Circulaire 2020/C/125 betreffende douane-entrepots
D.I. 540.101 – OEO/DD 015.853
Publiek douane-entrepot; particulier douane-entrepot; vergunningen; administratie; gebruikelijke behandelingen
FOD Financiën, 08.10.2020
Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen
Inhoudstabel
Circulaire 2020/C/125 betreffende Douane-entrepots
1.2 Duur van een opslagregeling
1.3 Opslag in douane-entrepots
3. Voornaamste wijzigingen van toepassing vanaf 1 mei 2016
8. Verantwoordelijkheden van de houder van de vergunning of de regeling
9. Overdracht van rechten en plichten van de regeling
10. Overbrenging van goederen tussen verschillende plaatsen in het douanegebied van de Unie
10.1 Verkeer van goederen onder een bijzondere regeling
11. Gebruik van equivalente goederen
11.1 Vergunning voor het gebruik van equivalente goederen
11.2 Formaliteiten voor het gebruik van equivalente goederen
11.3 Status van equivalente goederen
12. Opslag van Uniegoederen met niet-Uniegoederen in een opslagruimte
13. Gebruikelijke behandelingen
13.1 Verliezen in geval van gebruikelijke behandelingen
13.2 Afval in geval van gebruikelijke behandelingen
14. Veredeling in een douane-entrepot
16. Tijdelijke uitslag uit douane-entrepots
17. Aanzuivering van de regeling
17.1. Aanzuivering van het douane-entrepot voor goederen met verschillende oorsprong
19. Vergunning waarbij meer dan één lidstaat is betrokken
19.1 Raadplegingsprocedure tussen douaneautoriteiten
19.2 Gevallen waarin de raadplegingsprocedure niet is vereist
19.3 Raadpleging tussen de douaneautoriteiten
BIJLAGE - Wettelijke bepalingen in het DWU, DA en IA en bijlagen inzake douane-entrepots
BIJLAGE IV - Bijlage 71-02 - Gevoelige goederen en producten
BIJLAGE V - Bijlage 71-04 - Bijzondere bepalingen inzake equivalente goederen
BIJLAGE VI - Voorbeeld van het gebruik van equivalente goederen in een douane-entrepot
BIJLAGE VII - Bijlage 71-03 - Lijst van toegestane gebruikelijke behandelingen
1. Wettelijke bepalingen
1. Artikelen 201 t/m 225 en 237 t/m 249 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PBEU L 269 van 10 oktober 2013), hierna Douanewetboek van de Unie genoemd (DWU).
2. Artikelen 169, 171, 177 t/m 183, 201 t/m 203 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PBEU L 343 van 29 december 2015), hierna gedelegeerde handelingen van het douanewetboek van de Unie genoemd (DA).
3. Artikelen 260 t/m 264 en 267 t/m 269 van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PBEU L 343 van 29 december 2015), hierna uitvoeringshandelingen van het douanewetboek van de Unie genoemd (IA).
4. Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2016/341 van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/2446, hierna Gedelegeerde Overgangsverordening genoemd (TDA).
In bijlage I is een overzicht van de desbetreffende artikelen per titel bijgevoegd.
Voor bijkomende commentaren en richtlijnen kan de “ Guidance Special Procedures - title VII UCC” van de Europese Commissie worden geraadpleegd.
1.1 Toepassingsgebied
“Artikel 237 DWU
1. Onder een opslagregeling kunnen niet-Uniegoederen in het douanegebied van de Unie worden opgeslagen zonder dat zij worden onderworpen aan:
a) invoerrechten;
b) andere heffingen overeenkomstig andere toepasselijke voorschriften;
c) handelspolitieke maatregelen, voor zover zij de binnenkomst in of het uitgaan van goederen uit het douanegebied van de Unie niet verbieden.
2. Uniegoederen kunnen onder de regeling douane-entrepot of vrije zone worden geplaatst overeenkomstig specifieke Uniewetgeving, of om in aanmerking te komen voor een beschikking tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten.
3. Bij een economische behoefte en op voorwaarde dat het douanetoezicht niet wordt gehinderd, kunnen de douaneautoriteiten toestemming verlenen voor de opslag van Uniegoederen in een opslagruimte in een douane-entrepot. Die goederen worden geacht zich niet onder de regeling douane-entrepot te bevinden.”
1.2 Duur van een opslagregeling
“Artikel 238 DWU
1. Goederen kunnen gedurende een onbeperkte periode onder een regeling opslag blijven.
2. In uitzonderlijke gevallen kunnen de douaneautoriteiten een termijn voor de zuivering van een regeling opslag vaststellen, met name wanneer de soort en de aard van de goederen in geval van langdurige opslag een gevaar kunnen vormen voor de gezondheid van mens, dier en plant of voor het milieu.”
1.3 Opslag in douane-entrepots
“Artikel 240 DWU
1. Onder de regeling douane-entrepot kunnen niet-Uniegoederen worden opgeslagen in daartoe door de douaneautoriteiten goedgekeurde en onder toezicht van de douaneautoriteiten staande ruimten of andere locaties ("douane-entrepots").
2. De douane-entrepots kunnen worden gebruikt voor de opslag van goederen, ofwel door iedereen ("publiek douane-entrepot"), ofwel door de houders van een vergunning douane-entrepot ("particulier douane-entrepot").
3. De onder de regeling douane-entrepots geplaatste goederen kunnen tijdelijk uit het douane-entrepot worden uitgeslagen. Voor dergelijke uitslag is, behalve in geval van overmacht, voorafgaande toestemming van de douaneautoriteiten vereist.”
2. Definities
- houder van de regeling( art. 5, 35) DWU):
a) de persoon die de douaneaangifte doet, of voor wiens rekening die aangifte wordt gedaan, of
b) de persoon aan wie de uit een douaneregeling voortvloeiende rechten en plichten zijn overgedragen.
- publiek douane-entrepot type I (art. 1, 32) van de DA): een publiek douane-entrepot waar de verantwoordelijkheden zoals bedoeld in artikel 242, lid 1, van het wetboek, berusten bij de houder van de vergunning en de houder van de regeling;
- publiek douane-entrepot type II (art. 1, 33) van de DA): een publiek douane-entrepot waar de verantwoordelijkheden zoals bedoeld in artikel 242, lid 2, van het wetboek, berusten bij de houder van de regeling;
- publiek douane-entrepot type III (art. 1, 11) van de IA): een douane-entrepot dat door de douaneautoriteiten wordt beheerd;
- particulier douane-entrepot (art. 240, lid 2 van het DWU): een douane-entrepot gebruikt voor opslag van goederen door de houder van een vergunning douane-entrepot.
3. Voornaamste wijzigingen van toepassing vanaf 1 mei 2016
5. De verschillende types van douane-entrepot uit het Communautair Douanewetboek van 1992 worden ondergebracht onder de nieuwe types binnen het DWU.
Douane-entrepot type A werd publiek douane‑entrepot type I
Douane-entrepot type B werd publiek douane‑entrepot type II
Douane-entrepot type F werd publiek douane‑entrepot type III
De huidige types particulier entrepot C, D en E werden vervangen door één algemene categorie, met name het particulier entrepot.
Goederen kunnen enkel onder de regeling douane-entrepot worden opgeslagen in door de douaneautoriteiten goedgekeurde en onder toezicht staande ruimtes of andere locaties.
6. Door het verdwijnen van het entrepot type D en E met D procedures is het niet meer mogelijk om de douanewaarde te hanteren berekend op het moment van de inslag in het entrepot en gebruik te maken van de automatische vereenvoudiging (domiciliëring) bij uitslag uit het entrepot.
Het verdwijnen van de types entrepot heeft ook gevolgen voor de te vermelden regeling bij de aangifte voor plaatsing onder de regeling douane-entrepot. Vanaf 1 mei 2016 dient een aangifte regeling J te worden ingediend of dient de plaatsing onder de vorm van inschrijving in de administratie, al of niet met aanvullende aangifte te gebeuren.
Overeenkomstig art. 223, lid 2a van het DWU is vanaf 1 mei 2016 het gebruik van equivalente goederen mogelijk onder de regeling douane-entrepot.
De gebruikelijke handelingen toegestaan in een douane-entrepot overeenkomstig artikel 220 van het DWU werden uitgebreid.
De verkoop op afstand, daaronder begrepen via het internet is toegestaan overeenkomstig artikel 201 van de DA.
4. Aanvraag van de vergunning
7. Aanvragen voor een vergunning voor het beheer van opslagruimten voor opslag in een douane-entrepot overeenkomstig art. 211, lid 1, b) van het DWU dienen naar gelang het geval bij de Regionale of de Centrale Component van de dienst Operaties te worden ingediend.
In die aanvraag moeten de gegevens worden vermeld volgens de bepalingen van bijlage A (DA).
In hoofdstuk 1 van Titel I ‘Aanvragen en beschikkingen’ van bijlage A worden deze gegevens opgenomen in kolom 8e van de tabel met gegevensvereisten.
Specifieke gegevens voor de aanvraag voor een vergunning entrepot zijn opgenomen in titel XIX van dezelfde bijlage A. In bijlage IIvan onderhavige circulaire zijn de gegevens opgenomen die op het aanvraagformulier voor het beheer van opslagruimten voor het douane-entrepot moeten worden vermeld.
De elektronische aanvraagformulieren worden door bovenstaande dienst ter beschikking gesteld.
Bijlage A (DA)
“GEMEENSCHAPPELIJKE GEGEVENSVEREISTEN VOOR AANVRAGEN EN BESCHIKKINGEN
Inleidende aantekeningen bij de tabellen met gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen
Algemene bepalingen
1. De bepalingen in deze aantekeningen zijn van toepassing op alle titels van deze bijlage.
2. De tabellen met gegevensvereisten in titel I tot en met titel XXI bevatten alle gegevenselementen die voor de in deze bijlage behandelde aanvragen en beschikkingen noodzakelijk zijn.
3. De formaten, codes en, indien van toepassing, de structuur van de in deze bijlage beschreven gegevensvereisten zijn gespecificeerd in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (1), die overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder a), van het wetboek is vastgesteld.
4. De in deze bijlage omschreven gegevensvereisten zijn van toepassing op aanvragen die worden ingediend en beschikkingen die worden afgegeven zowel met behulp van een elektronische gegevensverwerkingstechniek als op papier.
5. De gegevenselementen die voor verschillende aanvragen en beschikkingen kunnen worden verstrekt, zijn opgenomen in de tabel met gegevensvereisten in hoofdstuk 1 van titel I van deze bijlage.
6. De gegevenselementen voor specifieke soorten aanvragen en beschikkingen zijn vermeld in titel II tot en met titel XXI van deze bijlage.
7. De specifieke bepalingen met betrekking tot elk gegevenselement in hoofdstuk 2 van de titels I tot en met XXI van deze bijlage doen geen afbreuk aan de status van het gegevenselement zoals omschreven in de tabellen met gegevensvereisten. […]
8. De gegevenselementen in de respectieve tabel met gegevensvereisten kunnen zowel voor de aanvragen als voor de beschikkingen worden gebruikt, tenzij het betrokken gegevenselement anders is aangemerkt.
9. De status in onderstaande tabel met gegevensvereisten laat onverlet dat bepaalde gegevens alleen worden verstrekt wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen. […]”
5. Verlenen van de vergunning
5.1 Algemeen
8. Overeenkomstig art. 211, lid 1, b) van het DWU is een vergunning van de douaneautoriteiten vereist voor het beheer van opslagruimten voor opslag in een douane-entrepot tenzij de opslagruimte wordt beheerd door de douaneautoriteiten zelf (douane-entrepot type III).
In die vergunning moeten de gegevens worden vermeld volgens de bepalingen van bijlage A (DA).
In hoofdstuk 1 van Titel I ’aanvragen en beschikkingen’ van bijlage A worden deze gegevens opgenomen in kolom 8e van de tabel met gegevensvereisten. Specifieke gegevens voor een vergunning douane-entrepot zijn opgenomen in titel XIX van dezelfde bijlage A. In bijlage III van onderhavige circulaire zijn de gegevens opgenomen die op het formulier voor de vergunning voor het beheer van opslagruimten voor opslag in een douane-entrepot moeten worden vermeld.
De voorwaarden waaronder het beheer van opslagruimten is toegestaan, worden in de vergunning vastgesteld.
Een vergunning met terugwerkende kracht kan niet worden verleend voor het beheer van een opslagruimte voor het douane-entrepot van goederen (art. 211, lid 2, g) van het DWU).
9. De voormelde vergunning wordt slechts verleend aan personen die aan elk van de volgende voorwaarden voldoen:
“Art. 211, lid 3 DWU
a) zij zijn in het douanegebied van de Unie gevestigd;
b) zij bieden de nodige waarborgen voor het goede gebruik van de regeling; een geautoriseerd marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen wordt geacht aan deze voorwaarde te voldoen voor zover bij het verlenen van de in artikel 38, lid 2, onder a), bedoelde vergunning rekening is gehouden met relevante activiteiten voor de betreffende bijzondere regeling;
c) zij stellen zekerheid overeenkomstig artikel 89, indien een douaneschuld kan ontstaan of andere heffingen verschuldigd kunnen worden voor de onder een bijzondere regeling geplaatste goederen;
d) …..
4. Tenzij anders is bepaald en ter aanvulling van lid 3, wordt de in lid 1 bedoelde vergunning slechts verleend indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
a) de douaneautoriteiten kunnen douanetoezicht uitoefenen zonder administratieve maatregelen te hoeven nemen die niet in verhouding staan tot de betrokken economische behoeften;
b) …………..”
10. Voor het verlenen van de vergunning zijn de algemene bepalingen inzake het verlenen en het beheer van een beschikking overeenkomstig artikel 22 t/m 32 van het DWU van toepassing.
Voor de aanvraag van een vergunning douane-entrepot die slechts betrekking heeft op één lidstaat, wordt in afwijking van artikel 22, lid 3, eerste alinea van het DWU, uiterlijk 60 dagen na de datum van de aanvaarding van de beslissing aan de aanvrager meegedeeld.
Het verlenen van de vergunning behoort tot de bevoegdheid van, naargelang het geval, de Regionale of de Centrale Component van de dienst Operaties.
5.2 Douanevertegenwoordiging
11. Alleen de houder van de vergunning voor een particulier douane-entrepot heeft het recht om goederen aan te geven voor de desbetreffende bijzondere regeling (zie art. 170, lid 1, tweede alinea, DWU).
12. Volgens art. 18 van het DWU kan de houder van de vergunning zich laten vertegenwoordigen. Voor particuliere entrepots is alleen directe vertegenwoordiging voor het plaatsen onder de regeling mogelijk.
Indirecte vertegenwoordiging is in dit geval niet mogelijk aangezien de houder van de regeling ook de houder van de vergunning moet zijn. Een indirecte vertegenwoordiger kan wel goederen onder de regeling douane-entrepot plaatsen in eigen naam als aangever, voor rekening van een invoerder indien hijzelf vergunninghouder is van een particulier douane-entrepot waar de goederen onder de regeling worden geplaatst.
De houder van de vergunning voor het beheer van opslagruimten voor het publieke douane-entrepot of een andere persoon kan goederen voor het publieke douane-entrepot aangeven. Deze personen kunnen zich direct of indirect laten vertegenwoordigen.
6. Zekerheidstelling
13. Overeenkomstig artikel 211, lid 3 c) van het DWU is het stellen van een zekerheid voor de regeling douane-entrepot verplicht en zijn hiervoor de betreffende bepalingen van het DWU van toepassing. In elke vergunning zal het bedrag van de te stellen zekerheid worden vermeld. Indien een vergunninghouder (aangever) wenst gebruik te maken van de doorlopende zekerheid, zal een specifieke vergunning worden afgegeven die het gebruik van doorlopende zekerheid toestaat.
Vermits enkel het beheer van het douane-entrepot het stellen van een zekerheid vereist, kan enkel zekerheid door de vergunninghouder douane-entrepot worden geëist. De zekerheid dient te worden gesteld vooraleer de vergunning voor het beheer van de opslagruimte voor opslag in het douane-entrepot wordt afgegeven. (zie ook titel 8 hierna).
