voor welke inbreuken (in het hiervoor gegeven voorbeeld voor welke aangiften) de natuurlijke personen worden gedagvaard en voor welke inbreuken de rechtspersoon wordt gedagvaard.
Indien voor de inbreuken begaan vanaf 2 juli 1999 niet alleen de rechtspersoon maar ook de natuurlijke personen worden gedagvaard (bij twijfel nopens wie de zwaarste fout heeft begaan of wanneer de natuurlijke personen wetens en willens hebben gehandeld), spreekt het vanzelf dat de natuurlijke personen zullen gedagvaard worden voor alle vastgestelde inbreuken terwijl de rechtspersoon enkel zal gedagvaard worden voor de inbreuken begaan vanaf 2 juli 1999.
*
* *
- De toepassing van de wet betreffende de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersonen zal in de praktijk wellicht aanleiding geven tot problemen waarvoor in deze omzendbrief geen oplossing wordt aangereikt.
Vragen omtrent de praktische toepassing zullen in eerste instantie worden toegezonden aan de gewestelijke directie die in deze materie een centrale rol te vervullen heeft als vervolgende autoriteit.
- Principekwesties of vragen die van belang kunnen zijn voor een uniforme toepassing van de nieuwe reglementering zullen aan de Dienst Invordering en Geschillen van de Centrale Administratie worden voorgelegd onder verwijzing naar deze omzendbrief.
- De Syllabus “Proces-verbaal” en de Leidraad inzake Geschillen zullen eerlang worden aangepast.
Voor de Directeur-generaal : De Directeur, dienstchef,
G. STERCKX
4 MEI 1999. - WET tot invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen
(B.S. 22.06.1999)
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALING
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
HOOFDSTUK II
BEPALINGEN TOT WIJZIGING VAN HET STRAFWETBOEK
Art. 2. Artikel 5 van het Strafwetboek, opgeheven door arti- kel 2 van de wet van 25 juli 1934, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
“Art. 5. Een rechtspersoon is strafrechtelijk verantwoordelijk voor misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd.
Wanneer de rechtspersoon verantwoordelijk gesteld wordt uitsluitend wegens het optreden van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, kan enkel degene die de zwaarste fout heeft begaan worden veroordeeld. Indien de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout wetens en willens heeft gepleegd, kan hij samen met de verantwoordelijke rechtspersoon worden veroordeeld.
Met rechtspersonen worden gelijkgesteld :
1° tijdelijke verenigingen en verenigingen bij wijze van deelneming;
2° vennootschappen bedoeld in artikel 2, derde lid van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, alsook handelsvennootschappen in oprichting;
3° burgerlijke vennootschappen die niet de vorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen.
Voor de toepassing van dit artikel kunnen niet als strafrechtelijk verantwoordelijke rechtspersoon worden beschouwd : de federale staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de Brusselse agglomeratie, de gemeenten, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschaps- commissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn”.
Art. 3. In artikel 7 van hetzelfde Wetboek worden tussen het woord “misdrijven” en het woord “toepasselijk” de woorden gepleegd door natuurlijke personen” ingevoegd.
Art. 4. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 7bis ingevoegd, luidende :
“Art. 7bis. De straffen toepasselijk op misdrijven gepleegd door rechtspersonen zijn :
in criminele zaken, in correctionele zaken en in politiezaken : 1° geldboete;
2° bijzondere verbeurdverklaring; de bijzondere verbeurd- verklaring, bepaald in artikel 42, 1°, uitgesproken ten aanzien van publiekrechtelijke rechtspersonen kan enkel betrekking hebben op goederen die vatbaar zijn voor burgerlijk beslag;
In criminele en correctionele zaken :
1° ontbinding; deze kan niet worden uitgesproken ten aanzien van de publiekrechtelijke rechtspersoon;
2° verbod een werkzaamheid die deel uitmaakt van het maat- schappelijk doel te verrichten, met uitzondering van werkzaamheden die behoren tot een opdracht van openbare dienstverlening;
3° sluiting van een of meer inrichtingen en met uitzondering van de inrichtingen waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot een opdracht van openbare dienstverlening;
4° bekendmaking of verspreiding van de beslissing.”
Art. 5. In afdeling V van boek I, hoofdstuk II van hetzelfde Wetboek, wordt een onderafdeling I ingevoegd die de artikelen 31 tot 34 bevat, met als opschrift :
“Onderafdeling I. - Straffen aan misdaden en wanbedrijven gemeen, toepasselijk op natuurlijke personen”
Art. 6. In afleiding V van boek I, hoofdstuk II, van hetzelfde Wetboek wordt een onderafdeling II ingevoegd, die de artikelen 35 tot 37bis bevat, luidende :
“Onderafdeling II. - Straffen aan misdaden en wanbedrijven gemeen, toepasselijk op rechtspersonen.
