Circulaire nr. Ci.D.19/416.334 32e afl. dd. 09.09.1992
CIRC 09.09.92/1
Circulaire nr. Ci.D.19/416.334 32e afl. dd. 09.09.1992
Bull. nr. 720, pag. 2656
DEFINITIEF BELAST INKOMEN
Aftrek
Aftrekbaar gedeelte
Liquidatiebonus
Niet-aftrekbaar gedeelte
Voorwaarden van eigendom
Voorwaarde van vastheid
FISCALE BEPALINGEN 1989
Definitief belast inkomen
Vrijgesteld roerend inkomen
VRIJGESTELD ROEREND INKOMEN
Aftrek
Aftrekbaar gedeelte
Liquidatiebonus
Commentaar op de art. 275 tot 277 en 312, §4, W. 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen en op art. 33, W. 28.12.1990 betreffende de verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen (V. 2073-B.702).
Wijzigingen aan het stelsel van de D.B.I., en de V.R.I. voor het aj. 1991.
INHOUDSTAFEL Nrs. I. WETTEKSTEN II/451 II. ALGEMEEN II/452 - II/457 III. DEFINITIEF BELASTE INKOMSTEN (D.I.B.) A. Bedoelde inkomsten II/458 - II/459 B. Uitgesloten inkomsten 1. Algemeen II/460 en II/461 2. Niet belaste inkomsten II/462 - II/465 3. Inkomsten uit vennootschappen die gevestigd zijn in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België II/466 en II/467 4. Holding- of financieringsvennootschappen die in het land waarin ze zijn gevestigd onderworpen zijn aan een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht II/468 - II/471 5. Investeringsvennootschappen II/472 6. Draagwijdte van de uitsluitingen II/473 - II/476 C. Waardeverminderingen II/477 - II/478 IV. ALS D.B.I. en V.R.I. IN AANMERKING TE NEMEN BASISBEDRAG II/479 - II/482 V. VOORWAARDE VAN VASTHEID II/483 - II/485 VI. MATE VAN AFTREK VAN DE D.B.I. EN V.R.I. II/486 en II/487 VII. INWERKINGTREDING II/488 I. WETTEKSTEN
II/451 WIB (aj. 1991)
Art. 111
§ 1. Van de winst van het belastbare tijdperk worden mede afgetrokken, voor zover zij erin voorkomen :
1° mits ze op vaste deelnemingen betrekking hebben, de inkomsten uit aandelen of delen of uit belegde kapitalen, met inbegrip van de in artikel 12, § 1,3°, en in artikel 15, tweede lid, 1°, bedoelde inkomsten, maar met uitzondering van de inkomsten die zijn verkregen wegens de afstand aan vennootschap van haar eigen aandelen of delen of wegens de gehele of gedeeltelijke verdeling van het vermogen van een vennootschap;
2° mits het op vaste deelnemingen betrekking heeft en voor zover de bepalingen van de artikelen 103 of 118 of van gelijkaardige bepalingen naar buitenlands recht zijn toegepast, een bedrag gelijk aan het verschil in meer tussen de sommen verkregen in de in die artikelen bedoelde gevallen en de aanschaffings- of beleggingsprijs van de aandelen of delen die worden verkregen, terugbetaald of geruild door de vennootschap die ze had uitgegeven, eventueel verhoogd met de desbetreffende, voorheen uitgedrukte en niet vrijgestelde meerwaarden;
3° interesten van voorschotten die de belastingplichtige heeft toegestaan aan een vennootschap die niet een vennootschap op aandelen of een door de Nationale Raad van de Coöperatie erkende coöperatieve vennootschap is, en in welke hij in het kapitaal een vaste deelneming bezit;
4° inkomsten uit preferente aandelen van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
5° inkomsten uit Belgische openbare fondsen of leningen van voormalig Belgisch-Kongo die werden uitgegeven onder vrijstelling van Belgische zakelijke en personele belastingen of van elke belasting;
6° inkomsten uit effecten van leningen tot herfinanciering van de leningen gesloten door de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting en de Nationale Landmaatschappij die de verplichtingen van de voornoemde maatschappijen zou overnemen.
§ 2. De in § 1, 1° tot 3°, bedoelde inkomsten zijn slechts aftrekbaar indien ze worden verleend of toegekend door vennootschappen die aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen of, wat de in het buitenland gevestigde vennootschappen betreft, die onderworpen zijn aan een belasting gelijkaardig aan de vennootschapsbelasting.
Die inkomsten zijn evenwel niet aftrekbaar indien ze worden verleend of toegekend :
1° door vennootschappen die gevestigd zijn in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België;
2° door holding- of financieringsvennootschappen die in het land waarin ze zijn gevestigd aan een belastingstelsel zijn onderworpen dat afwijkt van het gemeenrecht;
3° door investeringsvennootschappen.
Het eerste lid is niet van toepassing op de inkomsten die worden verleend of toegekend door in artikel 94, tweede lid, a, bedoelde intercommunales.
Het tweede lid, 2°, en 3°, is niet van toepassing voor zover het bewijs wordt geleverd dat de inkomsten voortkomen van door die vennootschappen verkregen inkomsten die zelf aan de voor aftrek gestelde voorwaarden voldoen.
§ 3. De in § 1, 1°, bedoelde inkomsten worden niet afgetrokken voor zover dat hun toekenning of betaalbaarstelling een waardevermindering tot gevolg heeft van de aandelen of delen waarop ze betrekking hebben.
Art. 112
§ 1. Voor de toepassing van artikel 111, § 1, 1° tot 3°, worden geacht vaste deelneming te zijn :
1° aandelen of delen die de belastingplichtige gedurende het gehele belastbare tijdperk ononderbroken in volle eigendom heeft gehad; voor de toepassing van deze bepaling worden aandelen of delen die in het belastbare tijdperk het voorwerp zijn geweest van een akte van vervreemding onder ontbindende voorwaarde die in hetzelfde tijdperk of nadien in vervulling komt, in afwijking van artikel 1183 van het Burgerlijk Wetboek, geacht voor een gedeelte van dat tijdperk vervreemd te zijn geweest;
2° aandelen of delen waarvan de belastingplichtige in het belastbare tijdperk naar aanleiding van de verdeling van het maatschappelijk vermogen of van de fusie, splitsing of omzetting van de emitterende vennootschap de terugbetaling of de ruil heeft bekomen, mits hij die aldus terugbetaalde of omgeruilde aandelen of delen vanaf het begin van dat tijdperk tot bij de terugbetaling of ruiling ononderbroken in volle eigendom heeft gehad;
3° aandelen of delen die de belastingplichtige in het belastbaar tijdperk naar aanleiding van een in 2° vermelde verrichting in ruil heeft verkregen, mits hij die aandelen of delen vanaf de ruil tot op het einde van dat belastbare tijdperk ononderbroken in volle eigendom heeft gehad;
4° aandelen of delen die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk naar aanleiding van een onder vrijstelling van inkomstenbelasting uitgevoerde fusie, splitsing of omzetting van vennootschappen, van inbreng van takken van werkzaamheid of van inbreng van de algemeenheid van goederen, heeft ingebracht of als inbreng heeft verkregen mits hij de aldus ingebrachte of als inbreng verkregen aandelen of delen, naar gelang van het geval, vanaf het begin tot op het einde van dat tijdperk, ononderbroken in volle eigendom heeft gehad;
5° aandelen of delen die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk in ruil voor converteerbare obligaties heeft verkregen, mits hij, eensdeels, die obligaties vanaf het begin van dat tijdperk tot bij de omzetting en, anderdeels, die aandelen of delen vanaf de omzetting tot op het einde van dat tijdperk ononderbroken in volle eigendom heeft gehad.
§ 2. Artikel 111, § 1, 2°, is niet van toepassing voor zover het aldaar bedoelde meerdere bedrag met vroeger ingevolge artikel 40, § 1, 2°, vrijgestelde meerwaarden overeenstemt.
§ 3. Het bepaalde in § 1, 1°, is niet van toepassing op de deelneming die coöperatieve vennootschappen, erkend door de Nationale Raad van de Coöperatie, gedurende het belastbare tijdperk genomen hebben, en waarop een proratadividend wordt vergoed.
Art. 113 (1)
§ 1. De in artikel 111, § 1, 1°, 3° tot 5°, vermelde inkomsten worden geacht in de winst van het belastbare tijdperk voor te komen tot 90 % van de geïnde of verkregen bedrag eventueel vermeerderd ingevolge artikel 97 of verminderd, wanneer het om in artikel 111, § 1, 5° en 6°, vermelde inkomsten gaat, met de aan de verkoper toegekende interest ingeval de produktieve effecten in het belastbare tijdperk zijn verworven.
De in artikel 111, § 1, 2°, bedoelde bedragen worden geacht in de winst van het belastbare tijdperk voor te komen tot 90 % van hun bedrag dat vooraf is vermeerderd ingevolge artikel 29, § 1, van de wet van 7 september 1988.
§ 2. Behalve voor de in artikel 19, 8°, vermelde vennootschappen, wordt het in § 1 bepaalde gedeelte van 90 % verlaagd tot 85 %voor de ondernemingen die deelnemingen bezitten waarvan de beleggingswaarde meer bedraagt dan 50 %, hetzij van het nog terug te betalen werkelijk gestorte maatschappelijk kapitaal, eventueel gerevaloriseerd overeenkomstig artikel 119, hetzij van het nog terug te betalen werkelijk gestorte maatschappelijk kapitaal verhoogd met de aangeslagen reserves en de geboekte meerwaarden. De waarde van de deelnemingen en het bedrag van het maatschappelijk kapitaal, de reserves en de meerwaarden moeten worden genomen de dag waarop de vennootschap, die de deelnemingen bezit, haar balans heeft afgesloten.
