Circulaire 2025/C/43 betreffende het Waalse decreet van 5 december 2024 tot hervorming van de Waalse fiscaliteit en tot invoering van een verlaagd tarief van de registratierechten voor de aankoop van de enige eigen woning..
Circulaire 2025/C/43 betreffende het Waalse decreet van 5 december 2024 tot hervorming van de Waalse fiscaliteit en tot invoering van een verlaagd tarief van de registratierechten voor de aankoop van de enige eigen woning en van een algemene vermindering van de successierechten
Administratieve commentaren bij het decreet van 5 december 2024 betreffende de hervorming van de Waalse fiscaliteit, beperkt tot de wijzigingen aangebracht aan het Wetboek der successierechten zoals van toepassing in het Waals Gewest, die op 1 januari 2025 in werking zijn getreden
Verrekening van de buitenlandse belasting ; Verwerping van nalatenschap
FOD Financiën, 05.07.2025
Algemeen Administratie van de Patrimoniumdocumentatie
Inhoudstafel
2. Verrekening van buitenlandse belasting (
3. Opheffing van
1. Inleiding
In het Belgisch Staatsblad van 13 december 2024 is het decreet van 5 december 2024 (hierna "het decreet") verschenen dat wijzigingen aanbrengt aan het Wetboek der successierechten (hierna het W.Succ.) en aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (hierna het W.Reg.) zoals van toepassing in het Waals Gewest.
Deze circulaire behandelt enkel de wijzigingen die zijn aangebracht aan het W.Succ. en die op 1 januari 2025 in werking zijn getreden. De wijzigingen die zijn aangebracht aan het W.Reg. worden besproken in de circulaire 2025/C/42.
Bovendien past het decreet het W.Succ. (art. 17 W.Succ. – Verrekening van buitenlandse belasting en art. 68 W.Succ. – Verwerping van een nalatenschap) aan om te voldoen aan de uitspraken van het Grondwettelijk Hof nr. 80/2021 van 3 juni 2021 en nr. 59/2022 van 21 april 2022. Deze wijzigingen zijn op 1 januari 2025 in werking getreden.
Ten slotte beoogt het decreet ook de successie- en schenkingsrechten te moderniseren, zowel door ze in het algemeen te verlagen als door ze aan te passen aan veranderingen in de familiale structuren. Er zijn ook verschillende aanvullende maatregelen voorzien om de procedures voor de erfgenamen te vereenvoudigen. Dit omvat onder andere de mogelijkheid om gebruik te maken van een optionele forfaitaire regeling voor begrafeniskosten en bepaalde schulden van de overledene, waardoor de administratieve verplichtingen in een al moeilijke periode worden verlicht. Bovendien wordt de voorwaarde van het bewonen van de gezinswoning door de overledene en zijn echtgenoot gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden afgeschaft, zodat de langstlevende echtgenoot of de erfgenamen in rechte lijn kunnen genieten van fiscale voordelen. Deze vereiste leidde in sommige gevallen tot zware en ongerechtvaardigde gevolgen. Deze wijzigingen treden in werking op 1 januari 2028.
2. Verrekening van buitenlandse belasting (art. 17, eerste lid W.Succ.)
De nieuwe tekst van artikel 17, eerste lid W.Succ. heeft tot doel te voldoen aan het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 80/2021 van 3 juni 2021. Sinds de wet van 10 augustus 1923 tot wijziging van de wetten op de zegel-, registratie-, griffie- en successierechten, heeft de federale wetgever de erfgenamen gemachtigd om buitenlandse belastingen te verrekenen op in het buitenland gelegen onroerende goederen die worden geïnd na het overlijden van een inwoner van het Rijk, maar niet op roerende goederen die in het buitenland worden aangehouden, waardoor een onderscheid wordt gemaakt tussen deze twee categorieën van eigendommen.
Het Hof oordeelde dat "het verschil in behandeling dat voortvloeit uit artikel 17 van het Wetboek der successierechten, naargelang de erfbelasting betrekking heeft op onroerende dan wel roerende goederen, berust op een pertinent criterium van onderscheid" (B 7). In dit verband wijst het Hof erop dat veel landen, zoals Spanje, thans een erfbelasting heffen op roerende goederen die op hun grondgebied werden aangehouden en bezit worden door Belgische inwoners. Het stelt ook vast dat de Belgen vandaag in vergelijking met 1923 een veel grotere hoeveelheid roerende goederen in het buitenland bezitten, waarvan de waarde aanzienlijk kan zijn.
