Aanschrijving nr. 7/1993 d.d. 05.03.1993
Jaarlijkse taks op de coördinatiecentra
MINISTERIE VAN FINANCIEN
Administratie van de BTW, registratie en domeinen
Sector Registratie
Nr. E.L.1093
Bijlagen: 3
Het Belgisch Staatsblad van 31 december 1992 heeft de wet van 28 december 1992 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen, bekendgemaakt. Artikel 66 van deze wet (bijlage l) voegt in het Wetboek der successierechten een derde boek in met als opschrift «Jaarlijkse taks op de coördinatiecentra». Dit nieuwe boek omvat de artikels 162bis tot 162decies.
In het Belgisch Staatsblad van 27 maart 1993 zal het koninklijk besluit verschijnen van 15 maart 1993 tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten (bijlage 2). Dit besluit schrijft in het algemeen reglement der successierechten de uitvoeringsbepalingen in betreffende de jaarlijkse taks op de coördinatiecentra.
Artikel 66 van de wet van 28 december 1992 is in werking getreden op 1 januari 1993; het koninklijk besluit van 15 maart 1993 zal in werking treden op 27 maart 1993.
In onderhavige aanschrijving worden de nieuwe bepalingen van het Wetboek der successierechten en van het Algemeen Reglement der successierechten inzake de jaarlijkse taks op de coördinatiecentra gecommentarieerd.
1. Belastingplichtigen - Ontstaan van de belastingschuld
De taks op de coördinatiecentra is een belasting die strikt gebonden is aan de hoedanigheid van de belastingplichtige. Die hoedanigheid blijkt uit het koninklijk besluit tot erkenning als coördinatiecentrum.
De nieuwe taks is bijgevolg slechts verschuldigd door die rechtspersonen die in België als coördinatiecentrum erkend zijn.
De coördinatiecentra zijn de taks verschuldigd vanaf 1 januari van het eerste jaar dat volgt op de datum van hun oprichting (art. 162bis, 4de lid, Wb. Succ.).
Deze regel is nochtans slechts van toepassing op de coördinatiecentra waarvoor de erkenning vóór, hun oprichting of gedurende het eerste boekjaar volgend op hun oprichting werd aangevraagd.
Indien de aanvraag tot erkenning na het eerste boekjaar werd ingediend, is de taks pas verschuldigd vanaf de 1ste januari volgend op de dag vanaf dewelke de erkenning uitwerking heeft. Ingevolge de terugwerkende kracht van het erkenningsbesluit verkrijgt de vennootschap de hoedanigheid van coördinatiecentrum immers vanaf de eerste dag van het boekjaar waarin de aanvraag tot erkenning werd ingediend.
In principe zijn dus alle coördinatiecentra die vóór 1 januari 1993 werden opgericht, de belasting verschuldigd vanaf die datum. De vennootschappen die binnen het boekjaar waarin 1 januari 1993 valt hun aanvraag tot erkenning hebben ingediend, zijn eveneens aan de belasting onderworpen.
2. Zetting van de belasting
Het bedrag van de taks bedraagt 400.000 frank per voltijdse werknemer van het coördinatiecentrum in de zin van artikel 3, 2° van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 (art. 162bis, 2de lid, Wb. Succ, ). Om het bedrag van de taks te bepalen moet dus rekening gehouden worden met het equivalent voltijdse werknemers. De in aanmerking te nemen personeelsbezetting is die op 1 januari van elk belastingjaar.
Voorbeeld:
Een coördinatiecentrum dat werd opgericht in 1992 telt op 1 januari 1993 drie voltijdse en drie halftijdse werknemers. Voor het belastingjaar 1993 bedraagt de taks 400.000 x 4 (equivalent voltijdse werknemers) = 1.600.000 frank. De fractie van een equivalent voltijdse werknemer wordt verwaarloosd.
Op 1 januari 1994 telt het zeven voltijdse en zes halftijdse werknemers. Voor het belastingjaar 1994 bedraagt de taks 400.000 x 10 (equivalent voltijdse werknemers) = 4.000.000 frank.
Het is niet voldoende dat het coördinatiecentrum op 1 januari van het aanslagjaar bestaat om aan de belasting onderworpen te zijn. Het coördinatiecentrum moet ook personeel in dienst hebben.