Om te bepalen of de grens van 50 % overschreden is, worden de actieve en vaste deelnemingen, die minstens 75 % vertegenwoordigen van het maatschappelijk kapitaal van de emitterende vennootschap, niet in aanmerking genomen.
§ 3. Een aftrek ingevolge artikel 111 wordt niet verricht ter zake van inkomsten uit activa die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt in inrichtingen waarover de belastingplichtige buitenslands beschikt en waarvan de winst krachtens internationale overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting is vrijgesteld.
§ 4. De aftrek ingevolge artikel 111 wordt beperkt tot het bedrag van de winst van het belastbare tijdperk, zoals dit zich voordoet na toepassing van artikel 110.
(1) In de tekst van art. 113, WIB werd rekening gehouden met art. 30, W. 07.12.1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen (V. 1957 - B. 679), dat de percentages van 95 en 90 respectievelijk heeft teruggebracht tot 90 en 85 % (zie eveneens circ. 07.09.1990, Ci.D.19/402.192, 21e aflevering, nrs. II/502 tot 504 - B. 698).
Art. 312, § 4
....
"§ 4. Voor het aanslagjaar 1991 en voor de toepassing van artikel 112 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen wordt de vruchtgebruiker gelijkgesteld met een volle eigenaar wanneer hij het materieel bewijs levert dat de splitsing van eigendom bestond voor 1 december 1989".
II. ALGEMEEN
II/452
De navolgende commentaar heeft uitsluitend betrekking op de bepalingen betreffende het stelsel van de definitief belaste inkomsten (D.B.I.) en de vrijgesteld roerende inkomsten (V.R.I.) zoals die voor het aj. 1991 van toepassing zijn.
De art. 1, A tot C en 2, W. 23.10.1991 tot omzetting in het Belgische recht van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23.07.1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen (V. 2143 - B. 712) hebben, meestal met ingang van het aj. 1992, opnieuw belangrijke wijzigingen aangebracht aan het stelsel van de D.B.I. en de V.R.I. Die wijzigingen zullen later worden gecommentarieerd.
II/453
Art. 275, 1°, W. 22.12.1989, bepaalt dat, voor verrichtingen die vanaf 01.01.1990 plaatsgrijpen, de liquidatiebonussen, voortaan worden aangemerkt als D.B.I. mits zij betrekking hebben op vaste deelnemingen en voor zover de bepalingen van de art. 103, WIB (verkrijging van eigen aandelen of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen), of art. 118, WIB (gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen) of van gelijkaardige bepalingen naar buitenlands recht zijn toegepast.
II/454
Art. 275, 2°, W. 22.12.1989 vult met ingang van het aj. 1991, art. 111, WIB, aan met een § 2 waardoor :
II/455
Bovendien heeft art. 275, 3°, W. 22.12.1989, art. 111, WIB, aangevuld met een § 3 waardoor inkomsten uit aandelen of delen als bedoeld in art. 111, § 1, 1° (dus niet de liquidatiebonussen en de interesten van rentegevende voorschotten) niet als D.B.I. worden afgetrokken voor zover hun toekenning of betaalbaarstelling een waardevermindering tot gevolg heeft van de aandelen of delen waarop de inkomsten betrekking hebben (deze bepaling is van toepassing op de verrichtingen die vanaf 01.01.1990 plaatsgrijpen).
II/456
Art. 276, W. 22.12.1990 heeft, behoudens loutere wijzigingen naar de vorm, in art. 112, WIB, telkenmale de woorden "in eigendom" en het woord "deelneming" vervangen door respectievelijk de woorden "in volle eigendom" en de woorden "aandelen of delen" waardoor in beginsel als vaste deelnemingen worden aangemerkt de aandelen of delen die de belastingplichtige gedurende het volledige belastbare tijdperk ononderbroken in volle eigendom heeft gehad.
Evenwel bepaalt art. 312, § 4, W. 22.12.1989 dat voor het aj. 1991 de vruchtgebruiker wordt gelijkgesteld met volle eigenaar wanneer het materieel bewijs wordt geleverd dat de splitsing van de eigendom reeds voor 01.12.1989 bestond.
II/457
De wijzigingen die art. 277, W. 22.12.1989, heeft aangebracht in art. 113, WIB, hebben inzonderheid tot gevolg dat de inkomsten van de in art. 111, § 1, 6°, bedoelde effecten van herfinancieringsleningen :
III. DEFINITIEF BELASTE INKOMSTEN (D.B.I.)
II/458
Zoals voorheen komen voor aftrek als D.B.I. in aanmerking (z. Com.I.B. 110/27) :
1° op voorwaarde dat ze op vaste deelneming betrekking hebben, de inkomsten uit aandelen of delen of uit belegde kapitalen;
2° op voorwaarde dat de vennootschap een vaste deelneming bezit in een personenvennootschap, andere dan een erkende coöperatieve vennootschap, de interesten van voorschotten die de vennootschap aan die personenvennootschap heeft toegestaan.
Bovendien worden, in tegenstelling met wat vroeger het geval was, de liquidatiebonussen betreffende verrichtingen die vanaf 01.01.1990 plaatsgrijpen, voortaan eveneens als D.B.I. aangemerkt voor zover :
Het betreft hier derhalve liquidatiebonussen die :
II/459
De onderrichtingen opgenomen in Com.I.B. 110/27, tweede gedachtenstreepje, 5° en 110/32 tot 34, blijven evenwel ongewijzigd van toepassing wanneer de liquidatiebonussen betrekking hebben op verrichtingen die voor 01.01.1990 hebben plaatsgevonden, d.w.z. op :
B. UITGESLOTEN INKOMSTEN
1. Algemeen
II/460
Alhoewel ze luidens art. 111, § 1, WIB in principe in aanmerking komen voor D.B.I.-aftrek worden bepaalde inkomsten overeenkomstig art. 111, § 2, WIB uitdrukkelijk van de D.B.I.-aftrek uitgesloten.
Vooreerst zijn de inkomsten slechts aftrekbaar indien ze worden verleend of toegekend door vennootschappen die onderworpen zijn aan de Ven.B of, wat de in het buitenland gevestigde vennootschappen betreft, die onderworpen zijn aan een belasting gelijkaardig aan de Ven.B (art. 111, § 2, 1e lid, WIB).
II/461
Bovendien zijn niet aftrekbaar als D.B.I. de inkomsten verleend of toegekend door (art. 111, § 2, 2e lid, WIB).
1° vennootschappen die zijn gevestigd in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België;
2° holding- of financieringsvennootschappen die in het land waarin ze zijn gevestigd aan een belastingstelsel zijn onderworpen dat afwijkt van het gemeen recht;
3° investeringsvennootschappen.
De uitsluiting is evenwel niet van toepassing op de onder 2° en 3° hiervoor bedoelde inkomsten voor zover het bewijs wordt geleverd dat de inkomsten voortkomen van door die vennootschappen verkregen inkomsten die zelf aan de voor aftrek gestelde voorwaarden voldoen (art. 111, § 2, 4e lid, WIB).
2. Niet belaste inkomsten
II/462
De inkomsten van Belgische oorsprong zijn slechts als D.B.I. aftrekbaar indien ze zijn verleend of toegekend door vennootschappen die aan de Ven.B zijn onderworpen.
Die voorwaarde is niet van toepassing op de inkomsten die worden verleend of toegekend door intercommunales als bedoeld in art. 94, 2e lid, a, WIB (art. 111, § 2, 3e lid, WIB). De uitsluiting geldt daarentegen wel voor de inkomsten die door andere aan de RPB onderworpen belastingplichtigen zouden worden uitgekeerd.
De inkomsten afkomstig van erkende coördinatiecentra (die als Belgische vennootschap zijn opgericht), van innovatievennootschappen en van reconversievennootschappen voldoen echter wel aan de in II/462 gestelde voorwaarde (zie Senaat, gewone zitting, 1989-1990, stuk 806/1, blz. 74).
II/464
De inkomsten die worden verleend of toegekend door in het buitenland gevestigde vennootschappen komen slechts in aanmerking voor de D.B.I.-aftrek wanneer die vennootschappen in het buitenland onderworpen zijn aan een belasting gelijkaardig aan de Ven.B De terminologie "aan een belasting gelijkaardig aan de vennootschapsbelasting" heeft uitsluitend betrekking op de aard van de belasting, te weten een belasting op de winst, ongeacht de wijze van berekening van de belastbare grondslag en van het toegepaste belastingtarief (zie Senaat, gewone zitting 1989-1990, stuk 806/3, blz. 87).
II/465
De Administratie heeft ter zake niet beperkende lijsten gepubliceerd (zie B.S. 24.08.1991, blz. 18431 tot 18433) met vermelding onder I, A en B, van :
a) de landen waarvan alle vennootschappen niet onderworpen zijn aan een belasting gelijkaardig aan de vennootschapsbelasting, in de zin van art. 111, § 2, eerste lid, WIB;
b) de landen waarvan bepaalde soorten vennootschappen niet onderworpen zijn aan een belasting gelijkaardig aan de vennootschapsbelasting, in de zin van art. 111, § 2, eerste lid, WIB
Die lijsten zijn opgenomen in bijlage 1 van deze circ.
3. Inkomsten uit vennootschappen die gevestigd zijn in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België
II/466
De hier bedoelde vennootschappen zijn dezelfde als die welke bedoeld zijn in art. 24, 2e lid, 46, 2e lid, WIB, waarbij het van geen belang is welke activiteiten die buitenlandse vennootschappen uitoefenen. Met betrekking tot het begrip "landen waar de gemeenrechtelijke bepalingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België" kan dan ook worden verwezen naar Com.I.B. 44/67.2 tot 44/67.4.
