Aanschrijving nr. 5 dd. 14.02.1979

AANSCHRIJVING 79/005

Aanschrijving nr. 5 dd. 14.02.1979


Bijzondere regeling
Overgang van belastingregeling
Normale regeling
Forfaitaire regeling
Optie voor de normale regeling
Optie voor de forfaitaire regeling
Forfait
Voorraad
Inventaris
Inventaris bij de overgang
Teruggaaf
Inventaris van de voorraad
Recht op teruggaaf
Bedrijfsmiddel
Inventaris van de bedrijfsmiddelen


INHOUD Nrs.

Onderwerp van de aanschrijving 1 en 2
EERSTE HOOFDSTUK. - Overgang van de bijzondere naar de normale regeling van de belasting of eventueel naar de forfaitaire regeling
Optiemogelijkheid 3
Verplichting om van regeling te veranderen 4
Overgang, voor de geheelheid, naar de normale regeling van de BTW 5
Overgang, voor een gedeelte, naar de normale regeling van de BTW of naar de forfaitaire regeling (gemengde regeling) 6
Aangifte van wijziging 7
Eerste afdeling. - Overgang van de gehele onderneming van de bijzondere naar de normale regeling van de BTW
Principe. Terugbetaling van de voorbelasting 8
Eerste onderafdeling. - Omvang van de teruggaaf Algemene bepaling die de teruggaaf voorziet 9 en 10
A. Andere goederen dan bedrijfsmiddelen 11
a. Door de landbouwondernemer hier te lande aangekochte of ingevoerde goederen die zich, op het tijdstip van de overgang, nog in zijn inrichting bevinden in de staat waarin ze werden aangekocht 12
b. Door de landbouwondernemer voortgebrachte goederen, die hij in voorraad heeft in een toestand die de commercialisatie ervan toelaat, met uitsluiting van de hoevedieren 13 en 14
c. Hoevedieren 15 en 16
d. Goederen in de grond ingelijfd en nog niet geoogst 17 tot 20
B. Diensten die het gevolg zijn van overeenkomsten van contractteelt of contractmesterij en die in uitvoering zijn op het tijdstip van de wijziging in de belastingregeling 21 tot 24
C. Belasting geheven van de bedrijfsmiddelen - Herziening 25 tot 31
Onderafdeling 2. - Voorwaarden voor de uitvoering van de teruggaaf. - Opmaken van een inventaris
Bepaling waarbij het opmaken van een inventaris wordt opgelegd 32
Vorm van de inventaris 33 tot 35
Bestemming van de inventaris 36
Onderafdeling 3. - Uitoefening van het recht op teruggaaf 37 en 38
Afdeling 2. - Overgang, voor een gedeelte van de uitgeoefende werkzaamheden, naar de normale regeling van de BTW of naar de forfaitaire regeling. Overgang naar de gemengde regeling bepaald bij de artikelen 6 en 7 van het koninklijk besluit nr. 22 39 tot 41
HOOFDSTUK 2. - Overgang van de normale regeling van de belasting naar de bijzondere regeling voor de landbouwondernemingen
Optiemogelijkheid 42 tot 44
Gevolgen van de optie. - Terugstorting van de belasting die in aftrek werd gebracht voor de goederen in voorraad 45
Eerste afdeling. - Terugstorting van de in aftrek gebrachte belasting onder de normale regeling van de belasting. - Vaststelling van die belasting
Bepaling die de terugstorting voorziet 46
Vaststelling van de terug te storten belasting 47 en 48
Afdeling 2. - Uitzondering op de verplichting tot terugstorting 49 en 50
Afdeling 3. - Modaliteiten van de terugstorting
Noodzaak van een inventaris bij de overgang 51
Vorm van de inventaris 52
Bestemming van de inventaris 53
Wijze en termijn van betaling 54 en 55
HOOFDSTUK 3. - Gehele of gedeeltelijke overdracht van een landbouwonderneming
Onderscheid dat moet worden gemaakt 56 tot 61
Eerste afdeling. - Overdracht van een landbouwonderneming die een algemeenheid van goederen of een bedrijfsafdeling vormt in de zin van artikel 11 van het BTW-Wetboek
Onderscheid dat moet worden gemaakt 62
Eerste onderafdeling. - Overdracht tussen ondernemers die beiden aan de bijzondere regeling onderworpen zijn 63 en 64
Onderafdeling 2. - Overdracht door een ondernemer onderworpen aan de bijzondere regeling aan een ondernemer onderworpen aan de normale regeling 65 tot 67
Onderafdeling 3. - Overdracht door een ondernemer onderworpen aan de normale regeling aan een ondernemer die aan de bijzondere regeling onderworpen is 68 tot 70
Afdeling 2. - Overdracht van zekere bestanddelen van een landbouwonderneming, die geen overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfstak uitmaken
Onderscheid dat moet worden gemaakt 71
Overdracht door een landbouwondernemer onderworpen aan de bijzondere regeling van artikel 57, § 1, van het Wetboek 72 en 73
Overdracht door een landbouwondernemer die onderworpen is aan de normale regeling van de belasting 74
De bijlagen zijn niet opgenomen in de fiscale databank:
Bijlage I - Model van inventaris op te maken : - in geval van overgang van de bijzondere naar de normale regeling van de belasting of - in geval van overdracht van zijn onderneming door een landbouwondernemer die onderworpen is aan de bijzondere regeling aan een ondernemer die aan de normale regeling van de belasting onderworpen is
Bijlage II - Model van inventaris op te maken : - in geval van overgang van de normale regeling van de belasting naar de bijzondere regeling of - in geval van overdracht van zijn onderneming door een ondernemer onderworpen aan de normale regeling van de belasting aan een ondernemer die aan de bijzondere regeling onderworpen is.