7. Administratie
“Art. 214 DWU
1. Behalve voor de regeling douanevervoer of indien anders is bepaald, voeren de houder van de vergunning, de houder van de regeling en eenieder die activiteiten uitoefent in verband met hetzij de opslag, bewerking of verwerking van de goederen, hetzij de koop of verkoop van goederen in een vrije zone, een passende administratie in een door de douaneautoriteiten goedgekeurde vorm.
Aan de hand van de informatie en de gegevens in die administratie moeten de douaneautoriteiten in staat zijn toezicht uit te oefenen op de regeling, met name wat de identificatie, de douanestatus en het overbrengen van de onder de regeling geplaatste goederen betreft.
2. Een geautoriseerd marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen wordt geacht aan de in lid 1 vastgestelde voorwaarde te voldoen voor zover zijn administratie passend is met het oog op de betrokken bijzondere regeling.”
14. De houder van een vergunning of de houder van de regeling douane-entrepot dient een administratie te houden in een door de douane goedgekeurde vorm.
Deze administratie dient minstens de gegevens te bevatten zoals opgenomen in art. 178 DA.
Wie dient de administratie te houden?
- Voor de particuliere entrepots zal de administratie worden gehouden door de houder van de vergunning, die tevens houder van de regeling is;
- Voor de douane-entrepots type I wordt de administratie gehouden door de houder van de vergunning;
- Voor de douane-entrepots type II dient de administratie te worden gehouden door de houder van de regeling.
15. De administratie dient op elk ogenblik de aanwezige voorraad van de onder de entrepotregeling geplaatste goederen te tonen en dient te worden aangepast onmiddellijk na elke goederenbeweging en ten laatste op het ogenblik van het verlaten van de opslagruimte.
16. Een opslagruimte kan maar één maal worden goedgekeurd voor opslag door een vergunninghouder en de afgifte van twee of meer vergunningen particulier douane-entrepot aan verschillende personen op één opslaglocatie is in principe niet mogelijk.
17. Overwegende dat overeenkomstig artikel 214 (DWU) de douane aan de hand van de informatie en de gegevens in de administratie gehouden door de vergunninghouder in staat moet zijn toezicht uit te oefenen, met name in verband met hetzij de opslag, bewerking of verwerking van de goederen en overwegende dat die administratie de gegevens overeenkomstig artikel 178 (DA) dient te bevatten, kunnen meerdere vergunningen op eenzelfde locatie worden toegestaan mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- de administratie dient per vergunninghouder gescheiden te zijn;
- alle gegevens voorzien in artikel 178 (DA) dienen door de vergunninghouders, elk voor wat hun goederen betreft worden bijgehouden;
- de administratie van de vergunninghouders dient deel uit te maken van de hoofdboekhouding voor douanedoeleinden;
- de goederen dienen bij voorkeur afgescheiden in de opslagplaats te zijn opgeslagen;
- in de administratie van elke vergunninghouder moet duidelijk worden vermeld waar de goederen zich bevinden (via unieke alfanumerieke positie) zodat goederen identificeerbaar zijn qua locatie/positie, eventueel aangevuld met merktekens of andere fysieke identificatiemiddelen.
- de vergunninghouders zijn verantwoordelijk, elk voor wat de onder hun desbetreffende vergunning opgeslagen goederen betreft.
- wanneer hij geen onbetwistbaar bewijs kan overleggen dat hij zijn verplichtingen als houder van de vergunning/regeling is nagekomen (inzonderheid inzake het houden van een administratie) neemt elke vergunninghouder de verantwoordelijkheid om de verschuldigde rechten en belastingen te betalen in geval van betwistingen.
Art. 178 DA vermeldt wat de administratie moet bevatten:
“De in artikel 214, lid 1 van het DWU bedoelde administratie bevat het volgende:
a) in voorkomend geval, de verwijzing naar de vergunning die vereist is om de goederen onder een bijzondere regeling te plaatsen;
b) het MRN of, waar dit niet bestaat, een ander nummer of een andere code ter identificatie van de douaneaangiften waarmee de goederen onder de bijzondere regeling zijn geplaatst en, wanneer de aanzuivering van de regeling is gebeurd overeenkomstig artikel 215, lid 1, van het wetboek, informatie over de wijze waarop dat is gebeurd;
c) gegevens aan de hand waarvan andere douanedocumenten dan douaneaangiften ondubbelzinnig kunnen worden geïdentificeerd, evenals alle andere documenten die van belang zijn voor het plaatsen van goederen onder een bijzondere regeling en alle andere documenten die van belang zijn voor de aanzuivering van de desbetreffende regeling;
d) bijzonderheden over merktekens, nummers, aantal en soort van de colli, de hoeveelheid en de gebruikelijke handelsomschrijving of technische beschrijving van de goederen en, eventueel, de op de containers aangebrachte merktekens aan de hand waarvan de goederen kunnen worden geïdentificeerd;
e) plaats van de goederen en informatie over iedere overbrenging;
f) douanestatus van de goederen;
g) gegevens over gebruikelijke behandelingen en, in voorkomend geval, de nieuwe tariefindeling die uit deze gebruikelijke behandelingen voortvloeit;
h) ……………………...;
i) ………………………..;
j) wanneer artikel 86, lid 1, van het wetboek van toepassing is, de kosten voor opslag of gebruikelijke behandelingen;
k) …………………………;
l) gegevens aan de hand waarvan het douanetoezicht en controles op het gebruik van equivalente goederen kunnen worden uitgeoefend overeenkomstig artikel 223 van het wetboek;
m) wanneer een gescheiden boekhouding moet worden gevoerd, informatie over het soort goederen, de douanestatus en, in voorkomend geval, de oorsprong van de goederen;
n) …………………………..;
o) ……………………………;
p) in voorkomend geval, de gegevens van een eventuele overdracht van rechten en plichten overeenkomstig artikel 218 van het wetboek;
q) wanneer de administratie geen deel uitmaakt van de hoofdboekhouding voor douanedoeleinden, een verwijzing naar die hoofdboekhouding voor douanedoeleinden;
r) aanvullende informatie voor bijzondere gevallen, op verzoek van de douaneautoriteiten om gerechtvaardigde redenen.
1. ………………………..
2. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat sommige van de in de leden 1 en 2 bedoelde gegevens niet moeten worden verstrekt wanneer dit geen nadelige invloed heeft op het douanetoezicht en de controle op het gebruik van een bijzondere regeling.
4. …………………”.
8. Verantwoordelijkheden van de houder van de vergunning of de regeling
“Art. 242 DWU
1. De houder van de vergunning en de houder van de regeling zijn ervoor verantwoordelijk dat:
a) goederen onder de regeling douane-entrepot niet aan het douanetoezicht worden onttrokken; en
b) de verplichtingen worden nagekomen die voortvloeien uit de opslag van goederen die zich onder de regeling douane-entrepots bevinden.
2. In afwijking van lid 1 kan indien de vergunning een publiek douane-entrepot betreft, in die vergunning worden bepaald dat de in lid 1, onder a) of b), bedoelde verantwoordelijkheden uitsluitend bij de houder van de regeling berusten.
3. De houder van de regeling is gehouden tot de verplichtingen die voortvloeien uit de plaatsing van de goederen onder de regeling douane-entrepot.“
18. Vermits bij het particulier entrepot de houder van de vergunning en de houder van de regeling dezelfde persoon zijn, liggen de verantwoordelijkheden overeenkomstig dit artikel volledig bij de vergunninghouder particulier douane-entrepot.
19. Art. 1, 32 van de DA definieert het publiek douane-entrepot type I als het publiek entrepot waar de verantwoordelijkheden zoals bedoeld in artikel 242, lid 1 van het wetboek berusten bij de houder van de vergunning en de houder van de regeling.
20. Art. 1, 33 van de DA definieert het publiek douane‑entrepot type II als het publiek entrepot waar de verantwoordelijkheden zoals bedoeld in art. 242, lid 2van het wetboek berusten bij de houder van de regeling.
Art. 242, lid 2 van het wetboek is een afwijking van lid 1 van dit artikel en bepaalt dat voor wat betreft een publiek entrepot in de vergunning kan worden bepaald dat de in lid 1, onder a) of b) bedoelde verantwoordelijkheden uitsluitend bij de houder van de regeling berusten.
Dit artikel sluit niet uit dat de onder lid 1 bedoelde verantwoordelijkheden ook bij de houder van de vergunning kunnen berusten. De wetgeving geeft hierbij de keuze, maar deze verantwoordelijkheden dienen wel vooraf door de douaneautoriteiten te worden bepaald en in de vergunning te worden opgenomen.
De houder van de regeling is steeds gehouden tot de verplichtingen die voortvloeien uit de plaatsing van de goederen onder de regeling douane-entrepot.
21. In toepassing van het voorgaande wordt aangenomen dat voor wat betreft de publiek entrepots type II de verantwoordelijkheid overeenkomstig het bepaalde in artikel 242, lid 1, onder a) van het wetboek vermelde verantwoordelijkheid berust bij de houder van de vergunning en de onder b) vermelde verantwoordelijkheid bij de houder van de regeling.
Dit onderscheid geeft de mogelijkheid om de verantwoordelijkheid te verdelen in enerzijds het beheer van de vergunning, het verschaffen van de opslaglocatie en het toezicht op de beveiliging ervan en anderzijds de verplichtingen die voorvloeien uit de plaatsing, opslag en aanzuivering van de opgeslagen goederen.
Voor wat betreft type I berust de verantwoordelijkheid overeenkomstig het bepaalde in art. 242, lid 1, onder a) eveneens bij de houder van de vergunning, maar kunnen de verantwoordelijkheden onder b) worden verdeeld tussen de vergunninghouder en de houder van de regeling. De administratie van het entrepot en de daaruit voortvloeiende verplichtingen berusten evenwel steeds bij de vergunninghouder.
Voor wat betreft douane entrepot type II is de houder van de regeling verantwoordelijk voor het houden van de administratie.
De vorm waarin de administratie door de houder van de regeling wordt bijgehouden kan eventueel ook in de verleende vergunning worden toegestaan, mits akkoord van de bevoegde douanedienst.
De houder van de vergunning dient er op toe te zien dat de administratie door zijn klant ( houder van de regeling ) wordt gehouden in de vorm goedgekeurd door de douane (zie art. 242 (1) DWU). Bijkomend zijn aparte goedkeuringen en controles van de vorm van de administratie van elke houder van de regeling noodzakelijk.
Betreffende de gegevenselementen in artikel 178 DA is de houder van de regeling verantwoordelijk voor deze gegevens. Door commerciële overeenkomsten tussen de houder van de vergunning en de houder van de regeling kan het bijhouden van deze gegevenselementen samen worden gecombineerd.
22. In toepassing van artikel 211, lid 3 van het DWU (zie hiervoor) is de houder van de vergunning gehouden tot het stellen van een zekerheid overeenkomstig artikel 89 indien een douaneschuld kan ontstaan of ander heffingen verschuldigd kunnen worden voor de onder een bijzondere regeling geplaatste goederen. Voor de opslag in een douane-entrepot is een borgstelling noodzakelijk voor het beheer van de opslagruimten waaruit volgt dat de vergunninghouder gehouden is tot het stellen van de zekerheid.
23. Artikel 89, lid 4 van het DWU verbiedt een dubbele zekerheidstelling voor bepaalde goederen, waardoor er geen zekerheid kan worden gevraagd van zowel de houder van de vergunning, als de houder van de regeling. Zowel voor de publieke entrepots type I als de publieke entrepots type II zal dus een zekerheid worden gevraagd van de houder van de vergunning en niet van de houder van de regeling.
Als de verplichtingen opgenomen in de douanewetgeving niet door de houder van de regeling worden nagekomen, zal er een douaneschuld ontstaan en zal de houder van de regeling de schuldenaar zijn(art. 79(3) a) DWU. Indien hij de douaneschuld niet betaalt, zal gebruik worden gemaakt van voornoemde zekerheid. De houder van de vergunning kan, teneinde het risico in te dekken, in zijn commerciële akkoorden met de verschillende houders van de regeling daarover afspraken maken.
9. Overdracht van rechten en plichten van de regeling
“Art. 218 DWU
De rechten en plichten van de houder van een regeling betreffende goederen die onder een andere bijzondere regeling dan douanevervoer zijn geplaatst, kunnen volledig of gedeeltelijk worden overgedragen aan een andere persoon die voldoet aan de voorwaarden van de betrokken regeling.”
24. In toepassing van artikel 266 van de IA is het aan de douaneautoriteiten om te beslissen of een overdracht van rechten en plichten zoals hiervoor bedoeld, kan plaatsvinden en stelt de douane de voorwaarden vast waaronder de overdracht is toegestaan.
“Art. 266 IA
De bevoegde douaneautoriteit beslist of een overdracht van rechten en plichten zoals bedoeld in artikel 218 van het wetboek kan plaatsvinden. Indien een dergelijke overdracht kan plaatsvinden, stelt de bevoegde douaneautoriteit de voorwaarden vast waaronder de overdracht is toegestaan.”
25. Het overdragen van rechten en plichten aan een andere persoon vereist geen aparte vergunning voor een bijzondere regeling. De overeengekomen overgedragen rechten en plichten kunnen in de vergunning van de vergunninghouder worden opgenomen. Bovendien is er bij een overdracht van rechten en plichten geen aparte douaneaangifte vereist.
In het geval van publieke entrepots kan de overdracht van rechten en plichten in principe worden toegestaan. Er moet echter rekening gehouden worden dat de vergunninghouder en de houder van de regeling niet noodzakelijk dezelfde persoon zijn. Aangezien de overdracht van rechten en plichten enkel de houder van de regeling aanbelangt, is het belangrijk dat het douanetoezicht hier goed gewaarborgd wordt. Een alternatief hiervoor is om de regeling publiek douane-entrepot aan te zuiveren door de betrokken goederen opnieuw onder deze regeling te plaatsen. De persoon die de nieuwe aangifte doet is dan de nieuwe houder van de regeling (procedure 71-71).
26. De nodige vermeldingen inzake de overdracht dienen in de vergunning te worden vermeld en de gegevens inzake de overdracht dienen in de administratie van de vergunninghouder te worden ingeschreven overeenkomstig artikel 178 van de DA .
10. Overbrenging van goederen tussen verschillende plaatsen in het douanegebied van de Unie
27. Overeenkomstig artikel 219 van het DWU kunnen goederen onder de regeling douane-entrepot tussen verschillende plaatsen binnen het douanegebied van de Unie worden vervoerd.
In artikel 179, lid 3 en 4 van de DA en 267 van de IA zijn bijzonderheden in verband met de overbrenging vermeld.
“Art. 179, lid 3 DA
Goederen die onder de regeling douane-entrepot zijn geplaatst, kunnen binnen het douanegebied van de Unie worden overgebracht zonder andere dan de in artikel 178, lid 1, onder e), bedoelde douane-formaliteiten, als volgt:
a) tussen verschillende opslagruimten die zijn aangewezen in dezelfde vergunning;
b) van het douanekantoor van plaatsing naar de opslagruimte, of
c) van de opslagruimte naar het douanekantoor van uitgang of ieder ander douanekantoor vermeld in de in artikel 211, lid 1, van het wetboek bedoelde vergunning voor een bijzondere regeling, dat gemachtigd is om goederen vrij te geven voor een volgende douaneregeling of de aangifte tot wederuitvoer in ontvangst te nemen met het oog op de aanzuivering van de bijzondere regeling.
Een overbrenging onder de regeling douane-entrepot eindigt binnen 30 dagen nadat de goederen uit het douane-entrepot zijn uitgeslagen.
Op verzoek van de vergunninghouder kunnen de douaneautoriteiten de termijn van 30 dagen verlengen.
Wanneer goederen onder een regeling douane-entrepot worden overgebracht van de opslagruimte naar het douanekantoor van uitgang, bevat de in artikel 214, lid 1, van het wetboek bedoelde administratie informatie over de uitgang van de goederen binnen 100 dagen nadat de goederen uit het douane-entrepot zijn uitgeslagen.
