11.04.1994 - Omzendbrief D.I. 800.49 - D.C. 54.950

GESCHILLEN

WET VAN 24 DECEMBER 1993

WET VAN 27 DECEMBER 1993 WIJZIGINGEN INZAKE GESCHILLEN

D.I. 800.49

D.C. 54.950

Bijlage : 1 Brussel, 11 april 1994.

  1. In het Belgisch Staatsblad van 30 december 1993 wordt de wet van 27 december 1993 tot wijziging van de algemene wet inzake douane en accijnzen bekendgemaakt. Die wijzigingen aan de algemene wet zijn opgenomen in supplement 6 van het Handboek inzake geschil- len (D.I. 803.4) waarbij de bijlage D wordt aangepast.
  1. In het Belgisch Staatsblad van 31 december 1993 wordt de programmawet van 24 december 1993 bekendgemaakt. Een uittreksel van die wet is opgenomen in bijlage.
  1. Beide wetten bevatten een aantal bepalingen die van groot belang zijn voor de vaststelling van overtredingen en voor de afhande- ling van de overtredingsdossiers.
  1. In afwachting van een aanpassing van de diverse instructies volgt hierna een korte uiteenzetting van de gevolgen van die bepalingen inzake geschillen.

Bon O.S.D. nr. 163/94


A. Verjaringstermijnen van de misdrijven inzake douane en accijnzen

  1. Artikel 25 van de programmawet van 24 december 1993 wijzigt artikel 21 van de wet van 17 april 1878 houdende de vooraf- gaande titel van het Wetboek van strafvordering. Daardoor wordt de verjaringstermijn voor de wanbedrijven van drie op vijf jaar gebracht. Deze wijziging treedt in werking op 31 december 1993.
  1. De tekst van vorenvermeld artikel 21 van het wetboek van strafvordering luidt thans als volgt :

“De strafvordering verjaart door verloop van tien jaren, vijf jaren of zes maanden, te rekenen vanaf de dag waarop het misdrijf is gepleegd, naargelang dit misdrijf een misdaad, een wanbedrijf of een overtreding is;

De termijn is evenwel één jaar ingeval een wanbedrijf wordt omgezet in een overtreding.”

  1. Aangezien voor de verjaring van de misdrijven inzake douane en accijnzen de beginselen van het gemeen recht van toepassing zijn heeft dit voor gevolg dat de verjaringstermijn thans 5 jaar bedraagt.
  1. Overeenkomstig een vaststaande rechtspraak hebben de wetten die de verjaringstermijnen van de strafvordering verlengen een onmiddellijke toepassing en zijn bijgevolg toepasselijk op alle vorderingen die aan de gang waren voor de inwerkingtreding ervan en die op die datum nog niet verjaard zijn.
  1. Zulks betekent dat voor de misdrijven inzake douane en accijnzen waarvoor sinds de dag van het misdrijf of indien een stuitende handeling heeft plaats gevonden (bijv. proces-verbaal) sinds de laatste stuitende handeling, nog geen termijn van drie jaar is verlopen op 31 december 1993, de verjaringstermijn wordt verlengd met twee jaar. Indien binnen die termijn van vijf jaar een stuitende handeling wordt gesteld bedraagt de maximale verjaringstermijn tien jaar.

Herdruk


  1. Die beginselen zijn van toepassing op alle op 31 december 1993 nog niet verjaarde en nog niet definitief afgehandelde misdrijven inzake douane en accijnzen ongeacht in welk stadium van afhandeling zij zich bevinden (transactie, proces-verbaal, ingeleide vordering, beroep, enz.).

B. Verhoging van een aantal boetes

  1. Door de wet van 27 december 1993 worden een aantal boetes inzake douane en accijnzen verhoogd.
  1. Aldus wordt de boete van 1.000 frank bepaald in de  1 en 2 van artikel 114 en  2 van artikel 115 van de algemene wet inzake douane en accijnzen verhoogd tot 5.000 frank.
  1. De boete van 1.000 tot 5.000 frank bepaald in artikel 157 van de algemene wet inzake douane en accijnzen wordt verhoogd tot een boete van 5000 tot 50.000 frank.
  1. In artikel 257  1 en 2 van de algemene wet inzake douane en accijnzen wordt de boete van 500 frank verhoogd tot een boete van 5.000 tot 15.000 frank.
  1. De bij de strafwet voorzien zwaardere straffen zijn slechts van toepassing voor de feiten die gepleegd zijn na de inwerkingtreding van de wet die de zwaardere straffen bepaalt.
  1. Dit betekent dat enkel voor de feiten gepleegd vanaf 1 januari 1994 (datum van inwerkingtreding van de wet van 27 december 1993) de zwaardere boetes kunnen worden opgelegd op basis van de vorenvermelde wetsbepaling.
  1. Bij transactionele afhandeling van die overtredingen op de in de cijfers 12, 13 en 14 vermelde artikelen zal de op te leggen boete niet lager zijn dan de wettelijke boete/minimumboete.

