Circulaire nr. Ci.RH.332/367.747 dd. 20.03.1986
CIRC 20.03.86/1
Circulaire nr. Ci.RH.332/367.747 dd. 20.03.1986
Bull. nr. 649, pag. 742
AANSLAGVOET PB
Aanslagvoet van 25 pct.
FORFAITAIR GEDEELTE VAN DE BUITENLANDSE BELASTING
Toepassingsvoorwaarden
ROERENDE INKOMSTEN
Inkomsten waarvoor de aangifte in de PB facultatief is
Inkomsten waarvoor de aangifte in de PB verplicht is
Commentaar op de art. 16 en 36, W. 28.12.1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen en de art. 28, 1°, 30 en 31, W. 27.12.1984 houdende fiscale bepalingen.
INHOUDSOPGAVE I. INLEIDING 1 II. BEKNOPT OVERZICHT VAN DE WIJZIGINGEN VAN HET WIB A. Roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard waarop de RV verschuldigd is 2 B. Roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard, waarop de RV niet is geheven 3 C. Tekstaanpassingen 4 III. INWERKINGTREDING 5 IV. ROERENDE INKOMSTEN EN DIVERSE INKOMSTEN VAN ROERENDE AARD WAARVOOR DE AANGIFTE IN DE PB FACULTATIEF IS A. Algemeen 6 B. Beoogde inkomsten 7 tot 9 C. Aangifte 10 tot 12 D. Belastingstelsel met betrekking tot de niet aangegeven inkomsten 13 en 14 E. Belastingstelsel dat van toepassing is op de in de PB aangegeven inkomsten 1. Algemeen 15 tot 17 2. Bijzondere gevallen a) Aftrek van maximum 10.000 F op sommige roerende inkomsten 18 tot 20 b) Inkomsten van aandelen en van kapitalen belegd in personenvennootschappen, waarvan de 1e schijf van 75.000 F is vrijgesteld 21 c) Stelsel van de volledige globalisatie 22 V. ROERENDE INKOMSTEN EN DIVERSE INKOMSTEN VAN ROERENDE AARD, WAARVOOR DE AANGIFTE IN DE PB VERPLICHT IS A. Algemeen 23 B. Bedoelde inkomsten 24 en 25 C. Belastingstelsel 26 en 27 D. Forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting (F.B.B.) 28 en 29 Bijlage 1 : Wetteksten Bijlage 2 : Overzicht van het nieuw belastingstelsel inzake roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard, uitgaande van de aangifte in de PB (ajren 1985 en 1986). (Bijlagen niet opgenomen) I. INLEIDING 1. In bijlage 1 gaat de tekst van de bepalingen van het WIB, zoals zij, met het oog op het bevrijdend maken van de RV, door de art. 16 en 36, W. 28.12.1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen (V. 1704 - B. 625) en door de art. 28, 1°, 30 en 31, W. 27.12.1984 houdende fiscale bepalingen (V. 1748 - B. 636), werden gewijzigd of ingevoegd.
De gewijzigde of ingevoegde teksten zijn aangestreept en in de marge is ook de oorsprong van de wijziging of de invoeging vermeld.
II. BEKNOPT OVERZICHT VAN DE WIJZIGINGEN VAN HET WIB
A. Roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard waarop de RV verschuldigd is
2. Die inkomsten moeten niet langer in de PB worden aangegeven; niets belet evenwel de belastingplichtige dit toch te doen wanneer hij daardoor de RV geheel of gedeeltelijk meent te kunnen terugkrijgen (*).
Worden dezelfde inkomsten niet in de PB aangegeven, dan is de erop betrekking hebbende RV definitief voor de Schatkist verworven; wanneer zij wel worden aangegeven, stemt de PB, behoudens indien het stelsel van de volledige globalisatie voor de belastingplichtige voordeliger is, overeen met het bedrag van die voorheffing, in voorkomend geval nog verhoogd met het op die inkomsten betrekking hebbende B.K. en F.B.B.
B. Roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard, waarop de RV niet is geheven
3. Men is verplicht die inkomsten, voor zover ze niet zijn vrijgesteld, bij voortduur in de PB aan te geven, maar ze zijn voortaan afzonderlijk belastbaar aan 25 pct., tenzij het stelsel van de volledige globalisatie voordeliger is voor de belastingplichtige.
Wanneer het ter zake gaat om in het buitenland belaste inkomsten van buitenlandse oorsprong, mag, in geval van afzonderlijke taxatie, geen F.B.B. worden verrekend.
C. Tekstaanpassingen
4. Ingevolge de opheffing van art. 205, WIB, met ingang van het aj. 1983 (art. 20, W. 11.04.1983 houdende fiscale begrotingsbepalingen - V. 1670, B. 618) en de overheveling van de voorheen erin vervatte bepalingen naar art. 211, § 2, WIB (art. 21 van dezelfde wet), dienden de verwijzingen naar art. 205 in de diverse artikelen van het WIB te worden vervangen door een verwijzing naar art. 211, § 2, WIB
Wat de art. 197, § 2 en 198, WIB, betreft, werd deze aanpassing door de art. 30 en 31, W. 27.12.1984 verwezenlijkt.
III. INWERKINGTREDING
5. De wijzigingen waarvan sprake in de nrs. 2 en 3 (nieuw aanslagstelsel inzake roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard), zijn van toepassing met ingang van het aj. 1985 (zie art. 54, § 1, 1°, W. 28.12.1983 en art. 47, § 1, 1°, W. 27.12.1984). Het zijn deze wijzigingen die hierna zullen worden besproken.