Op verzoek van de vergunninghouder kunnen de douaneautoriteiten de termijn van 100 dagen verlengen.”
10.1 Verkeer van goederen onder een bijzondere regeling
“Art. 267 IA
1. De overbrenging van goederen naar het douanekantoor van uitgang met het oog op de aanzuivering van de bijzondere regeling, met uitzondering van de regeling bijzondere bestemming en passieve veredeling, door de goederen buiten het douanegebied van de Unie te brengen, wordt verricht onder dekking van de aangifte tot wederuitvoer.
2. ………
3. …………...
4. Voor iedere overbrenging die niet onder de leden 1, 2 en 3, valt zijn geen andere douaneformaliteiten vereist dan het voeren van een administratie zoals bedoeld in artikel 214 van het wetboek.
5. Wanneer de overbrenging van goederen in overeenstemming met de leden 1 of 3 plaatsvindt, blijven de goederen onder de bijzondere regeling totdat zij het douanegebied van de Unie hebben verlaten.”
28. Goederen kunnen binnen het douanegebied van de Unie worden overgebracht zonder andere formaliteiten dan de inschrijving van de nodige informatie over iedere overbrenging in de administratie van de vergunninghouder, behalve in het geval van overbrenging naar het douanekantoor van uitgang met het oog op de aanzuivering van de regeling douane-entrepot, waarbij de goederen buiten het douanegebied van de Unie worden gebracht onder dekking van de aangifte tot wederuitvoer. De goederen blijven onder de regeling douane-entrepot totdat zij het douanegebied van de Unie hebben verlaten.
29. Inzake de overdracht tussen vergunninghouders is artikel 179, lid 3, c) van de DA van toepassing, waarbij de goederen worden overgebracht naar een andere vergunninghouder vallende onder de bevoegdheid van een ander douanekantoor en gemachtigd om de goederen vrij te geven voor een volgende douaneregeling, hier de regeling douane-entrepot. Dit kantoor kan ook gelegen zijn in een andere lidstaat.
In dit geval dient het douanekantoor van aanzuivering, dat dan ook het kantoor van plaatsing wordt voor de tweede vergunninghouder in de respectieve vergunningen te worden vermeld.
De goederen kunnen onder de regeling douane-entrepot worden overgebracht zonder verdere douaneformaliteiten, maar de eerste vergunninghouder dient de nodige informatie in te schrijven in zijn administratie.
De aanzuivering van de regeling douane-entrepot zal gebeuren door de plaatsing van de goederen onder de 2de regeling douane-entrepot, voor zover:
- In het geval van gebruik van vereenvoudigde procedures, de tweede vergunninghouder een bericht zendt aan de eerste vergunninghouder met bevestiging van de datum waarop hij de goederen onder de regeling heeft geplaatst. De houder van de eerste vergunning behoudt deze bevestiging van de ontvangst in zijn administratie als bewijs van aanzuivering van de regeling. (MRN nummer of een intern referentienummer gebruikt bij inschrijving in de administratie).
- In het geval van gebruik van een standaard aangifte zendt de tweede vergunninghouder informatie inzake de MRN en de datum van plaatsing onder de regeling naar de eerste vergunninghouder die deze informatie inschrijft in zijn administratie.
30. Bijzonderheden inzake de overbrenging kunnen in de desbetreffende vergunningen worden vermeld.
11. Gebruik van equivalente goederen
31. Overeenkomstig art. 223, lid 2a van het DWU, art. 169 van de DA en art. 268 en 269 van de IA is vanaf 1 mei 2016 het gebruik van equivalente goederen mogelijk onder de regeling douane-entrepot.
“Art. 223 DWU
1. Equivalente goederen zijn Uniegoederen die in plaats van de onder een bijzondere regeling geplaatste goederen worden opgeslagen, gebruikt of verwerkt.
……………
Tenzij anders is bepaald, moeten equivalente goederen onder dezelfde achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur zijn ingedeeld en dezelfde handelskwaliteit en technische kenmerken hebben als de goederen die zij vervangen.
2. Op voorwaarde dat de goede werking van de regeling, met name wat het douanetoezicht betreft, is verzekerd, kunnen de douaneautoriteiten op aanvraag vergunning verlenen voor het volgende:
a) het gebruik van equivalente goederen onder een regeling douane-entrepot, in een vrije zone, onder een regeling bijzondere bestemming en onder een veredelingsregeling;
b) ………….
c) …………..
d) ………….
Een geautoriseerd marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen wordt geacht te voldoen aan de voorwaarde dat het goed functioneren van de regeling is verzekerd, voor zover in de in artikel 38, lid 2, onder a), bedoelde vergunning rekening is gehouden met de activiteit in het kader van het gebruik van equivalente goederen voor de betrokken regeling.
3. Het gebruik van equivalente goederen wordt niet toegestaan in de volgende gevallen:
a) indien uitsluitend gebruikelijke behandelingen als omschreven in artikel 220 worden verricht in het kader van de regeling actieve veredeling;
b) .........................
c) indien dit zou leiden tot een onbillijk voordeel op het vlak van invoerrechten of waarvoor in Uniewetgeving is voorzien
4. ………………………………”
11.1 Vergunning voor het gebruik van equivalente goederen
“Art.169 DA
1. Voor de verlening van een vergunning overeenkomstig artikel 223, lid 2, van het wetboek is het niet van belang of het systematisch gebruik van equivalente goederen betreft of niet.
2. Er wordt geen vergunning verleend voor het gebruik van equivalente goederen zoals bedoeld in artikel 223, lid 1, eerste alinea, van het wetboek wanneer de onder de bijzondere regeling geplaatste goederen onderworpen zouden zijn aan een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies indien zij werden aangegeven voor het vrije verkeer.
3. ………………………..
4. Er wordt geen vergunning verleend voor het gebruik van equivalente goederen onder de regeling douane-entrepot wanneer de onder de regeling douane-entrepot geplaatste niet-Uniegoederen in bijlage 71-02 opgenomen goederen zijn.
5. Er wordt geen vergunning verleend voor het gebruik van equivalente goederen voor goederen of producten die genetisch zijn gewijzigd of elementen bevatten die een genetische wijziging hebben ondergaan.
6. …………………………
7. In afwijking van artikel 223, lid 1, derde alinea, van het wetboek zijn op de in bijlage 71-04 bedoelde goederen de in die bijlage vastgestelde bijzondere bepalingen van toepassing.
8. ………………….”
32. Het gebruik van equivalente goederen en de desbetreffende formaliteiten dienen in de vergunning douane-entrepot te worden opgenomen. Het gebruik van equivalente goederen is niet toegestaan wanneer de onder de regeling douane-entrepot geplaatste niet-Uniegoederen gevoelige goederen zijn, zoals opgenomen in bijlage IV ( bijlage 71-02 van de DA ).
33. Bijzondere bepalingen inzake equivalente goederen zijn van toepassing voor goederen opgenomen in bijlage V ( bijlage 71-04 van de DA ).
11.2 Formaliteiten voor het gebruik van equivalente goederen
“Art. 268 IA
1. Het gebruik van equivalente goederen is niet onderworpen aan de formaliteiten voor de plaatsing van goederen onder een bijzondere regeling.
2. Equivalente goederen kunnen samen met andere Unie- of niet-Uniegoederen worden opgeslagen. In dergelijke gevallen kunnen de douaneautoriteiten specifieke methoden vaststellen om de equivalente goederen te identificeren om ze van andere Uniegoederen of niet-Uniegoederen te onderscheiden.
Wanneer het onmogelijk is of slechts tegen buitensporige kosten mogelijk zou zijn om elk soort goederen te allen tijde vast te stellen, wordt in de boekhouding onderscheid gemaakt naar het soort goederen, de douanestatus en, indien van toepassing, de oorsprong van de goederen.
3. …………….
a) ……………….
b) ……………..
c) ……………..”
34. Equivalente goederen kunnen onder de regeling douane-entrepot worden geplaatst samen met andere Uniegoederen of niet-Uniegoederen. In dergelijk geval kan een boekhoudkundig onderscheid noodzakelijk zijn.
Het gebruik van equivalente goederen onder de regeling douane-entrepot kan ook worden gecombineerd met actieve veredeling of bijzondere bestemming voor zover er boekhoudkundig onderscheid met betrekking tot de verschillende regelingen wordt gemaakt. Een voorbeeld van het gebruik van equivalente goederen in een douane-entrepot wordt bijgevoegd in bijlage VI.
Wanneer Uniegoederen samen met niet-Uniegoederen worden opgeslagen in een opslagruimte onder de regeling douane- entrepot en het onmogelijk is of slechts tegen buitensporige kosten mogelijk zou zijn om te allen tijde elk soort goederen te identificeren, wordt in de vergunning bepaald dat een gescheiden boekhouding wordt gevoerd voor elk soort goederen, de douanestatus en, in voorkomend geval, de oorsprong van de goederen.
11.3 Status van equivalente goederen
“Art. 269 IA
1. In geval van de regeling douane-entrepot en tijdelijke invoer worden de equivalente goederen niet-Uniegoederen en de goederen die zij vervangen Uniegoederen op het tijdstip van de vrijgave ervan voor de volgende douaneregeling, waarbij de regeling wordt aangezuiverd, of op het tijdstip waarop de equivalente goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten.
2. .…………………….
3. ……………………”
12. Opslag van Uniegoederen met niet-Uniegoederen in een opslagruimte
“ Art. 177 DA
1. Wanneer Uniegoederen samen met niet-Uniegoederen worden opgeslagen in een opslagruimte onder de regeling douane-entrepot en het onmogelijk is of slechts tegen buitensporige kosten mogelijk zou zijn om te allen tijde elk soort goederen te identificeren (gezamenlijke opslag), wordt in de vergunning zoals bedoeld in artikel 211, lid 1, onder b), van het wetboek bepaald dat een gescheiden boekhouding wordt gevoerd voor elk soort goederen, de douanestatus en, in voorkomend geval, de oorsprong van goederen.
2. Uniegoederen die samen met niet-Uniegoederen worden opgeslagen in een opslagruimte, als bedoeld in lid 1, hebben dezelfde achtcijferige GN-code, dezelfde handelskwaliteit en dezelfde technische kenmerken.
3. Voor de toepassing van lid 2 worden niet-Uniegoederen die op het tijdstip waarop zij samen met Uniegoederen zouden worden opgeslagen, onderworpen zouden zijn aan een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies indien zij werden aangegeven voor het vrije verkeer, niet geacht dezelfde handelskwaliteit te hebben als de Uniegoederen.
4. Lid 3 is niet van toepassing wanneer niet-Uniegoederen worden opgeslagen samen met Uniegoederen die eerder als niet-Uniegoederen zijn aangegeven voor het vrije verkeer en waarvoor de in lid 3 bedoelde rechten zijn betaald.”.
35. Dit artikel bepaalt dat het houden van een aparte administratie verplicht kan worden voor controlemaatregelen voor de toepassing van gezamenlijke opslag.
Artikel 178, lid 1 m) (DA) bepaalt dat in het geval van een gescheiden boekhouding de informatie over het soort goederen, de douanestatus en, in voorkomend geval, de oorsprong van de goederen moet opgenomen worden in de administratie.
Artikel 1 (33) (DA) definieert het douane-entrepot type II als een publiek douane-entrepot waar de verantwoordelijkheden zoals bedoeld in artikel 242, lid 2 van het wetboek berusten bij de houder van de regeling (zie hiervoor).
In bijlage A (gegevensvereisten) (DA) zijn voor het douane-entrepot type II alle gegevenselementen inzake het houden van een hoofdadministratie voor douanedoeleinden niet verplicht, waaruit wordt afgeleid dat het houden van een administratie door de vergunninghouder niet verplicht is.
Indien in toepassing van voorgaande er in het douane-entrepot type II niet voldoende controlemaatregelen inzake de identificatie van de goederen kunnen worden toegepast, kan er in principe de gezamenlijke opslag niet worden toegestaan.
Gezamenlijke opslag kan worden toegestaan enkel indien er door de vergunninghouder eveneens een door de douane goedgekeurde voorraadadministratie in toepassing van artikel 214 van het DWU wordt gehouden die toelaat de overeenkomstig artikel 177 (DA) bedoelde controleformaliteiten te vervullen. De gegevens inzake de desbetreffende administratie en de gezamenlijke opslag dienen in de vergunning douane-entrepot type II te worden vermeld.
13. Gebruikelijke behandelingen
“Art. 220 DWU
Goederen die onder een regeling douane-entrepot, onder een veredelingsregeling of in een vrije zone zijn geplaatst, kunnen gebruikelijke behandelingen ondergaan om ze in goede staat te bewaren, ter verbetering van de presentatie of handelskwaliteit of ter voorbereiding van de distributie of wederverkoop.”
36. De gebruikelijke behandelingen toegestaan in een douane-entrepot zijn opgenomen in bijlage VII ( bijlage 71-03 van de DA ).
Vergunningen douane-entrepot kunnen ook worden afgegeven in het geval waar de voorziene gebruikelijke behandelingen in het entrepot belangrijker zijn dan de eigenlijke opslag van goederen.
37. De toepassing van gebruikelijke behandelingen dient opgenomen te worden in de vergunning, maar de behandelingen dienen niet telkens te worden goedgekeurd door de douane.
Indien een gebruikelijke behandeling leidt tot afval als bijproduct dat een commerciële waarde heeft blijven afvalstoffen onder de regeling van douane-entrepot. Er zal dus een douaneschuld ontstaan indien het bijproduct voor het vrije verkeer wordt aangegeven.
“Art. 241 DWU
1. Bij een economische behoefte en op voorwaarde dat het douanetoezicht niet wordt gehinderd, kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat goederen in het kader van de regeling actieve veredeling of de regeling bijzondere bestemming, op de voor de desbetreffende regeling vastgestelde voorwaarden, in een douane-entrepot worden veredeld.
2. De in lid 1 bedoelde goederen worden geacht zich niet onder de regeling douane-entrepot te bevinden.”
13.1 Verliezen in geval van gebruikelijke behandelingen
38. In verscheidene gevallen van gebruikelijke behandelingen, zoals vermeld in punt 10 van bijlage VII ( bijlage 71-03 DA), mag het gewichtsverlies als gevolg van de toepassing van gebruikelijke behandelingen (geen natuurlijke verliezen) geen douaneschuld doen ontstaan.
13.2 Afval in geval van gebruikelijke behandelingen
39. Het plaatsen van goederen onder de regeling douane-entrepot die een gebruikelijke behandeling ondergaan kan leiden tot afval als bijproduct dat mogelijks nog een commerciële handelswaarde heeft. Het afval blijft onder de regeling douane-entrepot. Indien het bijproduct wordt aangegeven voor het vrije verkeer ontstaat hier een douaneschuld.
14. Veredeling in een douane-entrepot
“Art. 241 DWU
1. Bij een economische behoefte en op voorwaarde dat het douanetoezicht niet wordt gehinderd, kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat goederen in het kader van de regeling actieve veredeling of de regeling bijzondere bestemming, op de voor de desbetreffende regeling vastgestelde voorwaarden, in een douane-entrepot worden veredeld.
2. De in lid 1 bedoelde goederen worden geacht zich niet onder de regeling douane-entrepot te bevinden.”
15. Detailhandel
“Art. 201 DA
“Er wordt vergunning verleend voor het beheer van een opslagruimte voor het douane-entrepot van goederen op voorwaarde dat de opslagruimte niet wordt gebruikt voor de detailhandel, tenzij goederen in het klein worden verkocht in een van de volgende situaties:
(a) met vrijstelling van invoerrechten aan reizigers naar of van landen of gebieden buiten het douanegebied van de Unie;
(b) met vrijstelling van invoerrechten aan leden van internationale organisaties;
(c) met vrijstelling van invoerrechten aan NAVO-strijdkrachten;
(d) met vrijstelling van invoerrechten in het kader van diplomatieke of consulaire overeenkomsten;
(e) op afstand, daaronder begrepen via het internet.”