Onderwerp van de aanschrijving.

1. In de aanschrijving nr. 59, van 6 oktober 1970 (1), werd de regeling die wordt toegepast op de landbouwondernemers, reeds toegelicht. Zij kunnen ofwel aan de bijzondere regeling, bepaald bij artikel 57, § 1, van het BTW-Wetboek en het koninklijk besluit nr. 22, van 15 september 1970, worden onderworpen, ofwel bij optie of verplichtend aan de normale regeling.

(1) (Z. Revue nr. 1, blz.43.)

Deze aanschrijving handelt over de regels die de landbouwondernemers moeten toepassen :

1° in geval van wijziging in de belastingregeling (overgang van de bijzondere naar de normale regeling van de belasting, overgang van de normale naar de bijzondere regeling van de belasting);

2° in geval van overdracht van een landbouwonderneming, vooral wanneer de overdrager en de overnemer aan verschillende belastingregelingen onderworpen zijn.

2. Zij behandelt :

- in het eerste hoofdstuk, de overgang van de bijzondere naar de normale regeling van de belasting (kon. besl. nr. 22, van 15 september 1970, art. 10);

- in het tweede hoofdstuk, de overgang (of de terugkeer) van de normale naar de bijzondere regeling (kon. besl. nr. 22, art. 11);

- in het derde hoofdstuk, de overdracht onder landbouwondernemers van een landbouwonderneming of van een gedeelte ervan; er wordt onderscheid gemaakt naargelang de belastingregeling waaraan de overdrager en de overnemer onderworpen zijn.

Eerste hoofdstuk. - Overgang van de bijzondere naar de normale regeling van de belasting of eventueel naar de forfaitaire regeling.

Optiemogelijkheid.

3. Volgens artikel 57, § 4, van het BTW-Wetboek, mogen de landbouwondernemers die onderworpen zijn aan de bijzondere regeling, bepaald in § 1 van dit artikel, opteren voor de normale regeling van de belasting. De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan die optie onderworpen is.

Die voorwaarden worden behandeld in het eerste lid van artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 22, van 15 september 1970, dat luidt als volgt :

"De in artikel 57, § 4, van het Wetboek bedoelde optie voor de normale regeling van de belasting ten aanzien van de handelingen bedoeld in artikel 2, § 1, moet door de landbouwondernemer worden uitgeoefend door middel van een brief gericht aan het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert. Die optie heeft uitwerking te rekenen vanaf het verstrijken van de maand na die waarin de brief wordt verzonden."

Verplichting om van regeling te veranderen.

4. Zodra de landbouwondernemer niet meer aan alle voorwaarden voldoet die opgelegd zijn om te genieten van de bijzondere regeling bedoeld in artikel 57, § 1, van het Wetboek, is hij verplicht, geheel of gedeeltelijk, over te gaan naar de normale regeling van de belasting of eventueel naar de forfaitaire regeling bepaald bij artikel 56, § 1, van het Wetboek.

Overgang, voor de geheelheid, naar de normale regeling van de BTW.