De in nr. 4 bedoelde tekstaanpassingen vergen geen verdere toelichting; ten deze wordt zonder meer verwezen naar de nrs. 126 tot 128, circ 27.12.1984; Ci.RH.331/344.146 (B. 625).
IV. ROERENDE INKOMSTEN EN DIVERSE INKOMSTEN VAN ROERENDE AARD WAARVOOR DE AANGIFTE IN DE PB FACULTATIEF IS
A. Algemeen
6. Krachtens art. 220bis, WIB (ingevoegd door art. 36, W. 28.12.1983) zijn de aan de PB onderworpen belastingplichtigen voortaan niet meer verplicht hun roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard, die aan de RV zijn onderworpen geweest, in hun jaarlijkse aangifte in de PB te vermelden.
Voor de belastingplichtigen die van deze mogelijkheid gebruik maken, is de geheven RV de definitieve belasting.
Voor hen die verkiezen de roerende en diverse inkomsten waarvan sprake toch aan te geven, zijn die inkomsten in principe afzonderlijk belastbaar (art. 93, § 1, 5°, WIB).
B. Beoogde inkomsten
7. De inkomsten waarvan in art. 220bis, WIB, sprake is, zijn :
8. Praktische gezien betreft het de volgende inkomsten :
De inkomsten van certificaten van Belgische en buitenlandse gemeenschappelijke beleggingsfondsen die geen rechtspersoonlijkheid bezitten, zijn, gelijkgesteld met inkomsten van schuldvorderingen van respectievelijk Belgische of buitenlandse oorsprong die de RV hebben ondergaan. Wanneer de vennootschap die het fonds beheert, voor elke betaalbaar gestelde coupon, het bedrag ervan in de vereiste vorm omdeelt per categorie van inkomsten waaruit hij is samengesteld, moet elk van die bestanddelen volgens zijn specifieke aard in aanmerking worden genomen.
9. Uit wat voorafgaat blijkt dat het hier eigenlijk gaat om de roerende inkomsten en de diverse inkomsten van roerende aard, waarvoor een werkelijke of fictieve RV kan worden verrekend, met uitzondering evenwel van de loten van leningen van Belgische oorsprong (art. 220bis eerste lid, b, WIB, onttrekt alleen aan de verplichting tot aangifte, de in art. 67, 5°, WIB bedoelde inkomsten, wanneer ze van buitenlandse oorsprong zijn en langs een in België gevestigde tussenpersoon zijn geïnd of verkregen).
De aandacht wordt erop gevestigd dat de in art. 220bis, WIB, bedoelde afwijking op de aangifteplicht evenmin geldt voor het geval dat de in de nrs. 7 en 8 geciteerde inkomsten een bedrijfskarakter hebben en als zodanig krachtens art. 33, WIB, bedrijfsinkomsten vertegenwoordigen (P.V. nr. 319 van 29.05.1985 van de heer Dalem, BVA., nr. 37, 25.06.1985 - Senaat, zitting 1984-1985, p. 1809 - B. 645).
C. Aangifte
10. De mogelijkheid tot aangifte van de in de nrs. 7 en 8 bedoelde inkomsten blijft nochtans bestaan (zie art. 220bis, laatste lid, WIB).
Dit betekent dat de belastingplichtige niet verplicht is om dergelijke inkomsten in zijn aangifte in de PB te vermelden, maar dat hij ze toch kan aangeven.
Daardoor wordt de belastingplichtige in bepaalde gevallen, in staat gesteld de ingehouden RV geheel of gedeeltelijk via het kohier terug te krijgen.
11. De keuzemogelijkheid waarover de belastingplichtige beschikt, houdt in dat het hem toegestaan is slechts een gedeelte van de beoogde inkomsten aan te geven; hij kan dus vrij kiezen om die inkomsten geheel, gedeeltelijk of helemaal niet aan te geven.
Hij is evenwel zelf volledig aansprakelijk voor de eventuele beoordelingsfouten die hij bij die keuze zou maken (*).
Bij de regeling van de belastingtoestand zullen de aangegeven roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard - voor zover ze reëel zijn - zonder meer als belastbare inkomsten in de PB worden beschouwd en zal het ermede overeenstemmende aanslagstelsel op die inkomsten worden toegepast (zie P.V. nr. 343 van 31.08.1984 van de heer de Clippele, BVA. nr. 1, 09.10.1984 - Senaat, zitting 1984-1985, p. 10 en 11 - B. 635, p. 121 tot 123).
12. De aandacht wordt erop gevestigd dat de vorenbedoelde keuzemogelijkheid enkel betrekking heeft op de aangifte in de PB
Sommige belastingplichtigen die belangrijke roerende inkomsten hebben genoten, zijn er immers toe gehouden een aangifte in de bijzondere heffing op roerende inkomsten te onderschrijven (art. 42, W. 28.12.1983). Welnu, wat die aangifte betreft bestaat de keuzemogelijkheid niet; personen die aan de bijzondere heffing op roerende inkomsten zijn onderworpen, moeten hun inkomsten in die speciale aangifte vermelden.
Voor meer bijzonderheden dienaangaande wordt verwezen naar circ. 28.02.1986, nr. Ci.RH.332/362.892.
D. Belastingstelsel met betrekking tot de niet aangegeven inkomsten
13. Wat de in de nrs. 7 en 8 bedoelde inkomsten betreft die geheel of gedeeltelijk niet in de PB worden aangegeven, is de op die niet aangegeven inkomsten (volgens de wettelijke bepalingen ter zake) geheven RV definitief door de Schatkist verworven. Als zodanig verkrijgt die RV de aard van een definitieve belasting en kan zij, bijgevolg, op geen enkele wijze door de genieter van de inkomsten worden teruggevorderd.