40. Voor de vergunningen douane-entrepot waar goederen worden verkocht op afstand zoals opgenomen onder e) hiervoor dient te worden inbegrepen de verkoop via internet, mail of telefoon en voor zover de goederen worden geleverd aan de koper of geadresseerde op een andere locatie dan het douane-entrepot zelf.
In België bestaan douane-entrepots op basis van (a), (b), (c) en (d) hiervoor, maar met strikte voorwaarden, bijvoorbeeld inzake diplomatieke en andere gelijkaardige regelingen of inzake reizigersvrijstellingen.
16. Tijdelijke uitslag uit douane-entrepots
41. Art 240 (DWU) ( zie titel 1.3) bepaalt dat de onder de regeling douane-entrepot geplaatste goederen tijdelijk uit het douane-entrepot kunnen worden uitgeslagen. Voor dergelijke uitslag is, behalve in geval van overmacht, voorafgaande toestemming van de douaneautoriteiten vereist.
In de aanvraag van de vergunning douane-entrepot moeten alle noodzakelijke gegevens worden verstrekt die voor de tijdelijke uitslag van goederen relevant worden geacht. Een verzoek voor tijdelijke uitslag kan (in uitzonderlijk gevallen) ook in een later stadium bij de douane worden ingediend, als de vergunning douane-entrepot is verleend.
In de vergunning douane-entrepot moeten de voorwaarden worden vermeld op grond waarvan de tijdelijke uitslag van de onder de regeling douane-entrepot geplaatste goederen kan worden uitgevoerd (zoals de periode dat de goederen tijdelijk kunnen worden uitgeslagen en eventueel een meldplicht).
42. De tijdelijke uitslag vindt plaats onder de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder of de houder van de regeling die de administratie bijhoudt.
In de administratie moet altijd de plaats van de goederen worden vermeld (art. 178 DA, lid 1, e). De administratie dient op elk ogenblik de aanwezige voorraad van de onder de entrepotregeling geplaatste goederen te tonen en dient te worden aangepast onmiddellijk na elke goederenbeweging. Elke tijdelijke uitslag moet bijgevolg ten laatste op het ogenblik van het verlaten van de opslagruimte in de administratie te worden ingeschreven. In het kader van het douanetoezicht moet steeds duidelijk zijn waar de onder de regeling geplaatste goederen zich bevinden.
16.1 Tentoonstellingsgoederen
43. Tentoonstellingsgoederen, kunstwerken of goederen die tijdelijk tentoongesteld worden op evenementen open voor het publiek met eventuele verkoop en wederuitvoer of plaatsing onder een volgende douaneregeling als gevolg, zijn uitgesloten binnen de regeling douane-entrepot. Deze goederen dienen volgens artikel 234 DA onder de regeling tijdelijk invoer te worden geplaatst. Voor de gevallen vermeld in artikel 201 DA ( zie titel 15) is de regeling douane-entrepot wel mogelijk.
17. Aanzuivering van de regeling
“Artikel 215 DWU
1. Behalve voor de regeling douanevervoer en onverminderd artikel 254 wordt een bijzondere regeling gezuiverd indien de onder de regeling geplaatste goederen of de veredelingsproducten onder een volgende douaneregeling worden geplaatst, het douanegebied van de Unie verlaten, vernietigd zijn zonder afvalresten of aan de staat worden afgestaan overeenkomstig artikel 199.
2. ...
3. De douaneautoriteiten nemen de nodige maatregelen om de situatie te regelen van goederen waarvoor de regeling niet onder de vastgestelde voorwaarden is gezuiverd.
4. De regeling dient binnen een bepaalde termijn te worden gezuiverd, tenzij anders is bepaald.
Artikel 264 IA
Aanzuivering van een bijzondere regeling (Artikel 215 van het wetboek)
1. Wanneer goederen onder een bijzondere regeling zijn geplaatst door middel van twee of meer douaneaangiften maar op grond van dezelfde vergunning, wordt de plaatsing onder een volgende douaneregeling van dergelijke goederen of van de producten die daaruit zijn verkregen, of de toekenning ervan aan de voorgeschreven bijzondere bestemming, beschouwd de regeling aan te zuiveren voor de goederen in kwestie die met de oudste douaneaangifte onder de regeling zijn geplaatst.
2. Wanneer goederen onder een bijzondere procedure zijn geplaatst door middel van twee of meer douaneaangiften maar op grond van dezelfde vergunning, en de bijzondere procedure is aangezuiverd door de goederen buiten het douanegebied van de Unie te brengen of door vernietiging van de goederen zonder afvalresten, wordt het buiten brengen van de goederen of de vernietiging zonder afvalresten beschouwd de regeling aan te zuiveren voor de goederen in kwestie die met de oudste douaneaangifte onder de regeling zijn geplaatst.
3. In afwijking van de leden 1 en 2, kan de vergunninghouder of de houder van de regeling verzoeken dat de aanzuivering geschiedt ten aanzien van specifieke onder de regeling geplaatste goederen.
4. De toepassing van de leden 1 en 2 mag niet tot ongerechtvaardigde voordelen op het gebied van de rechten bij invoer leiden.
5. Bij algehele vernietiging of onherroepelijk verlies van onder de bijzondere regeling geplaatste en andere goederen, kunnen de douaneautoriteiten bewijsstukken van de houder van de regeling aanvaarden waaruit blijkt hoeveel onder de regeling geplaatste goederen zijn vernietigd of verloren gegaan.
Wanneer de houder van de regeling geen bewijs over kan leggen dat aanvaardbaar is voor de douaneautoriteiten, wordt de hoeveelheid goederen die is vernietigd of verloren is gegaan vastgesteld door vergelijking met de hoeveelheid onder de regeling geplaatste goederen van dezelfde soort ten tijde van de vernietiging of het verlies.”
17.1. Aanzuivering van het douane-entrepot voor goederen met verschillende oorsprong
44. Wanneer goederen van verschillende (niet-)preferentiële oorsprong onder de douaneregeling worden geplaatst, wordt door het gebruik van die regeling de oorsprong van elke eenheid van deze goederen niet gewijzigd. Deze regel moet worden toegepast bij de aanzuivering van de regeling douane-entrepot door de goederen onder een volgende douaneregeling te plaatsen.
17.2 Natuurlijke verliezen
45. Indien een natuurlijk verlies ontstaat bij goederen die onder een bijzondere regeling zijn geplaatst, mag dit natuurlijke verlies niet worden beschouwd als een niet-naleving van de verplichtingen opgenomen in de douanewetgeving in de zin van artikel 79 DWU. Daarom ontstaat in dit geval geen douaneschuld.
Inzake het tenietgaan van de douaneschuld voor natuurlijke verliezen zijn de bepalingen overeenkomstig artikel 124 van het DWU van toepassing. Bijzonderheden inzake verminderingen van hoeveelheden van bepaalde goederen tijdens de opslag te wijten aan een natuurlijke oorzaak zoals verdamping en lekkage en de toegestane percentages daarvoor zijn opgenomen in het Ministerieel Besluit inzake de douane-entrepots.
18. Bijzonderheden inzake het bepalen van de douanewaarde van goederen na opslag in een douane‑entrepot
“Art. 128 IA
1. De transactiewaarde van de goederen die zijn verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, wordt bepaald op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte op basis van de verkoop die onmiddellijk voordat de goederen het douanegebied zijn binnengebracht, heeft plaatsgevonden.
2. Wanneer de goederen voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie worden verkocht niet voordat zij dat douanegebied zijn binnengebracht, maar terwijl zij zich in tijdelijke opslag bevinden of onder een andere bijzondere regeling zijn geplaatst dan de regeling intern douanevervoer, bijzondere bestemming of passieve veredeling, wordt de transactiewaarde op basis van die verkoop vastgesteld”
46. Artikel 128 van de IA bepaalt nieuwe voorwaarden voor de bepaling van de transactiewaarde. Het tweede lid van dit artikel heeft betrekking op de gevallen waarbij goederen, die bij aankomst in de EU nog niet zijn verkocht voor uitvoer naar de EU, en niet werden aangegeven voor het vrije verkeer, maar onder een bijzondere regeling, zoals het douane-entrepot zijn geplaatst.
47. De douanewaarde wordt bepaald op basis van de prijs van de verkoop die plaatsvindt tijdens de opslag in het entrepot indien:
- Er geen verkoop was onmiddellijk voorafgaand aan het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de EU, en
- Er is een verkoop die plaatsvindt in het douane-entrepot maar dit is geen verkoop tussen twee EU partijen, en
- De verkoop die plaatsvindt in het douane-entrepot voldoet aan de voorwaarden van het artikel 70, § 3 van het DWU:
- er zijn geen beperkingen ten aanzien van de overdracht of het gebruik van de goederen door de koper behalve deze bij wet opgelegd, de geografische beperkingen of de beperkingen die de douanewaarde niet aanzienlijk beïnvloeden;
- de verkoop of de prijs is niet afhankelijk gesteld van enige voorwaarde of prestatie waarvan de waarde niet kan worden vastgesteld;
- geen enkel deel van de opbrengst van elke latere wederverkoop of overdracht of later gebruik van de goederen door de koper komt direct of indirect ten goede aan de verkoper tenzij een toepasselijke aanpassing kan worden aangebracht;
- koper en verkoper zijn niet verbonden of hun verbondenheid is niet van dien aard dat de prijs erdoor wordt beïnvloed.
Er moet tevens worden opgemerkt dat de verkoop die in aanmerking dient te worden genomen voor de bepaling van de douanewaarde aan de criteria moet voldoen van ‘goederen verkocht voor uitvoer’ maar in de context van art. 128, § 2 IA.
19. Vergunning waarbij meer dan één lidstaat is betrokken
48. De benaming grensoverschrijdende vergunning douane-entrepot wordt in het DWU vervangen door vergunning waarbij meer dan één lidstaat is betrokken. De algemene regels inzake het nemen van een beschikking voor het verlenen van de vergunning zijn van toepassing. Voor vergunningen waarbij meer dan één lidstaat is betrokken, zijn in de IA specifieke bepalingen opgenomen inzake de raadpleging tussen de douaneautoriteiten. Voor het verlenen van dergelijke vergunningen is uitsluitend de Centrale Component Operaties bevoegd.
Het is belangrijk te vermelden dat het niet instemmen met een aanvraag telkens grondig moet worden gemotiveerd en er in geen geval sprake kan zijn van het niet beantwoorden van een aanvraag of van een weigering zonder motivatie.
49. Vergunningen waarbij meer dan één lidstaat is betrokken, kunnen worden afgegeven voor zowel een particulier als voor publieke douane-entrepots, behalve publiek entrepot type III.
19.1 Raadplegingsprocedure tussen douaneautoriteiten
“Art. 260 IA
1. Wanneer een aanvraag is ingediend voor een vergunning zoals bedoeld in artikel 211, lid 1, van het wetboek en meer dan één lidstaat is betrokken, zijn de artikelen 10 en 14 van deze verordening en de leden 2 tot en met 5 van dit artikel toepassing, tenzij de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit van mening is dat de voorwaarden voor een dergelijke vergunning niet zijn vervuld. NL 29.12.2015 Publicatieblad van de Europese Unie L 343/669
2. De beschikkingsbevoegde douaneautoriteit zendt de aanvraag en de ontwerpvergunning uiterlijk 30 dagen na de datum van aanvaarding van de aanvraag aan de andere betrokken douaneautoriteiten.
3. Een vergunning waarbij meer dan een lidstaat is betrokken zal niet worden afgegeven zonder voorafgaande overeenstemming van de betrokken douaneautoriteiten over de ontwerpvergunning.
4. De andere betrokken douaneautoriteiten delen hun eventuele bezwaren of hun instemming mee binnen 30 dagen na de datum waarop de ontwerpvergunning is meegedeeld. Eventuele bezwaren moeten naar behoren worden gemotiveerd.
Wanneer er binnen deze termijn bezwaren worden geuit en er binnen 60 dagen na de datum waarop de ontwerpvergunning is meegedeeld geen overeenstemming is bereikt, wordt de vergunning niet verleend ten aanzien van die elementen waarop de bezwaren betrekking hadden.
5. Indien de andere betrokken douaneautoriteiten binnen 30 dagen na de datum waarop de ontwerpvergunning is meegedeeld, geen bezwaren hebben geuit, worden zij geacht hun instemming te hebben gegeven.”
19.2 Gevallen waarin de raadplegingsprocedure niet is vereist
“Art. 261 IA (in toepassing van artikel 22 van het DWU)
1. In de volgende gevallen geeft de bevoegde douaneautoriteit een beschikking op een aanvraag af zonder raadpleging van de andere betrokken douaneautoriteiten zoals bedoeld in artikel 260 van deze verordening:
a) een vergunning waarbij meer dan één lidstaat betrokken is, wordt:
I) vernieuwd,
II) gering gewijzigd,
III) geannuleerd,
IV) geschorst,
V) ingetrokken;
b) twee of meer van de betrokken lidstaten hebben hierover overeenstemming bereikt;
c) de enige activiteit waarbij verschillende lidstaten betrokken zijn, is een handeling waarbij het douanekantoor van plaatsing en het douanekantoor van aanzuivering niet dezelfde zijn;
d) een aanvraag voor een vergunning voor tijdelijke invoer waarbij meer dan één lidstaat is betrokken, is gedaan op basis van een douaneaangifte op het standaardformulier.
In dergelijke gevallen stelt de douaneautoriteit die de beschikking heeft gegeven de gegevens van de vergunning aan de andere betrokken douaneautoriteiten ter beschikking.
2. In de volgende gevallen geeft de bevoegde douaneautoriteit een beschikking op een aanvraag af zonder raadpleging van de andere betrokken douaneautoriteiten zoals bedoeld in artikel 260 van deze verordening en zonder de gegevens van de vergunning aan de andere betrokken douaneautoriteiten ter beschikking te stellen in overeenstemming met lid 1:
a) wanneer een ATA- of CPD-carnet wordt gebruikt;
b) wanneer een vergunning voor tijdelijke invoer wordt verleend door vrijgave van de goederen voor de desbetreffende douaneregeling in overeenstemming met artikel 262 van deze verordening;
c) wanneer twee of meer van de betrokken lidstaten hierover overeenstemming hebben bereikt;
d) wanneer de enige activiteit waarbij verschillende lidstaten zijn betrokken, uit de overbrenging van de goederen bestaat.”
19.3 Raadpleging tussen de douaneautoriteiten
“Art. 14 IA
1. Wanneer een beschikkingsbevoegde douaneautoriteit een douaneautoriteit van een andere betrokken lidstaat moet raadplegen over de vervulling van de vereiste voorwaarden en criteria om een gunstige beschikking te nemen, vindt deze raadpleging plaats binnen de voor de betreffende beschikking voorgeschreven termijn. De beschikkingsbevoegde douaneautoriteit stelt een raadplegingstermijn vast die aanvangt vanaf de datum waarop deze douaneautoriteit de voorwaarden en criteria meedeelt die door de geraadpleegde douaneautoriteit moeten worden onderzocht.
Wanneer de geraadpleegde douaneautoriteit na het in de eerste alinea bedoelde onderzoek vaststelt dat de aanvrager niet aan een of meer voorwaarden en criteria voldoet om een gunstige beschikking te kunnen nemen, bezorgt zij haar resultaten, naar behoren gedocumenteerd en met argumenten onderbouwd, aan de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit.
2. De overeenkomstig lid 1 vastgestelde raadplegingstermijn kan in elk van de volgende gevallen door de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit worden verlengd:
a) wanneer gelet op de aard van de te verrichten onderzoeken de geraadpleegde autoriteit om meer tijd verzoekt;
b) wanneer de aanvrager aanpassingen uitvoert om te garanderen dat wordt voldaan aan de voorwaarden en criteria zoals bedoeld in lid 1, en deze meedeelt aan de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit, die de geraadpleegde douaneautoriteit daarvan vervolgens in kennis stelt.
3. Wanneer de geraadpleegde douaneautoriteit niet antwoordt binnen de overeenkomstig de leden 1 en 2 vastgestelde raadplegingstermijn, wordt aan de voorwaarden en criteria waarvoor de raadpleging heeft plaatsgevonden, geacht te zijn voldaan.
