Aanschrijving nr. 9 dd. 29.04.1993

AANSCHRIJVING 93/009

Aanschrijving nr. 9 dd. 29.04.1993


Deze aanschrijving werd opgeheven vanaf 01.01.1996 door de aanschrijving nr. 6 dd. 02.09.1996.
Wederinvoer van goederen
Passieve veredeling


Onderwerp van de aanschrijving.

1. Artikel 41 van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992, m.b.t. de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992), stelt een gedeeltelijke vrijstelling in voor de wederinvoer van goederen die tijdelijk van België buiten de Gemeenschap werden gezonden voor herstelling, bewerking, aanpassing of verwerking (regeling "passieve veredeling").

Deze aanschrijving bevat een commentaar op voornoemde regeling en bepaalt de na te leven voorwaarden en de toepassingsmodaliteiten van de vrijstelling.

Algemeen.

2. Onder "Gemeenschap" wordt verstaan het binnenland van de Lid-Staten zoals dat in artikel 227 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap voor elke Lid-Staat wordt omschreven voor de werkingssfeer van dat verdrag, met uitsluiting van de volgende nationale grondgebieden :

1° Bondsrepubliek Duitsland :
  • het eiland Helgoland;
  • het grondgebied Büsingen;
2° Koninkrijk Spanje :
  • Ceuta;
  • Melilla;
  • de Canarische Eilanden;
3° Franse Republiek :
  • de overzeese departementen;
4° Helleense Republiek :
  • de Berg Athos;
5° Italiaanse Republiek :
  • Livigno;
  • Campione d'Italia;
  • de nationale wateren van het meer van Lugano;
6° Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland :
  • Gibraltar;
  • de Kanaaleilanden.
Voor de toepassing van de BTW worden het eiland Man en het Vorstendom Monaco geacht respectievelijk deel uit te maken van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en van de Franse Republiek.

3. Opgemerkt zij dat inzake douane de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de "rechten bij invoer" voor passieve veredeling geregeld is bij drie Verordeningen van de Europese Gemeenschappen, namelijk de Verordening (EEG) nr. 2473/86 van de Raad van 24 juli 1986 (1), de Verordening (EEG) nr. 2458/87 van de Commissie van 31 juli 1987 (2) en de Verordening (EEG) nr. 1970/88 van de Raad van 30 juni 1988 (3).



(1)Gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen nr. L 212 van 2 augustus 1986.
(2)Gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen nr. L 230 van 17 augustus 1987.
(3)Gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen nr. L 174 van 6 juli 1988.
Onder "rechten bij invoer" moet worden verstaan :

a) de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de invoer van goederen van toepassing zijn;

b) de landbouwheffingen en andere belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk lanbdouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn.

Voornoemde Verordeningen slaan dus geenszins op de vrijstelling van BTW die bij de wederinvoer van veredelde goederen kan worden verleend.

Doel van artikel 41 van het koninklijk besluit nr. 7.

4. Krachtens artikel 3 van het BTW-Wetboek is de invoer van goederen, door wie ook, onderworpen aan de belasting wanneer de invoer in België plaatsvindt. Die regel is ook toepasselijk bij de wederinvoer van goederen die tevoren uit België werden uitgevoerd en slechts tijdelijk buiten de Gemeenschap werden gezonden om te worden hersteld, bewerkt, aangepast of verwerkt.

Normaal mag worden gesteld dat de goederen die werden uitgevoerd vooraf reeds met BTW werden belast bij de hier te lande verrichte aankoop, intracommunautaire verwerving of invoer. Wanneer de tijdelijke uitvoer van de goederen en de wederinvoer wordt gedaan door iemand die geen recht heeft op aftrek van voorbelasting of die de voorbelasting maar gedeeltelijk mag aftrekken, zou het zonder meer toepassen van artikel 3 van het Wetboek bij de wederinvoer leiden tot een gehele of gedeeltelijke dubbele belasting. De vrijstelling van artikel 41 van het koninklijk besluit nr. 7, ingesteld op grond van artikel 40, § 1, 2°, b, van het Wetboek, strekt er dan ook in de eerste plaats toe dubbele heffing te voorkomen.