De inkomsten waarop geen RV werd geheven (inkomsten van effecten bedoeld in bijlage IV, A, KB/WIB), doch waarvoor in geval van aangifte in de PB een fictieve RV zou worden verrekend, ondergaan, bij niet-aangifte, in feite geen belasting; de eindbelasting wordt in dergelijk geval immers geacht gelijk te zijn aan het bedrag van die fictieve RV
14. Inzake PB moeten de verkrijgers van zulke inkomsten, wanneer ze deze niet wensen aan te geven, geen enkele formaliteit vervullen.
Wel wordt de aandacht erop gevestigd dat die belastingplichtigen eventueel er toe gehouden zijn :
1. Algemeen
15. De belasting met betrekking tot de vrij aangegeven inkomsten wordt vastgesteld zoals bepaald in art. 93, § 1, 5°, WIB, tenzij de aldus vastgestelde belasting vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten hoger is dan die welke voortvloeit uit de toepassing van de art. 77 tot 91, WIB, op het geheel van de belastbare inkomsten.
De aldus aangegeven inkomsten zijn voortaan, in beginsel, afzonderlijk belastbaar en wel voor een bedrag dat overeenstemt met de RV, verhoogd, voor de inkomsten waarop ze betrekking hebben, met het in art. 135, § 1, tweede lid, 1°, WIB, bedoelde B.K. en met het in art. 195, WIB bedoelde F.B.B. (zie art. 93, § 1, 5°, WIB).
16. Ingeval de vrij aangegeven inkomsten werkelijk afzonderlijk worden belast (omdat dit voor de belastingplichtige voordeliger is dan het stelsel van de volledige globalisatie), zal de op die inkomsten verschuldigde PB derhalve steeds overeenstemmen met het totale bedrag van de voorheffingen en bestanddelen welke met betrekking tot dezelfde inkomsten kunnen worden verrekend (*), d.w.z. :
Door de belasting aldus te bepalen heeft de wetgever willen voorkomen dat een belastingplichtige die dergelijke inkomsten uit vrije wil aangeeft, meer PB zou moeten betalen dan degene die dergelijke inkomsten niet aangeeft; de aangifte van de in nr. 8 bedoelde inkomsten zal, zelfs in geval van afzonderlijke taxatie, in feite dus geen aanleiding kunnen geven tot een supplement aan staatsbelasting met betrekking tot die inkomsten.
17. Hetzelfde kan evenwel niet worden gezegd van de aanvullende belastingen op de PB (nl. de PB/Gem. en de PB/Agg.). Gelet op de uitdrukkelijke bepalingen van art. 353, WIB, zijn die aanvullende belastingen wel degelijk verschuldigd op de PB die betrekking heeft op de vrij aangegeven roerende inkomsten of diverse inkomsten van roerende aard (ook ingeval die inkomsten afzonderlijk worden belast).
De PB/Gem. en de PB/Agg. zijn daarentegen niet verschuldigd wanneer de inkomsten waarvan in het vorige lid sprake is, niet worden aangegeven.
2. Bijzondere gevallen
a) Aftrek van maximum 10.000 F op sommige roerende inkomsten
18. De in art. 19bis, WIB, bedoelde aftrek op roerende inkomsten is, bij gebrek aan een andersluidende wettelijke bepaling, eveneens van toepassing op de desbetreffende roerende inkomsten die effectief afzonderlijk worden belast.
Indien de aftrek, rekening houdend, enerzijds, met de in art. 19bis, tweede lid, WIB, gestelde grens van 350.000 F en, anderzijds, met het belastbaar bedrag van de voor die aftrek in aanmerking komende roerende inkomsten, geheel of gedeeltelijk kan worden toegepast, stemt de in art. 93, § 1, 5°, WIB, bedoelde belasting overeen met het bedrag van de verrekenbare voorheffing die betrekking heeft op het belastbare bedrag van die roerende inkomsten, d.w.z. op het bedrag bekomen na toepassing van die aftrek.
Alsdan zal de belastingplichtige de RV terugkrijgen op de met de voormelde aftrek overeenstemmende inkomsten.
19. Indien de aftrek terzelfdertijd kan worden toegepast op roerende inkomsten waarvoor het tarief van de verrekenbare RV verschillend is ( 15, 20 of 25 pct.), dan moet hij verhoudingsgewijze op de in aanmerking komende inkomsten worden toegepast.
20. De aandacht wordt er nog op gevestigd dat de afzonderlijke belaste inkomsten niet in aanmerking komen om uit te maken of de grens van 350.000 F (zie nr. 18, tweede lid) is overschreden of niet.
Bij het bepalen van die grens wordt immers, zoals voorheen, enkel rekening gehouden met het totale bedrag van de gezamenlijk belastbare netto-inkomsten.
b) Inkomsten van aandelen en van kapitalen belegd in personenvennootschappen, waarvan de 1e schijf van 75.000 F is vrijgesteld
21. Zoals inzake de aftrek op roerende inkomsten, stemt de overeenkomstig art. 93, § 1, 5°, WIB, vastgestelde belasting met betrekking tot de hier bedoelde inkomsten van aandelen en belegde kapitalen, ook overeen met het bedrag van de verrekenbare voorheffingen en bestanddelen (RV + B.K.) die betrekking hebben op het belastbare bedrag van die inkomsten, d.w.z. op het bedrag bekomen na toepassing van de vrijstelling.
Door de integrale verrekening van de RV (d.w.z. RV in verband met het belastbare bedrag + RV in verband met het vrijgestelde gedeelte), kan de belastingplichtige aldus de RV met betrekking tot de vrijgestelde inkomstenschijf terugkrijgen.