4. De in de leden 1 en 2 vastgelegde raadplegingsprocedure kan ook worden toegepast voor de herziening van en het toezicht op een beschikking.”
20. Slotbepalingen
50. Onderhavige circulaire vervangt de circulaire 2017/C/28 van 27 april 2017 betreffende douane-entrepots.
51. Voor zover niet in tegenspraak met onderhavige circulaire en de vermelde wettelijke bepalingen, blijven de delen III ( de BTW- entrepots) en IV ( Magazijnen van Hoofdstuk XII van de Algemene Wet inzake douane en accijnzen) van de instructie douane-entrepots 1996 van toepassing. Deze zullen het voorwerp uitmaken van een latere circulaire.
Voor de Administrateur-generaal van Financiën,
De adviseur-generaal
Jo Lemaire
BIJLAGEN
BIJLAGE I - Wettelijke bepalingen in het DWU, DA en IA en bijlagen inzake douane-entrepots
DWU
Definitie: art. 5, 35)
Ontheffing aanvullende aangifte: art. 167
Toepassingsgebied: art. 210
Vergunning: art. 211
Administratie: art. 214
Zuivering: art. 215
Overdracht van rechten en plichten: art. 218
Verkeer van goederen ( overbrengingen): art. 219
Gebruikelijke behandelingen: art. 220
Equivalente goederen: art. 223, lid 2, a)
Opslag – toepassingsgebied: art. 237
Duur van de opslag: art. 238
Opslag in douane-entrepots: art. 240
Veredeling in douane-entrepot: art. 241
Verantwoordelijkheden: art. 242
DA
Definitie: art. 1, 32) en 33)
Equivalente goederen: art. 169
Aanvraag vergunning: art. 171
Opslag van Uniegoederen en niet-Uniegoederen: art.177
Administratie: art. 178
Overbrenging: art. 179
Gebruikelijke behandelingen: art. 180
Detailhandel: art. 201
Speciaal ingerichte opslagruimten: art. 202
Soorten opslagruimten: art. 203
IA
Definitie: art. 1, 11)
Vergunning- raadplegingsprocedure: art. 260-263
Zuivering van de regeling: art. 264
Overdracht van rechten en plichten: art. 266
Verkeer van goederen ( overbrenging): art. 267
Equivalente goederen: art. 268-269
Bijlage A: gemeenschappelijke gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen
Bijlage 71-02 DA: lijst van gevoelige goederen en producten
Bijlage 71-03 DA: lijst van toegestane gebruikelijke handelingen
Bijlage 71-04 DA: bijzondere bepalingen inzake equivalente goederen
BIJLAGE II - Te vermelden gegevens op de aanvraag voor een vergunning voor het beheer van opslagruimten voor opslag in een douane-entrepot
(Kolom 8e bijlage A (DA))
Nr. G.E. | Naam Gegevenselement | Status G.E. | Toelichting |
1/1 | Code soort aanvraag | A | Code aangevraagde vergunning vermelden. |
½ | Handtekening/authenticatie | A | Onderscheid tussen papieren of elektronische aanvraag (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) |
1/3 | Soort aanvraag | A [*] | Vermeld code soort aanvraag. Vermeld bij een aanvraag voor een wijziging of, indien van toepassing, een verlenging van de vergunning, tevens het juiste nummer van de beschikking in G.E. 1/6 Referentienummer beschikking. |
¼ | Geografische geldigheid – Unie | A | Vermeld in afwijking van artikel 26 van het wetboek de gevallen waarin de gevolgen van de beschikking zich beperken tot één of enkele lidstaten en vermeld uitdrukkelijk de betrokken lidsta(a)t(en). |
1/6 | Referentienummer beschikking | A[2] | Unieke referentie die door de bevoegde douaneautoriteiten aan de beschikking is toegekend. |
2/4 | Bijgevoegde documenten | A | (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) |
3/1 | Aanvrager van de vergunning | A[4] | Vermeld naam en adresgegevens van de aanvrager. |
3/2 | Identificatie aanvrager | A | De aanvrager is diegene die een beschikking aanvraagt. Vermeld het EORI- nummer. |
3/3 | Vertegenwoordiger | A[4] | (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) |
¾ | Identificatie vertegenwoordiger | A | (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) |
3/6 | Contactpersoon verantwoordelijk voor de aanvraag | A [*] | (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) |
4/1 | Plaats | A[7] | Plaats waar de aanvraag wordt ondertekend of op een andere wijze geauthenticeerd. |
4/2 | Datum | A | Datum waarop de aanvrager de aanvraag heeft ondertekend of op een andere wijze geauthenticeerd. |
4/3 | Plaats waar de hoofdadministratie voor douanedoeleinden wordt bijgehouden of toegankelijk is | A [*] | (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) |
4/4 | Plaats van de administratievoering | A [*] [8] | (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) |
4/6 | Gevraagd begindatum van de beschikking | C [*] | (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) |
4/10 | Douanekanto(o)r(en) van plaatsing | A | Het (de) voorgestelde douanekanto(o)r(en) zoals bedoeld in artikel 1, punt 17. |
4/11 | Douanekanto(o)r(en) van aanzuivering | A | Het (de) voorgestelde douanekanto(o)r(en). |
4/12 | Douanekantoor van zekerheidstelling | A | Vermeld het douanekantoor. |
5/1 | Goederencode | C [*] | (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) |
5/2 | Omschrijving van de goederen | A | Vermeld ten minste of het landbouw- en/of industriële goederen betreft. |
5/6 | Equivalente goederen | A | (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) |
5/8 | Identificatie van de goederen | A | (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) |
7/5 | Gegevens over de voorgenomen werkzaamheden | A | (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) |
8/1 | Soort hoofdadministratie voor douanedoeleinden | A [*][8] | Specificeer het soort hoofdadministratie door gegevens te verstrekken over het systeem dat zal worden gebruikt, inclusief de software. |
8/2 | Soort hoofdadministratie | A [*][8] | Specificeer het soort administratie door gegevens te verstrekken over het systeem dat zal worden gebruikt, inclusief de software. |
8/5 | Aanvullende informatie | C [*] | Vermeld eventuele aanvullende informatie als die van nut wordt geacht. |
8/6 | Zekerheistelling | A | Vermeld of voor de betrokken vergunning een zekerheid wordt verlangd. Zo ja, vermeld dan het referentienummer van de verstrekte zekerheid voor de betrokken vergunning. |
8/7 | Bedrag Zekerheid | A | Voer het bedrag in van de zekerheidstelling per aangifte of in het geval van een doorlopende zekerheid, het bedrag dat gelijk is aan het deel van het referentiebedrag dat is toegewezen aan de specifieke vergunning voor tijdelijke opslag of een bijzondere regeling. |
8/8 | Overdracht van rechten en plichten | A | Verstrek informatie over de overnemer en de voorgestelde overdrachtsformaliteiten wanneer overeenkomstig artikel 218 van het wetboek een vergunning wordt aangevraagd voor de overdracht van rechten en plichten tussen houders van de regeling. Een dergelijk verzoek kan ook in een later stadium bij de bevoegde douaneautoriteit worden ingediend, als de aanvraag eenmaal is aanvaard en de vergunning voor een bijzondere regeling is verleend. |
8/10 | Gegevens over de opslagruimten | A | (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) |
8/11 | Opslag van Uniegoederen | A | Vermeld of het voornemen bestaat Uniegoederen in een douane-entrepot of een tijdelijke opslagruimte op te slaan. |
8/12 | Toestemming voor bekendmaking in de lijst van vergunninghouders | A [*] | (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) |
Symbolen in de vakken
A = Verplicht: gegevens die door elke lidstaat worden verlangd.
C = Facultatief voor de aanvrager: gegevens die de aanvrager vrijwillig kan verstrekken, maar waarvan de opgave niet door de lidstaten kan worden verlangd.
[*] Dit gegevenselement wordt uitsluitend voor de betrokken aanvraag gebruikt.
Voetnoten
[2]: Dit gegevenselement wordt niet gebruikt in de aanvraag, tenzij het gaat om een aanvraag voor een wijziging, verlenging of intrekking van de beschikking.
[4]: Deze informatie is uitsluitend verplicht wanneer het EORI-nummer van de persoon niet wordt vereist. Wanneer het EORI-nummer is verstrekt, hoeft geen naam of adres te worden verstrekt, tenzij een papieren aanvraag of beschikking wordt gebruikt.
[5]: Deze informatie wordt niet verstrekt als de aanvrager een geautoriseerde marktdeelnemer is.
[7]: Deze informatie wordt alleen gebruikt bij een papieren aanvraag.
[8]: Als het voornemen bestaat een publiek douane-entrepot type II te gebruiken, wordt dit gegevenselement niet gebruikt.
Aantekeningen op de gegevensvereisten
G.E. 1/1
Aanvraag:
Vermeld met behulp van de desbetreffende codes welke vergunning of beschikking is aangevraagd.
Er moet gebruik worden gemaakt van de volgende codes:
Code | Soort aanvraag/beschikking |
CWP | Aanvraag of vergunning voor het beheer van opslagruimten voor de opslag van goederen in een particulier douane-entrepot |
CW1 | Aanvraag of vergunning voor het beheer van opslagruimten voor de opslag van goederen in een publiek douane- entrepot type I |
CW2 | Aanvraag of vergunning voor het beheer van opslagruimten voor de opslag van goederen in een publiek douane- entrepot type II |
G.E. 1/2
Aanvraag:
Papieren aanvragen worden ondertekend door de persoon die de aanvraag indient. De ondertekenaar moet tevens zijn hoedanigheid vermelden.
Aanvragen met behulp van een elektronische gegevensverwerkingstechniek worden geauthenticeerd door de persoon die de aanvraag indient (aanvrager of vertegenwoordiger).
Indien de aanvraag wordt ingediend met behulp van de geharmoniseerde EU- interface voor de bedrijven die de Commissie en de lidstaten in onderling overleg hebben vastgesteld, wordt de aanvraag als geauthenticeerd beschouwd.
G.E. 1/3
Vermeld met behulp van de desbetreffende code het soort aanvraag. Vermeld bij een aanvraag voor een wijziging of, indien van toepassing, een verlenging van de vergunning, tevens het juiste nummer van de beschikking in G.E. 1/6 (referentienummer beschikking).
Er moet gebruik worden gemaakt van de volgende codes:
1. eerste aanvraag
2. aanvraag tot wijziging van de beschikking
3. aanvraag tot verlenging van de vergunning
4. aanvraag tot intrekking van de beschikking
G.E. 1/4
Vermeld in afwijking van artikel 26 van het DWU de gevallen waarin de gevolgen van de beschikking zich beperken tot één of enkele lidstaten en vermeld uitdrukkelijk de betrokken lidsta(a)t(en).
Er moet gebruik worden gemaakt van de volgende codes:
1. aanvraag of vergunning geldig in alle lidstaten
2. aanvraag of vergunning beperkt tot bepaalde lidstaten
3. aanvraag of vergunning beperkt tot één lidstaat
Voor de landcode dient gebruik te worden gemaakt van de code zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie.
G.E. 1/6
Een unieke referentie die door de bevoegde douaneautoriteit aan de beschikking is toegekend.
Het referentienummer van de beschikking is als volgt opgebouwd:
Veld | Inhoud | Formaat | Voorbeelden |
1 | Identificator van de lidstaat waar de beschikking is gegeven (tweeletterige landcode) | a2 | PT |
2 | Code soort beschikking | an..4 | SSE |
3 | Unieke identificator voor de beschikking per land | an..29 | 1234XYZ12345678909876543210AB |
Veld 1: zie uitleg hierboven.
Veld 2 moet worden ingevuld met de code van de beschikking zoals omschreven voor G.E. 1/1 (code soort beschikking).
Veld 3 moet worden ingevuld met een identificator voor de betrokken beschikking. De wijze waarop dit veld wordt gebruikt, valt onder de verantwoordelijkheid van de nationale douaneautoriteiten, maar elke in een land afgegeven beschikking moet een nummer krijgen dat uniek is voor het desbetreffende soort beschikking.
Dit gegevenselement wordt niet gebruikt in de aanvraag, tenzij het gaat om een aanvraag voor een wijziging, verlenging of intrekking van de beschikking (zie voetnoot 2).
G.E. 2/4
Verstrek informatie over het soort en, indien van toepassing, het identificatienummer en/of de datum van afgifte van het(de) document(en) dat(die) bij de aanvraag of de beschikking is(zijn) gevoegd. Vermeld ook het totale aantal van de bijgevoegde documenten.
Vermeld, als het document de voortzetting bevat van informatie die elders in de aanvraag of beschikking is verstrekt, een verwijzing naar het betrokken gegevenselement.
G.E. 3/1
Aanvraag:
De aanvrager is degene die bij de douaneautoriteiten een beschikking aanvraagt.
Vermeld de naam en adresgegevens van de betrokkene.
Deze informatie is uitsluitend verplicht wanneer het EORI-nummer van de persoon niet wordt vereist. Wanneer het EORI-nummer is verstrekt, hoeft geen naam of adres te worden verstrekt, tenzij een papieren aanvraag of beschikking wordt gebruikt (zie voetnoot 4).
G.E. 3/2
Aanvraag:
De aanvrager is degene die bij de douaneautoriteiten een beschikking aanvraagt.
Vermeld het in artikel 1, punt 18) van de DWU DA bedoelde EORI-nummer (Economic Operators Registration and Identification — registratie en identificatie van marktdeelnemers) van de betrokkene.
Indien de aanvraag wordt gedaan met behulp van een elektronische gegevensverwerkingstechniek, wordt het EORI-nummer van de aanvrager altijd vermeld.
G.E. 3/3
Verstrek relevante informatie over de vertegenwoordiger als de in G.E. 3/1 (aanvrager/houder van de vergunning of beschikking) of G.E. 3/2 (identificatie aanvrager/houder van de vergunning of beschikking) vermelde aanvrager vertegenwoordigd is.
Verstrek, als de beschikkende douaneautoriteit dat verlangt overeenkomstig artikel 19, lid 2, van het DWU, een exemplaar van het desbetreffende contract of de desbetreffende volmacht of enig ander document waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de status van de douanevertegenwoordiger blijkt.
Deze informatie is uitsluitend verplicht wanneer het EORI-nummer van de persoon niet wordt vereist. Wanneer het EORI-nummer is verstrekt, hoeft geen naam of adres te worden verstrekt, tenzij een papieren aanvraag of beschikking wordt gebruikt (zie voetnoot 4).
G.E. 3/4
Vermeld het EORI-nummer van de vertegenwoordiger als de in G.E. 3/1 (aanvrager/houder van de vergunning of beschikking) of G.E. 3/2 (identificatie aanvrager/houder van de vergunning of beschikking) vermelde aanvrager vertegenwoordigd is.
Verstrek, indien de beschikkende douaneautoriteit dat verlangt overeenkomstig artikel 19, lid 2, van het DWU, een exemplaar van het desbetreffende contract of de desbetreffende volmacht of enig ander document waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de status van de douanevertegenwoordiger blijkt.
G.E. 3/6
De contactpersoon is verantwoordelijk voor het onderhouden van het contact met de douane met betrekking tot de aanvraag.
Deze informatie wordt alleen verstrekt als het gaat om een andere persoon dan de in G.E. 3/5 (naam en contactgegevens van de persoon die verantwoordelijk is voor douanezaken) vermelde persoon.
Vermeld de naam van de contactpersoon en telefoonnummer, e-mailadres (bij voorkeur een functionele mailbox) en, indien van toepassing, een fax.
G.E. 4/1
Aanvraag:
Plaats waar de aanvraag werd ondertekend of op andere wijze geauthenticeerd.
Gegevens uitsluitend gebruikt voor aanvragen en beschikkingen op papier.
Deze informatie wordt alleen gebruikt bij een papieren aanvraag ( zie voetnoot 7).
G.E. 4/2
Aanvraag:
Datum waarop de aanvrager de aanvraag heeft ondertekend of op andere wijze geauthenticeerd.