5. De overgang naar de normale regeling van de BTW is voor het geheel van de onderneming verplichtend :

1° wanneer de landbouwondernemer de vorm van een handelsvennootschap aanneemt, behalve indien het gaat om een coöperatieve vennootschap met als doel de gemeenschappelijke produktie van landbouwprodukten en waarvan alle leden onderworpen zijn aan de bijzondere landbouwregeling (z. aanschr. 59/1970, nr. 9, A);

2° wanneer de landbouwondernemer, naast de landbouwbedrijvigheid, bedoeld in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit nr. 22, een andere belastingplichtige werkzaamheid begint. Dit is evenwel niet het geval wanneer hij voor deze nieuwe bedrijvigheid onderworpen wordt aan de forfaitaire regeling, bepaald bij artikel 56, § 1, van het BTW-Wetboek (z. nr. 6) of wanneer hij de milderingsregeling van de aanschrijving nr. 132, van 13 augustus 1971, kan inroepen, omdat die werkzaamheid slechts van ondergeschikt belang is.

Overgang, voor een gedeelte, naar de normale regeling van de BTW of naar de forfaitaire regeling (gemengde regeling).

6. De landbouwondernemer die onderworpen is aan de bijzondere regeling bepaald bij artikel 57, § 1, van het Wetboek, moet overgaan naar de gemengde regeling, bepaald bij de artikelen 6 en 7 van het koninklijk besluit nr. 22 :

1° wanneer hij de door hem voortgebrachte produkten of geteelde dieren begint te leveren op groot- of kleinhandelsmarkten of wanneer hij ze begint te leveren in het klein, hetzij van deur tot deur, hetzij in een inrichting voor de verkoop in het klein;

2° wanneer hij leveringen begint te doen of diensten te verstrekken ter uitvoering van overeenkomsten van contractteelt of contractmesterij, met betrekking tot produkten of dieren van zijn onderneming, doch die niet aan het tarief van 6 pct. onderworpen zijn (er wordt nochtans uitzondering gemaakt voor de leveringen aan door de Minister van Landbouw erkende coöperatieve producenten-veilingen die landbouwveilingen inrichten);

3° wanneer de nieuwe bedrijvigheid onderworpen is aan de forfaitaire regeling bepaald bij artikel 56, § 1, van het Wetboek.

In die gemengde regeling behoudt de landbouwondernemer de bijzondere regeling voor het gedeelte van zijn bedrijvigheid dat niet is bedoeld onder 1 tot 3, en is hij onderworpen aan de normale regeling of, eventueel, aan de forfaitaire regeling voor het andere gedeelte. Hij wordt dan ook geacht zijn bedrijvigheid uit te oefenen in twee onderscheiden sectoren overeenstemmend met ieder van die twee gedeelten en hij wordt geacht de door hem voortgebrachte goederen die hij in de tweede sector gebruikt van de eerste sector (produktie) aan de tweede sector (bedrijvigheid bedoeld onder 1 tot 3) te hebben geleverd. Hij moet voor die leveringen per aangiftetijdvak een intern stuk opmaken waarin hij vermeld de aard en de hoeveelheid van de geleverde goederen, de prijs die hij zou hebben verkregen indien hij die goederen in het groot had verkocht, en de recuperatiebelasting van 6 pct., bepaald bij artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 22, die de voorbelasting vertegenwoordigt. Hij mag die belasting dan in aftrek brengen in de aangifte die hij onder de normale regeling of eventueel onder de forfaitaire regeling indient .

Aangifte van wijziging.

7. Krachtens artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 22, moet de landbouwondernemer die ten aanzien van zijn gehele werkzaamheid onderworpen is aan de bijzondere regeling, ingesteld bij artikel 57, § 1, van het Wetboek, het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert, binnen vijftien dagen, schriftelijk in kennis stellen van iedere wijziging waardoor hij geheel (z. nr. 5) of gedeeltelijk (z. nr. 6) onderworpen wordt aan de normale regeling van de belasting of aan de bijzondere regeling van artikel 56, § 1, van het Wetboek.

Eerste afdeling. - Overgang van de gehele onderneming van de bijzondere naar de normale regeling van de BTW.

Principe. Terugbetaling van de voorbelasting.

8. De goederen die de landbouwondernemer op het tijdstip van de overgang in voorraad heeft, zijn, in principe, voorbelast. Daar die goederen tot de normale regeling van de belasting toetreden, moeten zij van die voorbelasting worden ontheven. Dit is de reden waarom artikel 10, § 1, van het koninklijk besluit nr. 22, een teruggaaf van de belasting voorziet ten voordele van de landbouwondernemer die niet langer onderworpen is aan de bijzondere regeling ingesteld bij artikel 57, § 1, van het Wetboek. Om die teruggaaf te bekomen, moet de ondernemer een inventaris van overgang opmaken, die toelaat de voorbelasting op de goederen in voorraad vast te stellen (z. nrs. 32 tot 36).

