Circulaire nr. Ci.RH.332/509.194 van 23.11.2001

CIRC 23.11.01/1
Bull. nr. 822, pag. 376-382
AANGIFTE IN DE PB
Roerend inkomen

ROEREND INKOMEN
Roerend inkomen facultatief aan te geven
Roerend inkomen verplicht aan te geven
Vrijstelling van aangifte
Commentaar op de art. 8, W 16.4.1997 houdende diverse fiscale bepalingen, art. 45, W 22.12.1998 houdende fiscale en andere bepalingen en art. 65, W 26.3.1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid en houdende diverse bepalingen
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2+ en 2
I. INLEIDING
1. Deze circulaire bespreekt de wijzigingen die in art. 313 WIB 92 zijn aangebracht door:
  • art. 8 W 16.4.1997 houdende diverse fiscale bepalingen (V 2507 - Bull. 773);
  • art. 45, W 22.12.1998 houdende fiscale en andere bepalingen (V 2648 - Bull. 791) (Betreft uitsluitend een wijziging van de Franse tekst van art. 313, eerste lid, WIB 92.)
  • art. 65, W 26.3.1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen (V 2676 - Bull. 793).
II. WETTEKST
2. Rekening houdende met de bovenvermelde wijzigingen, luidt art. 313, eerste lid, WIB 92 thans als volgt:
Art. 313 WIB 92
De aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtigen zijn er niet toe gehouden in hun jaarlijkse aangifte in de voormelde belasting de inkomsten van roerende goederen en kapitalen, noch de in artikel 90, 6°, vermelde loten te vermelden waarvoor een roerende voorheffing is gekweten, noch die welke krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen van de roerende voorheffing zijn vrijgesteld, behalve indien het gaat om:
inkomsten uit hypothecaire schuldvorderingen op in België gelegen onroerende goederen of op ten kantore der hypotheekbewaring te Antwerpen ingeschreven schepen en boten, met uitsluiting van inkomsten uit hypothecaire obligaties;
in artikel 17, § 1, 3°, vermelde inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen;
in artikel 17, § 1, 4°, vermelde inkomsten die begrepen zijn in lijfrenten of tijdelijke renten;
in artikel 19, § 1, 2°, vermelde termijnen voortkomend van overeenkomsten waarbij een recht van gebruik van gebouwde onroerende goederen wordt verleend;
de in artikel 21, 5°, 6° en 10°, vermelde inkomsten, in zoverre zij meer bedragen dan respectievelijk de in het 5°, 6° en 10°, van dat artikel bepaalde grenzen en voor zover de roerende voorheffing niet geheven is op dit meerdere. (Vóór het gewijzigd werd door art. 65, W 26.3.1999, luidde art. 313, eerste lid, 5°, WIB 92 als volgt:"5° in artikel 21, 5° en 6°, vermelde inkomsten in zoverre zij meer bedragen dan respectievelijk de in het 5° en 6° van dat artikel bepaalde grenzen en voor zover de roerende voorheffing niet geheven is op dit meerdere.")
III. ALGEMEEN
3. Overeenkomstig art. 313, eerste lid, WIB 92, zijn de aan de PB onderworpen belastingplichtigen er niet toe gehouden in hun aangifte in de PB de inkomsten van roerende goederen en kapitalen, noch de krachtens art. 90, 6°, WIB 92, belastbare loten te vermelden waarvoor en RV is gekweten, noch diezelfde inkomsten die van de RV zijn vrijgesteld, behalve de inkomsten die limitatief in die wetsbepaling worden opgesomd.
4. De door art. 8, W 16.4.1997 houdende diverse fiscale bepalingen aan art. 313, eerste lid, WIB 92, aangebrachte wijziging behelst overwegend een herformulering van die wetsbepaling.
Art. 45, W 22.12.1998 houdende fiscale en andere bepalingen heeft een verbetering aangebracht in de Franse tekst van art. 313, eerste lid, WIB 92, zoals ingevoegd door het voormelde art. 8, W 16.4.1997.
Tenslotte is art. 313, eerste lid, 5°, WIB 92, aangevuld door art. 65, W. 26.3.1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, met de inkomsten en grenzen waarvan sprake in art. 21, 10°, WIB 92 (interesten en dividenden betaald of toegekend door erkende vennootschappen met een sociaal oogmerk).
De eerste twee wijzigingen hebben uitwerking met ingang van aj. 1997, terwijl de derde wijziging van toepassing is op de met ingang van 1 januari 1999 betaalde of toegekende inkomsten.