Deze teruggave kan enkel geschieden wanneer die inkomsten, met inbegrip van het vrijgestelde gedeelte, in de PB zijn aangegeven.
c) Stelsel van de volledige globalisatie
Om uit te maken welk aanslagstelsel het voordeligst is voor de belastingplichtige (afzonderlijke taxatie of volledige globalisatie), moeten de in art. 93, WIB, bedoelde inkomsten (achterstallen, opzeggingsvergoedingen, vervroegd vakantiegeld, meerwaarden, roerende inkomsten, enz.), ofwel allemaal afzonderlijk worden belast, ofwel allemaal met de andere inkomsten worden samengeteld (Com.IB 93/2).
V. ROERENDE INKOMSTEN EN DIVERSE INKOMSTEN VAN ROERENDE AARD WAARVOOR DE AANGIFTE IN DE PB VERPLICHT IS
A. Algemeen
23. De belastbare roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard die de RV niet hebben ondergaan, moeten in de PB worden aangegeven.
Die inkomsten zijn voortaan evenwel afzonderlijk belastbaar (aan 25 pct.), behoudens indien het stelsel van de volledige globalisatie voordeliger is voor de belastingplichtige.
In geval van afzonderlijke taxatie, wordt geen F.B.B. meer verrekend met betrekking tot dergelijke in het buitenland belaste inkomsten van buitenlandse oorsprong.
B. Bedoelde inkomsten
24. Praktisch gezien gaat het om de volgende inkomsten :
25. Uit wat voorafgaat blijkt dat het hier doorgaans roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard betreft, waarvoor geen RV (noch een werkelijke, noch een fictieve) kan worden verrekend (inkomsten bedoeld in nr. 24, a tot j).
De belastbare loten van effecten van leningen van Belgische oorsprong (nr. 24, k) vormen een uitzondering op die regel (zie ook nr. 9, eerste lid).
C. Belastingstelsel
26. Overeenkomstig de bepalingen van art. 93, § 1, 1°bis, WIB, zijn de in nr. 24, a tot j, bedoelde inkomsten voortaan afzonderlijk belastbaar tegen een aanslagvoet van 25 pct., behoudens indien het stelsel van de volledige globalisatie voordeliger is voor de belastingplichtige.
Dienaangaande geldt het in nr. 22 uiteengezette beginsel.
27. De in nr. 24, k, bedoelde Belgische loten blijven evenwel steeds gezamenlijk belastbaar. Deze inkomsten zijn immers niet opgenomen in art. 93, § 1, 1°bis, WIB, noch in art. 93, § 1, 5°, WIB, noch in enig ander onderdeel van dat wetsartikel.
D. Forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting (F.B.B.)
28. Krachtens de uitdrukkelijke bepaling van art. 187, eerste lid, WIB, wordt geen F.B.B. meer verrekend in geval van toepassing van art. 93, § 1, 1°bis, d tot g, WIB
Concreet betekent dit dat geen F.B.B. meer kan worden verrekend met betrekking tot de in nr. 24, g tot j, bedoelde inkomsten die in het buitenland werden belast en in de PB werkelijk afzonderlijk worden belast tegen een aanslagvoet van 25 pct.
Indien dergelijke inkomsten evenwel volgens het stelsel van de volledige globalisatie worden belast, blijft het F.B.B. verrekenbaar.
29. De aandacht wordt er nog op gevestigd dat de in nr. 28, tweede lid, uiteengezette regel enkel geldt voor de aldaar bedoelde inkomsten (in het buitenland belaste inkomsten van buitenlandse oorsprong, waarop geen RV werd geheven), doch niet voor gelijkaardige inkomsten die via een Belgische tussenpersoon worden geïnd en die bijgevolg de RV hebben ondergaan (nl. diegene van de in nr. 8, e en f, bedoelde facultatief aan te geven inkomsten die ook in het buitenland werden belast).
Circulaire nr. Ci.RH.332/367.747 dd. 20.03.1986
Bull. nr. 649, pag. 742
AANSLAGVOET PB
Aanslagvoet van 25 pct.
FORFAITAIR GEDEELTE VAN DE BUITENLANDSE BELASTING
Toepassingsvoorwaarden
ROERENDE INKOMSTEN
Inkomsten waarvoor de aangifte in de PB facultatief is
Inkomsten waarvoor de aangifte in de PB verplicht is
Commentaar op de art. 16 en 36, W. 28.12.1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen en de art. 28, 1°, 30 en 31, W. 27.12.1984 houdende fiscale bepalingen.