Eerste onderafdeling. - Omvang van de teruggaaf.

Algemene bepaling die de teruggaaf voorziet.

9. Artikel 10, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 22, luidt als volgt :

"De landbouwondernemer die niet langer onderworpen is aan de bijzondere regeling ingesteld bij artikel 57, § 1, van het Wetboek, kan teruggaaf verkrijgen van de belasting over de toegevoegde waarde geheven :

1° van de andere goederen dan bedrijfsmiddelen, die nog niet werden vervreemd en van de diensten die nog niet werden gebruikt bij de wijziging in de belastingregeling;

2° van de bedrijfsmiddelen die bij de wijziging nog bestaan, voor zover die goederen nog bruikbaar zijn en het herzieningstijdvak bepaald bij artikel 48, § 2, van het Wetboek, of ter uitvoering ervan, niet is verstreken."

10. Bij een letterlijke interpretatie van het hierboven geciteerde eerste lid van artikel 10, § 1, zou de teruggaaf moeten worden beperkt tot de belasting die aan de landbouwondernemer door de leveranciers in rekening werd gebracht of die hij wegens invoer heeft betaald voor de goederen in voorraad op het tijdstip van de overgang of voor de op dit tijdstip niet gebruikte diensten.

Die interpretatie is nochtans te beperkend en strookt niet met de geest van de wet, vooral indien men er rekening mee houdt dat de voorraad van de ondernemer niet alleen bestaat uit goederen die hij van derden heeft verkregen, maar ook uit goederen van eigen voortbrengst. Welnu, de waarde van die laatste goederen begrijpt belastingen die geheven werden van de produktie (belasting op zaaigoed, meststoffen, dierenvoeder, enz.). Daarom aanvaardt de administratie dat de teruggaaf zich uitstrekt tot het geheel van de goederen in voorraad en eventueel tot de diensten in uitvoering.

Hierna wordt de draagwijdte van de teruggaaf bepaald, achtereenvolgens wat betreft :

A. de goederen in voorraad, andere dan bedrijfsmiddelen; B. de diensten die het gevolg zijn van teelt- of mesterijcontracten die in uitvoering zijn op het tijdstip van de wijziging in de belastingregeling; C. de belastingen geheven van bedrijfsmiddelen van de landbouwondernemer.

A. Andere goederen dan bedrijfsmiddelen.

11. De andere goederen dan bedrijfsmiddelen, waarover de landbouwondernemer beschikt of die hij bezit op het tijdstip van de overgang, kunnen van zeer uiteenlopende aard zijn; het kan gaan om :

1° goederen die zich nog steeds in de toestand bevinden waarin ze werden aangekocht;

2° goederen voortgebracht door de ondernemer en in voorraad in een stadium dat de commercialisatie toelaat;

3° hoevedieren;

4° goederen die nog steeds in de grond zijn ingelijfd.

Achtereenvolgens wordt voor die verschillende categorieën goederen de berekeningswijze van de teruggaaf onderzocht.

a. Door de landbouwondernemer hier te lande aangekochte of ingevoerde goederen die zich, op het tijdstip van de overgang, nog in zijn inrichting bevinden in de staat waarin ze werden aangekocht.

12. Worden hier bedoeld de goederen (grondstoffen en algemene onkosten) die geen opbrengst zijn van de onderneming, maar die door haar werden verkregen met toepassing van de BTW, en die, op het tijdstip van de wijziging in de belastingregeling, nog in dezelfde staat in voorraad zijn zonder ooit te zijn gebruikt. Het gaat vooral om :

  • zaai- en plantgoed;
  • veevoeder;
  • meststoffen en grondverbeteraars;
  • phytopharmaceutische produkten;
  • volgende goederen voor zover ze nooit hebben gediend (2) : het klein materieel en het klein gereedschap, waarvan de prijs, per in de handel gebruikelijke eenheid, minder bedraagt dan 10.000 frank en de verpakkingen en verpakkingsmiddelen (zakken, kisten, kruiken, inpakpapier, koorden, enz).
(2) Niet de minste teruggaaf wordt verleend wanneer die goederen reeds in de onderneming werden gebruikt.)

Voor die goederen is de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde bij de aankoop in het land of bij de invoer ook de maatstaf voor het berekenen van de teruggaaf

Het tarief van de terug te betalen belasting is het tarief dat op de goederen in voorraad van toepassing was bij de aankoop hier te lande of bij de invoer ervan.

b. Door de landbouwondernemer voortgebrachte goederen, die hij in voorraad heeft in een toestand die de commercialisatie ervan toelaat, met uitsluiting van de hoevedieren.