II/467
In bijlage 2 is de door Administratie gepubliceerde niet beperkende lijst opgenomen van de landen waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België.
4. Holding- of financieringsvennootschappen die in het land waarin ze zijn gevestigd onderworpen zijn aan een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht
II/468
Voor de definitie van het begrip "holdingvennootschap" kan worden verwezen naar Com.I.B. 44./63.
II/469
Onder "financieringsvennootschappen" moeten inzonderheid worden verstaan de vennootschappen waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het toestaan van leningen aan verbonden ondernemingen van dezelfde groep.
II/470
Als "onderworpen aan een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht", moeten worden beschouwd, de vennootschappen waarvan de winst niet of slechts zeer licht wordt belast vergeleken met het normale belastingstelsel van de gewone belastingplichtigen. Dit laatste stelsel geldt als gemeen recht waarmee het fiscaal statuut van voornoemde vennootschappen moet worden vergeleken ter eventuele bepaling van het afwijkende karakter (zie Com.I.B. 44/66).
De inkomsten die worden verleend of toegekend door een Belgische holding kunnen als D.B.I. worden afgetrokken aangezien dergelijke vennootschappen in belgië niet aan een van het gemeen recht afwijkend belastingstelsel zijn onderworpen.
II/471
In bijlage 3 is de door de Administratie gepubliceerde niet beperkende lijst opgenomen van landen waarvan alle holding- of financieringsvennootschappen of bepaalde soorten van zulke vennootschappen een belastingstelsel genieten dat afwijkt van het gemeen recht.
II/472
Als investeringsvennootschappen worden aangemerkt, de vennootschappen naar Belgisch of buitenlands recht die uitsluitend of hoofd"zakelijk het gemeenschappelijk beleggen van roerende waarden, deviezen en geldmiddelen tot doel hebben, zoals de Sicav, de Beleggingsvennootschap met veranderlijk kapitaal (afgekort "BEVEK") en de Beleggingsvennootschap met vast kapitaal (afgekort "BEVAK") (1)
II/473
De uitsluiting is onweerlegbaar in de gevallen bedoeld in art. 111, § 2, 1e lid, WIB (inkomsten uit vennootschappen die niet aan de Ven.B of aan een gelijkaardige buitenlandse belasting onderworpen zijn) en in art. 111, § 2, 2e lid, 1°, WIB (inkomsten uit vennootschappen die gevestigd zijn in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België).
In die gevallen moeten de verkregen inkomsten zonder meer en voor hun volledig bedrag uit de als D.B.I. aftrekbare inkomsten worden geweerd.
II/474
In de gevallen bedoeld in art. 111, § 2, 2e lid, 2° en 3°, WIB (holding-, financierings- of investeringsvennootschappen) is de uitsluiting daarentegen weerlegbaar, in die zin dat ze niet van toepassing is voor zover het bewijs wordt geleverd dat de door de betrokken vennootschappen uitgekeerde inkomsten voortkomen van door hem verkregen inkomsten die zelf aan de voor de aftrek als D.B.I. gestelde voorwaarden voldoen (z. art. 111, § 2, 4e lid, WIB).
De aandacht wordt er evenwel op gevestigd dat die bewijslevering niet mag worden aanvaard voor inkomsten die reeds onweerlegbaar van de D.B.I.-aftrek zijn uitgesloten. Dit is met name het geval voor inkomsten van buitenlandse holding-, financierings- of investeringsvennootschappen die niet onderworpen zijn aan een belasting gelijkaardig aan de Ven.B (zie lijsten I A en I B) of die gevestigd zijn in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België (zie lijst II).
II/475
Om de voormelde transparantieregel ten name van een bepaalde belastingplichtige toe te passen, moeten vooreerst de door een holding-, financierings- of investeringsvennootschap verkregen inkomsten als volgt worden uitgesplitst :
1° andere inkomsten dan dividenden of inkomsten van belegde kapitalen (interesten, royalties, vergoedingen voor technische bijstand, meerwaarden, enz.);
2° dividenden of inkomsten van belegde kapitalen :
a) die onweerlegbaar van de D.B.I.-aftrek zijn uitgesloten of waarvan het toepasselijk regime niet wordt bewezen;
b) die weerlegbaar van de D.B.I.-aftrek zijn uitgesloten;
c) die op generlei wijze van de D.B.I.-aftrek zijn uitgesloten (d.w.z. die niet zijn bedoeld in art. 111, § 2, WIB).
Vervolgens worden de door die holding-, financierings- of investeringsvennootschap uitgekeerde (en dus door de belastingplichtige verkregen) dividenden of inkomsten van belegde kapitalen geacht verhoudingsgewijs van die verschillende inkomsten voort te komen.
Enkel de inkomsten die geacht worden voort te komen van de onder 2°, c) hiervoor bedoelde dividenden of inkomsten van belegde kapitalen mogen in eerste instantie als D.B.I. worden afgetrokken. Aangezien de transparantieregel evenwel eventueel en uitsluitend voor de inkomsten die geacht worden voort te komen van de onder 2°, b) hiervoor bedoelde dividenden en inkomsten van belegde kapitalen opnieuw het bewijs leveren dat die onkosten of een gedeelte ervan op generlei wijze van de D.B.I.-aftrek zijn uitgesloten. In dergelijk geval moeten de in het eerste en tweede lid van dit nummer vermelde regels opnieuw worden toegepast bij de vennootschappen die de onder nr. 2, b) hiervoor bedoelde inkomsten hebben toegekend.
II/476
De belastingplichtige moet het bewijs leveren in welke mate de door holding-, financierings- of investeringsvennootschappen uitgekeerde inkomsten voortkomen van door hen verkregen inkomsten die zelf aan de voor de aftrek als D.B.I. gestelde voorwaarden voldoen. Dit bewijs mag worden geleverd door alle door het gemeenrecht toegelaten bewijsmiddelen met uitzondering van de eed.
Een eenvoudige uitsplitsing die niet is goedgekeurd door de daartoe bevoegde autoriteit en die niet vergezeld is van controleerbare en gedetailleerde berekeningen, wordt evenwel niet als bewijs aanvaard.
Wat daarentegen de in de art. 114 en 118, W. 04.12.1990 op de financiële transacties en de financiële markten, bedoelde Belgische Bevek's en Bevak's betreft, kan voor de toepassing van het nr. II/475 worden gesteund op de door de vermelde vennootschappen verstrekte uitsplitsing op grond van art. 143, § 3, van dezelfde wet.
C. WAARDEVERMINDERINGEN
II/477
Luidens art. 111, § 3, WIB, worden de inkomsten uit aandelen of delen of uit belegde kapitalen als bedoeld in § 1, 1° van hetzelfde artikel (d.w.z. met uitsluiting van de liquidiatiebonussen en de interesten van rentegevende voorschotten), m.b.t. verrichtingen die vanaf 01.01.1990 plaatsgrijpen, uitgesloten van de D.B.I.-aftrek voor zover de toekenning of betaalbaarstelling van de inkomsten een waardevermindering tot gevolg heeft van de aandelen of delen waarop ze betrekking hebben.
II/478
Op fiscaal vlak is er slechts sprake van een waardevermindering wanneer de werkelijke waarde van een aandeel of deel op de afsluitingsdatum van het boekjaar waarin het dividend wordt toegekend of betaalbaar gesteld, lager is dan de fiscale waarde van het desbetreffende aandeel op de afsluitingsdatum van het vorige boekjaar. Het is ter zake evenwel zonder belang of de waardevermindering al dan niet door de vennootschap is geboekt. De vraag of een waardevermindering te wijten is aan de toekenning of betaalbaarstelling van een dividend, moet inzonderheid worden uitgemaakt aan de hand van de feitelijke omstandigheden (zie P.V. 598 van 13.09.1990, gesteld door Volksvertegenwoordiger VANRENTERGHEM, B. 704 en P.V. 646 van 07.11.1990, gesteld door Volksvertegenwoordiger DAEMS, B. 705).
IV. ALS D.B.I. EN V.R.I. IN AANMERKING TE NEMEN BASISBEDRAG
II/479
Het basisbedrag van de inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen (andere dan liquidatiebonussen) dat voor aftrek als D.B.I. in aanmerking kan worden genomen, wordt, zoals voorheen, bepaald op het nettobedrag van de inkomsten verhoogd met de ingehouden R.V. of een F.R.V. wanneer het inkomsten van Belgische oorsprong betreft of met de eventueel werkelijk ingehouden R.V.wanneer het inkomsten van buitenlandse oorsprong betreft (zie dienaangaande Com.I.B. 110/28).
Voormeld bedrag moet eventueel worden verminderd met het gedeelte dat overeenkomstig het nr. II/477 is uitgesloten van de D.B.I.-aftrek.
II/480
Voor zover de bepalingen van art. 103 (verkrijging van eigen aandelen en gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap) of 118, WIB (volledige verdeling v an het maatschappelijk vermogen van een vennootschap) of van gelijkaardige bepalingen naar buitenlands recht zijn toegepast bij de uitkerende vennootschap, stemt het bedrag dat als liquidatiebonus voor aftrek als D.B.I. in aanmerking kan worden genomen, naar het geval, overeen met het verschil tussen :
II/481
Art. 3, I, W. 23.10.1991 tot omzetting in het Belgische recht van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23.07.1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen (V. 2143 - B. 712) bepaalt dat op verrichtingen die vanaf 01.01.1990 plaatsgrijpen geen R.V. verschuldigd is op het gedeelte van de inkomsten uit aandelen of delen of uit belegde kapitalen dat overeenstemt met de in de art. 103 en 118, WIB bedoelde uitgekeerde winst. Zulks impliceert dat, ten name van de verkrijgers van dergelijke inkomsten, in geen geval een R.V. mag worden toegevoegd om het basisbedrag van de D.B.I. te bepalen.