IV. INKOMSTEN VAN ROERENDE GOEDEREN EN KAPITALEN EN DIVERSE INKOMSTEN VAN ROERENDE AARD WAARVOOR AANGIFTE IN DE PB FACULTATIEF IS
5. De aan de PB onderworpen belastingplichtigen zijn er niet toe gehouden hun inkomsten van roerende goederen en kapitalen en de in art. 90, 6°, WIB 92, bedoelde loten in hun jaarlijkse aangifte in de PB te vermelden, voor zover het gaat om:
-ofwel inkomsten waarvoor een RV is gekweten;
-ofwel inkomsten die krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen van de RV zijn vrijgesteld, met uitzondering evenwel van:
inkomsten uit hypothecaire schuldvorderingen op in België gelegen onroerende goederen of op ten kantore der hypotheekbewaring te Antwerpen ingeschreven schepen en boten, met uitsluiting van inkomsten uit hypothecaire obligaties;
inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen als bedoeld in art. 17, § 1, 3°, WIB 92;
inkomsten die begrepen zijn in lijfrenten of tijdelijke renten, als bedoeld in art. 17, § 1, 4°, WIB 92;
termijnen voortkomend van overeenkomsten waarbij een recht van gebruik van gebouwde onroerende goederen wordt verleend, als bedoeld in art. 19, § 1, 2°, WIB 92;
inkomsten die enerzijds bedoeld zijn in art. 21, 5°, WIB 92 (inkomsten uit gewone spaardeposito's), en anderzijds bedoeld zijn in art. 21, 6°, WIB 92 (dividenden van aandelen van door de Nationale Raad van de Coöperatieve erkende coöperatieve vennootschappen) en in art. 21, 10°, WIB 92 (interesten en dividenden betaald of toegekend door erkende vennootschappen met een sociaal oogmerk), in zoverre zij meer bedragen dan de grens van respectievelijk 50.000 BEF en 5000 BEF, en voor zover de RV niet is geheven op dit meerdere.(Te indexeren bedragen; voor de geïndexeerde bedragen wordt inzonderheid verwezen naar de bijlage van de circ. van 23.4.2001, nr. Ci. D 28/541.065.)
6. Voor een meer gedetailleerde lijst van inkomsten waarvan de aangifte facultatief is, wordt verwezen naar nr. 313/4, Com.IB 92.
7. Er wordt opgemerkt dat de andere inkomsten van roerende goederen en kapitalen dan die welke in art. 313, eerste lid, 1° tot 5°, WIB 92, zijn opgesomd, die krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen van de RV zijn vrijgesteld en waarvoor geen fictieve RV wordt verrekend, in de praktijk nooit moeten worden aangegeven. Die inkomsten genieten een feitelijke vrijstelling van de PB.
Terzake zijn inzonderheid de dividenden bedoeld die worden uitgekeerd door:
-een vastgoedbeleggingsvennootschap met vast kapitaal als bedoeld in art. 2, 1°, KB 10.4.1995 met betrekking tot vastgoedbevaks (V 2395, Bull. 751), voor zover, bij het afsluiten van het boekjaar waarmee de dividenden verband houden, tenminste 60 % van het vastgoed in de zin van art. 2, 4° van het voormelde KB rechtstreeks of onrechtstreeks belegd is in onroerende goederen die in België zijn gelegen en uitsluitend voor woninggebruik aangewend worden of bestemd zijn;
-een Belgische beleggingsvennootschap met vast kapitaal als bedoeld in art. 2, 5°, KB 18.4.1997 met betrekking tot de instellingen voor belegging in niet-genoteerde vennootschappen en in groeibedrijven (V 2512, 774), voor het gedeelte van het uitgekeerde inkomen dat afkomstig is van meerwaarden op aandelen verwezenlijkt door de voormelde beleggingsvennootschap.
8. Wel te verstaan moeten de inkomsten die niet beoogd worden door de in art. 313, eerste lid, WIB 92, ingestelde vrijstelling van aangifteplicht, uiteraard altijd worden aangegeven.
V. INKOMSTEN VAN ROERENDE GOEDEREN EN KAPITALEN EN DIVERSE INKOMSTEN VAN ROERENDE AARD WAARVOOR AANGIFTE IN DE PB VERPLICHT IS
9. Rekening houdende met wat voorafgaat, moeten de volgende inkomsten altijd worden aangegeven in de PB:
-de in art. 313, eerste lid, 1° tot 5°, WIB 92, opgesomde inkomsten die uitdrukkelijk van de vrijstelling van aangifteplicht zijn uitgesloten (zie nr. 5);
-de in art. 90, 5° en 7°, WIB 92, vermelde diverse inkomsten van Belgische of buitenlandse oorsprong;
-de inkomsten van roerende goederen en kapitalen van buitenlandse oorsprong en de loten van effecten van leningen van buitenlandse oorsprong die de RV niet hebben ondergaan.
10. Voor een meer gedetailleerde lijst van inkomsten waarvan de aangifte verplicht is, wordt verwezen naar nr. 313/15, Com.IB 92.
11. Bovendien wordt nog verduidelijkt dat de belastbare inkomsten van roerende goederen en kapitalen en loten waarvan geen RV is geheven in strijd met de terzake geldende bepalingen, verplicht moeten worden aangegeven in de PB.
VI. INWERKINGTREDING
12. De hierboven besproken wijzigingen zijn van toepassing met ingang van aj. 1997, met uitzondering van de bepaling met betrekking tot de interesten en dividenden betaald of toegekend door erkende vennootschappen met een sociaal oogmerk, welke van toepassing is op de met ingang van 1 januari 1999 betaalde of toegekende inkomsten.
Voor de Directeur-generaal:
De Auditeur-generaal van financiën,
V. Kindt.