Wanneer de invoer daarentegen wordt gedaan door een belastingplichtige die de voorbelasting volledig in aftrek mag brengen, is er in principe geen bezwaar tegen dat de volledige waarde van het goed wordt belast bij de wederinvoer, aangezien door het mechanisme van de aftrek geen dubbele heffing ontstaat. De voorfinanciering van de belasting kan echter een zware financiële last betekenen voor die belastingplichtige en kan er zelfs toe leiden dat deze crediteur wordt van de Staat. Daarom kan de vrijstelling van artikel 41 van het koninklijk besluit nr. 7 aan iedereen worden toegestaan, zelfs aan de belastingplichtigen bedoeld in deze alinea.

HOOFDSTUK I.
Goederen waarvoor bij wederinvoer vrijstelling kan worden verkregen.



5.De vrijstelling kan worden verleend voor de invoer van :
a) goederen die worden wederingevoerd na buiten de Gemeenschap een herstelling, daaronder begrepen het reviseren en het afstellen, te hebben ondergaan (kon. besl. nr. 7, art. 41, § 1, 1°);

b) goederen die worden wederingevoerd na buiten de Gemeenschap een bewerking, daaronder begrepen het monteren en het samenbouwen, te hebben ondergaan (id., art. 41, § 1, 2°);

c) goederen waarvan delen of onderdelen werden uitgevoerd buiten de Gemeenschap en worden wederingevoerd na aan die goederen te zijn aangebracht (id., art. 41, § 1, 3°);

d) goederen die zijn vervaardigd door het verwerken van goederen die met dat doel werden uitgevoerd buiten de Gemeenschap (id., art. 41, § 1, 4°).

6. De hiervoor bedoelde werken omvatten zowel handelingen die als een levering van een goed worden beschouwd als handelingen die als een dienst worden aangemerkt.

Enerzijds wordt, overeenkomstig artikel 10, § 2, 2°, van het BTW- Wetboek, de afgifte door de opdrachtnemer aan de opdrachtgever van een roerend goed dat hij heeft vervaardigd of samengesteld met behulp van materialen en voorwerpen die daartoe door de opdrachtgever zijn verstrekt, als een levering beschouwd ongeacht of de opdrachtnemer al dan niet een deel van de gebruikte materialen heeft verstrekt.

Anderzijds worden alle handelingen die geen leveringen van goederen zijn in de zin van het BTW-Wetboek voor de toepassing van de belasting als een dienst aangemerkt (art. 18 van het BTW-Wetboek).

De oplevering van het bewerkte goed is slechts een levering in de zin van artikel 10, § 2, 2°, voornoemd indien de opdrachtnemer uit materialen die hem door de opdrachtgever zijn verstrekt een nieuw goed heeft gemaakt, d.w.z. een goed dat tevoren niet bestond. Het goed wordt steeds als nieuw aangemerkt wanneer door het werk van de opdrachtnemer een goed ontstaat waarvan de functie verschilt van die welke de verstrekte materialen hadden.

Zo dragen volgende handelingen bij tot het ontstaan van een nieuw goed :

  • het versnijden en confectioneren van weefsels tot kleding;
  • het omvormen van staalplaten tot profielen;
  • het verwerken van ruw goud tot juwelen.
Worden daarentegen als een dienst aangemerkt :

  • het herstellen, restaureren, reviseren of afstellen van goederen;
  • het uitvoeren van een anti-roestbehandeling aan een auto of wagen.
7. Het gebruik maken van de regeling passieve veredeling wordt slechts toegestaan wanneer het mogelijk is na te gaan welke uitgevoerde goederen werden verwerkt om de ingevoerde goederen te verkrijgen (z. nr. 23 hierna).

8. Opgemerkt zij dat goederen die niet één van de in nr. 5 bedoelde behandelingen hebben ondergaan, met vrijstelling van BTW kunnen worden wederingevoerd in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald in artikel 40 van het koninklijk besluit nr. 7.