II/482
De inkomsten uit effecten van leningen tot herfinanciering van leningen gesloten door de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting en de Nationale Landmaatschappij of door een nieuwe nationale maatschappij die de verplichtingen van de voornoemde maatschappijen zou overnemen, en die in aanmerking kunnen worden genomen voor aftrek als V.R.I., worden eventueel verminderd met het aan de verkoper afgestane renteprorata ingeval de effecten in het belastbare tijdperk zijn aangeschaft; in geval van verkoop van die effecten, bevat het nettobedrag het renteprorata dat door de koper is afgestaan.
V. VOORWAARDE VAN VASTHEID
II/483
De inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen en de liquidatiebonussen komen slechts voor aftrek als D.B.I. in aanmerking :
Dienaangaande kan mutatis mutandis eveneens worden verwezen naar Com.I.B. 110/36 en volgende.
II/484
Als vaste deelneming worden aangemerkt de aandelen of delen die de belastingplichtige gedurende het volledige belastbare tijdperk waarin de inkomsten zijn geïnd of verkregen in volle eigendom heeft gehad.
Ingevolge een overgangsbepaling (art. 312, § 4, W. 22.12.1989) wordt voor het aj. 1991 de vruchtgebruiker met volle eigenaar gelijkgesteld indien hij het materiële bewijs levert dat de splitsing van de eigendom in blote eigendom en in vruchtgebruik reeds bestond voor 01.12.1989.
II/485
Wat de liquidatiebonussen betreft wordt geacht dat aan de voorwaarde van vastheid is voldaan wanneer de belastingplichtige de aandelen of delen ononderbroken in volle eigendom heeft gehad vanaf het begin van het belastbare tijdperk tot :
Bij een trapsgewijze verdeling van het vermogen van een vennootschap is er aan de voorwaarde van vastheid slechts voldaan wanneer de belastingplichtige de aandelen of delen ononderbroken gedurende het gehele belastbare tijdperk in volle eigendom heeft gehad.
VI. MATE VAN AFTREK VAN DE D.B.I. EN V.R.I.
II/486
Zoals voorheen (zie nrs. 502 tot 505, circ. 07.09.1990 Ci.D.19/402.192, B. 698), worden de D.B.I. en de V.R.I. in de regel geacht in de belastbare inkomsten van een aan de Ven.B. onderworpen vennootschap voor te komen ten belope van 85 of 90 % van de vastgestelde basisbedragen, naargelang de genietster al dan niet een zogenaamde "financiële vennootschap" is.
II/487
De inkomsten uit effecten van herfinancieringsleningen als bedoeld in art. 111, § 1, 6°, W.I.B., blijven evenwel voor 100 % aftrekbaar.
VII. INWERKINGTREDING
II/488
De voormelde bepalingen zijn van toepassing:
Bijlage 1
Cyprus
Cookeilanden
vennootschappen in het bezit van buitenlandse belangen, die niet investeren in plaatselijke vennootschappen, geen activa verwerven van een inwoner van de Cookeilanden en er geen activiteit uitoefenen.
Costa Rica
Djibouti
Verenigde Arabische Emiraten
Gibraltar
Hongkong
vennootschappen waarvan de inkomsten van buitenlandse oorsprong zijn.
Jamaïca
de "international business companies", die hun activiteiten uitsluitend in het buitenland uitoefenen.
Liberia
Liechtenstein
Luxemburg
holdingvennootschappen
Macau
vennootschappen waarvan de inkomsten buiten het grondgebied worden verkregen.
Maleisië
Eiland Malta
niet-commerciële vennootschappen, opgericht in de vorm van "nominees companies", zonder activiteit op het eiland Malta.
Eiland Man
Nevis
Oman
Panama
vennootschappen waarvan de inkomsten van buitenlandse oorsprong zijn.
Portugal
Sint-Vincent
"internationale vennootschappen" die opgericht zijn in Sint-Vincent maar er geen activiteit uitoefenen en niet meer dan 10 % van de activawaarde, van het maatschappelijk kapitaal van de interesten of van de dividenden aan inwoners uitkeren.
Seychellen
vennootschappen zonder activiteit op de Seychellen.
Singapore
vennootschappen waarvan de inkomsten van buitenlandse oorsprong zijn en niet in Singapore worden geïnd.
Britse Maagdeneilanden
Bijlage 2
II. Landen waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen, gelijkaardig aan de vennootschapsbelasting, aanzienlijk gunstiger zijn dan in België, in de zin van artikel 111, § 2, 2e lid, 1°, WIB
Alderney
Nederlandse Antillen
Aruba
Cookeilanden
Djibouti
Guernsey
Herm
Hongkong
Jersey
Liechtenstein
Macau
Eiland Man
San Marino
Svalbard
Taïwan [schrapping uit de lijst ingevolge Bericht BS dd. 07.05.1997]
Britse Maagdeneilanden
Bijlage 3
III. Landen waarvan alle holding- of financieringsvennootschappen of bepaalde soorten van zulke vennootschappen een belastingstelsel genieten dat afwijkt van het gemeenrecht, in de zin van artikel 111, § 2, 2e lid, 2°, WIB;
Nederlandse Antillen
Jersey
Liechtenstein
Luxemburg
Uruguay
Circulaire nr. Ci.D.19/416.334 32e afl. dd. 09.09.1992
Bull. nr. 720, pag. 2656
DEFINITIEF BELAST INKOMEN
Aftrek
Aftrekbaar gedeelte
Liquidatiebonus
Niet-aftrekbaar gedeelte
Voorwaarden van eigendom
Voorwaarde van vastheid
FISCALE BEPALINGEN 1989
Definitief belast inkomen
Vrijgesteld roerend inkomen
VRIJGESTELD ROEREND INKOMEN
Aftrek
Aftrekbaar gedeelte
Liquidatiebonus
Commentaar op de art. 275 tot 277 en 312, §4, W. 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen en op art. 33, W. 28.12.1990 betreffende de verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen (V. 2073-B.702).
Wijzigingen aan het stelsel van de D.B.I., en de V.R.I. voor het aj. 1991.
D.B.I. EN V.R.I.
INHOUDSTAFEL Nrs. I. WETTEKSTEN II/451 II. ALGEMEEN II/452 - II/457 III. DEFINITIEF BELASTE INKOMSTEN (D.I.B.) A. Bedoelde inkomsten II/458 - II/459 B. Uitgesloten inkomsten 1. Algemeen II/460 en II/461 2. Niet belaste inkomsten II/462 - II/465 3. Inkomsten uit vennootschappen die gevestigd zijn in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België II/466 en II/467 4. Holding- of financieringsvennootschappen die in het land waarin ze zijn gevestigd onderworpen zijn aan een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht II/468 - II/471 5. Investeringsvennootschappen II/472 6. Draagwijdte van de uitsluitingen II/473 - II/476 C. Waardeverminderingen II/477 - II/478 IV. ALS D.B.I. en V.R.I. IN AANMERKING TE NEMEN BASISBEDRAG II/479 - II/482 V. VOORWAARDE VAN VASTHEID II/483 - II/485 VI. MATE VAN AFTREK VAN DE D.B.I. EN V.R.I. II/486 en II/487 VII. INWERKINGTREDING II/488 I. WETTEKSTEN
II/451 WIB (aj. 1991)
Art. 111
§ 1. Van de winst van het belastbare tijdperk worden mede afgetrokken, voor zover zij erin voorkomen :
1° mits ze op vaste deelnemingen betrekking hebben, de inkomsten uit aandelen of delen of uit belegde kapitalen, met inbegrip van de in artikel 12, § 1,3°, en in artikel 15, tweede lid, 1°, bedoelde inkomsten, maar met uitzondering van de inkomsten die zijn verkregen wegens de afstand aan vennootschap van haar eigen aandelen of delen of wegens de gehele of gedeeltelijke verdeling van het vermogen van een vennootschap;
2° mits het op vaste deelnemingen betrekking heeft en voor zover de bepalingen van de artikelen 103 of 118 of van gelijkaardige bepalingen naar buitenlands recht zijn toegepast, een bedrag gelijk aan het verschil in meer tussen de sommen verkregen in de in die artikelen bedoelde gevallen en de aanschaffings- of beleggingsprijs van de aandelen of delen die worden verkregen, terugbetaald of geruild door de vennootschap die ze had uitgegeven, eventueel verhoogd met de desbetreffende, voorheen uitgedrukte en niet vrijgestelde meerwaarden;
3° interesten van voorschotten die de belastingplichtige heeft toegestaan aan een vennootschap die niet een vennootschap op aandelen of een door de Nationale Raad van de Coöperatie erkende coöperatieve vennootschap is, en in welke hij in het kapitaal een vaste deelneming bezit;
4° inkomsten uit preferente aandelen van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
5° inkomsten uit Belgische openbare fondsen of leningen van voormalig Belgisch-Kongo die werden uitgegeven onder vrijstelling van Belgische zakelijke en personele belastingen of van elke belasting;
6° inkomsten uit effecten van leningen tot herfinanciering van de leningen gesloten door de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting en de Nationale Landmaatschappij die de verplichtingen van de voornoemde maatschappijen zou overnemen.
§ 2. De in § 1, 1° tot 3°, bedoelde inkomsten zijn slechts aftrekbaar indien ze worden verleend of toegekend door vennootschappen die aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen of, wat de in het buitenland gevestigde vennootschappen betreft, die onderworpen zijn aan een belasting gelijkaardig aan de vennootschapsbelasting.