Art. 35. Ontbinding kan door de rechter worden uitgesproken, wanneer de rechtspersoon opzettelijk is opgericht om de strafbare werkzaamheden te verrichten waarvoor hij wordt veroordeeld of wanneer hij opzettelijk van zijn doel is afgewend om dergelijke werkzaamheden te verrichten.
Wanneer de rechter de ontbinding uitspreekt, verwijst hij de zaak naar het gerecht dat bevoegd is kennis te nemen van de vereffe- ning van de rechtspersoon.
Art. 36. Tijdelijk of definitief verbod een werkzaamheid te verrichten die deel uitmaakt van het maatschappelijk doel van de rechtspersoon, kan door de rechter worden uitgesproken in de gevallen door de wet bepaald.
Art. 37. Tijdelijke of definitieve sluiting van een of meer inrichtingen van de rechtspersoon kan door de rechter worden uitge- sproken in de gevallen door de wet bepaald.
Art. 37bis. Bekendmaking of verspreiding van de beslissing op kosten van de veroordeelde kan door de rechter worden uitgesproken in de gevallen bepaald door de wet.”
Art. 7. In afdeling VI, boek I, hoofdstuk II, van hetzelfde Wetboek, wordt een onderafdeling I ingevoerd, die de artikelen 38 tot 41 bevat, met als opschrift :
“Onderafdeling I. - De geldboete op natuurlijke personen toepasselijk”
Art. 8. In boek I, hoofdstuk II, afdeling VI, van hetzelfde Wetboek wordt een onderafdeling II ingevoegd, die een artikel 41bis bevat, luidende :
“Onderafdeling II. - de geldboete op rechtspersonen toepasse-
lijk
Art. 41bis. § 1. De geldboeten toepasselijk op misdrijven
gepleegd door rechtspersonen, zijn :
In criminele en correctionele zaken :
- wanneer de wet op het feit levenslange vrijheidsstraf stelt : geldboete van tweehonderdveertig duizend frank tot zevenhonderd- twintigduizend frank;
- wanneer de wet op het feit vrijheidsstraf en geldboete stelt, of een van de straffen alleen : geldboete van minimum vijfhonderd frank vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de minimumvrijheidsstraf, doch niet lager dan de minimumgeldboete op het feit gesteld; met als maximum tweeduizend frank vermenigvuldigd met het getal van de maanden van de maximum- vrijheidsstraf, doch niet lager dan het dubbele van de maximum- geldboete op het feit gesteld;
- wanneer de wet op het feit enkel geldboete stelt : geldboete met minimum en maximum als door de wet op het feit gesteld.
In politiezaken :
- geldboete van vijfentwintig frank tot tweehonderdvijftig
frank.
§ 2. Voor het bepalen van de straf bedoeld in ' 1 zijn de bepa- lingen van boek I van toepassing.”
Art. 9. In afdeling VI van boek I, hoofdstuk II van hetzelfde Wetboek, wordt een onderafdeling III ingevoegd die de artikelen 42 tot 43ter bevat, met als opschrift :
“Onderafdeling III - Bijzondere verbeurdverklaring”
Art. 10. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 50 bis inge- voegd, luidende :
“Art. 50bis. - Niemand kan burgerrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor betaling van geldboete waartoe een ander wordt veroordeeld, indien hij wegens dezelfde feiten wordt veroordeeld.”
Art. 11. Artikel 86 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld als volgt :
“Het verlies van rechtspersoonlijkheid van de veroordeelde rechtspersoon doet de straf niet vervallen.”
HOOFDSTUK III
BEPALINGEN TOT WIJZIGING VAN DE WET VAN
17 APRIL 1878 HOUDENDE DE VOORAFGAANDE TITEL VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING
Art. 12. In de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering wordt een artikel 2bis ingevoegd, luidende :
“Art. 2bis. Ingeval de strafvordering tegen een rechtspersoon en tegen degene die bevoegd is om de rechtspersoon te vertegenwoordigen, wordt ingesteld wegens dezelfde of samenhangende feiten, wijst de rechtbank die bevoegd is om kennis te nemen van de strafvordering tegen de rechtspersoon, ambtshalve of op verzoekschrift, een lasthebber ad hoc aan om deze te vertegenwoordigen.”
Art. 13. Artikel 20 van de voorafgaande titel van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
“De strafvordering vervalt door de dood van de verdachte of door afsluiting van vereffening, door gerechtelijke ontbinding of door ontbinding zonder vereffening wanneer het om een rechtspersoon gaat.