Herdruk


C. Strafrechtelijke aansprakelijkheid van natuurlijke personen of rechtspersonen

  1. Artikel 45 van de wet van 27 december 1993 voegt aan artikel 265 van de algemene wet inzake douane en accijnzen een  3 toe die luidt als volgt :

“ 3. De natuurlijke personen of de rechtspersonen zijn burger- lijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de geldboeten en kosten die het gevolg zijn van de veroordelingen die ingevolge de wetten inzake douane en accijnzen tegen hun gemachtigden of bestuurders, zaakvoerders of vereffenaars zijn uitgesproken wegens misdrijven die zij in die hoedanigheid hebben begaan.”

  1. In de artikelsgewijze bespreking van memorie van toelich- ting wordt dienomtrent het volgende gezegd

Artikel 45 (nieuw)

Ingevolge het opheffen van artikel 100, 2e lid van het Stafwet- boek door artikel 105 van de wet van 6 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen is het gemengd karakter van de geldboete inzake douane en accijnzen (schadevergoeding en straf) op de helling komen te staan. Het gemengd karakter was immers volgens de rechtspraak gesteund op artikel 100, 2e lid, van het Strafwetboek. Alhoewel de rechtspraak en de rechtsleer nog geen definitief standpunt hebben ingenomen is het wenselijk in de algemene wet inzake douane en accijnzen een bepaling op te nemen waaruit blijkt dat de rechtsper- sonen burgerlijk aansprakelijk zijn voor de geldstraffen uitgesproken ten laste van hun organen of aangestelden. Indien immers de geldboete inzake douane en accijnzen enkel nog een strafkarakter heeft, kan zij niet worden verhaald op de rechtspersonen. Strafrechtelijke geldboetes kunnen enkel worden uitgesproken ten laste van de organen (natuurlijke personen) van de rechtspersoon en zij kunnen op deze laatste enkel verhaald worden indien een specifieke wetsbepaling voorziet dat de rechtspersoon burgerlijk aan- sprakelijk is voor de veroordelingen opgelopen door haar organen of aangestelden. Op die wijze wordt tevens de rechtspersoon aansprakelijk gesteld voor de fraude, waarvan hij het economisch voordeel heeft genoten. Dat is dan ook de bedoeling van de nieuwe paragraaf 3 van artikel 265. Een gelijkaardige bepaling is opgenomen in artikel 73sexies van het BTW-wetboek en artikel 458 van het Wetboek van inkomstenbelasting 1992.”


  1. Een en ander betekent dat wanneer een natuurlijke per- soon, orgaan van een rechtspersoon, in overtreding wordt gesteld, de rechtspersoon op basis van het bepaalde in artikel 265,  3 van de algemene wet inzake douane en accijnzen eveneens moet worden uitgenodigd de door zijn orgaan verschuldigde boetes te betalen. Bij het opstellen van een proces-verbaal lastens het orgaan van een rechtspersoon zal deze laatste daarin eveneens worden opgenomen op basis van vorenvermeld artikel 265,  3. Die bepaling zal worden toegepast op alle nog niet afgehandelde zaken die nog niet bij de rechtbank werden ingeleid.

D. Dadelijke uitwinning

  1. Tot op heden kon een dwangbevel alleen worden opge- maakt ten laste van een in ons land gevestigde belastingplichtige aangezien een dwangbevel uitvoerbaar werd verklaard door de gewes- telijke directeur van de woonplaats van de schuldenaar of diens borg.
  1. Artikel 49 van de wet van 27 december 1993 tot wijziging van de algemene wet inzake douane en accijnzen wijzigt artikel 314 van die algemene wet in die zin dat het dwangbevel thans opgesteld wordt door de met invordering belaste ontvanger en geviseerd en uitvoerbaar wordt verklaard door de gewestelijk directeur in wiens ambtsgebied de bevoegde ontvanger is gevestigd. Bijgevolg kan ook ten laste van in het buitenland gevestigde belastingplichtigen een dwangbevel worden opgemaakt.
  1. De betekening van die dwangbevelen in ons land kan geschieden door de ambtenaren of door een bij de post verzonden aangetekende brief. Voor de betekening van dwangbevelen binnen de Europese Unie dient overeenkomstig het bepaalde in de instructie “Wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen in de EEG” (D.I. 804.866 - D.C. 56.400) een verzoek tot notificatie te worden opgemaakt.