Die inkomsten zijn evenwel niet aftrekbaar indien ze worden verleend of toegekend :
1° door vennootschappen die gevestigd zijn in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België;
2° door holding- of financieringsvennootschappen die in het land waarin ze zijn gevestigd aan een belastingstelsel zijn onderworpen dat afwijkt van het gemeenrecht;
3° door investeringsvennootschappen.
Het eerste lid is niet van toepassing op de inkomsten die worden verleend of toegekend door in artikel 94, tweede lid, a, bedoelde intercommunales.
Het tweede lid, 2°, en 3°, is niet van toepassing voor zover het bewijs wordt geleverd dat de inkomsten voortkomen van door die vennootschappen verkregen inkomsten die zelf aan de voor aftrek gestelde voorwaarden voldoen.
§ 3. De in § 1, 1°, bedoelde inkomsten worden niet afgetrokken voor zover dat hun toekenning of betaalbaarstelling een waardevermindering tot gevolg heeft van de aandelen of delen waarop ze betrekking hebben.
Art. 112
§ 1. Voor de toepassing van artikel 111, § 1, 1° tot 3°, worden geacht vaste deelneming te zijn :
1° aandelen of delen die de belastingplichtige gedurende het gehele belastbare tijdperk ononderbroken in volle eigendom heeft gehad; voor de toepassing van deze bepaling worden aandelen of delen die in het belastbare tijdperk het voorwerp zijn geweest van een akte van vervreemding onder ontbindende voorwaarde die in hetzelfde tijdperk of nadien in vervulling komt, in afwijking van artikel 1183 van het Burgerlijk Wetboek, geacht voor een gedeelte van dat tijdperk vervreemd te zijn geweest;
2° aandelen of delen waarvan de belastingplichtige in het belastbare tijdperk naar aanleiding van de verdeling van het maatschappelijk vermogen of van de fusie, splitsing of omzetting van de emitterende vennootschap de terugbetaling of de ruil heeft bekomen, mits hij die aldus terugbetaalde of omgeruilde aandelen of delen vanaf het begin van dat tijdperk tot bij de terugbetaling of ruiling ononderbroken in volle eigendom heeft gehad;
3° aandelen of delen die de belastingplichtige in het belastbaar tijdperk naar aanleiding van een in 2° vermelde verrichting in ruil heeft verkregen, mits hij die aandelen of delen vanaf de ruil tot op het einde van dat belastbare tijdperk ononderbroken in volle eigendom heeft gehad;
4° aandelen of delen die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk naar aanleiding van een onder vrijstelling van inkomstenbelasting uitgevoerde fusie, splitsing of omzetting van vennootschappen, van inbreng van takken van werkzaamheid of van inbreng van de algemeenheid van goederen, heeft ingebracht of als inbreng heeft verkregen mits hij de aldus ingebrachte of als inbreng verkregen aandelen of delen, naar gelang van het geval, vanaf het begin tot op het einde van dat tijdperk, ononderbroken in volle eigendom heeft gehad;
5° aandelen of delen die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk in ruil voor converteerbare obligaties heeft verkregen, mits hij, eensdeels, die obligaties vanaf het begin van dat tijdperk tot bij de omzetting en, anderdeels, die aandelen of delen vanaf de omzetting tot op het einde van dat tijdperk ononderbroken in volle eigendom heeft gehad.
§ 2. Artikel 111, § 1, 2°, is niet van toepassing voor zover het aldaar bedoelde meerdere bedrag met vroeger ingevolge artikel 40, § 1, 2°, vrijgestelde meerwaarden overeenstemt.
§ 3. Het bepaalde in § 1, 1°, is niet van toepassing op de deelneming die coöperatieve vennootschappen, erkend door de Nationale Raad van de Coöperatie, gedurende het belastbare tijdperk genomen hebben, en waarop een proratadividend wordt vergoed.
Art. 113 (1)
§ 1. De in artikel 111, § 1, 1°, 3° tot 5°, vermelde inkomsten worden geacht in de winst van het belastbare tijdperk voor te komen tot 90 % van de geïnde of verkregen bedrag eventueel vermeerderd ingevolge artikel 97 of verminderd, wanneer het om in artikel 111, § 1, 5° en 6°, vermelde inkomsten gaat, met de aan de verkoper toegekende interest ingeval de produktieve effecten in het belastbare tijdperk zijn verworven.
De in artikel 111, § 1, 2°, bedoelde bedragen worden geacht in de winst van het belastbare tijdperk voor te komen tot 90 % van hun bedrag dat vooraf is vermeerderd ingevolge artikel 29, § 1, van de wet van 7 september 1988.
§ 2. Behalve voor de in artikel 19, 8°, vermelde vennootschappen, wordt het in § 1 bepaalde gedeelte van 90 % verlaagd tot 85 %voor de ondernemingen die deelnemingen bezitten waarvan de beleggingswaarde meer bedraagt dan 50 %, hetzij van het nog terug te betalen werkelijk gestorte maatschappelijk kapitaal, eventueel gerevaloriseerd overeenkomstig artikel 119, hetzij van het nog terug te betalen werkelijk gestorte maatschappelijk kapitaal verhoogd met de aangeslagen reserves en de geboekte meerwaarden. De waarde van de deelnemingen en het bedrag van het maatschappelijk kapitaal, de reserves en de meerwaarden moeten worden genomen de dag waarop de vennootschap, die de deelnemingen bezit, haar balans heeft afgesloten.
Om te bepalen of de grens van 50 % overschreden is, worden de actieve en vaste deelnemingen, die minstens 75 % vertegenwoordigen van het maatschappelijk kapitaal van de emitterende vennootschap, niet in aanmerking genomen.
§ 3. Een aftrek ingevolge artikel 111 wordt niet verricht ter zake van inkomsten uit activa die voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt in inrichtingen waarover de belastingplichtige buitenslands beschikt en waarvan de winst krachtens internationale overeenkomsten tot het vermijden van dubbele belasting is vrijgesteld.
§ 4. De aftrek ingevolge artikel 111 wordt beperkt tot het bedrag van de winst van het belastbare tijdperk, zoals dit zich voordoet na toepassing van artikel 110.
(1) In de tekst van art. 113, WIB werd rekening gehouden met art. 30, W. 07.12.1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen (V. 1957 - B. 679), dat de percentages van 95 en 90 respectievelijk heeft teruggebracht tot 90 en 85 % (zie eveneens circ. 07.09.1990, Ci.D.19/402.192, 21e aflevering, nrs. II/502 tot 504 - B. 698).
| W. | 22.12.1989 |
....
"§ 4. Voor het aanslagjaar 1991 en voor de toepassing van artikel 112 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen wordt de vruchtgebruiker gelijkgesteld met een volle eigenaar wanneer hij het materieel bewijs levert dat de splitsing van eigendom bestond voor 1 december 1989".
II. ALGEMEEN
II/452
De navolgende commentaar heeft uitsluitend betrekking op de bepalingen betreffende het stelsel van de definitief belaste inkomsten (D.B.I.) en de vrijgesteld roerende inkomsten (V.R.I.) zoals die voor het aj. 1991 van toepassing zijn.
De art. 1, A tot C en 2, W. 23.10.1991 tot omzetting in het Belgische recht van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23.07.1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen (V. 2143 - B. 712) hebben, meestal met ingang van het aj. 1992, opnieuw belangrijke wijzigingen aangebracht aan het stelsel van de D.B.I. en de V.R.I. Die wijzigingen zullen later worden gecommentarieerd.
II/453
Art. 275, 1°, W. 22.12.1989, bepaalt dat, voor verrichtingen die vanaf 01.01.1990 plaatsgrijpen, de liquidatiebonussen, voortaan worden aangemerkt als D.B.I. mits zij betrekking hebben op vaste deelnemingen en voor zover de bepalingen van de art. 103, WIB (verkrijging van eigen aandelen of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen), of art. 118, WIB (gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen) of van gelijkaardige bepalingen naar buitenlands recht zijn toegepast.
II/454
Art. 275, 2°, W. 22.12.1989 vult met ingang van het aj. 1991, art. 111, WIB, aan met een § 2 waardoor :
- bijkomende voorwaarden worden gesteld opdat de inkomsten als D.B.I. aftrekbaar kunnen zijn;
- bepaalde inkomsten uitdrukkelijk worden uitgesloten van de D.B.I.-aftrek.
II/455
Bovendien heeft art. 275, 3°, W. 22.12.1989, art. 111, WIB, aangevuld met een § 3 waardoor inkomsten uit aandelen of delen als bedoeld in art. 111, § 1, 1° (dus niet de liquidatiebonussen en de interesten van rentegevende voorschotten) niet als D.B.I. worden afgetrokken voor zover hun toekenning of betaalbaarstelling een waardevermindering tot gevolg heeft van de aandelen of delen waarop de inkomsten betrekking hebben (deze bepaling is van toepassing op de verrichtingen die vanaf 01.01.1990 plaatsgrijpen).
II/456
Art. 276, W. 22.12.1990 heeft, behoudens loutere wijzigingen naar de vorm, in art. 112, WIB, telkenmale de woorden "in eigendom" en het woord "deelneming" vervangen door respectievelijk de woorden "in volle eigendom" en de woorden "aandelen of delen" waardoor in beginsel als vaste deelnemingen worden aangemerkt de aandelen of delen die de belastingplichtige gedurende het volledige belastbare tijdperk ononderbroken in volle eigendom heeft gehad.