De strafvordering kan daarna nog worden uitgeoefend, indien de invereffeningstelling, de gerechtelijke ontbinding of de ontbinding zonder vereffening tot doel hebben te ontsnappen aan de vervolging, of indien de rechtspersoon overeenkomstig artikel 61bis door de onderzoeksrechter in verdenking gesteld is voor het verlies van de rechtspersoonlijkheid.
De burgerlijke rechtsvordering kan uitgeoefend worden tegen de verdachte en tegen zijn rechtsopvolgers.”
HOOFDSTUK IV
BEPALINGEN TOT WIJZIGING VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING
Art. 14. In de artikelen 23, 24, 62bis en 139 van het Wetboek van strafvordering worden de woorden “die van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon, die van de bedrijfszetel van de rechtsper- soon” ingevoegd na de woorden “die van de verblijfplaats van de verdachte.”
Art. 15. In artikel 69 van hetzelfde Wetboek worden de woor- den “noch die van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon, noch die van de bedrijfszetel van de rechtspersoon” ingevoegd na de woorden “die van de plaats waar hij gevonden kan worden”.
Art. 16. In boek I van hetzelfde Wetboek wordt hoofdstuk VII houdende artikel 91, vernummerd tot VIIbis en artikel 91 tot 91bis, en wordt een nieuw hoofdstuk VII ingevoegd houdende een artikel 91, luidende als volgt :
“Hoofdstuk VII - Voorlopige maatregelen ten aanzien van rechtspersonen
Artikel 91
Wanneer gedurende een gerechtelijk onderzoek de onderzoeksrechter ernstige aanwijzigingen van schuld bij een rechtspersoon vaststelt, kan hij de volgende maatregelen gelasten, indien bijzondere omstandigheden dat vergen :
1° schorsing van de procedure van ontbinding of vereffening van de rechtspersoon;
2° verbod van specifieke vermogensrechtelijke transacties die tot het onvermogen van de rechtspersoon kunnen leiden;
3° neerlegging van een borgsom tot een door hem bepaald bedrag, als waarborg voor de inachtneming van de maatregelen die hij gelast.
Indien de in het vorige lid bedoelde maatregelen betrekking hebben op onroerende goederen, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 35bis.”
Art. 17. In § 2 van artikel 152 van hetzelfde Wetboek worden na het woord “indien” de woorden “hij een natuurlijk persoon is en” ingevoegd.
Art. 18. Artikel 185, §§ 1 en 2, van hetzelfde Wetboek worden vervangen als volgt :
“ 1. Een beklaagde die rechtspersoon is, de burgerlijke en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij verschijnen in persoon of bij advocaat.
§ 2. Een beklaagde die natuurlijke persoon is, verschijnt in persoon. Hij kan zich echter door een advocaat laten vertegenwoordigen in zaken betreffende misdrijven waarop geen hoofdgevangenisstraf is gesteld, of in debatten die slechts betrekking hebben op een exceptie, op een tussengeschil dat de zaak zelf niet raakt, of op de burgerlijke belangen.
De rechtbank kan altijd toestaan dat de beklaagde zich laat vertegenwoordigen wanneer hij aantoont dat het hem onmogelijk is in persoon te verschijnen.”
Art. 19. Artikel 600 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
“Het register bevat bovendien de firmanaam of de benaming van de rechtspersoon, zijn maatschappelijke zetel, zijn bedrijfszetels en, in voorkomend geval, het handelsregisternummer.”
Art. 20. Artikel 601 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met de volgende leden :
“Wanneer de veroordeling een rechtspersoon betreft, zenden de griffiers een uittreksel van die registers aan de griffie van de rechtbank waar de statuten van die rechtspersoon zijn neergelegd.
Heeft de rechtspersoon geen statuten neergelegd in België of gaat het om een publiekrechtelijke rechtspersoon, dan geschiedt die verzending aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel.”
HOOFDSTUK V
BEPALING TOT WIJZIGING VAN DE WET VAN 29 JUNI 1964
BETREFFENDE DE OPSCHORTING, HET UITSTEL EN DE PROBATIE
Art. 21. In de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, wordt een artikel 18bis ingevoegd, luidende :
“Art. 18bis. Voor de toepassing van deze wet op rechtspersonen, worden de bepaalde strafdrempels gelezen als volgt :
- in het eerste lid van artikel 3 : vierduizend frank in plaats van twee maanden, en honderdtwintigduizend frank in plaats van vijf jaar;
- in het eerste lid van § 1 van artikel 8 : vierentwintigduizend frank in plaats van twaalf maanden, en honderdtwintigduizend frank in plaats van vijf jaar;
- in het vierde lid van § 1 van artikel 8 : twaalfduizend frank in plaats van zes maanden;
- in § 1 van artikel 13 : vijfhonderd frank in plaats van een maand;
- in het tweede lid van § 4 van artikel 13 : honderdtwintigduizend frank in plaats van vijf jaar;
- in § 1 van artikel 14 : duizend frank in plaats van twee maanden.”