Voorbeeld:
Een coördinatiecentrum wordt op 12 juni 1992 opgericht. Het centrum neemt op 3 februari 1993 twee personen in dienst. De taks is voor het eerst in 1994 verschuldigd rekening houdend met het personeelsbestand op 1 januari 1994.
3. Maximaal bedrag van de taks
Het totaal bedrag van de jaarlijkse taks kan niet hoger zijn dan 4.000.000 frank per coördinatiecentrum (art. 162bis, 3de lid, Wb. Succ.).
4. Betalingstermijn
In principe moet de taks ten laatste op 31 maart van elk jaar gekweten worden (art. 162ter, 1ste lid, Wb. Succ.).
Wanneer echter het coördinatiecentrum niet in de loop van het burgerlijk jaar van zijn oprichting bij koninklijk besluit erkend werd, moeten de taksen die verschuldigd geworden zijn vóór de datum van het koninklijk besluit tot erkenning, betaald worden binnen de drie maanden na deze datum (art. 162ter, 3de lid, Wb. Succ.).
Wanneer de laatste dag van de termijn valt op een dag waarop het bevoegde kantoor gesloten is, wordt de betalingstermijn verlengd tot de eerstvolgende dag waarop dit kantoor open is.
Voorbeeld:
Een coördinatiecentrum werd opgericht op 1 februari 1992. Op 1 januari 1993 telt het acht werknemers, allen voltijds. Op 1 januari 1994 telt het twintig werknemers, eveneens allen voltijds. Het centrum wordt erkend bij koninklijk besluit van 31 januari 1994. Zowel de taks van 3.200.000 frank verschuldigd voor het jaar 1993 als deze van 4.000.000 frank verschuldigd voor het jaar 1994 moeten uiterlijk maandag 2 mei 1994 (de laatste dag van de termijn van 3 maand valt op zaterdag 30 april 1994) betaald worden.
5. Wettelijke interest
Wanneer de taks niet tijdig betaald wordt, dan is het coördinatiecentrum van rechtswege de wettelijke interest naar de voet in burgerlijke zaken verschuldigd, te rekenen van het verstrijken van de betalingstermijn (art. 162ter, 4de lid, Wb. Succ.). Bij de berekening van de aldus verschuldigde interest wordt een gedeelte van een maand voor een volle maand aangerekend (art. 162ter, 5de lid, Wb. Succ.).
6. Betalingswijzen
De wet beperkt de mogelijke betalingswijzen tot de storting of de overschrijving op de postrekening-courant (nr. 000-2003161-14) van het bevoegde kantoor (art. 162ter, 2de lid, Wb. Succ.).
De betaling door middel van een gecertificeerde of gewaarborgde cheque of postwissel (vgl. art. 8 van het Algemeen Reglement der successierechten) is in principe niet mogelijk.
Bij de betaling moet onder meer het aanslagjaar vermeld worden waarvoor de betaling geschiedt. Is de benaming van het coördinatiecentrum veranderd tussen 1 januari van het aanslagjaar en het ogenblik van betaling, moet eveneens zijn benaming op 1 januari vermeld worden (z. art. 8ter van het Algemeen Reglement).
7. Bevoegd kantoor
Het zesde registratiekantoor van Brussel staat in voor de dienst van de jaarlijkse taks op de coördinatiecentra (art. 162quinquies Wb. Succ. - art. 1, 3de lid, van het Algemeen Reglement). Zijn postrekening-courant is het nr. 000-2003161-14.
8. In te dienen opgave
Een belastingplichtig coördinatiecentrum moet een opgave indienen met vermelding van het aanslagjaar, de oprichtingsdatum van het centrum, de datum van het koninklijk besluit tot erkenning, het aantal voltijdse werknemers in dienst en het bedrag van de taks (art. 162quater Wb. Succ.).
Een opgave waarin een of meerdere van deze vermeldingen ontbreken kan door de ontvanger geweigerd worden. Indien een verbeterde opgave opnieuw maar ditmaal buiten de termijn wordt aangeboden, is de indiening laattijdig en is er in principe een boete verschuldigd (z. nr. 9, 2, hierna).