G.E. 4/3
De in artikel 22, lid 1, derde alinea, van het DWU bedoelde hoofdadministratie voor douanedoeleinden is de boekhouding die door de douaneautoriteiten wordt beschouwd als de hoofdadministratie voor douanedoeleinden aan de hand waarvan de douaneautoriteiten het toezicht en de controle kunnen uitoefenen op alle activiteiten waarop de betrokken vergunning betrekking heeft. De bestaande commerciële, fiscale of andere boekhoudkundige gegevens van de aanvrager kunnen als hoofdadministratie voor douanedoeleinden worden aanvaard als ze de op een audit gebaseerde controles vergemakkelijken.
Vermeld het volledige adres van de locatie, inclusief de lidstaat waar het de bedoeling is de hoofdadministratie te voeren of toegankelijk te stellen. De UN/LOCODE kan het adres vervangen als die de betrokken locatie ondubbelzinnig weergeeft.
Indien de plaats wordt omschreven aan de hand van UN/LOCODE, moet de gebruikte structuur beantwoorden aan VN/ECE-aanbeveling 16 betreffende UN/LOCODE-codes voor havens en andere plaatsen.
Deze informatie wordt niet verstrekt als de aanvrager een geautoriseerde marktdeelnemer is (zie voetnoot 5).
Als het voornemen bestaat een publiek douane-entrepot type II te gebruiken, wordt dit gegevenselement niet gebruikt (zie voetnoot 8).
G.E. 4/4
Vermeld het volledige adres van de locatie(s), inclusief de lidsta(a)t(en) waar de administratie van de aanvrager wordt gevoerd of waar het de bedoeling is die te voeren. De UN/LOCODE kan het adres vervangen als die de betrokken locatie ondubbelzinnig weergeeft.
Deze informatie is noodzakelijk om de locatie van de administratie te identificeren met betrekking tot de goederen die op het adres zijn geplaatst dat in G.E. 4/8 Plaats van de goederen is vermeld.
Indien de plaats wordt omschreven aan de hand van UN/LOCODE, moet de gebruikte structuur beantwoorden aan VN/ ECE-aanbeveling 16 betreffende UN/LOCODE-codes voor havens en andere plaatsen.
Als het voornemen bestaat een publiek douane-entrepot type II te gebruiken, wordt dit gegevenselement niet gebruikt (zie voetnoot 8).
G.E. 4/6
Aanvraag:
De aanvrager kan verlangen dat de vergunning vanaf een specifieke dag geldig wordt. Deze datum houdt echter rekening met de in artikel 22, leden 2 en 3, van het DWU gespecificeerde termijnen en de verlangde datum kan niet eerder zijn dan de in artikel 22, lid 4, van het DWU vermelde datum.
G.E. 4/10
Vermeld het(de) voorgestelde douanekanto(o)r(en) zoals bedoeld in artikel 1, punt 16) van de DWU DA.
De structuur van de codes is omschreven voor G.E. 1/7 (beschikkende douaneautoriteit).
G.E. 4/11
Vermeld het(de) voorgestelde douanekanto(o)r(en).
De structuur van de codes is omschreven voor G.E. 1/7 (beschikkende douaneautoriteit).
G.E. 4/12
Vermeld het betrokken douanekantoor.
De structuur van de codes is omschreven voor G.E. 1/7 (beschikkende douaneautoriteit).
G.E. 5/1
Vermeld de eerste 4 cijfers van de code van de gecombineerde nomenclatuur van de goederen die onder de regeling douane-entrepot moeten worden geplaatst.
Als de aanvraag betrekking heeft op verschillende soorten goederen, kan het gegevenselement niet worden ingevuld. Omschrijf in dat geval de aard van de goederen die moeten worden opgeslagen in de betrokken opslagruimte in G.E. 5/2 (omschrijving van de goederen).
Wanneer equivalente goederen worden gebruikt in het kader van de regeling douane-entrepot, moet de 8-cijferige code van de gecombineerde nomenclatuur worden vermeld.
G.E. 5/2
Vermeld ten minste of het landbouw- en/of industriële goederen betreft.
G.E. 5/6
Equivalente goederen zijn Uniegoederen die in plaats van de onder een andere bijzondere regeling dan de regeling douanevervoer geplaatste goederen worden opgeslagen, gebruikt of verwerkt.
Aanvraag:
Wanneer het voornemen bestaat om equivalente goederen te gebruiken, vermeld de 8-cijferige code van de gecombineerde nomenclatuur, de handelskwaliteit en de technische kenmerken van de equivalente goederen zodat douaneautoriteiten de noodzakelijke vergelijking kunnen maken tussen de equivalente goederen en de goederen die ze vervangen.
De relevante codes in G.E. 5/8. (identificatie van de goederen) kunnen gebruikt worden om ondersteunende maatregelen voor te stellen die nuttig kunnen zijn voor deze vergelijking.
Vermeld of de niet-Uniegoederen onderworpen zouden zijn aan antidumpingrechten, compenserende rechten, vrijwaringsrechten of andere aanvullende rechten als gevolg van een schorsing van concessies, indien ze voor het vrije verkeer werden aangegeven.
G.E. 5/8
Vermeld de beoogde identificatiemaatregelen door ten minste een van de relevante codes te gebruiken.
Deze informatie hoeft niet ingevuld te worden in het geval van de regeling douane-entrepot of actieve veredeling of passieve veredeling met equivalente goederen. In plaats daarvan wordt G.E. 5/6 (equivalente goederen) gebruikt.
Deze informatie wordt niet verstrekt in het geval van passieve veredeling met het systeem uitwisselingsverkeer. In plaats daarvan wordt G.E. XVIII/2 (vervangende producten) ingevuld.
Voor de identificatie van goederen dienen de volgende codes te worden gebruikt:
1. volgnummer of fabricagenummer
2. loodjes, zegels, stempels of andere merktekens
4. monsters, stalen, tekeningen of technische beschrijvingen
5. Analyses
6. inlichtingenblad ter vergemakkelijking van de tijdelijke uitvoer van goederen die naar een ander land worden verzonden voor vervaardiging, verwerking of herstelling (uitsluitend bestemd voor passieve veredeling)
7. andere identificatiemiddelen (geef een toelichting bij de te gebruiken identificatiemiddelen)
8. geen identificatiemaatregelen op grond van artikel 250, lid 2, onder b), van het DWU (uitsluitend bestemd voor tijdelijke invoer)
G.E. 7/5
Omschrijf de aard van de voorgenomen werkzaamheden of het te verrichten gebruik (bv. gegevens over de werkzaamheden in het kader van een loonveredelingscontract of het soort gebruikelijke behandelingen onder de regeling actieve veredeling) ten aanzien van de goederen in de bijzondere regeling.
Als de aanvrager de veredeling van de goederen onder de regeling actieve veredeling of de regeling bijzondere bestemming in een douane-entrepot wenst te verrichten overeenkomstig artikel 241 van het DWU, verstrekt hij de relevante gegevens.
Vermeld indien van toepassing de naam, adresgegevens en functie van andere betrokkenen.
De goederen die onder de regeling douane-entrepot of een veredelingsregeling worden geplaatst, kunnen gebruikelijke behandelingen ondergaan om hun bewaring in goede staat te verzekeren, hun presentatie of handelskwaliteit te verbeteren of de distributie of wederverkoop ervan voor te bereiden. Wanneer de gebruikelijke behandelingen bestemd zijn om te worden verricht onder de regeling actieve of passieve veredeling, moet worden verwezen naar het(de) relevante punt(en) in bijlage 71-03 van de DWU DA.
G.E. 8/1
Specificeer het soort hoofdadministratie door gegevens te verstrekken over het systeem dat zal worden gebruikt, inclusief de software.
Als het voornemen bestaat een publiek douane-entrepot type II te gebruiken, wordt dit gegevenselement niet gebruikt (zie voetnoot 8).
G.E. 8/2
Specificeer het soort administratie door gegevens te verstrekken over het systeem dat zal worden gebruikt, inclusief de software.
Aan de hand van die administratie moeten de douaneautoriteiten toezicht kunnen uitoefenen op de betrokken regeling, met name wat betreft de identificatie, de douanestatus en het verkeer van de onder die regeling geplaatste goederen.
Als het voornemen bestaat een publiek douane-entrepot type II te gebruiken, wordt dit gegevenselement niet gebruikt (zie voetnoot 8).
G.E. 8/5
Vermeld eventuele aanvullende informatie als die van nut wordt geacht.
G.E. 8/6
Vermeld of voor de betrokken vergunning een zekerheid wordt verlangd. Zo ja, vermeld dan het referentienummer van de verstrekte zekerheid voor de betrokken vergunning.
Er moet gebruik worden gemaakt van de volgende codes:
0. Geen zekerheid vereist
1. Zekerheid vereist
G.E. 8/7
Voer het bedrag in van de zekerheidstelling per aangifte of in het geval van een doorlopende zekerheid, het bedrag dat gelijk is aan het deel van het referentiebedrag dat is toegewezen aan de specifieke vergunning voor tijdelijke opslag of een bijzondere regeling.
Gebruik voor de valuta de drieletterige ISO-muntcode (ISO 4217).
G.E. 8/8
Aanvraag:
Verstrek informatie over de overnemer en de voorgestelde overdrachtsformaliteiten wanneer overeenkomstig artikel 218 van het wetboek een vergunning wordt aangevraagd voor de overdracht van rechten en plichten tussen houders van de regeling. Een dergelijk verzoek kan ook in een later stadium bij de bevoegde douaneautoriteit worden ingediend, als de aanvraag eenmaal is aanvaard en de vergunning voor een bijzondere regeling is verleend.
G.E. 8/10
Verstrek informatie over de bedrijfsruimten of andere locaties voor tijdelijke opslag of douane-entrepot die bestemd zijn om te worden gebruikt als opslagruimten.
Tot deze informatie kunnen gegevens behoren over de materiële kenmerken van de ruimten, de uitrusting die voor de opslagactiviteiten wordt gebruikt alsook, in het geval van speciaal uitgeruste opslagruimten, andere noodzakelijke informatie om na te gaan of artikel 117, onder b) van de DWU DA en artikel 202 van de DWU DA respectievelijk worden nageleefd.
G.E. 8/11
Vermeld (ja/neen) of het voornemen bestaat Uniegoederen in een douane-entrepot of een tijdelijke opslagruimte op te slaan.
Een verzoek voor de opslag van Uniegoederen kan ook in een later stadium bij de beschikkende douaneautoriteit worden ingediend, als de aanvraag eenmaal is aanvaard en de vergunning voor het beheer van opslagruimten is verleend.
G.E. 8/12
Vermeld (ja/neen) of de aanvrager instemt met bekendmaking in de openbare lijst van vergunninghouders van de volgende gegevens van de vergunning die hij/zij aanvraagt:
Houder van de vergunning
Soort vergunning
Datum van inwerkingtreding of, indien van toepassing, geldigheidsduur
Lidstaat van de beschikkende douaneautoriteit
Bevoegd douanekantoor/controlekantoor
Specifieke gegevensvereisten voor de aanvraag voor het beheer van opslagruimten voor opslag in een douane-entrepot
De specifieke gegevens voor de aanvraag en de vergunning voor het beheer van opslagruimten voor het douane-entrepot van goederen zijn opgenomen in TITEL XIX van Bijlage A van Verordening 2015/2446 (DA).
Nr. G.E. | Naam Gegevenselement | Status G.E. | Toelichting aanvraag |
XIX/1 | Tijdelijke uitslag | A | Vermeld (ja / neen ) of het voornemen bestaat om goederen die onder de regeling douane-entrepot zijn geplaatst tijdelijk uit het douane-entrepot uit te slaan. Verstrek alle noodzakelijke gegevens die voor de tijdelijke uitslag van goederen relevant worden geacht. Een verzoek voor tijdelijke uitslag kan ook in een later stadium bij de beschikkende douaneautoriteit worden ingediend, als de aanvraag eenmaal is aanvaard en de vergunning voor het beheer van opslagruimten is verleend. |
XIX/2 | Verliespercentage | A | Geef nadere informatie over verliespercentage(s). |
G.E. XIX/2
Geef nadere informatie, indien van toepassing, over verliespercentage(s).
BIJLAGE III - Te vermelden gegevens op de vergunning voor het beheer van opslagruimten voor opslag in een douane-entrepot
(Kolom 8e bijlage A (DA))
Nr. G.E. | Naam Gegevenselement | Status G.E. | Toelichting | |
1/1 | Code soort aanvraag | A | Code soort vergunning vermelden | |
½ | Handtekening/authenticatie | A | Onderscheid tussen papieren of elektronische aanvraag (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) | |
1/3 | Geografische geldigheid – Unie | A | Vermeld in afwijking van artikel 26 van het wetboek de gevallen waarin de gevolgen van de beschikking zich beperken tot één of enkele lidstaten en vermeld uitdrukkelijk de betrokken lidsta(a)t(en). | |
1/6 | Referentienummer beschikking | A[2] | Unieke referentie die door de bevoegde douaneautoriteiten aan de beschikking is toegekend. | |
1/7 | Beschikkende douaneautoriteiten | A [+] | Identificatienummer of de naam en adresgegevens van de douaneautoriteit die de beschikking geeft. | |
2/4 | Bijgevoegde documenten | A | (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) | |
2/5 | Identificatienummer opslagruimte | A [+] | Vermeld indien van toepassing het identificatienummer die door de beschikkende douaneautoriteit is toegekend. | |
3/1 | Houder van de vergunning | A[4] | Is degene aan wie de vergunning is afgegeven. | |
3/2 | Identificatie houder van de vergunning | A | Is degene aan wie de vergunning is afgegeven. | |
3/3 | Vertegenwoordiger | A[4] | (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) | |
3/4 | Identificatie vertegenwoordiger | A | (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) | |
4/1 | Plaats | A[7] | Plaats waar de vergunning werd gegeven. | |
4/2 | Datum | A | Datum waarop de vergunning werd gegeven. | |
4/6 | Begindatum van de beschikking | A[+] | De datum waarop de vergunning van kracht wordt. | |
4/10 | Douanekanto(o)r(en) van plaatsing | A | Het (de) voorgestelde douanekanto(o)r(en) zoals bedoeld in artikel 1, punt 17. | |
4/11 | Douanekanto(o)r(en) van aanzuivering | A | Het (de) voorgestelde douanekanto(o)r(en). | |
4/12 | Douanekantoor van zekerheidstelling | A | Het douanekantoor. | |
4/13 | Controlekantoor | A[+] | Het bevoegde douanekantoor zoals bedoeld in artikel 1, punt 36 | |
5/2 | Omschrijving van de goederen | A | Vermeld ten minste of het landbouw- en/of industriële goederen betreft. | |
5/6 | Equivalente goederen | A | Specifieer de maatregelen om vast te stellen dat aan de voorwaarden is voldaan om de equivalente goederen te gebruiken. | |
5/8 | Identificatie van de goederen | A | (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) | |
6/3 | Algemene opmerkingen | A[+] | (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) | |
7/5 | Gegevens over de voorgenomen werkzaamheden | A | (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) | |
8/6 | Zekerheidstelling | A | Vermeld of voor de betrokken vergunning een zekerheid wordt verlangd. Zo ja, vermeld dan het referentienummer van de verstrekte zekerheid voor de betrokken vergunning. | |
8/7 | Bedrag Zekerheid | A | Voer het bedrag in van de zekerheidstelling per aangifte of in het geval van een doorlopende zekerheid, het bedrag dat gelijk is aan het deel van het referentiebedrag dat is toegewezen aan de specifieke vergunning voor tijdelijke opslag of een bijzondere regeling. | |
8/8 | Overdracht van rechten en plichten | A | Specificeer de voorwaarden waaronder de overdracht van rechten en plichten kan worden verricht. Specificeer de redenen voor de afwijzing als het verzoek voor de overdracht van rechten en plichten wordt afgewezen. | |
8/10 | Gegevens over de opslagruimten | A | (zie Hoofdstuk 2 van Titel I) | |
8/11 | Opslag van Uniegoederen | A | Specificeer de regels voor de gescheiden boekhouding als het voornemen bestaat Uniegoederen op te slaan in een opslagruimte op grond van de regeling douane-entrepot en de voorwaarden in artikel 177 van toepassing zijn. | |
Symbolen in de vakken
A= Verplicht: gegevens die door elke lidstaat worden verlangd.