E. Overtredingen inzake landbouwheffingen

  1. In het gewijzigde artikel 1 van de algemene wet inzake douane en accijnzen wordt in cijfer 4° een nieuwe definitie gegeven van rechten. Die omvatten de rechten bij invoer en de rechten bij uitvoer d.w.z. de douanerechten en de heffingen van gelijke werking, de landbouwheffingen en de andere belastingen bij in- of uitvoer in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
  1. Krachtens het nieuwe artikel 4 is de Administratie der douane en accijnzen bevoegd voor de inning van :
  1. de douanerechten en heffingen van gelijke werking bij in- en uitvoer in algemene zin;
  1. de landbouwheffingen en andere belastingen bij in- en uitvoer in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, mede krachtens het koninklijk besluit van 30 december 1993 betreffende de toepassing van de handelingen uitgaande van de bevoegde instellingen der Europese Gemeenschappen in verband met de landbouw.
  1. Aangezien de meeste strafbepalingen van de algemene wet inzake douane en accijnzen proportionele geldboeten in functie van de in het spel zijnde rechten (bv. tienmaal de rechten) bevatten, zijn de boeten die voorheen van toepassing waren op de douanerechten door de wijziging van de definities mutatis mutandis van toepassing op alle rechten, de landbouwheffingen inbegrepen.
  1. De richtlijnen die voorheen gegeven waren voor de vaststelling en de bestraffing van misdrijven waarbij douanerechten in het spel zijn, gelden in dezelfde mate voor de ontdoken landbouwheffingen. Dossiers betreffende landbouwheffingen moeten bijgevolg niet meer onderworpen worden aan de C.D.C.V.

F. Overtredingen inzake restituties

  1. Het nieuwe artikel 232 van de algemene wet inzake douane en accijnzen bestraft de overtredingen waarbij ten onrechte aanspraak wordt gemaakt op de toe te kennen bedragen bij in- of uitvoer (zie artikel 1, 4° A.W.). Daarmee worden hoofdzakelijk de restituties bedoeld.
  1. Onverminderd de terugbetaling van de ten onrechte ver- kregen bedragen worden de overtredingen bestraft met de verbeurd- verklaring van de goederen en een boete van tweemaal de toe te kennen bedragen.
  1. Aangezien de toe te kennen bedragen voorlopig nog beheerd worden door de C.D.C.V., moet die dienst bij de vaststelling van een overtreding verder geraadpleegd worden tot regularisatie op het vlak van de restituties.
  1. Voor de afhandeling van de inbreuken inzake restituties blijven de  110 t/m 115 van de instructie Afhandeling van de mis- drijven inzake douane van toepassing (D.I. 806.0) met dien verstande dat :
  1. ze worden bestraft krachtens het nieuwe artikel 232 van de algemene wet inzake douane en accijnzen;
  1. wat de geldigmaking achteraf van aangiften ten uitvoer betreft, het in  112 vermelde bedrag van 5.000 frank op 20.000 frank wordt gebracht;
  1. bij minnelijke schikking ( 113) het volgende tarief moet worden toegepast :

- normaal : 1/4 van de in het spel zijnde restituties;


- indien de gewestelijk directeur oordeelt dat de normale boete ten aanzien van de specifieke omstandigheden te zwaar is : 1/10 van de in het spel zijn restituties;

- bij fraude-inzicht : de wettelijke straffen.

Wellicht ten overvloede wordt de aandacht erop gevestigd dat de transactie steeds de terugbetaling van de ten onrechte verkregen bedragen moet bevatten.

Voor de Directeur-generaal : De Auditeur-generaal d.d.,

J. DEWILDE


BIJLAGE

24 DECEMBER 1993. - PROGRAMMAWET

(Belgisch Staatsblad van 31 december 1993) (Uittreksel)


........................


HOOFDSTUK I JUSTITIE

Afdeling III


Verlenging van de verjaringstermijnen van de strafvordering met betrekking tot

bepaalde misdrijven

Art. 25

In artikel 21 van de wet van 17 april 1878 houdende de vooraf- gaande titel van het Wetboek van strafvordering, gewijzigd bij de wet van 30 mei 1961, worden de woorden “drie jaren” vervangen door de woorden “vijf jaren”.

Art. 26

1. De artikelen 1 tot 15 en de artikelen 17 tot 24 treden in

werking op 1 januari 1994.

2. Artikel 16 treedt in werking op 1 januari 1995.

3. Artikel 25 treedt in werking de dag waarop deze wet in het

Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

........................