De oprichtingsdatum is in principe deze van de eerste akte waarbij het centrum rechtspersoonlijkheid heeft verkregen. Voor een vennootschap die een andere heeft opgeslorpt moet de datum van oprichting van de opslorpende vennootschap vermeld worden. In geval een vennootschap door een splitsing is ontstaan, moet de datum van de splitsing vermeld worden.
Het is duidelijk dat de wet met «het aantal voltijdse werknemers» het equivalent van het aantal voltijdse werknemers op 1 januari van het aanslagjaar bedoelt.
In principe eist de wet de indiening van de opgave op de dag van de betaling. De administratie neemt aan dat er geen onregelmatigheid is gebeurd wanneer de indiening van de opgave gebeurt vóór de betaling of na de dag van de betaling maar vóór het eindigen van de betalingstermijn. Het is pas vanaf het verstrijken van de betalingstermijn dat de boete bedoeld bij artikel 162quater, 2de lid, Wb. Succ, wordt opgelopen (zie verder).
Wanneer het coördinatiecentrum de taks voor 2 jaar tegelijkertijd moet betalen (z. voorbeeld sub. 4), dient voor elk jaar een afzonderlijke opgave ingediend te worden. De vermelding van de datum van het koninklijk besluit is vooral in dit geval van belang om de indieningtermijn voor de opgave en de betalingstermijn voor de taks te kunnen bepalen.
Alleen de in de eerste alinea opgegeven vermeldingen zijn verplicht. De wet bepaalt niet dat bijkomende vermeldingen aan de belastingplichtige kunnen opgelegd worden en evenmin dat de opgave aan een wel bepaalde vorm moet beantwoorden. Ten einde een uniformiteit in de opgaven te bekomen, voegt de administratie in bijlage een model van opgave (bijlage 3). De administratie zou het op prijs stellen indien de opgaven overeenkomstig het model zouden gesteld worden op papier van goede kwaliteit en met formaat DIN A4.
9. Administratieve sancties
9.1. Boete wegens laattijdige betaling van de taks (art. 162sexies Wb. Succ. - art. 13 van het Algemeen Reglement en bijlage).
Het bedrag van deze boete wordt bepaald onder littera B van de bijlage bij het Algemeen Reglement. Bedraagt de vertraging niet meer dan een maand, dan is de boete gelijk aan 1/20 van de taks. Bedraagt de vertraging meer dan een maand maar niet meer dan twee maanden, dan is de boete gelijk aan 1/10 van de taks. Wanneer de vertraging meer dan twee maanden bedraagt, is de boete gelijk aan 1/5 van de taks. Naast deze boete blijft de wettelijke interest verschuldigd (z. nr. 5).
9.2. Boete wegens laattijdige indiening van de opgave (art. 162quater, 2de lid, Wb. Succ.).
De opgave moet uiterlijk de laatste dag van de betalingstermijn ingediend worden. Per week vertraging wordt een boete verbeurd van 10.000 frank. iedere begonnen week wordt voor een gehele week aangerekend.
Voorbeeld:
Een opgave die uiterlijk 31 maart 1993 moet ingediend zijn, wordt ingediend op donderdag 1 april 1993. De boete bedraagt 10.000 frank.
Wanneer het coördinatiecentrum de taks voor 2 jaar tegelijkertijd moet betalen (z. voorbeeld sub. 4), dient ieder opgave afzonderlijk beschouwd te worden voor de berekening van de boete.
Voorbeeld:
Een coördinatiecentrum, opgericht in 1992, telt op 1 januari 1993 acht voltijdse werknemers en op 1 januari 1994 twintig voltijdse werknemers. Het centrum wordt erkend bij koninklijk besluit van 31 januari 1994. De vereiste opgaven worden ingediend op 10 mei 1994. De opgaven dienden ten laatste op maandag 2 mei ingediend te worden. Op 10 mei begint de tweede week vertraging te lopen. Er zijn dus twee boeten van elk 20.000 frank verschuldigd.
De boete wegens laattijdige indiening van de opgave wordt niet ambtshalve verminderd.
9.3. Boete wegens onnauwkeurigheid of weglating in de ingediende opgave (art. 162septies Wb. Succ. - art. 9 van het Algemeen Reglement en bijlage).