13. Het gaat om volgende op de onderneming voortgebrachte goederen :

  • tarwe en andere graangewassen;
  • opgeslagen hooi en groengewassen;
  • geoogste groenten, planten, bieten en voederknollen;
  • geplukt fruit;
  • struiken en heesters, onderworpen aan het tarief van 6 pct., besteld door de kliënten en gereed om hun te worden geleverd;
  • woudbomen die geveld zijn of die met het oog erop zijn gemerkt;
  • andere commercialiseerbare produkten voortgebracht door de landbouwondernemer en die onderworpen zijn aan het tarief van 6 pct.;
  • teelt- en mesterijprodukten die niet onderworpen zijn aan het tarief van 6 pct., maar onder de bijzondere regeling behouden blijven wegens het feit dat ze moesten geleverd worden aan door de Minister van Landbouw erkende coöperatieve producentenveilingen (z. kon. besl. nr. 22, art. 2, § 2, 3).
14. Voor die goederen wordt de teruggaaf berekend op hun normale waarde in het commercialisatiestadium waarin ze zich bevinden, dit wil zeggen in het stadium van de produktie. Die waarde stemt over het algemeen overeen met de prijs, exclusief BTW, die men had kunnen verkrijgen bij de levering in het groot van gelijkaardige goederen verkocht "vanaf de hoeve" of "vanaf de onderneming". In de mate van het mogelijke zal die normale waarde worden gerechtvaardigd ofwel door de prijzen die in de marktberichten worden gepubliceerd voor het tijdvak waarin de wijziging in de belastingregeling tussenkomt, ofwel bij middel van aankoopborderellen die de landbouwondernemer heeft ontvangen ter gelegenheid van verkopen van gelijkaardige goederen op een datum die de wijziging in de belastingregeling dicht benadert.

Het tarief van de teruggaaf is het recuperatietarief dat in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 22 is bepaald, t.t.z. 2 pct. voor hout en 6 pct. voor de andere goederen.

c. Hoevedieren.

15. Die categorie omvat zowel de op de hoeve geboren dieren als de dieren die de landbouwondernemer heeft aangekocht met het oog op de vetmesting, de produktie of de voortplanting. Alhoewel sommige van die dieren, zoals melkkoeien, in een zekere mate bedrijfsmiddelen zijn, worden ze voor de toepassing van deze aanschrijving, wat ook hun leeftijd is, altijd als slachtdieren beschouwd (*).

16. Voor die dieren is de maatstaf voor het berekenen van de teruggaaf dus de normale prijs die de landbouwondernemer zou kunnen verkrijgen indien hij die dieren doorverkocht aan een handelaar met het oog op slachting. Eventueel wordt die prijs bepaald volgens de categorie waaronder het dier te rangschikken is in de marktberichten die, voor het tijdvak waarin de wijziging in de belastingregeling plaatsvindt, werden gepubliceerd.

Het tarief van de teruggaaf is het recuperatietarief van 6 pct., bepaald bij artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 22.

(*) Dit standpunt is gerechtvaardigd wanneer men bedenkt dat de administratie, zelfs onder de normale regeling van de BTW, ervan afziet de belasting te heffen wegens de onttrekking van een dier als bedrijfsmiddel (z. besl. 23 maart 1972, nr. T 2880, Revue nr. 7, blz. 253, nr. 293).

d. Goederen in de grond ingelijfd en nog niet geoogst.

17. Worden hier bedoeld, de teeltgoederen die op het tijdstip van de wijziging in de belastingregeling nog in de grond zijn ingelijfd, wat ook het stadium van hun groei of rijpheid moge zijn (nog niet geoogste korenvelden, graangewassen, groenten, planten of nog niet geplukte vruchten, enz.).

18. Voor die goederen wordt de teruggaaf, in principe, beperkt tot de belasting geheven van zaai- en plantgoed, meststoffen en phytopharmaceutische produkten en van de aan de landbouwondernemer verstrekte diensten. Er moet, ter voldoening van de administratie, worden vastgesteld dat die leveringen van goederen en die verstrekte diensten rechtstreeks en gans in het bijzonder verband houden met de oogst in groei. Bovendien is er vereist dat de leveringen van goederen of dienstprestaties dateren van minder dan twaalf maanden voor de datum van de wijziging in de belastingregeling.