INHOUDSOPGAVE I. INLEIDING 1 II. BEKNOPT OVERZICHT VAN DE WIJZIGINGEN VAN HET WIB A. Roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard waarop de RV verschuldigd is 2 B. Roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard, waarop de RV niet is geheven 3 C. Tekstaanpassingen 4 III. INWERKINGTREDING 5 IV. ROERENDE INKOMSTEN EN DIVERSE INKOMSTEN VAN ROERENDE AARD WAARVOOR DE AANGIFTE IN DE PB FACULTATIEF IS A. Algemeen 6 B. Beoogde inkomsten 7 tot 9 C. Aangifte 10 tot 12 D. Belastingstelsel met betrekking tot de niet aangegeven inkomsten 13 en 14 E. Belastingstelsel dat van toepassing is op de in de PB aangegeven inkomsten 1. Algemeen 15 tot 17 2. Bijzondere gevallen a) Aftrek van maximum 10.000 F op sommige roerende inkomsten 18 tot 20 b) Inkomsten van aandelen en van kapitalen belegd in personenvennootschappen, waarvan de 1e schijf van 75.000 F is vrijgesteld 21 c) Stelsel van de volledige globalisatie 22 V. ROERENDE INKOMSTEN EN DIVERSE INKOMSTEN VAN ROERENDE AARD, WAARVOOR DE AANGIFTE IN DE PB VERPLICHT IS A. Algemeen 23 B. Bedoelde inkomsten 24 en 25 C. Belastingstelsel 26 en 27 D. Forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting (F.B.B.) 28 en 29 Bijlage 1 : Wetteksten Bijlage 2 : Overzicht van het nieuw belastingstelsel inzake roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard, uitgaande van de aangifte in de PB (ajren 1985 en 1986). (Bijlagen niet opgenomen) I. INLEIDING 1. In bijlage 1 gaat de tekst van de bepalingen van het WIB, zoals zij, met het oog op het bevrijdend maken van de RV, door de art. 16 en 36, W. 28.12.1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen (V. 1704 - B. 625) en door de art. 28, 1°, 30 en 31, W. 27.12.1984 houdende fiscale bepalingen (V. 1748 - B. 636), werden gewijzigd of ingevoegd.
De gewijzigde of ingevoegde teksten zijn aangestreept en in de marge is ook de oorsprong van de wijziging of de invoeging vermeld.
II. BEKNOPT OVERZICHT VAN DE WIJZIGINGEN VAN HET WIB
A. Roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard waarop de RV verschuldigd is
2. Die inkomsten moeten niet langer in de PB worden aangegeven; niets belet evenwel de belastingplichtige dit toch te doen wanneer hij daardoor de RV geheel of gedeeltelijk meent te kunnen terugkrijgen (*).
| (*) | Door verrekening met de PB, PB/Gem., PB/Agg. of door een effectieve terugbetaling. |
B. Roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard, waarop de RV niet is geheven
3. Men is verplicht die inkomsten, voor zover ze niet zijn vrijgesteld, bij voortduur in de PB aan te geven, maar ze zijn voortaan afzonderlijk belastbaar aan 25 pct., tenzij het stelsel van de volledige globalisatie voordeliger is voor de belastingplichtige.
Wanneer het ter zake gaat om in het buitenland belaste inkomsten van buitenlandse oorsprong, mag, in geval van afzonderlijke taxatie, geen F.B.B. worden verrekend.
C. Tekstaanpassingen
4. Ingevolge de opheffing van art. 205, WIB, met ingang van het aj. 1983 (art. 20, W. 11.04.1983 houdende fiscale begrotingsbepalingen - V. 1670, B. 618) en de overheveling van de voorheen erin vervatte bepalingen naar art. 211, § 2, WIB (art. 21 van dezelfde wet), dienden de verwijzingen naar art. 205 in de diverse artikelen van het WIB te worden vervangen door een verwijzing naar art. 211, § 2, WIB
Wat de art. 197, § 2 en 198, WIB, betreft, werd deze aanpassing door de art. 30 en 31, W. 27.12.1984 verwezenlijkt.
III. INWERKINGTREDING
5. De wijzigingen waarvan sprake in de nrs. 2 en 3 (nieuw aanslagstelsel inzake roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard), zijn van toepassing met ingang van het aj. 1985 (zie art. 54, § 1, 1°, W. 28.12.1983 en art. 47, § 1, 1°, W. 27.12.1984). Het zijn deze wijzigingen die hierna zullen worden besproken.
De in nr. 4 bedoelde tekstaanpassingen vergen geen verdere toelichting; ten deze wordt zonder meer verwezen naar de nrs. 126 tot 128, circ 27.12.1984; Ci.RH.331/344.146 (B. 625).
IV. ROERENDE INKOMSTEN EN DIVERSE INKOMSTEN VAN ROERENDE AARD WAARVOOR DE AANGIFTE IN DE PB FACULTATIEF IS
A. Algemeen
6. Krachtens art. 220bis, WIB (ingevoegd door art. 36, W. 28.12.1983) zijn de aan de PB onderworpen belastingplichtigen voortaan niet meer verplicht hun roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard, die aan de RV zijn onderworpen geweest, in hun jaarlijkse aangifte in de PB te vermelden.
Voor de belastingplichtigen die van deze mogelijkheid gebruik maken, is de geheven RV de definitieve belasting.
Voor hen die verkiezen de roerende en diverse inkomsten waarvan sprake toch aan te geven, zijn die inkomsten in principe afzonderlijk belastbaar (art. 93, § 1, 5°, WIB).