Louter materiële vergissingen die geen weerslag hebben op het bedrag van de verschuldigde taks of die bij het zien van de opgave opvallen geven geen aanleiding tot het opleggen van de boete.
Voorbeeld 1:
Een coördinatiecentrum vermeldt in de opgave voor het aanslagjaar 1993 dat het een equivalent van 5 voltijdse werknemers in dienst heeft. Als bedrag van de taks wordt 4.000.000 frank vermeld. Dit bedrag werd effectief gestort. Na controle blijkt dat het centrum het equivalent van 15 voltijdse werknemers in dienst had op 1 januari 1993. Er is geen boete verschuldigd.
Onnauwkeurigheden of weglatingen in de ingediende opgave die de heffing van een te lage taks tot gevolg hebben, geven aanleiding tot het opleggen van een boete.
Voorbeeld 2:
Een coördinatiecentrum vermeldt in de opgave voor het aanslagjaar 1993 dat het een equivalent van 9 voltijdse werknemers tewerkstelde op 1 januari 1993. Als bedrag van de taks wordt 3.600.000 frank vermeld. Na controle blijkt dat het centrum op 1 januari 1993 het equivalent van 10 voltijdse werknemers tewerkstelde (9 voltijdse en 2 halftijdse). De boete is verschuldigd.
De wettelijke boete bedraagt vijfmaal het ontdoken recht. Ze wordt verminderd overeenkomstig de schaal bepaald in punt VI van littera A van de bijlage bij het Algemeen Reglement. Het is duidelijk dat een onnauwkeurigheid in de opgave van het aantal werknemers gepercuteerd op de opgave van het bedrag van de taks. De administratie zal alsdan slechts één boete toepassen (en niet één boete voor de verkeerde opgave van het aantal werknemers en nog eens één boete voor de verkeerde opgave van de verschuldigde taks).
Voorbeeld 3:
In voorbeeld 2 bedraagt de boete na vermindering overeenkomstig het barema: 400.000 x 1/10 = 40.000 frank. Hoewel de tekst van artikel 162septies Wb. Succ., spreekt van «elke onnauwkeurigheid of weglating .... wordt gestraft met een boete», wordt omwille van de samenhang tussen de onnauwkeurigheden slechts één boete opgelegd.
10. Teruggave van de taks
Artikel 168octies bepaalt dat de belasting en, in voorkomend geval, de interesten teruggegeven worden wanneer het coördinatiecentrum zijn erkenning verliest of eraan verzaakt met uitwerking op een datum vóór 1 januari waarvoor de belasting is betaald.
Voorbeeld:
Een coördinatiecentrum betaalt op 31 maart 1993 en 31 maart 1994 telkens 4.000.000 frank als taks. Op 1 april 1994 verliest het centrum zijn erkenning met ingang van 1 december 1993. De op 31 maart 1994 betaalde taks is voor teruggave vatbaar, deze betaald op 31 maart 1993 is niet voor teruggave vatbaar.
De teruggave wordt niet ambtshalve gedaan. Het coördinatiecentrum moet om de teruggave verzoeken en bij dit verzoek de nodige overtuigingsstukken voegen die haar recht op teruggave staven. In geval van intrekking van de erkenning bijvoorbeeld, moet een kopie van de beslissing tot intrekking overgelegd worden. In geval er recht op teruggave bestaat ingevolge een verzaking aan de erkenning moet het centrum, naast een schriftelijke bevestiging van de verzaking, een attest voorleggen van de administratie van de directe belastingen waarin bevestigd wordt dat het centrum voor het aanslagjaar waarvoor teruggave wordt gevraagd, niet zal genieten of niet genoten heeft van de fiscale voordelen op het vlak van directe belastingen waarin het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 voorziet.
Wat de interesten betreft komen enkel de door het centrum betaalde interesten voor teruggave in aanmerking. Er wordt in geen geval teruggave toegestaan van de interesten op het terug te betalen bedrag van de taks, behoudens wanneer de administratie werd aangemaand in welk geval die interesten beginnen te lopen vanaf de aanmaning.
