Circulaire 2019/C/27 over de grensbedragen inzake aanvullende pensioenen

Deze circulaire gaat over het belastingstelsel van de bijdragen gestort in uitvoering van een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood of van een aanvullende pensioentoezegging inzake een rust- en/of overlevingspensioen met het oog op de vorming van een rente of van een kapitaal:

- vaststelling van het wettelijk rustpensioen waarmee rekening moet worden gehouden bij de berekening van het globaal bedrag van de toekenning bij leven dat gevestigd kan worden d.m.v. bijdragen die aftrekbaar zijn als beroepskosten;

- indexering van de lopende renten.

Bedragen van toepassing voor het jaar 2018.

personenbelasting ; vennootschapsbelasting ; beroepskosten ; groepsverzekering ; werkgeversbijdrage voor groepsverzekering ; pensioenfonds ; werkgeversbijdrage voor een pensioenfonds

FOD Financiën, 10.04.2019
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Vennootschapsbelasting

Inhoudstafel

I. Inleiding
II. Grens van de brutobezoldigingen – wettelijk rustpensioen

A. Werknemers
B. Bedrijfsleiders die aan het sociaal statuut van de zelfstandigen onderworpen zijn

III. Indexering van de lopende renten

I. Inleiding

1. Deze circulaire geeft, voor het jaar 2018, de bedragen die van toepassing zijn inzake de beperking van de toekenningen bij leven die kunnen worden verzekerd door middel van bijdragen die overeenkomstig artikel 59, WIB 92, als beroepskosten aftrekbaar zijn.

II. Grens van de brutobezoldigingen – wettelijk rustpensioen

A. Werknemers

2. De in nr. 59/40 en 59/Bijlage/1, Com.IB 92, beoogde grens van de brutobezoldigingen die in aanmerking komen voor de vaststelling van het wettelijk rustpensioen, bedraagt 57.602,62 euro voor het jaar 2018.

B. Bedrijfsleiders die aan het sociaal statuut van de zelfstandigen onderworpen zijn

3. Het wettelijk rustpensioen van de bedrijfsleiders die aan het sociaal statuut van de zelfstandigen onderworpen zijn, mag worden geraamd op 25 % van hun bruto-inkomen, zonder dat het resultaat lager of hoger mag zijn dan respectievelijk het jaarlijks vast te stellen minimum- of maximumpensioen (zie het nr. 3, circulaire nr. Ci.RH.243/563.402 van 03.08.2004).

4. Voor het jaar 2018 bedraagt het wettelijk minimumpensioen 14.548,22 euro. Het maximumpensioen is vastgesteld op 16.975,65 euro.

III. Indexering van de lopende renten

5. Met betrekking tot de in nr. 59/Bijlage/2, Com.IB 92, uiteengezette berekening van het maximumbedrag van de indexering, gelden voor het jaar 2018 de volgende bedragen (zie ook de nrs. 59/67 en 68, Com.IB 92):

1° beperking van het aanvangsbedrag van de lopende jaarrente: 78.453,60 euro voor renten die in 2018 zijn ingegaan;

2° indexeringscoëfficiënten met betrekking tot de voor het jaar 2018 verschuldigde renten:

Renten ingegaan in

Indexeringscoëfficiënt

1985 of vroeger

1986, 1987 of 1988

1989

1990

1991

1992

1993

1994

1995 of 1996

1997

1998 of 1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007 of 2008

2009 of 2010

2011

2012

2013 tot 2016

2017

2018

0,8476
0,7758
0,7410
0,7069
0,6406
0,5769
0,5460
0,5157
0,4859
0,4568
0,4283
0,4003
0,3728
0,3459
0,3195
0,2936
0,2682
0,2434
0,2190
0,1487
0,1262
0,1040
0,0612
0,0404
0,02

3° toe te voegen bedrag (m.b.t. vóór 1992 ingegane renten): 3.868,97 euro, voor renten betaald in 2018.

NAMENS DE MINISTER:
Voor de Administrateur-generaal van de Fiscaliteit,

Danny DELVAUX
Adviseur-generaal

Interne ref.: 719.666