B. Beoogde inkomsten
7. De inkomsten waarvan in art. 220bis, WIB, sprake is, zijn :
| a) | de in art. 11, 1° tot 3° en 7°, WIB, bedoelde inkomsten, met uitsluiting van die bedoeld in art. 93, § 1, 1°bis, a tot c, WIB; |
| b) | de in de art. 11, 4° en 67, 5°, WIB, bedoelde inkomsten van buitenlandse oorsprong die langs een in België gevestigde tussenpersoon zijn geïnd of verkregen. |
8. Praktische gezien betreft het de volgende inkomsten :
| a) | Belgische inkomsten van aandelen en van kapitalen belegd in personenvennootschappen (gewone aandelen en deelbewijzen van belegde kapitalen, A.F.V.-aandelen en -deelbewijzen en aandelen en deelbewijzen waarvoor de 1e schijf van het inkomen ten belope van maximum 75.000 F is vrijgesteld) met inbegrip van de inkomsten van de kapitalen belegd in de door de Nationale raad van de Coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen die de RV hebben ondergaan; |
| b) | Belgische inkomsten van overheidsfondsen (met inbegrip van de inkomsten van de 1e tranche van de bijzondere staatslening 1981 en van de effecten bedoeld in bijlage IV, A, KB/WIB), obligaties, kasbons, deposito's op termijn of mits opzegging en zichtrekeningen; |
| c) | Belgische inkomsten van niet-hypothecaire schuldvorderingen; |
| d) | Belgische inkomsten van gewone spaardeposito's waarop de RV werd ingehouden; |
| e) | buitenlandse inkomsten van kapitalen (al dan niet in het buitenland belast) waarop de RV (door een Belgische tussenpersoon) werd ingehouden; |
| f) | al dan niet in het buitenland belaste loten van effecten van buitenlandse leningen waarop de RV (door een Belgische tussenpersoon) werd ingehouden. |
9. Uit wat voorafgaat blijkt dat het hier eigenlijk gaat om de roerende inkomsten en de diverse inkomsten van roerende aard, waarvoor een werkelijke of fictieve RV kan worden verrekend, met uitzondering evenwel van de loten van leningen van Belgische oorsprong (art. 220bis eerste lid, b, WIB, onttrekt alleen aan de verplichting tot aangifte, de in art. 67, 5°, WIB bedoelde inkomsten, wanneer ze van buitenlandse oorsprong zijn en langs een in België gevestigde tussenpersoon zijn geïnd of verkregen).
De aandacht wordt erop gevestigd dat de in art. 220bis, WIB, bedoelde afwijking op de aangifteplicht evenmin geldt voor het geval dat de in de nrs. 7 en 8 geciteerde inkomsten een bedrijfskarakter hebben en als zodanig krachtens art. 33, WIB, bedrijfsinkomsten vertegenwoordigen (P.V. nr. 319 van 29.05.1985 van de heer Dalem, BVA., nr. 37, 25.06.1985 - Senaat, zitting 1984-1985, p. 1809 - B. 645).
C. Aangifte
10. De mogelijkheid tot aangifte van de in de nrs. 7 en 8 bedoelde inkomsten blijft nochtans bestaan (zie art. 220bis, laatste lid, WIB).
Dit betekent dat de belastingplichtige niet verplicht is om dergelijke inkomsten in zijn aangifte in de PB te vermelden, maar dat hij ze toch kan aangeven.
Daardoor wordt de belastingplichtige in bepaalde gevallen, in staat gesteld de ingehouden RV geheel of gedeeltelijk via het kohier terug te krijgen.
11. De keuzemogelijkheid waarover de belastingplichtige beschikt, houdt in dat het hem toegestaan is slechts een gedeelte van de beoogde inkomsten aan te geven; hij kan dus vrij kiezen om die inkomsten geheel, gedeeltelijk of helemaal niet aan te geven.
Hij is evenwel zelf volledig aansprakelijk voor de eventuele beoordelingsfouten die hij bij die keuze zou maken (*).
| (*) | Voor de belastingplichtige die van de mogelijkheid tot niet-aangifte gebruik heeft gemaakt - de RV is alsdan definitief voor de Schatkist verworven - kan er derhalve geen sprake van zijn later, door middel van een bezwaarschrift of op een andere wijze, die RV te recupereren door aan te voeren dat hij dergelijke fouten zou hebben gemaakt. |
12. De aandacht wordt erop gevestigd dat de vorenbedoelde keuzemogelijkheid enkel betrekking heeft op de aangifte in de PB
Sommige belastingplichtigen die belangrijke roerende inkomsten hebben genoten, zijn er immers toe gehouden een aangifte in de bijzondere heffing op roerende inkomsten te onderschrijven (art. 42, W. 28.12.1983). Welnu, wat die aangifte betreft bestaat de keuzemogelijkheid niet; personen die aan de bijzondere heffing op roerende inkomsten zijn onderworpen, moeten hun inkomsten in die speciale aangifte vermelden.
Voor meer bijzonderheden dienaangaande wordt verwezen naar circ. 28.02.1986, nr. Ci.RH.332/362.892.
D. Belastingstelsel met betrekking tot de niet aangegeven inkomsten
13. Wat de in de nrs. 7 en 8 bedoelde inkomsten betreft die geheel of gedeeltelijk niet in de PB worden aangegeven, is de op die niet aangegeven inkomsten (volgens de wettelijke bepalingen ter zake) geheven RV definitief door de Schatkist verworven. Als zodanig verkrijgt die RV de aard van een definitieve belasting en kan zij, bijgevolg, op geen enkele wijze door de genieter van de inkomsten worden teruggevorderd.
De inkomsten waarop geen RV werd geheven (inkomsten van effecten bedoeld in bijlage IV, A, KB/WIB), doch waarvoor in geval van aangifte in de PB een fictieve RV zou worden verrekend, ondergaan, bij niet-aangifte, in feite geen belasting; de eindbelasting wordt in dergelijk geval immers geacht gelijk te zijn aan het bedrag van die fictieve RV
14. Inzake PB moeten de verkrijgers van zulke inkomsten, wanneer ze deze niet wensen aan te geven, geen enkele formaliteit vervullen.
Wel wordt de aandacht erop gevestigd dat die belastingplichtigen eventueel er toe gehouden zijn :
- bij de bevoegde taxatiedienst een aangifte in de bijzondere heffing op roerende inkomsten in te dienen (art. 42, W. 28.12.1983 - zie nr. 12 hiervoor);
- bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA.) een "aangifte van roerende inkomsten RI 1" in te dienen, met het oog op het berekenen van de bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid (art. 9, Herstelwet van 31.07.1984 - V. 1732, B. 632); deze aangelegenheid wordt in een afzonderlijke circ. besproken.