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met ‘s Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 4 mei 1999.
ALBERT
Van Koningswege : De Minister van Justitie
T. VAN PARYS
Met ‘s Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS
NOTA
(1) Gewone zitting 1998-1999
Senaat.
Parlementaire stukken. - Wetsvoorstel nr. 1-1217/1. - Amendementen, nr. 1-1217/2 tot 5. - Verslag, nr. 1-1217/6. - Tekst aan-genomen door de Commissie, nr. 1-1217/7. - Amendementen, nr. 1-1217/8 tot 9. - Aanvullend Verslag, nr. 1-1217/10. - Tekst aan- genomen door de Commissie, nr. 1-1217/11. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Kamer van volksverte- genwoordigers, nr. 1-1217/12.
Parlementaire Handelingen. - Bespreking en aanneming.
Vergaderingen van 16, en 18 maart 1999.
Kamer van volksvertegenwoordigers.
Parlementaire stukken. - Ontwerp overgezonden door de Senaat, nr. 2093/1. - Amendementen, nr. 2093/2 tot 4. - Verslag, nr. 2093/5. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd, nr. 2093/6.
Parlementaire Handelingen. - Bespreking en aanneming.
Vergaderingen van 27 en 28 april 1999.
INHOUDSTAFEL
§§ | |||||
|
HOOFDSTUK I Algemene beginselen van de strafrechtelijk aansprakelijkheid van de rechtspersoon | |||||
Inleiding | 1 - 10 | ||||
Afdeling 1. Materieel strafrecht | |||||
I. Rechtspersonen toepassing is | waarop | de | wet | van | 11 - 16 |
II. Misdrijven die aan een rechtspersoon kunnen worden toegerekend | 17 - 20 | ||||
a. Materieel element | 21 - 24 | ||||
b. Moreel element | 25 | ||||
III. Samenloop van strafrechtelijke verantwoordelijkheid van een rechtspersoon en een natuurlijk persoon | 26 - 28 | ||||
a. Veroordeling van de rechtspersoon alleen | 29 - 31 | ||||
b. Veroordeling van de natuurlijke persoon | |||||
alleen | 32 | ||||
c. Veroordeling van de rechtspersoon en de | |||||
natuurlijke persoon | 33 - 38 | ||||
IV. Straffen ten aanzien van de rechtspersoon | 39 | ||||
a. De geldboete | 40 - 43 | ||||
b. De verbeurdverklaring | 44 | ||||
c. De ontbinding van de rechtspersoon | 45 | ||||
d. Verbod om een werkzaamheid te verrichten | |||||
die deel uitmaakt van het maatschappelijk | |||||
doel | 46 - 47 | ||||
§§ | |
|
e. Sluiting van 1 of meer inrichtingen f. Bekendmaking of verspreiding van de uitspraak van de strafrechter |
48 49 |
V. De straftoemeting | 50 - 54 |
VI. De strafuitvoering | 55 |
Afdeling 2. De strafprocedure | |
I. Verval van de strafvordering | 56 - 57 |
II. Voorlopige maatregelen | 58 |
III. Bevoegde rechtbank | 59 - 60 |
IV. Verschijning en vertegenwoordiging van de rechtspersoon | 61 - 64 |
Afdeling 3. Toepassing van de wet in de tijd | 65 |
|
HOOFDSTUK II Toepassing inzake douane en accijnzen | |
Inleiding | 66 - 70 |
Afdeling 1. Het opsporingsonderzoek | 71 - 73 |
I. Inbreuk toe te rekenen aan de rechtspersoon | 74 |
III
§§ | |
II. Inbreuk toe te rekenen aan de natuurlijke persoon of aan de natuurlijke persoon en de rechtspersoon | 75 - 81 |
Afdeling 2. Het proces-verbaal | 82 - 87 |
Afdeling 3. De transactie | 88 - 92 |
Afdeling 4. De dagvaarding | |
I. Personen die moeten worden gedagvaard | 93 - 101 |
II. Burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de rechtspersoon | 102 - 106 |
III. In de dagvaarding te vermelden artikelen ingevolge de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon | 107 - 108 |
IV. Dagvaarding voor feiten begaan vóór en vanaf de datum van inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 | 109 - 112 |
Bijlage : De wet van 4 mei 1999 tot invoering van de strafrechtelijke verantwoor- lijkheid van de rechtspersonen |