19. De maatstaf voor het berekenen van de teruggaaf is gelijk aan de maatstaf van heffing bij de aankoop van de goederen of bij het verstrekken van de diensten bedoeld onder nr. 18. Het tarief van de teruggaaf is het tarief dat op die goederen en die diensten werd toegepast op het tijdstip dat ze werden geleverd of verstrekt.

20. De heesters en struiken uit de boomkwekerijen, die aan het BTW-tarief van 6 pct. zijn onderworpen, en de woudbomen maken een bijzonder geval uit. Voor die goederen wordt de teruggaaf eveneens toegestaan in functie van de belasting geheven van de produktie, en dit in een mate die in gemeen overleg tussen de landbouwondernemer en de administratie wordt bepaald; in geen geval mag de teruggaaf betrekking hebben op belastingen geheven van onkosten die de ondernemer heeft aangegaan meer dan drie of vijf jaar voor de datum van de wijziging in de belastingregeling, naargelang het gaat om een boomkweker of om een bosbouwondernemer.

B. Diensten die het gevolg zijn van overeenkomsten van contractteelt of contractmesterij en die in uitvoering zijn op het tijdstip van de wijziging in de belastingregeling.

21. Onder "teeltcontract" wordt verstaan de overeenkomst waarbij de landbouwer de grond ter beschikking stelt en al of een gedeelte van de verschillende landbewerkingen uitvoert, gaande van het ploegen tot het oogsten. Zijnerzijds stelt de medecontractant de landbouwer het zaai- en plantgoed en/of de meststoffen ter beschikking, die nodig zijn voor de teelt, waarvan hij voornemens is de vruchten voor zich te houden. Eventueel neemt hij ook de uitvoering van zekere landbewerkingen op zich (besproeien, maaien, wieden, enz.).

22. Onder "mesterijcontract" wordt verstaan het contract waarbij de landbouwondernemer zich verbindt de hem toevertrouwde dieren, die de eigendom van zijn medecontractant blijven, te voeren en te verzorgen. Eventueel stelt de medecontractant het veevoeder te zijner beschikking.

23. Wanneer dergelijke contracten op het tijdstip van de wijziging in de belastingregeling in uitvoering zijn, is het mogelijk dat de ondernemer, om reden van de oorzaken van verschuldigdheid van de belasting bepaald bij artikel 22, de terugbetalingsbelasting van 6 pct. van zijn medecontractant niet heeft kunnen recupereren, tot beloop van de werkelijk uitgevoerde diensten.

24. In dergelijke gevallen slaat de maatstaf voor het berekenen van de teruggaaf op het gedeelte van de tussen de partijen overeengekomen prijs, dat overeenstemt met de werkelijk volbrachte diensten maar waarop de terugbetalingsbelasting niet in rekening kon worden gebracht. Nochtans wordt een raming "prorata temporis" aanvaard indien het gaan om doorlopende diensten. Het tarief van de teruggaaf is precies het recuperatietarief van 6 pct., bepaald bij artikel 3 van het koninklijk besluit nr.22.

C. Belasting geheven van de bedrijfsmiddelen. - Herziening.

25. Krachtens artikel 10, § 1, 2, van het koninklijk besluit nr. 22, kan de landbouwondernemer die niet langer onderworpen is aan de bijzondere regeling ingesteld bij artikel 57, § 1, van het Wetboek, teruggaaf verkrijgen van de belasting geheven van de bedrijfsmiddelen die bij de wijziging nog bestaan, voor zover die goederen nog bruikbaar zijn en het herzieningstijdvak bepaald bij artikel 48, § 2, van het Wetboek of ter uitvoering ervan, niet is verstreken.

Artikel 10, § 2, tweede lid, van hetzelfde besluit nr. 22, voegt eraan toe dat "de teruggaaf slechts wordt toegestaan in de mate waarin de landbouwondernemer de aftrek had kunnen verrichten bij toepassing van de artikelen 45 tot 49 en 100 van het Wetboek, indien hij op het tijdstip van de wijziging in de belastingregeling de hoedanigheid van belastingplichtige had verkregen zoals bedoeld in artikel 49, 3, van het Wetboek".