HOOFDSTUK II.
Personen die aanspraak kunnen maken op vrijstelling.

9. Eenieder die goederen tijdelijk uitvoert uit de Gemeenschap om ze één of meerdere veredelingsverrichtingen te doen ondergaan, kan onder de voorwaarden gesteld in deze aanschrijving vrijstelling genieten voor zover hij bij de wederinvoer van de goederen kan worden aangemerkt als geadresseerde in de zin van artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 7.

Het betreft voornamelijk de eigenaar van de goederen alsmede de maakloonwerker, de huurder en de ontlener bedoeld in artikel 6, § 4, van voornoemd besluit.

Wanneer de geadresseerde de hoedanigheid van belastingplichtige heeft, is het voor de toepassing van de vrijstelling van geen belang dat hij de ter zake van invoer verschuldigde BTW al dan niet in aftrek kan brengen.

Bijzondere voorwaarde voor de maakloonwerker.

10. De maakloonwerker kan, voor de wederinvoer van goederen die hij gelast is één van de in voornoemd artikel 41 bedoelde handelingen te doen ondergaan die als een dienst wordt aangemerkt (z. nr. 6), evenwel slechts van de vrijstelling genieten op voorwaarde dat hij de dienst die hij aan zijn opdrachtgever verstrekt met BTW belast als een hier te lande verricht werk. Dit werk moet evenwel niet worden belast indien de vrijstelling van de artikelen 39, 41 of 42 van het BTW-Wetboek kan worden toegepast of indien de dienst niet aan de belasting zou zijn onderworpen indien hij hier te lande was verricht (z. nr. 12).

Wanneer de oplevering van de bewerkte goederen aan de opdrachtgever daarentegen als een levering van een goed wordt beschouwd is de maakloonwerker echter niet aan bijzondere voorwaarden onderworpen om zich te kunnen beroepen op de vrijstelling bedoeld in artikel 41 van het koninklijk besluit nr. 7. De door de maakloonwerker verrichte levering volgt dan de normale belastingregels inzake levering van goederen. Die levering is dan derhalve aan de BTW onderworpen wanneer ze hier te lande plaatsvindt of geacht wordt hier te lande plaats te vinden, en voor zover ze niet kan worden vrijgesteld op grond van de artikelen 39, 39bis of 42 van het BTW-Wetboek.

HOOFDSTUK III.
Bedrag waarvoor vrijstelling wordt verleend.

Gedeeltelijke vrijstelling. Maatstaf van heffing en tarief.

11. Overeenkomstig het bepaalde in § 3 van artikel 41 van het koninklijk besluit nr. 7, wordt de bij de invoer verschuldigde belasting beperkt tot de belasting berekend tegen het tarief dat van toepassing is voor de ingevoerde goederen en over de waarde van de in het buitenland verstrekte goederen en verrichte werken, vermeerderd met de niet reeds in die waarde begrepen sommen welke volgens artikel 34, § 2, van het Wetboek in de maatstaf van heffing moeten worden opgenomen. Die sommen zijn :

a) de in het buitenland verschuldigde rechten, heffingen en andere belastingen, alsmede die welke ter zake van de invoer in België verschuldigd zijn, met uitzondering van de te heffen belasting over de toegevoegde waarde;

b) de bijkomende kosten, zoals de kosten van commissie, douaneformaliteiten, verpakking, vervoer en verzekering tot op de plaats van bestemming in het binnenland. Bovendien omvatten laatstgenoemde kosten niet enkel de vervoer- en verzekeringskosten van de plaats in het buitenland waar de goederen werden bewerkt tot de plaats van bestemming in België, maar ook die met betrekking tot de verzending van de tijdelijk uitgevoerde goederen van de plaats van vertrek in België tot de plaats van bestemming in het buitenland.

Gehele vrijstelling.