Evenwel bepaalt art. 312, § 4, W. 22.12.1989 dat voor het aj. 1991 de vruchtgebruiker wordt gelijkgesteld met volle eigenaar wanneer het materieel bewijs wordt geleverd dat de splitsing van de eigendom reeds voor 01.12.1989 bestond.
II/457
De wijzigingen die art. 277, W. 22.12.1989, heeft aangebracht in art. 113, WIB, hebben inzonderheid tot gevolg dat de inkomsten van de in art. 111, § 1, 6°, bedoelde effecten van herfinancieringsleningen :
- moeten worden verminderd met het aan de verkoper afgestane renteprorata ingeval de effecten tijdens het belastbare tijdperk zijn aangeschaft;
- moeten worden verhoogd met het renteprorata dat door de koper is afgestaan in geval van verkoop van de effecten tijdens het belastbare tijdperk.
III. DEFINITIEF BELASTE INKOMSTEN (D.B.I.)
| A. | BEDOELDE INKOMSTEN |
Zoals voorheen komen voor aftrek als D.B.I. in aanmerking (z. Com.I.B. 110/27) :
1° op voorwaarde dat ze op vaste deelneming betrekking hebben, de inkomsten uit aandelen of delen of uit belegde kapitalen;
2° op voorwaarde dat de vennootschap een vaste deelneming bezit in een personenvennootschap, andere dan een erkende coöperatieve vennootschap, de interesten van voorschotten die de vennootschap aan die personenvennootschap heeft toegestaan.
Bovendien worden, in tegenstelling met wat vroeger het geval was, de liquidatiebonussen betreffende verrichtingen die vanaf 01.01.1990 plaatsgrijpen, voortaan eveneens als D.B.I. aangemerkt voor zover :
- ze betrekking hebben op vaste deelneming;
- de bepalingen van art. 103, WIB (verkrijging van eigen aandelen of gedeeltelijk verdeling van het maatschappelijk vermogen) of 118, WIB (gehele verdeling van maatschappelijk vermogen) of van gelijkaardige bepalingen naar buitenlands recht zijn toegepast.
Het betreft hier derhalve liquidatiebonussen die :
| a) | verwezenlijkt zijn ter gelegenheid van de terugbetaling van maatschappelijke rechten ten gevolge van de gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijke vermogen van vennootschappen; |
| b) | voortkomen uit de ruiling van die maatschappelijke rechten ter gelegenheid van een fusie, splitsing of omzetting van vennootschappen; |
| c) | voortkomen uit een vennootschap die, nadat al haar aandelen in één hand verenigd zijn, wordt ontbonden; |
| d) | zijn verkregen naar aanleiding van de afstand aan een vennootschap, van aandelen van deze laatste. |
De onderrichtingen opgenomen in Com.I.B. 110/27, tweede gedachtenstreepje, 5° en 110/32 tot 34, blijven evenwel ongewijzigd van toepassing wanneer de liquidatiebonussen betrekking hebben op verrichtingen die voor 01.01.1990 hebben plaatsgevonden, d.w.z. op :
- inkopen van eigen aandelen voor 01.01.1990;
- gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap ingevolge het overlijden, de uittreding of de uitsluiting van een vennoot wanneer het overlijden, de uittreding of de uitsluiting voor 01.01.1990 plaatsheeft;
- verdeling van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap ingevolge de in vereffeningstelling van de vennootschap voor 01.01.1990.
B. UITGESLOTEN INKOMSTEN
1. Algemeen
II/460
Alhoewel ze luidens art. 111, § 1, WIB in principe in aanmerking komen voor D.B.I.-aftrek worden bepaalde inkomsten overeenkomstig art. 111, § 2, WIB uitdrukkelijk van de D.B.I.-aftrek uitgesloten.
Vooreerst zijn de inkomsten slechts aftrekbaar indien ze worden verleend of toegekend door vennootschappen die onderworpen zijn aan de Ven.B of, wat de in het buitenland gevestigde vennootschappen betreft, die onderworpen zijn aan een belasting gelijkaardig aan de Ven.B (art. 111, § 2, 1e lid, WIB).
II/461
Bovendien zijn niet aftrekbaar als D.B.I. de inkomsten verleend of toegekend door (art. 111, § 2, 2e lid, WIB).
1° vennootschappen die zijn gevestigd in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België;
2° holding- of financieringsvennootschappen die in het land waarin ze zijn gevestigd aan een belastingstelsel zijn onderworpen dat afwijkt van het gemeen recht;
3° investeringsvennootschappen.
De uitsluiting is evenwel niet van toepassing op de onder 2° en 3° hiervoor bedoelde inkomsten voor zover het bewijs wordt geleverd dat de inkomsten voortkomen van door die vennootschappen verkregen inkomsten die zelf aan de voor aftrek gestelde voorwaarden voldoen (art. 111, § 2, 4e lid, WIB).
2. Niet belaste inkomsten
II/462
De inkomsten van Belgische oorsprong zijn slechts als D.B.I. aftrekbaar indien ze zijn verleend of toegekend door vennootschappen die aan de Ven.B zijn onderworpen.
Die voorwaarde is niet van toepassing op de inkomsten die worden verleend of toegekend door intercommunales als bedoeld in art. 94, 2e lid, a, WIB (art. 111, § 2, 3e lid, WIB). De uitsluiting geldt daarentegen wel voor de inkomsten die door andere aan de RPB onderworpen belastingplichtigen zouden worden uitgekeerd.
De inkomsten afkomstig van erkende coördinatiecentra (die als Belgische vennootschap zijn opgericht), van innovatievennootschappen en van reconversievennootschappen voldoen echter wel aan de in II/462 gestelde voorwaarde (zie Senaat, gewone zitting, 1989-1990, stuk 806/1, blz. 74).
II/464
De inkomsten die worden verleend of toegekend door in het buitenland gevestigde vennootschappen komen slechts in aanmerking voor de D.B.I.-aftrek wanneer die vennootschappen in het buitenland onderworpen zijn aan een belasting gelijkaardig aan de Ven.B De terminologie "aan een belasting gelijkaardig aan de vennootschapsbelasting" heeft uitsluitend betrekking op de aard van de belasting, te weten een belasting op de winst, ongeacht de wijze van berekening van de belastbare grondslag en van het toegepaste belastingtarief (zie Senaat, gewone zitting 1989-1990, stuk 806/3, blz. 87).
II/465
De Administratie heeft ter zake niet beperkende lijsten gepubliceerd (zie B.S. 24.08.1991, blz. 18431 tot 18433) met vermelding onder I, A en B, van :
a) de landen waarvan alle vennootschappen niet onderworpen zijn aan een belasting gelijkaardig aan de vennootschapsbelasting, in de zin van art. 111, § 2, eerste lid, WIB;
b) de landen waarvan bepaalde soorten vennootschappen niet onderworpen zijn aan een belasting gelijkaardig aan de vennootschapsbelasting, in de zin van art. 111, § 2, eerste lid, WIB
Die lijsten zijn opgenomen in bijlage 1 van deze circ.
3. Inkomsten uit vennootschappen die gevestigd zijn in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België
II/466
De hier bedoelde vennootschappen zijn dezelfde als die welke bedoeld zijn in art. 24, 2e lid, 46, 2e lid, WIB, waarbij het van geen belang is welke activiteiten die buitenlandse vennootschappen uitoefenen. Met betrekking tot het begrip "landen waar de gemeenrechtelijke bepalingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België" kan dan ook worden verwezen naar Com.I.B. 44/67.2 tot 44/67.4.
II/467
In bijlage 2 is de door Administratie gepubliceerde niet beperkende lijst opgenomen van de landen waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België.
4. Holding- of financieringsvennootschappen die in het land waarin ze zijn gevestigd onderworpen zijn aan een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht
II/468
Voor de definitie van het begrip "holdingvennootschap" kan worden verwezen naar Com.I.B. 44./63.
II/469
Onder "financieringsvennootschappen" moeten inzonderheid worden verstaan de vennootschappen waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het toestaan van leningen aan verbonden ondernemingen van dezelfde groep.
II/470
Als "onderworpen aan een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht", moeten worden beschouwd, de vennootschappen waarvan de winst niet of slechts zeer licht wordt belast vergeleken met het normale belastingstelsel van de gewone belastingplichtigen. Dit laatste stelsel geldt als gemeen recht waarmee het fiscaal statuut van voornoemde vennootschappen moet worden vergeleken ter eventuele bepaling van het afwijkende karakter (zie Com.I.B. 44/66).
De inkomsten die worden verleend of toegekend door een Belgische holding kunnen als D.B.I. worden afgetrokken aangezien dergelijke vennootschappen in belgië niet aan een van het gemeen recht afwijkend belastingstelsel zijn onderworpen.
II/471
In bijlage 3 is de door de Administratie gepubliceerde niet beperkende lijst opgenomen van landen waarvan alle holding- of financieringsvennootschappen of bepaalde soorten van zulke vennootschappen een belastingstelsel genieten dat afwijkt van het gemeen recht.
| 5. | Investeringsvennootschappen |
Als investeringsvennootschappen worden aangemerkt, de vennootschappen naar Belgisch of buitenlands recht die uitsluitend of hoofd"zakelijk het gemeenschappelijk beleggen van roerende waarden, deviezen en geldmiddelen tot doel hebben, zoals de Sicav, de Beleggingsvennootschap met veranderlijk kapitaal (afgekort "BEVEK") en de Beleggingsvennootschap met vast kapitaal (afgekort "BEVAK") (1)
| (1) | Zie W. 04.12.1990 op de financiële transactie en de financiële markten (V. 2071 - B. 702), die het voorwerp zal uitmaken van een afzonderlijke circ. |
| 6. | Draagwijdte van de uitsluitingen |
De uitsluiting is onweerlegbaar in de gevallen bedoeld in art. 111, § 2, 1e lid, WIB (inkomsten uit vennootschappen die niet aan de Ven.B of aan een gelijkaardige buitenlandse belasting onderworpen zijn) en in art. 111, § 2, 2e lid, 1°, WIB (inkomsten uit vennootschappen die gevestigd zijn in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België).
