Circulaire 2019/C/79 over de belastingvermindering en de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing in het kader van overwerk

Eerste commentaar op de wet van 23.03.2019 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor wat betreft de fiscale bepalingen van de jobsdeal (hierna W 23.03.2019).

belastingvermindering ; vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ; overwerk

FOD Financiën, 30.08.2019
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting

Inhoudstafel

I. Inleiding
II. Belastingvermindering met betrekking tot overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag
III. Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing in het kader van overwerk
IV. Gemeenschappelijke bepaling
V. W 23.03.2019 – gecoördineerde versie van het WIB 92
VI. Inwerkingtreding
VII. Wettelijke bepalingen

I. Inleiding

1. In het kader van de jobsdeal, heeft de regering een aantal maatregelen genomen om een positieve stimulans te geven aan de tewerkstelling in België door middel van allerhande sociale, economische en fiscale initiatieven.

2. De W 23.03.2019 voorziet zo twee wijzigingen die specifiek betrekking hebben op:

- de belastingvermindering ingevolge overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag;

- de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing in het kader van overwerk.

Meer bepaald gaat het om het tijdelijk optrekken van het aantal overuren dat fiscaal gunstig wordt behandeld.

II. Belastingvermindering met betrekking tot overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag

3. Wat deze belastingvermindering bij de werknemer betreft, voorziet de W 23.03.2019 een verhoging van het maximum aantal overuren van 130 naar 180 uren.

Deze maatregel is van toepassing voor de aanslagjaren 2020 en 2021.

De bestaande verhoging naar 360 uren voor de horecasector blijft bovendien behouden, evenals de permanente verhoging (onder bepaalde voorwaarden) naar 180 uren voor de bouwsector.

III. Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing in het kader van overwerk

4. Wat de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing betreft, voorziet de W 23.03.2019 voor de werkgevers eveneens een verhoging van het maximum aantal overuren van 130 naar 180 uren.

Deze maatregel is van toepassing op de bezoldigingen die vanaf 01.01.2019 t.e.m. 31.12.2020 worden betaald of toegekend.

De bestaande verhoging naar 360 uren voor de horecasector blijft bovendien behouden, evenals de permanente verhoging (onder bepaalde voorwaarden) naar 180 uren voor de bouwsector.

IV. Gemeenschappelijke bepaling

5. De impact van deze twee maatregelen zal ten laatste tegen 30.06.2020 door de ministerraad worden geëvalueerd. Bij een positieve evaluatie kunnen deze maatregelen voor onbepaalde duur worden verlengd bij een in ministerraad overlegd koninklijk besluit dat binnen een strikte termijn bij wet moet worden bekrachtigd.

V. W 23.03.2019 – gecoördineerde versie van het WIB 92

De wijzigingen zijn aangeduid in vet.

6. Art. 154bis, WIB 92 (gewijzigd door art. 6 van de W 23.03.2019):

Er wordt een belastingvermindering verleend aan de werknemers die gedurende het belastbare tijdperk overwerk hebben gepresteerd dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een overwerktoeslag en die:

- hetzij onderworpen zijn aan de arbeidswet van 16 maart 1971 en die tewerkgesteld zijn door een werkgever onderworpen aan de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;

- hetzij als de contractuele of statutaire werknemers tewerkgesteld zijn door één van de volgende autonome overheidsbedrijven: de naamloze vennootschap van publiek recht Proximus, de naamloze vennootschap van publiek recht bpost, de naamloze vennootschap van publiek recht NMBS en de naamloze vennootschap van publiek recht Infrabel;

- hetzij als de contractuele of statutaire werknemers tewerkgesteld zijn door de naamloze vennootschap van publiek recht HR Rail.

De belastingvermindering is gelijk aan 24,75 pct. van het totaal van de berekeningsgrondslagen voor de overwerktoeslag betreffende de uren die de werknemer tijdens het belastbare tijdperk als overwerk heeft gepresteerd. Indien meer dan 130 uren als overwerk zijn gepresteerd, wordt dat totaal slechts in aanmerking genomen ten belope van een deel dat wordt bepaald door de verhouding tussen, eensdeels, 130 uren en, anderdeels, het totaal van de uren die als overwerk zijn gepresteerd.

Het in het tweede lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt opgetrokken tot 180 uren voor de aanslagjaren 2020 en 2021. De Ministerraad evalueert de impact van deze verhoging op de arbeidsmarkt ten laatste tegen 30 juni 2020. In geval van een positieve evaluatie kan de verhoging door een besluit dat wordt vastgesteld na overleg in de Ministerraad en uiterlijk op 31december 2020 wordt genomen voor onbepaalde duur worden verlengd.

[…]

De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van het derde en zesde lid genomen besluiten. Deze besluiten houden op uitwerking te hebben indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen twaalf maanden na de datum van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. De bekrachtiging heeft uitwerking vanaf die datum. Bij gebreke van deze bekrachtiging binnen de voormelde termijn worden de besluiten geacht nooit uitwerking te hebben gehad.

[…]

7. Art. 275^1, WIB 92 (gewijzigd door art. 7 van de W 23.03.2019):

De in het tweede lid omschreven werkgevers die bezoldigingen betalen of toekennen die betrekking hebben op door de werknemer gepresteerd overwerk, en die krachtens artikel 270, eerste lid, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen, worden ervan vrijgesteld een deel van de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is op de belastbare bezoldigingen waarin de bezoldigingen zijn begrepen die betrekking hebben op de door de werknemer gepresteerd overwerk, in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden.

[…]

De vrijstelling geldt per jaar en per werknemer slechts voor de eerste 130 uren die hij als overwerk presteert.

Het in het zesde lid bepaalde maximum van 130 uren overwerk wordt opgetrokken tot 180 uren voor de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 worden betaald of toegekend. De Ministerraad evalueert de impact van deze verhoging op de arbeidsmarkt ten laatste tegen 30 juni 2020. In geval van een positieve evaluatie kan de verhoging bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad voor onbepaalde duur worden verlengd.

[…]

De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van het ter uitvoering van het zevende lid genomen besluit. Dit besluit houdt op uitwerking te hebben indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen twaalf maanden na de datum van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. De bekrachtiging heeft uitwerking vanaf die datum. Bij gebreke van deze bekrachtiging binnen de voormelde termijn wordt het besluit geacht nooit uitwerking te hebben gehad.

VI. Inwerkingtreding

8. Deze bepalingen hebben uitwerking met ingang van 01.01.2019.

VII. Wettelijke bepalingen

9. Hoofdstuk 4 (art. 6 t.e.m. 8) van de wet van 23.03.2019 tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor wat betreft de fiscale bepalingen van de jobsdeal (BS 05.04.2019, Ed. 2).

Art. 154bis, derde en zevende lid, WIB 92.

Art. 275^1, zevende en twaalfde lid, WIB 92.

Interne ref.: 720.588