12. In afwijking van nr. 11 wordt gehele vrijstelling van de belasting verleend voor goederen die worden wederingevoerd na in het buitenland één of meer van de in nr. 5 bedoelde handelingen te hebben ondergaan die niet aan de belasting zouden zijn onderworpen indien ze in België waren verricht (kon. besl. nr. 7, art. 41, § 4).

Het betreft meestal gevallen waarin de goederen in het buitenland gratis worden hersteld op grond van een contractuele of wettelijke garantieverplichting.

HOOFDSTUK IV.
Voorwaarden van de vrijstelling.

Overzicht van de voorwaarden.



13.De vrijstelling wordt verleend onder de volgende voorwaarden :
a) de goederen moeten van België worden uitgevoerd buiten de Gemeenschap na hier te lande onder de regeling van de vrijstelling bij wederinvoer te zijn geplaatst;

b) de goederen moeten onderworpen geweest zijn aan de algemene belastingregels voor de Belgische binnenlandse markt en uit hoofde van uitvoer niet in aanmerking zijn gekomen voor ontheffing van de belasting;

c) de uitvoer buiten de Gemeenschap en de wederinvoer van de goederen die één of meer van de in nr. 5 bedoelde behandelingen hebben ondergaan moeten door dezelfde persoon zijn gedaan;

d) de wederinvoer moet plaatsvinden binnen de termijn gesteld in de nrs. 18 en 19;

e) de voorgeschreven formaliteiten moeten worden nageleefd; inzonderheid moet bij de uitvoer het voorbehoud zijn gemaakt met vrijstelling weder in te voeren;

f) de Administratie moet er zich kunnen van vergewissen dat de vrijstelling terecht werd ingeroepen wat betreft de identiteit van de goederen.

In de volgende nummers worden de gestelde voorwaarden nader omschreven.

Uitvoer uit België na plaatsing hier te lande onder de regeling van de vrijstelling.

14. De goederen moeten uit België worden uitgevoerd na hier te lande onder de regeling van de vrijstelling bij wederinvoer te zijn geplaatst. Aan die voorwaarde is voldaan wanneer de aangifte ten uitvoer op een Belgisch douanekantoor is ingediend, en in die aangifte voorbehoud is gemaakt de goederen achteraf met gehele of gedeeltelijke vrijstelling weder in te voeren (z. nr. 21).

Ter zake wordt aangestipt dat ingevolge de opheffing van de fiscale binnengrenzen tussen de Lid-Staten van de EEG een nieuwe uitvoerprocedure werd ingesteld voor goederen die uit de Gemeenschap worden verstuurd of verzonden. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen het "kantoor van uitvoer" en het "kantoor van uitgang". Het "kantoor van uitvoer" is het douanekantoor waar de aangifte ten uitvoer moet worden ingediend. Overeenkomstig de douanereglementering is dat het douanekantoor dat bevoegd is voor het toezicht op de plaats waar de exporteur is gevestigd of waar de goederen zijn verpakt of met het oog op de uitvoer in of op het vervoermiddel zijn geladen. Onder "kantoor van uitgang" wordt daarentegen verstaan het douanekantoor waarlangs de goederen uiteindelijk de Gemeenschap verlaten. Laatstgenoemd kantoor stelt de uitvoer van de goederen uit de Gemeenschap vast en viseert het exemplaar voor de aangever van de aangifte ten uitvoer die door het "kantoor van uitvoer" werd gevalideerd. In de praktijk kunnen beide kantoren ook samenvallen.

De vrijstelling ingesteld bij artikel 41 van het koninklijk besluit nr. 7 is dan ook slechts toepasselijk mits het "kantoor van uitvoer" een Belgisch douanekantoor is. Voorts is het van geen belang dat het "kantoor van uitgang" in België dan wel in een andere Lid-Staat van de Gemeenschap is gelegen.

Onderwerping aan de algemene belastingregels voor de Belgische binnenlandse markt zonder uit hoofde van uitvoer in aanmerking te zijn gekomen voor ontheffing van de BTW.

15. De goederen die werden uitgevoerd om één of meer handelingen te ondergaan moeten vooraf onderworpen zijn geweest aan de algemene belastingregels voor de Belgische binnenlandse markt.