In die gevallen moeten de verkregen inkomsten zonder meer en voor hun volledig bedrag uit de als D.B.I. aftrekbare inkomsten worden geweerd.
II/474
In de gevallen bedoeld in art. 111, § 2, 2e lid, 2° en 3°, WIB (holding-, financierings- of investeringsvennootschappen) is de uitsluiting daarentegen weerlegbaar, in die zin dat ze niet van toepassing is voor zover het bewijs wordt geleverd dat de door de betrokken vennootschappen uitgekeerde inkomsten voortkomen van door hem verkregen inkomsten die zelf aan de voor de aftrek als D.B.I. gestelde voorwaarden voldoen (z. art. 111, § 2, 4e lid, WIB).
De aandacht wordt er evenwel op gevestigd dat die bewijslevering niet mag worden aanvaard voor inkomsten die reeds onweerlegbaar van de D.B.I.-aftrek zijn uitgesloten. Dit is met name het geval voor inkomsten van buitenlandse holding-, financierings- of investeringsvennootschappen die niet onderworpen zijn aan een belasting gelijkaardig aan de Ven.B (zie lijsten I A en I B) of die gevestigd zijn in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België (zie lijst II).
II/475
Om de voormelde transparantieregel ten name van een bepaalde belastingplichtige toe te passen, moeten vooreerst de door een holding-, financierings- of investeringsvennootschap verkregen inkomsten als volgt worden uitgesplitst :
1° andere inkomsten dan dividenden of inkomsten van belegde kapitalen (interesten, royalties, vergoedingen voor technische bijstand, meerwaarden, enz.);
2° dividenden of inkomsten van belegde kapitalen :
a) die onweerlegbaar van de D.B.I.-aftrek zijn uitgesloten of waarvan het toepasselijk regime niet wordt bewezen;
b) die weerlegbaar van de D.B.I.-aftrek zijn uitgesloten;
c) die op generlei wijze van de D.B.I.-aftrek zijn uitgesloten (d.w.z. die niet zijn bedoeld in art. 111, § 2, WIB).
Vervolgens worden de door die holding-, financierings- of investeringsvennootschap uitgekeerde (en dus door de belastingplichtige verkregen) dividenden of inkomsten van belegde kapitalen geacht verhoudingsgewijs van die verschillende inkomsten voort te komen.
Enkel de inkomsten die geacht worden voort te komen van de onder 2°, c) hiervoor bedoelde dividenden of inkomsten van belegde kapitalen mogen in eerste instantie als D.B.I. worden afgetrokken. Aangezien de transparantieregel evenwel eventueel en uitsluitend voor de inkomsten die geacht worden voort te komen van de onder 2°, b) hiervoor bedoelde dividenden en inkomsten van belegde kapitalen opnieuw het bewijs leveren dat die onkosten of een gedeelte ervan op generlei wijze van de D.B.I.-aftrek zijn uitgesloten. In dergelijk geval moeten de in het eerste en tweede lid van dit nummer vermelde regels opnieuw worden toegepast bij de vennootschappen die de onder nr. 2, b) hiervoor bedoelde inkomsten hebben toegekend.
II/476
De belastingplichtige moet het bewijs leveren in welke mate de door holding-, financierings- of investeringsvennootschappen uitgekeerde inkomsten voortkomen van door hen verkregen inkomsten die zelf aan de voor de aftrek als D.B.I. gestelde voorwaarden voldoen. Dit bewijs mag worden geleverd door alle door het gemeenrecht toegelaten bewijsmiddelen met uitzondering van de eed.
Een eenvoudige uitsplitsing die niet is goedgekeurd door de daartoe bevoegde autoriteit en die niet vergezeld is van controleerbare en gedetailleerde berekeningen, wordt evenwel niet als bewijs aanvaard.
Wat daarentegen de in de art. 114 en 118, W. 04.12.1990 op de financiële transacties en de financiële markten, bedoelde Belgische Bevek's en Bevak's betreft, kan voor de toepassing van het nr. II/475 worden gesteund op de door de vermelde vennootschappen verstrekte uitsplitsing op grond van art. 143, § 3, van dezelfde wet.
C. WAARDEVERMINDERINGEN
II/477
Luidens art. 111, § 3, WIB, worden de inkomsten uit aandelen of delen of uit belegde kapitalen als bedoeld in § 1, 1° van hetzelfde artikel (d.w.z. met uitsluiting van de liquidiatiebonussen en de interesten van rentegevende voorschotten), m.b.t. verrichtingen die vanaf 01.01.1990 plaatsgrijpen, uitgesloten van de D.B.I.-aftrek voor zover de toekenning of betaalbaarstelling van de inkomsten een waardevermindering tot gevolg heeft van de aandelen of delen waarop ze betrekking hebben.
II/478
Op fiscaal vlak is er slechts sprake van een waardevermindering wanneer de werkelijke waarde van een aandeel of deel op de afsluitingsdatum van het boekjaar waarin het dividend wordt toegekend of betaalbaar gesteld, lager is dan de fiscale waarde van het desbetreffende aandeel op de afsluitingsdatum van het vorige boekjaar. Het is ter zake evenwel zonder belang of de waardevermindering al dan niet door de vennootschap is geboekt. De vraag of een waardevermindering te wijten is aan de toekenning of betaalbaarstelling van een dividend, moet inzonderheid worden uitgemaakt aan de hand van de feitelijke omstandigheden (zie P.V. 598 van 13.09.1990, gesteld door Volksvertegenwoordiger VANRENTERGHEM, B. 704 en P.V. 646 van 07.11.1990, gesteld door Volksvertegenwoordiger DAEMS, B. 705).
IV. ALS D.B.I. EN V.R.I. IN AANMERKING TE NEMEN BASISBEDRAG
II/479
Het basisbedrag van de inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen (andere dan liquidatiebonussen) dat voor aftrek als D.B.I. in aanmerking kan worden genomen, wordt, zoals voorheen, bepaald op het nettobedrag van de inkomsten verhoogd met de ingehouden R.V. of een F.R.V. wanneer het inkomsten van Belgische oorsprong betreft of met de eventueel werkelijk ingehouden R.V.wanneer het inkomsten van buitenlandse oorsprong betreft (zie dienaangaande Com.I.B. 110/28).
Voormeld bedrag moet eventueel worden verminderd met het gedeelte dat overeenkomstig het nr. II/477 is uitgesloten van de D.B.I.-aftrek.
II/480
Voor zover de bepalingen van art. 103 (verkrijging van eigen aandelen en gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen van een vennootschap) of 118, WIB (volledige verdeling v an het maatschappelijk vermogen van een vennootschap) of van gelijkaardige bepalingen naar buitenlands recht zijn toegepast bij de uitkerende vennootschap, stemt het bedrag dat als liquidatiebonus voor aftrek als D.B.I. in aanmerking kan worden genomen, naar het geval, overeen met het verschil tussen :
- eensdeels :
- de als terugbetaling van maatschappelijke rechten verkregen sommen in geval van gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen van de vennootschap waarin de belastingplichtige is gerechtigd;
- de waarde van de in ruil ontvangen maatschappelijke rechten in geval van een fusie, splitsing of omzetting van die vennootschappen;
- de werkelijke waarde van het maatschappelijke vermogen -op de dag van de ontbinding- indien de vennootschap, nadat al haar aandelen in één hand zijn verenigd, wordt ontbonden;
- de realisatieprijs van de aandelen die de vennootschap aan de vennootschap die ze heeft uitgegeven, heeft afgestaan;
- en anderdeels :
- de aanschaffings- of beleggingsprijs van de terugbetaalde, geruilde of verkregen effecten, in voorkomend geval verhoogd met de vroeger belaste meerwaarden, maar niet verminderd met de vroeger op die effecten aangenomen minderwaarden.
II/481
Art. 3, I, W. 23.10.1991 tot omzetting in het Belgische recht van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23.07.1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen (V. 2143 - B. 712) bepaalt dat op verrichtingen die vanaf 01.01.1990 plaatsgrijpen geen R.V. verschuldigd is op het gedeelte van de inkomsten uit aandelen of delen of uit belegde kapitalen dat overeenstemt met de in de art. 103 en 118, WIB bedoelde uitgekeerde winst. Zulks impliceert dat, ten name van de verkrijgers van dergelijke inkomsten, in geen geval een R.V. mag worden toegevoegd om het basisbedrag van de D.B.I. te bepalen.
II/482
De inkomsten uit effecten van leningen tot herfinanciering van leningen gesloten door de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting en de Nationale Landmaatschappij of door een nieuwe nationale maatschappij die de verplichtingen van de voornoemde maatschappijen zou overnemen, en die in aanmerking kunnen worden genomen voor aftrek als V.R.I., worden eventueel verminderd met het aan de verkoper afgestane renteprorata ingeval de effecten in het belastbare tijdperk zijn aangeschaft; in geval van verkoop van die effecten, bevat het nettobedrag het renteprorata dat door de koper is afgestaan.