26. Onder "belasting geheven van bedrijfsmiddelen" verstaat men de belasting bepaald bij de artikelen 6 en 7 van het koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (z. aanschr. nr. 103, van 31 december 1970, § 16 tot 29). Zijn aldus voor de toepassing van de herziening niet als dusdanig te beschouwen, de belasting geheven van de aankoop van klein materieel of van gereedschap, waarvan de prijs, per in de handel gebruikelijke eenheid, minder bedraagt dan 10.000 frank, die geheven van goederen die vlug tenietgaan (b.v. werkklederen) en die geheven van verpakkingen (voor die verschillende goederen, z. nr. 12 hierboven). Daarentegen heeft de landbouwondernemer recht op teruggaaf van de belasting geheven van de aankoop van materialen waarmede hij een bedrijfsmiddel heeft samengesteld, veranderd of verbeterd, ofschoon hij ervan is vrijgesteld de bij artikel 12, § 1, 4, en artikel 19, § 2, van het Wetboek bepaalde onttrekkingen te doen.

27. Volgens hetgeen wordt bepaald bij artikel 10, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 22, moet er, voor de vijfjarige herziening, rekening worden gehouden met de beperking van het recht op aftrek, die voor automobielen voor personenvervoer is ingesteld bij het artikel 45, § 2, van het Wetboek zoals het van kracht is op het tijdstip van de wijziging in de belastingregeling.

28. Overigens stelt voormeld artikel 10, § 2, onder verwijzing naar artikel 49, 3, van het Wetboek, de landbouwondernemer die naar de normale regeling overgaat gelijk met een niet-belastingplichtige die belastingplichtige wordt; die bepaling brengt dus met zich mee dat de beperking van het recht op aftrek bepaald bij artikel 100 van het Wetboek moet worden beoordeeld volgens de regels die op het tijdstip van de overgang van kracht zijn. Aldus moest voor de overgangen die plaatsvonden voor 1 oktober 1976 rekening worden gehouden met de algemene beperking van het recht op aftrek bepaald bij artikel 100, dat van toepassing was op de datum van overgang. Daarentegen neemt men aan dat de landbouwondernemer, die na 1 oktober 1976 naar de normale regeling overgaat, moet worden behandeld als een nieuwe belastingplichtige zonder referentiebedrijfsmiddelen en dat hij bijgevolg recht heeft op de vijf- of tienjarige herziening, zonder dat de beperking van het recht op aftrek, bepaald bij artikel 100, § 1, van het Wetboek (versie 1977, 1978 of 1979), moet worden toegepast. Aldus, b.v., heeft een landbouwondernemer die in 1979 naar de normale regeling overgaat, indien hij in 1976 een landbouwtractor heeft aangekocht voor de prijs van 100.000 frank, te vermeerderen met 18.000 frank BTW, recht op een teruggaaf die gelijk is aan de twee vijfden van 18.000 frank en niet de twee vijfden van 13.000 frank (18 pct. - 5 pct.).

29. Wat de bedrijfsmiddelen betreft, is de maatstaf voor het berekenen van de teruggaaf gelijk aan de maatstaf van heffing bij de aankoop in het land of bij de invoer van de bedrijfsmiddelen, bij de aankoop van de materialen die in de bedrijfsmiddelen werden ingelijfd of bij de uitvoering van de dienstprestaties, die hebben geleid tot de samenstelling, de omvorming of de verbetering van bedrijfsmiddelen.

30. Het tarief van de teruggaaf is gelijk aan het belastingtarief dat bij de verrichtingen, bedoeld in het vorig lid, werd geheven.

31. Om de breuk te bepalen die zal dienen bij het berekenen van het voor terugbetaling vatbare bedrag van de belastingen, moeten de regels worden geëerbiedigd die worden bepaald bij de artikelen 9 en 11, § 2, van het koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969, en in de nrs. 67 tot 73 van de aanschrijving nr. 103, van 31 december 1970.

In dit opzicht wordt opgemerkt dat de herzieningstermijn, ten aanzien van de belasting geheven van de oprichting of de verkrijging van een gebouw, op tien jaar werd gebracht, wanneer het vertrekpunt van die termijn na 31 december 1977 valt.

Onderafdeling 2. - Voorwaarden voor de uitvoering van de teruggaaf. - Opmaken van een inventaris.

Bepaling waarbij het opmaken van een inventaris wordt opgelegd.

32. Volgens artikel 10, § 2, van het koninklijk besluit nr. 22, van 15 september 1970, is de teruggaaf van de belasting afhankelijk van het opmaken, in drie exemplaren, van een inventaris van de voorraad op het tijdstip van de wijziging in de belastingregeling en van een staat van de op dat tijdstip nog bruikbare bedrijfsmiddelen.

Vorm van de inventaris.

33. Voormeld artikel 10, § 2, bepaalt dat : "de inventaris op een gedetailleerde wijze de goederen en diensten vermeldt die in aanmerking worden genomen voor het berekenen van de voor teruggaaf vatbare belasting, alsmede de datum waarop die goederen werden geleverd en die diensten werden verstrekt aan de landbouwondernemer, de maatstaf van heffing waarover ze met de belasting over de toegevoegde waarde werden belast en het terug te geven bedrag".