Indien de tijdelijk uitgevoerde goederen in het land werden gekocht of intracommunautair verworven, mag die handeling niet zijn gedaan met vrijstelling van BTW bij toepassing van de artikelen 39 of 40, § 2, van het BTW-Wetboek.

Onverminderd het bepaalde in het vorig lid moeten als goederen die onderworpen zijn geweest aan de algemene belastingregels voor de Belgische binnenlandse markt worden aangemerkt :

  • de goederen die hier te lande zijn vervaardigd, gekocht, intracommunautair verworven of ingevoerd met een aangifte ten verbruik voor de toepassing van de BTW;
  • de goederen die in een Lid-Staat van de Gemeenschap zijn verkregen of ingevoerd met inachtneming van de aldaar geldende belastingregels voor de binnenlandse markt en die vervolgens naar België worden verzonden of vervoerd zonder dat het binnenbrengen van die goederen in België aanleiding geeft tot een heffing van BTW hier te lande.
Uitvoer en wederinvoer door dezelfde persoon.

16. De uitvoer en de wederinvoer moeten door dezelfde persoon worden gedaan, daarbij handelend in dezelfde hoedanigheid.

17. Over 't algemeen is en blijft de persoon die uitvoert en wederinvoert eigenaar van de goederen. Beide handelingen mogen evenwel ook worden gedaan door een persoon die de goederen anders dan als eigenaar onder zich houdt, zoals een loonbewerker of een huurder. Ook in dat geval moet die persoon bij de wederinvoer in dezelfde hoedanigheid handelen als bij de uitvoer. Daaruit volgt dat, indien degene die heeft uitgevoerd geen eigenaar van de goederen was op het tijdstip van de uitvoer, maar er eigenaar van geworden is tijdens het verblijf van de goederen in het buitenland, geen aanspraak op vrijstelling kan worden gemaakt bij de wederinvoer.



Wederinvoer.Termijn.
18. Wanneer de goederen, die tijdelijk van België naar het buitenland werden gezonden, bij toepassing van de regeling passieve veredeling met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van "rechten bij invoer" (z. nr. 3) worden wederingevoerd, en daarbij ook gehele of gedeeltelijke vrijstelling van BTW toepasselijk is krachtens onderhavige aanschrijving, moeten de goederen worden wederingevoerd binnen de (eventueel verlengde) termijn die is gesteld voor de vrijstelling van de rechten bij invoer.

19. Wanneer daarentegen alleen gehele of gedeeltelijke vrijstelling van BTW toepasselijk is, moeten de goederen worden wederingevoerd binnen een termijn van één jaar te rekenen vanaf de geldigmaking door het kantoor van uitvoer van de aangifte van tijdelijke uitvoer. Die termijn kan worden verlengd. Daartoe dient een gemotiveerde aanvraag te worden gestuurd aan de Centrale administratie van de BTW, registratie en domeinen, 2de dienst - 5de directie, R.A.C.-Financietoren bus 39, Kruidtuinlaan 50, 1010 Brussel.

20. Tenzij anders is bepaald in de machtiging voor de "rechten bij invoer", mogen de goederen in deelzendingen worden wederingevoerd.

Formaliteiten.

21. Tenzij anders is bepaald, dient, voor de toepassing inzake BTW, de uitvoer en de wederinvoer te worden gedaan met inachtneming van de formaliteiten die bij de Verordeningen (EEG) nrs. 2473/86 van de Raad van 24 juli 1986 en 2458/87 van de Commissie van 31 juli 1987 zijn voor geschreven voor de toepassing van de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer. Die formaliteiten moeten worden nageleefd ook al vinden voornoemde verordeningen geen toepassing inzonderheid om reden dat het gaat om goederen die niet aan rechten bij invoer onderworpen zijn wegens hun aard, hun herkomst of om enige andere reden; in dat geval moet dan ook geen machtiging van de Administratie der douane en accijnzen worden voorgelegd.