1. Algemeen
15. De belasting met betrekking tot de vrij aangegeven inkomsten wordt vastgesteld zoals bepaald in art. 93, § 1, 5°, WIB, tenzij de aldus vastgestelde belasting vermeerderd met de belasting betreffende de andere inkomsten hoger is dan die welke voortvloeit uit de toepassing van de art. 77 tot 91, WIB, op het geheel van de belastbare inkomsten.
De aldus aangegeven inkomsten zijn voortaan, in beginsel, afzonderlijk belastbaar en wel voor een bedrag dat overeenstemt met de RV, verhoogd, voor de inkomsten waarop ze betrekking hebben, met het in art. 135, § 1, tweede lid, 1°, WIB, bedoelde B.K. en met het in art. 195, WIB bedoelde F.B.B. (zie art. 93, § 1, 5°, WIB).
16. Ingeval de vrij aangegeven inkomsten werkelijk afzonderlijk worden belast (omdat dit voor de belastingplichtige voordeliger is dan het stelsel van de volledige globalisatie), zal de op die inkomsten verschuldigde PB derhalve steeds overeenstemmen met het totale bedrag van de voorheffingen en bestanddelen welke met betrekking tot dezelfde inkomsten kunnen worden verrekend (*), d.w.z. :
- de RV + het B.K. voor de Belgische inkomsten van aandelen en van in personenvennootschappen belegde kapitalen (nr. 8, a);
- de RV + het F.B.B. voor de in nr. 8, e en f, bedoelde inkomsten van buitenlandse oorsprong die ook in het buitenland werden belast;
- de RV voor de overige in nr. 8 beoogde inkomsten (zie litt. b tot d, van dat nr. alsmede litt e en f, wat de niet in het buitenland belaste inkomsten betreft).
| (*) | In bijlage 2 vindt men, uitgaande van de aangifte in de PB, een gedetailleerd overzicht van de mogelijkheden die zich inzake roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard kunnen voordoen. Wat de facultatief aan te geven inkomsten betreft, wordt inzonderheid verwezen naar de rubrieken I, B en II, A, 2. |
17. Hetzelfde kan evenwel niet worden gezegd van de aanvullende belastingen op de PB (nl. de PB/Gem. en de PB/Agg.). Gelet op de uitdrukkelijke bepalingen van art. 353, WIB, zijn die aanvullende belastingen wel degelijk verschuldigd op de PB die betrekking heeft op de vrij aangegeven roerende inkomsten of diverse inkomsten van roerende aard (ook ingeval die inkomsten afzonderlijk worden belast).
De PB/Gem. en de PB/Agg. zijn daarentegen niet verschuldigd wanneer de inkomsten waarvan in het vorige lid sprake is, niet worden aangegeven.
2. Bijzondere gevallen
a) Aftrek van maximum 10.000 F op sommige roerende inkomsten
18. De in art. 19bis, WIB, bedoelde aftrek op roerende inkomsten is, bij gebrek aan een andersluidende wettelijke bepaling, eveneens van toepassing op de desbetreffende roerende inkomsten die effectief afzonderlijk worden belast.
Indien de aftrek, rekening houdend, enerzijds, met de in art. 19bis, tweede lid, WIB, gestelde grens van 350.000 F en, anderzijds, met het belastbaar bedrag van de voor die aftrek in aanmerking komende roerende inkomsten, geheel of gedeeltelijk kan worden toegepast, stemt de in art. 93, § 1, 5°, WIB, bedoelde belasting overeen met het bedrag van de verrekenbare voorheffing die betrekking heeft op het belastbare bedrag van die roerende inkomsten, d.w.z. op het bedrag bekomen na toepassing van die aftrek.
Alsdan zal de belastingplichtige de RV terugkrijgen op de met de voormelde aftrek overeenstemmende inkomsten.
19. Indien de aftrek terzelfdertijd kan worden toegepast op roerende inkomsten waarvoor het tarief van de verrekenbare RV verschillend is ( 15, 20 of 25 pct.), dan moet hij verhoudingsgewijze op de in aanmerking komende inkomsten worden toegepast.
20. De aandacht wordt er nog op gevestigd dat de afzonderlijke belaste inkomsten niet in aanmerking komen om uit te maken of de grens van 350.000 F (zie nr. 18, tweede lid) is overschreden of niet.
Bij het bepalen van die grens wordt immers, zoals voorheen, enkel rekening gehouden met het totale bedrag van de gezamenlijk belastbare netto-inkomsten.
b) Inkomsten van aandelen en van kapitalen belegd in personenvennootschappen, waarvan de 1e schijf van 75.000 F is vrijgesteld
21. Zoals inzake de aftrek op roerende inkomsten, stemt de overeenkomstig art. 93, § 1, 5°, WIB, vastgestelde belasting met betrekking tot de hier bedoelde inkomsten van aandelen en belegde kapitalen, ook overeen met het bedrag van de verrekenbare voorheffingen en bestanddelen (RV + B.K.) die betrekking hebben op het belastbare bedrag van die inkomsten, d.w.z. op het bedrag bekomen na toepassing van de vrijstelling.
Door de integrale verrekening van de RV (d.w.z. RV in verband met het belastbare bedrag + RV in verband met het vrijgestelde gedeelte), kan de belastingplichtige aldus de RV met betrekking tot de vrijgestelde inkomstenschijf terugkrijgen.