34. Gelet op het feit dat de berekening van de teruggaaf verschillend is naargelang de onderscheiden categorieën goederen in voorraad en voor de diensten in uitvoering (z. nrs. 11 tot 31), moet de inventaris het mogelijk maken, met het nodige onderscheid, de verschillende bestanddelen terug samen te stellen die voor het bepalen van het voor terugbetaling vatbare bedrag in aanmerking moeten worden genomen.

Om het de landbouwondernemers gemakkelijker te maken, heeft de administratie een model van inventaris uitgewerkt die aan het gestelde doel beantwoordt. Dit model vindt men onder bijlage I van deze aanschrijving.

35. De landbouwondernemer is ertoe gehouden een rechtvaardiging te geven voor de bestanddelen die hij in zijn inventaris tot staving van zijn recht op teruggaaf aanwendt. Te dien einde moet hij in staat zijn, op verzoek van het BTW-controlekantoor, de bewijsstukken voor te leggen die hij gehouden is te bewaren (inkomende facturen, aankoopborderellen met betrekking tot verkopen in het groot van gelijkaardige produkten, enz.); hij moet eveneens aan dit kantoor alle technische inlichtingen verstrekken die de controleagent toelaten zich te overtuigen van de gegrondheid van de teruggaaf die gevraagd wordt.

Bestemming van de inventaris.

36. De landbouwondernemer moet de inventaris, waarvan hoger sprake is, in dubbel exemplaar, indienen bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert, en dit binnen de drie maanden van de wijziging in de belastingregeling (z. kon. besl. nr. 22, art. 10, § 2, eerste lid).

Onderafdeling 3. - Uitoefening van het recht op teruggaaf.

37. Volgens artikel 10, § 2, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 22, oefent de landbouwondernemer zijn recht op teruggaaf uit bij het indienen van de aangifte met betrekking tot de handelingen van de laatste maand van het kalenderkwartaal na dat waarin de inventaris bij het controlekantoor werd ingediend (z. nr. 36).

38. De teruggaaf gebeurt zoals bepaald bij artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4, van 29 december 1969, met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, t.t.z. door toerekening van het voor teruggaaf vatbare bedrag op het bedrag van de belasting waarvan de aangifte bedoeld in nr. 37 hierboven de debitering vaststelt; het terug te geven bedrag is begrepen in het bedrag van de regularisaties van belasting die voor het aangiftetijdvak moeten worden verricht.

Gelet op de bijzondere aard van die teruggaaf, is het aangewezen dat de landbouwondernemer, bij de aangifte waarin de teruggaaf wordt uitgeoefend een stuk bijvoegt, waarin hij, met verwijzing naar de inventaris die op het controlekantoor werd ingediend (z. nrs. 33 tot 36), de bestanddelen voor het berekenen van de voor teruggaaf vatbare belasting opgeeft.

Afdeling 2. - Overgang, voor een gedeelte van de uitgeoefende werkzaamheden, naar de normale regeling van de BTW of naar de forfaitaire regeling. - Overgang naar de gemengde regeling bepaald bij de artikelen 6 en 7 van het koninklijk besluit nr. 22.

39. Onder nr. 6 van deze aanschrijving werden de verschillende gevallen belicht waarin de landbouwondernemer verplicht is, voor een gedeelte van zijn werkzaamheden, over te gaan naar de normale regeling van de BTW of naar de forfaitaire regeling (verkoop van zijn produkten op de groot- of kleinhandelsmarkten, verkoop van deur tot deur of in een inrichting voor de verkoop in het klein; verkoop van produkten of dieren die niet aan het tarief van 6 pct. onderworpen zijn; nieuwe werkzaamheid, onderworpen aan de forfaitaire regeling). Te dezer gelegenheid werd ook de gemengde regeling beschreven die de landbouwondernemer van dan af moet toepassen.

40. De landbouwondernemer heeft onder de gemengde regeling het recht, bij wijze van aftrek, een belasting van 6 pct. te recupereren, wegens de fictieve leveringen die hij vanaf zijn sector "produktie" verricht voor de goederen of diensten die bestemd zijn voor zijn sector onderworpen aan de BTW. Daarom sluit artikel 10, § 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 22, ieder recht op teruggaaf uit op het tijdstip van de wijziging in de belastingregeling. Zonder die bepaling zou er inderdaad een dubbele teruggaaf plaatsvinden.