V. VOORWAARDE VAN VASTHEID
II/483
De inkomsten van aandelen of delen of van belegde kapitalen en de liquidatiebonussen komen slechts voor aftrek als D.B.I. in aanmerking :
- wat inkomsten van aandelen of delen en inkomsten van belegde kapitalen, andere dan van rentegevende voorschotten, betreft : mits die inkomsten op vaste deelnemingen betrekking hebben;
- met betrekking tot inkomsten van belegde kapitalen gelijkgestelde interesten van voorschotten van vennootschappen aan personenvennootschappen waarin ze deelgerechtigd zijn : op voorwaarde dat ze in die personenvennootschappen een vaste deelneming bezitten (op te merken dat één enkel "vast" deelbewijs ter zake voldoende is om het totale bedrag v an de ontvangen interesten als D.B.I. te beschouwen);
- wat de liquidatiebonussen betreft : mits die bonussen op vaste deelnemingen betrekking hebben.
Dienaangaande kan mutatis mutandis eveneens worden verwezen naar Com.I.B. 110/36 en volgende.
II/484
Als vaste deelneming worden aangemerkt de aandelen of delen die de belastingplichtige gedurende het volledige belastbare tijdperk waarin de inkomsten zijn geïnd of verkregen in volle eigendom heeft gehad.
Ingevolge een overgangsbepaling (art. 312, § 4, W. 22.12.1989) wordt voor het aj. 1991 de vruchtgebruiker met volle eigenaar gelijkgesteld indien hij het materiële bewijs levert dat de splitsing van de eigendom in blote eigendom en in vruchtgebruik reeds bestond voor 01.12.1989.
II/485
Wat de liquidatiebonussen betreft wordt geacht dat aan de voorwaarde van vastheid is voldaan wanneer de belastingplichtige de aandelen of delen ononderbroken in volle eigendom heeft gehad vanaf het begin van het belastbare tijdperk tot :
- bij de afstand aan de emitterende vennootschap wanneer het gaat om verkrijging van eigen aandelen;
- bij de uitkering n.a.v. de afsluiting van de vereffening, ingeval van volledige verdeling van het vermogen van de vennootschap.
Bij een trapsgewijze verdeling van het vermogen van een vennootschap is er aan de voorwaarde van vastheid slechts voldaan wanneer de belastingplichtige de aandelen of delen ononderbroken gedurende het gehele belastbare tijdperk in volle eigendom heeft gehad.
VI. MATE VAN AFTREK VAN DE D.B.I. EN V.R.I.
II/486
Zoals voorheen (zie nrs. 502 tot 505, circ. 07.09.1990 Ci.D.19/402.192, B. 698), worden de D.B.I. en de V.R.I. in de regel geacht in de belastbare inkomsten van een aan de Ven.B. onderworpen vennootschap voor te komen ten belope van 85 of 90 % van de vastgestelde basisbedragen, naargelang de genietster al dan niet een zogenaamde "financiële vennootschap" is.
II/487
De inkomsten uit effecten van herfinancieringsleningen als bedoeld in art. 111, § 1, 6°, W.I.B., blijven evenwel voor 100 % aftrekbaar.
VII. INWERKINGTREDING
II/488
De voormelde bepalingen zijn van toepassing:
- op de liquidatiebonussen betreffende verrichtingen die vanaf 01.01.1990 plaatsgrijpen (zie nr. II/458);
- vanaf het aj. 1991 met betrekking tot de uitgesloten inkomsten waarbij elke wijziging die vanaf 01.11.1989 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening is aangebracht, zonder uitwerking is (zie nrs. II/460 tot 476);
- op verrichtingen die vanaf 01.01.1990 plaatsgrijpen wat betreft de in art. 111, § 3, W.I.B. bedoelde bepaling (zie nrs. II/477 en 478);
- vanaf het aj. 1991 wat de voorwaarde van vastheid betreft, waarbij elke wijziging die vanaf 01.11.1989 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening is aangebracht, zonder uitwerking is (zie nrs. 483 tot 485).
Bijlage 1
Cyprus
- vennootschappen die volledig in het bezit zijn van buitenlandse inwoners, die worden bestuurd en gecontroleerd buiten Cyprus en hun inkomsten volledig uit het buitenland verkrijgen;
- buitenlandse investeerders de in de vrije zone van Larnaca zijn gevestigd;
- vennootschappen die schepen exploiteren onder Cyprische vlag.
Cookeilanden
vennootschappen in het bezit van buitenlandse belangen, die niet investeren in plaatselijke vennootschappen, geen activa verwerven van een inwoner van de Cookeilanden en er geen activiteit uitoefenen.
Costa Rica
- vennootschappen waarvan de inkomsten van buitenlandse oorsprong zijn;
- nieuwe nijverheidsondernemingen.
Djibouti
- vennootschappen waarvan de inkomsten van buitenlandse oorsprong zijn;
- vennootschappen met een activiteit in het buitenland die hun zetel in de vrije zone van Djibouti hebben.
Verenigde Arabische Emiraten
- vennootschappen waarvan de industriële projecten werden "goedgekeurd;
- vennootschappen die in de vrije zone van de haven van Djebel Ali zijn gevestigd.
Gibraltar
- "exempted companies" : vennootschappen die een vrijstellingsattest bezitten en waarvan de winsten niet van de plaatselijke handel afkomstig zijn.
Hongkong
vennootschappen waarvan de inkomsten van buitenlandse oorsprong zijn.
Jamaïca
de "international business companies", die hun activiteiten uitsluitend in het buitenland uitoefenen.
Liberia
- vennootschappen waarvan de meerderheid van de aandelen in het bezit is van buitenlandse burgers of van niet-inwoners en waarvan de inkomsten voortkomen uit buitenlandse handelsverrichtingen;
- Liberiaanse vennootschappen waarvan meer dan 25 % van het maatschappelijk kapitaal in handen is van vreemdelingen niet-inwoners en waarvan de inkomsten voortkomen uit in het buitenland uitgeoefende werkzaamheden.
Liechtenstein
- holdingvennootschappen
- gedomicilieerde vennootschappen die in het vorstendom geen enkele winstgevende of commerciële activiteit uitoefenen.
Luxemburg
holdingvennootschappen
Macau
vennootschappen waarvan de inkomsten buiten het grondgebied worden verkregen.
Maleisië
- binnenlandse vennootschappen, andere dan banken, waarvan de inkomsten van buitenlandse oorsprong zijn en niet in Maleisië worden geïnd;
- buitenlandse vennootschappen (d.w.z. bestuurd en gecontroleerd in het buitenland) waarvan de inkomsten van buitenlandse oorsprong zijn, indien deze in Maleisië worden geïnd.
Eiland Malta
niet-commerciële vennootschappen, opgericht in de vorm van "nominees companies", zonder activiteit op het eiland Malta.
Eiland Man
- op het eiland opgerichte maar vanuit het buitenland bestuurde en gecontroleerde vennootschappen, waarvan de inkomsten niet van het eiland afkomstig zijn;
- "exempted companies" : binnenlandse vennootschappen die toebehoren aan niet-inwoners, waarvan de inkomsten hun oorsprong vinden buiten het eiland en die in de volgende domeinen werkzaam zijn :
- investeringen, of aan- en verkoopverrichtingen van aandelen, verzekeringspolissen of onroerende goederen;
- investeringen in de produktie of de aankoop van eetwaren;
- zeevaartverrichtingen.
Nevis
- vennootschappen waarvan de inkomsten van buitenlandse oorsprong zijn;
- vennootschappen opgericht overeenkomstig de Nevis Business Corporation Ordinance 1984;
- exporterende bedrijven.
Oman
- vennootschappen waarvan de inkomsten van buitenlandse oorsprong zijn;
- vennootschappen die vrijgesteld zijn door de sultan.
Panama
vennootschappen waarvan de inkomsten van buitenlandse oorsprong zijn.
Portugal
- vennootschappen zonder activiteit in Portugal en gevestigd in de vrije zones van Madeira en het eiland Santa Maria;
- "venture capital" vennootschappen;
- regionale ontwikkelingsvennootschappen;
- vennootschappen die het economische initiatief aanmoedigen.
Sint-Vincent
"internationale vennootschappen" die opgericht zijn in Sint-Vincent maar er geen activiteit uitoefenen en niet meer dan 10 % van de activawaarde, van het maatschappelijk kapitaal van de interesten of van de dividenden aan inwoners uitkeren.
Seychellen
vennootschappen zonder activiteit op de Seychellen.
Singapore
vennootschappen waarvan de inkomsten van buitenlandse oorsprong zijn en niet in Singapore worden geïnd.
Britse Maagdeneilanden
- buitenlandse vennootschappen die van uit het buitenland bestuurd en gecontroleerd worden en waarvan de winsten niet op de eilanden worden verwezenlijkt;
- de "international business companies" die niet met inwoners van de eilanden handelen, op de eilanden over geen onroerende goederen beschikken en die niet als bank- of verzekeringsmaatschappijen functioneren.
Bijlage 2
II. Landen waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen, gelijkaardig aan de vennootschapsbelasting, aanzienlijk gunstiger zijn dan in België, in de zin van artikel 111, § 2, 2e lid, 1°, WIB
Alderney
Nederlandse Antillen
Aruba
Cookeilanden
Djibouti
Guernsey
Herm
Hongkong
Jersey
Liechtenstein
Macau
Eiland Man
San Marino
Svalbard
Taïwan [schrapping uit de lijst ingevolge Bericht BS dd. 07.05.1997]
Britse Maagdeneilanden
Bijlage 3
III. Landen waarvan alle holding- of financieringsvennootschappen of bepaalde soorten van zulke vennootschappen een belastingstelsel genieten dat afwijkt van het gemeenrecht, in de zin van artikel 111, § 2, 2e lid, 2°, WIB;
Nederlandse Antillen
Jersey
Liechtenstein
Luxemburg
Uruguay
Bron: FisconetPlus