[+] = Dit gegevenselement wordt uitsluitend voor de betrokken beschikking gebruikt.
Voetnoten
[2]: Dit gegevenselement wordt niet gebruikt in de aanvraag, tenzij het gaat om een aanvraag voor een wijziging, verlenging of intrekking van de beschikking.
[4]: Deze informatie is uitsluitend verplicht wanneer het EORI-nummer van de persoon niet wordt vereist. Wanneer het EORI-nummer is verstrekt, hoeft geen naam of adres te worden verstrekt, tenzij een papieren aanvraag of beschikking wordt gebruikt.
[7]: Deze informatie wordt alleen gebruikt bij een papieren aanvraag, “Aantekeningen op de gegevensvereisten”.
G.E. 1/1
Beschikking:
Vermeld met behulp van de desbetreffende codes het soort vergunning of beschikking.
Er moet gebruik worden gemaakt van de volgende codes:
Code | Soort aanvraag/beschikking |
CWP | Aanvraag of vergunning voor het beheer van opslagruimten voor de opslag van goederen in een particulier douane-entrepot |
CW1 | Aanvraag of vergunning voor het beheer van opslagruimten voor de opslag van goederen in een publiek douane- entrepot type I |
CW2 | Aanvraag of vergunning voor het beheer van opslagruimten voor de opslag van goederen in een publiek douane- entrepot type II |
G.E. 1/2
Beschikking:
Ondertekening van de papieren beschikkingen of anderszins authenticatie van de beschikkingen met behulp van een elektronische gegevensverwerkingstechniek door de persoon die over de vergunning, de bindende inlichtingen of de terugbetaling of kwijtschelding van invoer- of uitvoerrechten een beschikking heeft gegeven.
G.E. 1/4
Vermeld in afwijking van artikel 26 van het DWU de gevallen waarin de gevolgen van de beschikking zich beperken tot één of enkele lidstaten en vermeld uitdrukkelijk de betrokken lidsta(a)t(en).
Er moet gebruik worden gemaakt van de volgende codes:
1. aanvraag of vergunning geldig in alle lidstaten
2. aanvraag of vergunning beperkt tot bepaalde lidstaten
3. aanvraag of vergunning beperkt tot één lidstaat
Voor de landcode dient gebruik te worden gemaakt van de code zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie.
Een unieke referentie die door de bevoegde douaneautoriteit aan de beschikking is toegekend.
Het referentienummer van de beschikking is als volgt opgebouwd:
Veld | Inhoud | Formaat | Voorbeelden |
1 | Identificator van de lidstaat waar de beschikking is gegeven (tweeletterige landcode) | a2 | PT |
2 | Code soort beschikking | an..4 | SSE |
3 | Unieke identificator voor de beschikking per land | an..29 | 1234XYZ12345678909876543210AB |
Veld 1: zie uitleg hierboven.
Veld 2 moet worden ingevuld met de code van de beschikking zoals omschreven voor G.E. 1/1 (code soort beschikking).
Veld 3 moet worden ingevuld met een identificator voor de betrokken beschikking. De wijze waarop dit veld wordt gebruikt, valt onder de verantwoordelijkheid van de nationale douaneautoriteiten, maar elke in een land afgegeven beschikking moet een nummer krijgen dat uniek is voor het desbetreffende soort beschikking.
Dit gegevenselement wordt niet gebruikt in de aanvraag, tenzij het gaat om een aanvraag voor een wijziging, verlenging of intrekking van de beschikking (zie voetnoot 2).
G.E. 1/7
Het identificatienummer of de naam en adresgegevens van de douaneautoriteit die de beschikking geeft.
De codes zijn als volgt gestructureerd:
- de eerste twee tekens (a2) identificeren het land met behulp van de landcode zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie,
- de volgende zes tekens (an6) duiden het betrokken kantoor in dit land aan. Hiervoor wordt de volgende structuur aanbevolen:
De eerste drie tekens (an3) geven de UN/LOCODE [(1)]-plaatsnaam weer en de laatste drie een nationale alfanumerieke onderverdeling (an3). Indien deze onderverdeling niet wordt gebruikt, moet „000” worden ingevoegd.
Voorbeeld: BEBRU000: BE = ISO 3166 voor België, BRU = UN/LOCODE- plaatsnaam voor de stad Brussel, en 000 omdat de onderverdeling niet wordt gebruikt.
Verstrek informatie over het soort en, indien van toepassing, het identificatienummer en/of de datum van afgifte van het(de) document(en) dat(die) bij de aanvraag of de beschikking is(zijn) gevoegd. Vermeld ook het totale aantal van de bijgevoegde documenten.
Vermeld, als het document de voortzetting bevat van informatie die elders in de aanvraag of beschikking is verstrekt, een verwijzing naar het betrokken gegevenselement.
G.E. 2/5
Vermeld indien van toepassing het identificatienummer dat door de beschikkende douaneautoriteit aan de opslagruimte is toegekend.
Beschikking:
De houder van de beschikking is degene aan wie de beschikking is afgegeven.
De houder van de vergunning is degene aan wie de vergunning is afgegeven.
Deze informatie is uitsluitend verplicht wanneer het EORI-nummer van de persoon niet wordt vereist. Wanneer het EORI-nummer is verstrekt, hoeft geen naam of adres te worden verstrekt, tenzij een papieren aanvraag of beschikking wordt gebruikt (zie voetnoot 4).
G.E. 3/2
Beschikking:
De houder van de beschikking is degene aan wie de beschikking is afgegeven.
De houder van de vergunning is degene aan wie de vergunning is afgegeven.
G.E. 3/3
Verstrek relevante informatie over de vertegenwoordiger als de in G.E. 3/1 (aanvrager/houder van de vergunning of beschikking) of G.E. 3/2 (identificatie aanvrager/houder van de vergunning of beschikking) vermelde aanvrager vertegenwoordigd is.
Verstrek, als de beschikkende douaneautoriteit dat verlangt overeenkomstig artikel 19, lid 2, van het DWU, een exemplaar van het desbetreffende contract of de desbetreffende volmacht of enig ander document waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de status van de douanevertegenwoordiger blijkt.
Deze informatie is uitsluitend verplicht wanneer het EORI-nummer van de persoon niet wordt vereist. Wanneer het EORI-nummer is verstrekt, hoeft geen naam of adres te worden verstrekt, tenzij een papieren aanvraag of beschikking wordt gebruikt (zie voetnoot 4).
G.E. 3/4
Vermeld het EORI-nummer van de vertegenwoordiger als de in G.E. 3/1 (aanvrager/houder van de vergunning of beschikking) of G.E. 3/2 (identificatie aanvrager/houder van de vergunning of beschikking) vermelde aanvrager vertegenwoordigd is.
Verstrek, indien de beschikkende douaneautoriteit dat verlangt overeenkomstig artikel 19, lid 2, van het DWU, een exemplaar van het desbetreffende contract of de desbetreffende volmacht of enig ander document waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de status van de douanevertegenwoordiger blijkt.
G.E. 4/1
Beschikking:
Plaats waar de vergunning of beschikking betreffende een bindende oorsprongsinlichting of betreffende terugbetaling of kwijtschelding van invoer- of uitvoerrechten werd gegeven.
Gegevenselement uitsluitend gebruikt voor aanvragen en beschikkingen op papier.
Deze informatie wordt alleen gebruikt bij een papieren aanvraag (zie voetnoot 7).
G.E. 4/2
Beschikking:
De datum waarop de vergunning of beschikking betreffende een bindende inlichting of betreffende terugbetaling of kwijtschelding van invoer- of uitvoerrechten is gegeven.
G.E. 4/6
Beschikking:
De datum waarop de vergunning van kracht wordt.
Vermeld het(de) voorgestelde douanekanto(o)r(en) zoals bedoeld in artikel 1, punt 16) van de DWU DA.
De structuur van de codes is omschreven voor G.E. 1/7 (beschikkende douaneautoriteit).
G.E. 4/11
Vermeld het(de) voorgestelde douanekanto(o)r(en).
De structuur van de codes is omschreven voor G.E. 1/7 (beschikkende douaneautoriteit).
G.E. 4/12
Vermeld het betrokken douanekantoor.
De structuur van de codes is omschreven voor G.E. 1/7 (beschikkende douaneautoriteit).
G.E. 4/13
Vermeld het bevoegde douanekantoor zoals bedoeld in artikel 1, punt 35) van de DWU DA.
De structuur van de codes is omschreven voor G.E. 1/7 (beschikkende douaneautoriteit).
G.E. 5/2
Vermeld ten minste of het landbouw- en/of industriële goederen betreft.
G.E. 5/6
Equivalente goederen zijn Uniegoederen die in plaats van de onder een andere bijzondere regeling dan de regeling douanevervoer geplaatste goederen worden opgeslagen, gebruikt of verwerkt.
Vergunning:
Specificeer de maatregelen om vast te stellen dat aan de voorwaarden is voldaan om de equivalente goederen te gebruiken.
Vermeld de beoogde identificatiemaatregelen door ten minste een van de relevante codes te gebruiken.
Deze informatie hoeft niet ingevuld te worden in het geval van de regeling douane-entrepot of actieve veredeling of passieve veredeling met equivalente goederen. In plaats daarvan wordt G.E. 5/6 (equivalente goederen) gebruikt.
Deze informatie wordt niet verstrekt in het geval van passieve veredeling met het systeem uitwisselingsverkeer. In plaats daarvan wordt G.E. XVIII/2 (vervangende producten) ingevuld.
Voor de identificatie van goederen dienen de volgende codes te worden gebruikt:
1. volgnummer of fabricagenummer
2. loodjes, zegels, stempels of andere merktekens
4. monsters, stalen, tekeningen of technische beschrijvingen
5. Analyses
6. inlichtingenblad ter vergemakkelijking van de tijdelijke uitvoer van goederen die naar een ander land worden verzonden voor vervaardiging, verwerking of herstelling (uitsluitend bestemd voor passieve veredeling)
7. andere identificatiemiddelen (geef een toelichting bij de te gebruiken identificatiemiddelen)
8. geen identificatiemaatregelen op grond van artikel 250, lid 2, onder b), van het DWU (uitsluitend bestemd voor tijdelijke invoer)
G.E. 6/3
Algemene informatie over de verplichtingen en/of formaliteiten die uit de vergunning voortvloeien.
Verplichtingen die voortvloeien uit de vergunning, met name wat de verplichting betreft om de beschikkende autoriteit in kennis te stellen van eventuele veranderingen in de onderliggende feiten en omstandigheden, overeenkomstig artikel 23, lid 2, van het DWU.
De beschikkende douaneautoriteit specificeert de gegevens met betrekking tot het recht op beroep overeenkomstig artikel 44 van het DWU.
G.E. 7/5
Omschrijf de aard van de voorgenomen werkzaamheden of het te verrichten gebruik (bv. gegevens over de werkzaamheden in het kader van een loonveredelingscontract of het soort gebruikelijke behandelingen onder de regeling actieve veredeling) ten aanzien van de goederen in de bijzondere regeling.
Als de aanvrager de veredeling van de goederen onder de regeling actieve veredeling of de regeling bijzondere bestemming in een douane-entrepot wenst te verrichten overeenkomstig artikel 241 van het DWU, verstrekt hij de relevante gegevens.
Vermeld indien van toepassing de naam, adresgegevens en functie van andere betrokkenen.
De goederen die onder de regeling douane-entrepot of een veredelingsregeling worden geplaatst, kunnen gebruikelijke behandelingen ondergaan om hun bewaring in goede staat te verzekeren, hun presentatie of handelskwaliteit te verbeteren of de distributie of wederverkoop ervan voor te bereiden. Wanneer de gebruikelijke behandelingen bestemd zijn om te worden verricht onder de regeling actieve of passieve veredeling, moet worden verwezen naar het(de) relevante punt(en) in bijlage 71-03 van de DWU DA.
G.E. 8/6
Vermeld of voor de betrokken vergunning een zekerheid wordt verlangd. Zo ja, vermeld dan het referentienummer van de verstrekte zekerheid voor de betrokken vergunning.
Er moet gebruik worden gemaakt van de volgende codes:
0. Geen zekerheid vereist
1. Zekerheid vereist
G.E. 8/7
Voer het bedrag in van de zekerheidstelling per aangifte of in het geval van een doorlopende zekerheid, het bedrag dat gelijk is aan het deel van het referentiebedrag dat is toegewezen aan de specifieke vergunning voor tijdelijke opslag of een bijzondere regeling.
Gebruik voor de valuta de drieletterige ISO-muntcode (ISO 4217).
G.E. 8/8
Vergunning:
Specificeer de voorwaarden waaronder de overdracht van rechten en plichten kan worden verricht. Specificeer de redenen voor de afwijzing als het verzoek voor de overdracht van rechten en plichten wordt afgewezen.
Verstrek informatie over de bedrijfsruimten of andere locaties voor tijdelijke opslag of douane-entrepot die bestemd zijn om te worden gebruikt als opslagruimten.
Tot deze informatie kunnen gegevens behoren over de materiële kenmerken van de ruimten, de uitrusting die voor de opslagactiviteiten wordt gebruikt alsook, in het geval van speciaal uitgeruste opslagruimten, andere noodzakelijke informatie om na te gaan of artikel 117, onder b) van de DWU DA en artikel 202 van de DWU DA respectievelijk worden nageleefd.
G.E. 8/11
Vergunning:
Specificeer de regels voor de gescheiden boekhouding als het voornemen bestaat Uniegoederen op te slaan in een opslagruimte op grond van de regeling douane- entrepot en de voorwaarden in artikel 177 van de DWU DA van toepassing zijn.
Specifieke gegevensvereisten
De specifieke gegevens voor de aanvraag en de vergunning voor het beheer van opslagruimten voor het douane-entrepot van goederen zijn opgenomen in TITEL XIX van Bijlage A van Verordening 2015/2446 (DA).
Nr. G.E. | Naam Gegevenselement | Status G.E. | Toelichting |
XIX/1 | Tijdelijke uitslag | A | Vermeld de voorwaarden op grond waarvan de uitslag van de onder de regeling douane-entrepot geplaatste goederen kan worden uitgevoerd. Vermeld de redenen voor afwijzing als het verzoek wordt afgewezen. |
XIX/2 | Verliespercentage | A | Geef nadere informatie over verliespercentage(s). |
BIJLAGE IV - Bijlage 71-02 - Gevoelige goederen en producten
Deze bijlage ziet op de volgende goederen:
(1) De volgende landbouwproducten die onder een van de volgende sectoren van de gemeenschappelijke marktordening (GMO) vallen:
Sector rundsvlees: de in artikel 1, lid 2, onder o), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XV van bijlage I bij die verordening;
Sector varkensvlees: de in artikel 1, lid 2, onder q), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XVII van bijlage I bij die verordening;
Sector schapen- en geitenvlees: de in artikel 1, lid 2, onder r), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XVIII van bijlage I bij die verordening;
Sector eieren: de in artikel 1, lid 2, onder s), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XIX van bijlage I bij die verordening;
Sector pluimveevlees: de in artikel 1, lid 2, onder t), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XX van bijlage I bij die verordening;
Bijenteeltproducten: de in artikel 1, lid 2, onder v), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XXII van bijlage I bij die verordening;
Sector granen: de in artikel 1, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel I van bijlage I bij die verordening;
Sector rijst: de in artikel 1, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel II van bijlage I bij die verordening;
Sector suiker: de in artikel 1, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel III van bijlage I bij die verordening;
Sector olijfolie: de in artikel 1, lid 2, onder g), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel VII van bijlage I bij die verordening;
Sector melk en zuivelproducten: de in artikel 1, lid 2, onder p), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XVI van bijlage I bij die verordening;
Sector wijn: de in artikel 1, lid 2, onder l), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde producten die zijn opgenomen in deel XII van bijlage I bij die verordening;
0806 10 90
2009 61
2009 69
2204 21 (met uitzondering van BOB- en BGA-kwaliteitswijnen)
2204 29 (met uitzondering van BOB- en BGA-kwaliteitswijnen) 2204 30
(2) Ethylalcohol en gedistilleerde dranken vallende onder GN-codes:
2207 10
2207 20
2208 40 39 - 2208 40 99
2208 90 91 - 2208 90 99
(3) ex 2401 ruwe en niet tot verbruik bereide tabak
(4) Andere dan de onder 1 en 2 bedoelde producten waarvoor een uitvoerrestitutie voor landbouwproducten geldt.