11. Vervolgingen en gedingen - Verjaring
De artikelen 162novies en 162decies behoeven geen commentaar behalve dat er moet op gewezen worden dat in de Nederlandse tekst van artikel 162decies verkeerdelijk de term «geschorst» werd gebruikt. Klaarblijkelijk moest daar de term «gestuit» gebruikt zijn.
Voor de Minister:
B. LEGON
Directeur-generaal
----------
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 31 december 1992
28 DECEMBER 1992 - WET HOUDENDE FISCALE, FINANCIËLE EN DIVERSE BEPALINGEN
(…)
Art. 66
In hetzelfde Wetboek wordt een derde boek ingevoegd, luidend als volgt:
«DERDE BOEK - JAARLIJKSE TAKS OP DE COORDINATIECENTRA
Artikel 162bis
De coördinatiecentra worden op 1 januari van elk jaar aan een jaarlijkse taks onderworpen.
Het bedrag van de taks bedraagt 400.000 frank per voltijdse werknemer van het coördinatiecentrum, in de zin van artikel 3, 2°, van het Koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982, betreffende de oprichting van de coördinatiecentra.
Het totaal bedrag van de taks mag niet hoger zijn dan 4.000.000 frank ten laste van éénzelfde coördinatiecentrum.
De taks is eisbaar vanaf 1 januari van het eerste jaar dat volgt op de datum van oprichting.
De in aanmerking te nemen personeelsbezetting is die op 1 januari van elk belastingjaar.
Artikel 162ter
De taks moet ten laatste op 31 maart van elk jaar gekweten worden.
De taks wordt gekweten door storting of overschrijving op de postrekening-courant van het bevoegde kantoor.
Wanneer echter het coördinatiecentrum niet in de loop van het burgerlijk jaar van zijn oprichting bij koninklijk besluit erkend werd, zijn de voor de datum van de toekenning van de erkenning opeisbare taksen, betaalbaar binnen drie maanden na deze datum.
Wordt de taks niet binnen de termijn betaald, dan is de wettelijke interest, tegen de rentevoet bepaald in burgerlijke zaken, van rechtswege eisbaar vanaf de dag, waarop de betaling had moeten geschieden,
De gedeelten van een maand worden voor een volle maand gerekend.
Artikel 162quater
Op de dag van de betaling dient de belastingplichtige op het bevoegde kantoor een opgave in met vermelding van het aanslagjaar, de oprichtingsdatum van het centrum, de datum van het koninklijk besluit tot erkenning, het aantal voltijdse werknemers in dienst en het bedrag van de taks.
Wanneer de opgave niet binnen de in voorgaand artikel gestelde termijn wordt ingediend, wordt een boete verbeurd van 10.000 frank per week vertraging. Iedere begonnen week wordt voor een gehele week gerekend.
Artikel 162quinquies
De Koning bepaalt het kantoor dat bevoegd is voor de inning van de taks, de interesten en de boeten. Hij kan regels voor de betaling vaststellen.
Artikel 162sexies
In geval de taks niet binnen de vastgestelde termijn betaald werd, is een boete verschuldigd die gaat van één twintigste tot één vijfde van de taks, volgens een bij koninklijk besluit vastgestelde schaal.
Artikel 162septies
Elke onnauwkeurigheid of weglating vastgesteld in de in artikel 162quater vermelde opgave wordt gestraft met een boete gelijk aan vijfmaal het ontdoken recht te verminderen volgens een schaal die wordt vastgesteld bij koninklijk besluit.
Artikel 162octies
Wanneer het coördinatiecentrum zijn erkenning verliest of eraan verzaakt, met uitwerking op een datum vóór l januari van het aanslagjaar waarvoor de belasting is betaald, worden de belasting en, in voorkomend geval, de interesten teruggegeven.
Artikel 162nonies
De vervolgingen en gedingen door de administratie of de belastingplichtige in te spannen tot verkrijging van de betaling of van de teruggave van de taks, de interesten en de boeten, geschieden op de wijze en volgens de vormen vastgesteld inzake registratierechten.
Artikel 162decies
Er is verjaring voor de eis tot invordering of teruggave van de taks, de interesten en de boeten na vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de vordering ontstaan is.