Dat houdt inzonderheid in :

  • dat de uitvoer plaatsvindt met een formulier "Enig document" dat als aangifte ten uitvoer wordt gebezigd en waarin het voorbehoud is gemaakt de goederen met gehele of gedeeltelijke vrijstelling weder in te voeren. Daartoe moet in vak 44 van de aangifte ten uitvoer, of, indien dat bij plaatsgebrek niet mogelijk is, in een bij die aangifte gevoegde verklaring, naargelang het geval de volgende vermelding worden gesteld :
"Goederen weder in te voeren met gehele/gedeeltelijke vrijstelling van BTW. - Passieve veredeling - BTW-aanschrijving nr. 9/1993.";

  • dat de wederinvoer eveneens plaatsvindt met een formulier "Enig document" dat evenwel als aangifte ten verbruik wordt gebezigd. In die aangifte wordt verwezen naar de aangifte ten uitvoer. Samen met de aangifte ten verbruik wordt op het invoerkantoor ingediend het exemplaar voor de aangever van de aangifte ten uitvoer, in voorkomend geval de behoorlijk ingevulde inlichtingsfiche (z. nr. 23) en een exemplaar van de factuur door de leverancier of dienstverrichter opgesteld op naam van de geadresseerde der wederingevoerde goederen, of bij ontstentenis van een factuur (in geval van gratis herstelling) een door de dienstverrichter opgestelde verzendnota die vermeldt dat de herstelling werd gedaan zonder betaling van een prijs.
22. Het plaatselijk hoofd van de douane van het kantoor van wederinvoer gaat na of de gehele of gedeeltelijke vrijstelling mag worden toegestaan.

Identiteit van de goederen.

23. De vrijstelling wordt slechts verleend indien de identiteit van de goederen kan worden vastgesteld.

Om aanspraak te mogen maken op gehele of gedeeltelijke vrijstelling moet de geadresseerde kunnen aantonen dat het gaat om een wederinvoer van goederen.

Met dat doel kan de douane bij de uitvoer herkenningstekens aanbrengen of andere maatregelen treffen ter herkenning van de identiteit van de goederen; ze kan voorschrijven dat een inlichtingsfiche wordt opgemaakt en dat de wederinvoer moet plaatsvinden over het kantoor van uitvoer; ze kan ook opbrengstpercentages vaststellen. Van één en ander wordt aantekening gemaakt op de aangifte ten uitvoer.

De geadresseerde moet ook kunnen aantonen, aan de hand van zijn administratie (boekhouding en andere stukken, inzonderheid briefwisseling en contracten) dat het gaat om een wederinvoer en dat hij terecht vrijstelling heeft bekomen. Dat geldt inzonderheid wanneer grondstoffen naar het buitenland werden gezonden om er te worden verwerkt tot fabrikaten. De belanghebbende moet aantonen niet alleen dat de fabrikaten verkregen werden door verwerking van de uitgevoerde grondstoffen, maar ook dat de hoeveelheid ingevoerde goederen voortkomt van de hoeveelheid uitgevoerde goederen. Hij zal aan de ambtenaren die belast zijn met de controle alle nuttige inlichtingen moeten verstrekken, en met name de inlichtingen die het mogelijk maken het rendement te bepalen van de behandeling van de uitgevoerde goederen.

Gevolgen van de niet-naleving van de voorwaarden.

24. De vrijstelling vindt alleen toepassing indien de voorwaarden die gesteld zijn door deze aanschrijving strikt worden nageleefd.

Het voordeel van de vrijstelling kan nochtans geheel of gedeeltelijk opnieuw worden verleend door een administratieve beslissing wanneer de vormvoorwaarden, de formaliteiten of de termijn niet werden nageleefd.

HOOFDSTUK V.
Slotbepaling.

25. Deze aanschrijving vervangt, met terugwerkende kracht op 1 januari 1993, de aanschrijving nr. 8, van 22 februari 1978, die over hetzelfde onderwerp handelde.

Namens de Minister :
De Directeur-generaal,
B. Legon.