Deze teruggave kan enkel geschieden wanneer die inkomsten, met inbegrip van het vrijgestelde gedeelte, in de PB zijn aangegeven.
c) Stelsel van de volledige globalisatie
Om uit te maken welk aanslagstelsel het voordeligst is voor de belastingplichtige (afzonderlijke taxatie of volledige globalisatie), moeten de in art. 93, WIB, bedoelde inkomsten (achterstallen, opzeggingsvergoedingen, vervroegd vakantiegeld, meerwaarden, roerende inkomsten, enz.), ofwel allemaal afzonderlijk worden belast, ofwel allemaal met de andere inkomsten worden samengeteld (Com.IB 93/2).
V. ROERENDE INKOMSTEN EN DIVERSE INKOMSTEN VAN ROERENDE AARD WAARVOOR DE AANGIFTE IN DE PB VERPLICHT IS
A. Algemeen
23. De belastbare roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard die de RV niet hebben ondergaan, moeten in de PB worden aangegeven.
Die inkomsten zijn voortaan evenwel afzonderlijk belastbaar (aan 25 pct.), behoudens indien het stelsel van de volledige globalisatie voordeliger is voor de belastingplichtige.
In geval van afzonderlijke taxatie, wordt geen F.B.B. meer verrekend met betrekking tot dergelijke in het buitenland belaste inkomsten van buitenlandse oorsprong.
B. Bedoelde inkomsten
24. Praktisch gezien gaat het om de volgende inkomsten :
| a) | inkomsten van kapitalen belegd in door de Nationale raad van de Coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen, in zover die inkomsten de vrijgestelde schijf van 5.000 F (per jaar en per gezin) te boven gaan en de RV niet is geheven; |
| b) | Belgische inkomsten uit hypothecaire schuldvorderingen (obligaties uitgezonderd) op in België gelegen onroerende goederen of op ten kantore der hypotheekbewaring te Antwerpen ingeschreven schepen en boten; |
| c) | Belgische inkomsten uit onroerende leasing (art. 15bis, WIB); |
| d) | Belgische inkomsten van gewone spaardeposito's, in zover die inkomsten de vrijgestelde schijf van 50.000 F (per jaar en per gezin) te boven gaan en de RV niet is geheven; |
| e) | opbrengsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van in België gelegen roerende goederen; |
| f) | Belgische inkomsten begrepen in lijfrenten of tijdelijke renten bedoeld in art. 11, 6°, WIB; |
| g) | buitenlandse inkomsten van kapitalen, roerende goederen en in art. 11, 6°, WIB, bedoelde lijfrenten of tijdelijke renten waarop de RV niet is geheven (ongeacht of die inkomsten in het buitenland werden belast of niet); |
| h) | inkomsten verkregen uit hoofde van de onderverhuring of de overdracht van huurceel van in België of in het buitenland gelegen al dan niet gemeubileerde onroerende goederen, ofwel uit hoofde van de concessie van het recht om in België of in het buitenland een plaats die van nature onroerend is (*) te gebruiken om er plakbrieven of ander reklamedragers te plaatsen (art. 67, 4°, WIB); |
| i) | niet in België geïnde loten van effecten van leningen van buitenlandse oorsprong; |
| j) | bedragen ontvangen uit de verhuring (zowel in België als in het buitenland) van jacht-, vis- en vogelvangstrechten (art. 67, 6°, WIB); |
| k) | niet van elke belasting vrijgestelde loten van effecten van leningen van Belgische oorsprong. |
| (*) | En die, wat de vanaf 01.01.1985 betaalde of toegekende inkomsten betreft, niet gelegen is binnen de omheining van een sportinstallatie. |
De belastbare loten van effecten van leningen van Belgische oorsprong (nr. 24, k) vormen een uitzondering op die regel (zie ook nr. 9, eerste lid).
C. Belastingstelsel
26. Overeenkomstig de bepalingen van art. 93, § 1, 1°bis, WIB, zijn de in nr. 24, a tot j, bedoelde inkomsten voortaan afzonderlijk belastbaar tegen een aanslagvoet van 25 pct., behoudens indien het stelsel van de volledige globalisatie voordeliger is voor de belastingplichtige.
Dienaangaande geldt het in nr. 22 uiteengezette beginsel.
27. De in nr. 24, k, bedoelde Belgische loten blijven evenwel steeds gezamenlijk belastbaar. Deze inkomsten zijn immers niet opgenomen in art. 93, § 1, 1°bis, WIB, noch in art. 93, § 1, 5°, WIB, noch in enig ander onderdeel van dat wetsartikel.
D. Forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting (F.B.B.)
28. Krachtens de uitdrukkelijke bepaling van art. 187, eerste lid, WIB, wordt geen F.B.B. meer verrekend in geval van toepassing van art. 93, § 1, 1°bis, d tot g, WIB
Concreet betekent dit dat geen F.B.B. meer kan worden verrekend met betrekking tot de in nr. 24, g tot j, bedoelde inkomsten die in het buitenland werden belast en in de PB werkelijk afzonderlijk worden belast tegen een aanslagvoet van 25 pct.
Indien dergelijke inkomsten evenwel volgens het stelsel van de volledige globalisatie worden belast, blijft het F.B.B. verrekenbaar.
29. De aandacht wordt er nog op gevestigd dat de in nr. 28, tweede lid, uiteengezette regel enkel geldt voor de aldaar bedoelde inkomsten (in het buitenland belaste inkomsten van buitenlandse oorsprong, waarop geen RV werd geheven), doch niet voor gelijkaardige inkomsten die via een Belgische tussenpersoon worden geïnd en die bijgevolg de RV hebben ondergaan (nl. diegene van de in nr. 8, e en f, bedoelde facultatief aan te geven inkomsten die ook in het buitenland werden belast).
Bron: FisconetPlus