(5) De visserijproducten die zijn opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten en de producten die zijn opgenomen in bijlage V bij die verordening waarop een gedeeltelijke autonome schorsing van toepassing is.
(6) Alle visserijproducten waarop een autonoom contingent van toepassing is.
BIJLAGE V - Bijlage 71-04 - Bijzondere bepalingen inzake equivalente goederen
I. Douane-entrepot, actieve en passieve veredeling
Traditioneel geproduceerde goederen en biologische goederen
Het is niet toegestaan:
- biologische goederen te vervangen door traditioneel geproduceerde goederen; en
- traditioneel geproduceerde goederen te vervangen door biologische goederen.
II. Actieve veredeling
(1) Rijst
Onder GN-code 1006 ingedeelde rijst wordt niet geacht equivalent te zijn tenzij deze onder dezelfde achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur is ingedeeld. Voor rijst met een lengte van niet meer dan 6 mm en een lengte/breedte-verhouding van 3 of meer en voor rijst met een lengte van 5,2 mm of minder en een lengte/breedte-verhouding van 2 of meer wordt de equivalentie evenwel uitsluitend bepaald door de lengte/breedte-verhouding. De meting van de korrels geschiedt overeenkomstig de bepalingen van bijlage A, punt 2, onder d), van Verordening (EG) nr. 3072/95 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt.
(2) Tarwe
Equivalentieverkeer is uitsluitend toegestaan tussen tarwe die in een derde land is geoogst en reeds in het vrije verkeer is gebracht, en niet-EU-tarwe die onder dezelfde achtcijfercode van de GN is ingedeeld en dezelfde handelskwaliteit en dezelfde technische kenmerken heeft.
Niettemin:
- kunnen afwijkingen op het verbod tot gebruik van equivalente goederen worden toegestaan door middel van een mededeling van de Commissie aan de lidstaten, na onderzoek van het Comité;
- is equivalentieverkeer toegestaan tussen harde EU-tarwe en harde tarwe uit derde landen, mits deze bestemd is voor de vervaardiging van deegwaren van de GN-codes 1902 11 00 en 1902 19.
(3) Suiker
Equivalentieverkeer is toegestaan tussen ruwe niet-EU-rietsuiker (GN-codes 1701 13 90 en/of 1701 14 90) en suikerbiet (GN-code 1212 91 80), mits veredelingsproducten worden verkregen die zijn ingedeeld onder GN-code 1701 99 10 (witte suiker).
De equivalente hoeveelheid ruwe rietsuiker van de standaardkwaliteit zoals gedefinieerd in punt III van deel B van bijlage III bij Verordening (EU) nr. 1308/2013 wordt berekend door de hoeveelheid witte suiker te vermenigvuldigen met de coëfficiënt 1,0869565.
De equivalente hoeveelheid ruwe rietsuiker die niet van de standaardkwaliteit is, wordt berekend door de hoeveelheid witte suiker te vermenigvuldigen met een coëfficiënt die wordt verkregen door 100 te delen door het rendement van ruwe rietsuiker. Het rendement van ruwe rietsuiker wordt berekend zoals bepaald in punt III van deel B van bijlage III bij Verordening (EU) nr. 1308/2013.
(4) Levende dieren en vlees
Equivalente goederen mogen niet worden gebruikt bij de actieve veredeling van levende dieren of vlees.
Afwijkingen op het verbod tot gebruik van equivalente goederen voor vlees kunnen worden toegestaan door middel van een mededeling van de Commissie aan de lidstaten, na onderzoek door een instantie bestaande uit vertegenwoordigers van de douanediensten van de lidstaten, indien de aanvrager kan aantonen dat het equivalentieverkeer economisch noodzakelijk is en indien de douaneautoriteiten het ontwerp van de geplande controlemaatregelen voorleggen.
(5) Mais
Equivalentieverkeer tussen EU-mais en niet-EU-mais is uitsluitend toegestaan voor:
(1) mais die voor de vervaardiging van diervoeder is bestemd, indien de douane erop toeziet dat de niet-EU-mais daadwerkelijk tot diervoeder wordt verwerkt;
(2) mais die voor de vervaardiging van zetmeel en zetmeelproducten is bestemd, tussen alle variëteiten met uitzondering van de variëteiten met een hoog gehalte aan amylopectine (wasachtige mais of „waxy mais”), die uitsluitend onderling equivalent zijn;
(3) mais die voor de vervaardiging van meelproducten is bestemd, tussen alle variëteiten met uitzondering van glasachtige maissoorten („Plata”-mais van het type „Duro”, „Flint”-mais), die uitsluitend onderling equivalent zijn.
(6) Olijfolie
A. Equivalentieverkeer is uitsluitend toegestaan in de volgende gevallen:
(1) voor olijfolie van de eerste persing:
a) tussen extra EU-olijfolie van de eerste persing van GN-code 1509 10 90 die voldoet aan de beschrijving in punt 1, onder a), van deel VIII van bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 1308/2013, en extra niet-EU-olijfolie van de eerste persing van dezelfde GN-code, mits bij de veredeling extra olijfolie van de eerste persing wordt verkregen die onder dezelfde GN-code is ingedeeld en die aan de eisen van voornoemd punt 1, onder a), voldoet;
b) tussen EU-olijfolie van de eerste persing van GN-code 1509 10 90 die voldoet aan de beschrijving in punt 1, onder b), van deel VIII van bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 1308/2013, en niet-EU-olijfolie van de eerste persing van dezelfde GN-code, mits bij de veredeling olijfolie van de eerste persing wordt verkregen die onder dezelfde GN-code is ingedeeld en die aan de eisen van voornoemd punt 1, onder b), voldoet;
c) tussen EU-olijfolie van de eerste persing, voor verlichting, van GN-code 1509 10 10 die voldoet aan de beschrijving in punt 1, onder c), van deel VIII van bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 1308/2013, en niet- EU-olijfolie van de eerste persing, voor verlichting, van dezelfde GN-code, mits het veredelingsproduct:
- geraffineerde olijfolie is van GN-code 1509 90 00 die voldoet aan de beschrijving in punt 2 van deel VIII van bovengenoemde bijlage VII, of
- olijfolie is van GN-code 1509 90 00 die voldoet aan de beschrijving in punt 3 van bovengenoemde van deel VIII van bovengenoemde bijlage VII en verkregen is door vermenging met EU-olijfolie van de eerste persing van GN-code 1509 10 90.
(2) voor olie uit perskoeken van olijven:
tussen ruwe EU-olie uit perskoeken van olijven van GN-code 1510 00 10 die voldoet aan de beschrijving in punt 4 van deel VIII van bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 1308/2013, en ruwe niet-EU-olie uit perskoeken van olijven van dezelfde GN-code, mits het veredelingsproduct olie uit perskoeken van olijven is van GN-code 1510 00 90 die voldoet aan de beschrijving in punt 6 van deel VIII van bovengenoemde bijlage VII en verkregen is door vermenging met EU-olijfolie van de eerste persing van GN-code 1509 10 90.
B. De menging van de in punt A, 1), onder c), tweede streepje, en in punt A, 2), bedoelde oliën met niet-EU-olijfolie van de eerste persing die op dezelfde wijze wordt gebruikt, is uitsluitend toegestaan indien de controle op de regeling zodanig is dat het aandeel niet-EU-olie van de eerste persing in de totale hoeveelheid uitgevoerde gemengde olie kan worden vastgesteld.
C. De veredelingsproducten dienen te worden verpakt in onmiddellijke verpakkingen met een inhoud van 220 liter of minder. In afwijking hiervan kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat de in de voorgaande punten omschreven olie wordt uitgevoerd in toegelaten containers van maximaal 20 ton, mits de hoeveelheid en de kwaliteit van het uitgevoerde product systematisch worden gecontroleerd.
D. De equivalentie wordt, wat de voor de menging gebruikte hoeveelheid olie betreft, gecontroleerd aan de hand van de administratie van de onderneming. Voor de controle van de kwaliteit wordt een vergelijking gemaakt van de technische kenmerken van de monsters van de niet-EU-olie, genomen toen de olie onder de regeling werd geplaatst, met de technische kenmerken van de monsters van de EU-olie, genomen toen het betrokken veredelingsproduct werd verwerkt, en met de technische kenmerken van de monsters, genomen op de plaats van uitgang toen het veredelingsproduct daadwerkelijk werd uitgevoerd. Monsters worden genomen volgens de internationale normen EN ISO 5555 (bemonstering) en EN ISO 661 (verzending van monsters naar laboratoria en preparatie van monsters voor proefnemingen). De analyse wordt verricht volgens het bepaalde in bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2568/91 van de Commissie (1).Het gebruik van equivalente goederen is niet toegestaan voor goederen die onder bijlage 71-02 vallen.
____________
(1) PB L 248
BIJLAGE VI - Voorbeeld van het gebruik van equivalente goederen in een douane-entrepot
De douaneadministratie van Lidstaat (LS) A heeft een vergunning particulier entrepot aan bedrijf X afgeleverd. De vergunning heeft betrekking op meerdere lidstaten met een opslaglocatie in LS A en een opslaglocatie in LS B. Het gebruik van equivalente goederen is toegestaan.
Op 1 mei komen 1000 niet-Unie autobanden aan op de locatie in LS A en worden deze onder de regeling douane-entrepot geplaatst.
Op 20 april komen 100 equivalente autobanden aan in de locatie van LS B en worden in de administratie ingeschreven. Op 5 mei komen 500 bijkomende equivalente autobanden aan in LS B en deze worden ook opgenomen in de administratie. Tenslotte komen op 10 mei 400 niet-Unie autobanden aan in de locatie van LS B die onder de regeling douane-entrepot worden geplaatst.
Op 1 juni krijgt bedrijf X een bestelling om 1000 autobanden te leveren naar een derde land. Deze autobanden worden geleverd van de locatie in LS B.
De 400 niet-Unie autobanden worden aangegeven voor wederuitvoer en de 600 equivalente autobanden worden aangegeven voor uitvoer op 5 juni en verlaten het douanegebied van de Unie om 18:00 op dezelfde dag.
600 van de niet-Uniegoederen die onder de regeling douane-entrepot in de locatie van de LS A werden Uniegoederen op exact dezelfde tijd als wanneer de equivalente goederen het Douanegebied van de Unie hebben verlaten.
BIJLAGE VII - Bijlage 71-03 - Lijst van toegestane gebruikelijke behandelingen
(Artikel 220 van het wetboek) Tenzij anders vermeld, kan geen van de navolgende behandelingen aanleiding geven tot een indeling onder een andere achtcijfercode van de GN:
Bovendien kan geen van de volgende behandelingen leiden tot een ongerechtvaardigd voordeel op het gebied van de rechten bij invoer.
Voor de toepassing van de vorige alinea wordt elk van de hierna opgenomen gebruikelijke behandelingen die een wijziging in de GN of in de oorsprong van niet-Uniegoederen omvatten, geacht te leiden tot een ongerechtvaardigd voordeel op het gebied van de rechten bij invoer indien de goederen op het tijdstip waarop de gebruikelijke behandelingen aanvangen, onderworpen zouden zijn aan een voorlopig of definitief antidumpingrecht, een compenserend recht, een vrijwaringsmaatregel of een aanvullend recht dat voortvloeit uit een schorsing van concessies indien zij werden aangegeven voor het vrije verkeer
(1) het luchten, uitspreiden, drogen, stof wegruimen, eenvoudige schoonmaakhandelingen, herstelling van de verpakking, eenvoudige herstellingen van gedurende het vervoer of de opslag opgelopen beschadigingen in zoverre dit eenvoudige handelingen betreft, het aanbrengen of weghalen van beschermende bekleding met het oog op het vervoer;
(2) het herconstrueren van goederen na het vervoer;
(3) het inventariseren, het nemen van monsters, het sorteren, zeven, mechanisch filteren of wegen van de goederen;
(4) het verwijderen van beschadigde of aangetaste delen;
(5) het verbeteren van de houdbaarheid van de goederen door middel van pasteurisatie, sterilisatie, bestraling of toevoeging van bewaarmiddelen;
(6) het behandelen tegen parasieten;
(7) het behandelen tegen roest;
(8) behandelingen die slechts bestaan uit:
- het verhogen van de temperatuur, zonder verdere behandeling of distillatie, of
- het verlagen van de temperatuur,
ook indien dit tot indeling onder een andere achtcijfercode van de GN leidt;
(9) elektrostatische behandeling, het ontkreuken of strijken van textiel;
(10) behandelingen bestaande uit:
- het verwijderen van steeltjes en/of pitten van fruit, het in stukken breken of snijden van gedroogde groenten en fruit, de rehydratering van fruit, of
- de dehydratering van fruit, ook indien dit tot indeling onder een andere achtcijfercode van de GN leidt;
(11) het ontzilten, schoonmaken en crouponeren van huiden;
(12) het toevoegen van goederen of toevoeging of vervanging van bijkomende componenten zolang deze toevoeging of vervanging relatief beperkt is en slechts bedoeld om aan technische eisen te voldoen en de aard of de prestaties van de oorspronkelijke goederen hierdoor niet worden gewijzigd of verbeterd, ook indien dit tot indeling van de toegevoegde of vervangende goederen onder een andere achtcijfercode van de GN leidt;
(13) het verdunnen of indikken van vloeistoffen, zonder verdere behandeling of distillatie, ook indien dit tot indeling onder een andere achtcijfercode van de GN leidt;
(14) het mengen van dezelfde soort goederen, van verschillende kwaliteit, om een constante kwaliteit te verkrijgen of een kwaliteit waarom de afnemer heeft gevraagd, zonder dat de aard van de goederen hierdoor wordt gewijzigd;
(15) het mengen van gas- of stookolie zonder biodiesel met gas- of stookolie met biodiesel, ingedeeld onder hoofdstuk 27 van de GN, om een constante kwaliteit te verkrijgen of een kwaliteit waar de afnemer om heeft gevraagd, zonder dat de aard van de goederen hierdoor wordt gewijzigd, ook indien dit tot indeling onder een andere achtcijfercode van de GN leidt;
(16) het mengen van gas- of stookolie met biodiesel zodat het verkregen mengsel minder dan 0,5 volumepercent aan biodiesel bevat, en het mengen van biodiesel met gas- of stookolie zodat het verkregen mengsel minder dan 0,5 volumepercent aan gas- of stookolie bevat;
(17) het opdelen of in stukken snijden van de goederen indien dit op eenvoudige wijze is te doen;
(18) het verpakken, uitpakken, ompakken, het overgieten of overbrengen in een andere verpakking, ook indien dit tot indeling onder een andere achtcijfercode van de GN leidt; het bevestigen, verwijderen of wijzigen van merktekens, etiketten, prijskaartjes of andere onderscheidingstekens;
(19) het testen, bijstellen, afstellen en in werking stellen van machines, apparaten en voertuigen, met name om aan technische normen te voldoen, indien het uitsluitend eenvoudige handelingen betreft;
(20) het mat maken van pijpfittingen om deze op bepaalde markten te kunnen verkopen;
(21) het denatureren, ook indien dit tot indeling onder een andere achtcijfercode van de GN leidt;
(22) andere gebruikelijke behandelingen dan de bovenvermelde die tot doel hebben de presentatie of handelskwaliteit van de invoergoederen te verbeteren of deze voor te bereiden op de distributie of wederverkoop, voor zover deze behandelingen de aard van de oorspronkelijke goederen niet wijzigen of de prestaties ervan verbeteren.