De verjaringen inzake invordering en teruggave van de belastingen, interesten en boeten worden geschorst overeenkomstig de artikelen 140/1 en 140/2 van dit Wetboek».
----------
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 27 maart 1993
15 MAART 1993 - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten.
BOUDEWIJN, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
Onze Groet.
(…)
Op de voordracht van Onze Minister van Financiën,
Artikel 1. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten wordt vervangen door de volgende bepaling:
«Artikel 1. De administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen staat in voor de dienst van de in het Wetboek der successierechten opgenomen belastingen.
De registratiekantoren staan in voor de dienst van de in het eerste en tweede boek van dit wetboek opgenomen belastingen. Voor deze belastingen kunnen evenwel, volgens de behoeften van de dienst, bijzondere kantoren der successierechten ingesteld worden.
Het zesde registratiekantoor te Brussel staat in voor de dienst van de in het derde boek van dit wetboek opgenomen belasting.»
Art. 2. In artikel 2 van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden «en in de jaarlijkse aangiften van de goederen der verenigingen zonder winstoogmerken» vervangen door de woorden «, in de jaarlijkse aangiften van de goederen van de verenigingen zonder winstoogmerken en in de jaarlijkse opgaven voor de taks op de coördinatiecentra».
Art. 3. In artikel 3 van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden «der successierechten» geschrapt.
Art. 4. In artikel 8 van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 15 oktober 1987, worden de woorden «de boeten en interesten» vervangen door de woorden «en de interesten en boeten erop betrekkelijk».
Art. 5. Een artikel 8ter, luidend als volgt, wordt in hetzelfde koninklijk besluit ingevoegd:
«Artikel 8ter. De jaarlijkse taks op de coördinatiecentra en de interesten en boeten erop betrekkelijk, worden betaald door storting of overschrijving op de postrekening-courant van het zesde registratiekantoor te Brussel. Op het stortings- of overschrijvingsformulier worden de naam en de maatschappelijke zetel van het coördinatiecentrum op het tijdstip van de betaling alsmede het aanslagjaar waarvoor de betaling geschiedt, vermeld. Indien de benaming van het coördinatiecentrum tussen 1 januari van het aanslagjaar en het tijdstip van de betaling werd gewijzigd, wordt tevens de benaming op 1 januari van het aanslagjaar vermeld.
De betaling heeft uitwerking op de in artikel 8bis bepaalde datum.».
Art. 6. In artikel 9, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 30 januari 1987, worden de woorden «als bijlage bij dit besluit is gevoegd» vervangen door de woorden «in de bijlage bij dit besluit is opgenomen».
Art. 7. In hetzelfde koninklijk besluit wordt in de plaats van artikel 13 dat artikel 14 wordt, een nieuw artikel 13 ingevoegd, luidend als volgt:
«Artikel 13. De boete bedoeld in artikel 162sexies van het Wetboek der successierechten wordt bepaald volgens de schaal die in de bijlage bij dit besluit is opgenomen.».
Art. 8. De bijlage bij het koninklijk besluit van 30 januari 1987 tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten wordt vervangen door de bijlage bij onderhavig besluit en gevoegd bij voornoemd koninklijk besluit van 31 maart 1936.
Art. 9. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 10. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.
Bijlage tot het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten
A. Vermindering van de proportionele fiscale boeten bedoeld bij artikel 141 van het Wetboek der successierechten.
AARD VAN DE OVERTREDING | BEDRAG VAN DE VERMINDERDE BOETE |
I.- Niet betaling van de rechten binnen vijftien dagen na de betekening van het dwangbevel (art. 125 van het Wetboek) | geen vermindering |
II.- Verzuim (art. 126 en 160 van het Wetboek) | |
A. Verzuim van onroerende goederen of andere goederen bedoeld in artikel 109 van het Wetboek | 1/10 van de bijkomende rechten |
B. Verzuim van goederen behorende tot de nalatenschap bij toepassing van de artikelen 9 tot 11 van het Wetboek, ongeacht hun aard | 1/10 van de bijkomende rechten |
C. Verzuimen andere dan deze bedoeld sub A en B | 1/5 van de bijkomende rechten |
III.- Tekort in de waardering (art. 127 en 160 van het Wetboek) | |
A. Aan de controleschatting onderworpen goederen | |
1. tekort niet hoger dan 1/4 van de aangegeven waarde | 1/20 van de bijkomende rechten |
2. tekort hoger dan 1/4 van de aangegeven waarde zonder 1/2 daarvan te overschrijden | 1/10 van de bijkomende rechten |
3. tekort hoger dan 1/2 van de aangegeven waarde zonder de geheelheid daarvan te overschrijden | 1/6 van de bijkomende rechten |
4. tekort hoger dan de aangegeven waarde | 1/4 van de bijkomende rechten |
B. Niet aan de controleschatting onderworpen goederen | |
1. tekort niet hoger dan 1/2 van de aangegeven waarde | 1/10 van de bijkomende rechten |
2. tekort hoger dan 1/2 van de aangegeven waarde | 1/5 van de bijkomende rechten |
IV.- Boete bedoeld in artikel 128 van het Wetboek | |
A. Boete bedoeld in artikel 128, 1ste lid van het Wetboek | 1/5 van de bijkomende rechten |
B. Boete bedoeld in artikel 128, 2de lid van het Wetboek | 1/10 van de bijkomende rechten |
V.- Betaling van successierechten door middel van effecten van de 4 t.h. geünificeerde schuld die niet tot de nalatenschap behoren (art. 129 van het Wetboek) | 1/5 van de bijkomende rechten |
VI.-Boete bedoeld in artikel 162septies van het Wetboek | |
A. Het ontdoken recht bedraagt 400.000 frank | 1/10 van de ontdoken rechten |
B. Het ontdoken recht bedraagt 800.000 frank | 1/4 van de ontdoken rechten |
C. Het ontdoken recht bedraagt 1.200.000 frank of meer | 1/2 van de ontdoken rechten |
B. Schaal bedoeld in artikel 162sexies van het Wetboek
I. Vertraging van niet meer dan 1 maand | 1/20 van de taks |
II. Vertraging van niet meer dan 2 maand | 1/10 van de taks |
III. Vertraging van meer dan 2 maand | 1/5 van de taks |
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 15 maart 1993.
BOUDEWIJN
Van Koningswege:
De Minister van Financiën,
Ph. MAYSTADT
----------
Model van opgave
OPGAVE (1) INZAKE DE JAARLIJKSE TAKS OP DE COORDINATIECENTRA
AANSLAGJAAR 19 ..
|
Maatschappelijke benaming van het centrum | : ......................................................................................... | |
NN of BTW – nr. | : ......................................................................................... | |
|
Vroegere maatschappelijke benaming (2) | : ......................................................................................... | |
Maatschappelijke zetel | : .......................................................................................... | |
Datum van oprichting | : .............................................. | |
Datum van aanvraag tot erkenning | : .............................................. | |
Datum K.B. tot erkenning | : .............................................. | |
|
Equivalent van het aantal voltijdse werknemers op 1 januari van het aanslagjaar | : ......................................................................................... | |
Bedrag van de taks (3) | : ……………………………… BF | |
Datum van overschrijving of storting op postrekening – courant nr. 000-2003161-14 (4) | : .............................................. | |
Voor echt verklaard, | ||
.........................., .......................... 19.. | ||
|
Hoedanigheid ondertekenaar Handtekening |
: .............................................. : .............................................. | |
|
---------- (1) in te dienen op het registratiekantoor Brussel VI, Regentschapstraat 54, 1000 Brussel - tel: (02) 509.46.51. (2) enkel te vermelden indien de benaming van het centrum werd gewijzigd tussen 1 januari van het aanslagjaar en het tijdstip van de betaling. (3) de taks bedraagt 400.000 BF per equivalent voltijdse werknemer (de fractie van een equivalent wordt verwaarloosd) en is geplafonneerd op 4.000.000 BF. (4) de betaling dient in principe ten laatste op 31 maart van het aanslagjaar te geschieden. Wanneer het coördinatiecentrum niet in de loop van het burgerlijk jaar van zijn oprichting bij koninklijk besluit erkend werd, zijn de vóór de datum van de erkenning opeisbare taksen betaalbaar binnen drie maanden na deze datum. | ||