Zo oordeelde het Hof dat "artikel 17 van het Wetboek van de Successierechten [...] schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre het niet erin voorziet dat belastingplichtigen die uit de nalatenschap van een rijksinwoner in het buitenland aangehouden roerende goederen verkrijgen, het in België opvorderbare successierecht dat die goederen treft, verminderd kunnen zien met het bedrag van de erfbelasting geheven in het land waar die goederen worden aangehouden.»
In afwachting van de wetswijziging van artikel 17 W.Succ., heeft de Algemene administratie van de patrimoniumdocumentatie (hierna AAPD) het bovenvermelde vonnis ten uitvoer gebracht voor alle oorspronkelijke of aanvullende aangiften, die na 3 juni 2021 zijn ingediend (beslissing van 3 maart 2023, Rep. RJ, S 17/11-01).
Artikel 17 W.Succ. is nu gewijzigd om de verrekening van buitenlandse belastingen op roerende goederen mogelijk te maken, onder dezelfde voorwaarden als die welke van toepassing zijn op onroerende goederen. Er wordt nu verwezen naar het algemene begrip "goederen", dat zowel roerende als onroerende goederen omvat, waardoor elke discriminatie met betrekking tot de aard van buitenlandse nalatenschappen wordt opgeheven.
Artikel 17 W.Succ. kan echter niet worden toegepast voor de betaling van een opeisbare meerwaardebelasting bij overlijden, daar het niet om een erfbelasting gaat (zie ook Parlementaire Vraag nr. 2/2014 van 12 augustus 2014 van Olivier de Clippele, Vragen en antwoorden – Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest – 15 november 2014 (nr. 1), p. 36). Over het algemeen hebben erfgenamen de plicht om te bewijzen dat de buitenlandse belasting wordt geheven als belasting op de overgedragen nalatenschap. (beslissing van 8 mei 2019, Rep. RJ, S 17/07-01).
Daarnaast wordt verduidelijkt dat het determinerende element voor de toepassing van het nieuwe artikel 17 W.Succ. op roerende goederen, datgene is dat gelinkt is aan de belasting van roerende goederen in het buitenland. Kortom, zodra een erfbelasting rechtmatig opeisbaar is in het buitenland op een roerend goed volgens de toepasselijke wetgeving en dit goed ook wordt belast met een erfbelasting (in het Waals Gewest) vanwege de belasting op het totale vermogen van een inwoner van Wallonië, moet deze in het buitenland betaalde belasting worden verrekend. Het is niet aan het Waals Gewest om criteria voor de plaats vast te stellen die mogelijk in strijd zijn met die van het land waarin de roerende goederen zich bevinden, met het risico een andere vorm van dubbele belasting te creëren en eventueel ook het Europese principe van vrij verkeer van kapitaal te schenden (Parl. St., Parl.W., 2024-25, nr. 97/1, p. 7).
3. Opheffing van artikel 68 W.Succ.
Deze bepaling had tot gevolg dat in geval van verwerping van een nalatenschap, een testamentaire beschikking of een contractuele instelling door de persoon die normaliter zou erven, het erfrecht of het recht van overgang bij overlijden verschuldigd was door de persoon die erft als gevolg van de verwerping, niet lager kon zijn dan de belasting die verschuldigd zou zijn geweest door de verwerper.
Het zou een rem kunnen zijn op het verwerpen en vooral op de "generatiesprong" waarmee sommige erfgenamen afstand doen om hun eigen kinderen ten goede te komen. Dit is met name het geval wanneer de kleinkinderen rechtstreeks van hun grootouders erven als gevolg van de verwerping van de nalatenschap door hun ouders.
Bovendien werd het Vlaamse equivalent van artikel 68 W.Succ. bekritiseerd door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 59/2022 van 21 april 2022 wanneer het ertoe leidt dat de langstlevende partner het voordeel van de vrijstelling van de gezinswoning verliest. Daarnaast heeft de AAPD sinds 2022 verschillende besluiten genomen (besluiten van 21 augustus 2023 en 4 april 2024, nr. EE/107.927; besluit van 20 november 2023, nr. EE/107.469, Rep. RJ, S 68/05-02). Deze beslissingen breiden de toepassing van het voormelde arrest uit tot situaties waarin een erfgenaam een fiscale vrijstelling zou verliezen als gevolg van de toepassing van artikel 68 W.Succ.
De opheffing van artikel 68 W.Succ. betekent nu dat bij de belastingheffing in de erfbelasting rekening zal worden gehouden met de burgerlijke situatie zoals die zich voordoet voor de administratie, zonder dat er moet worden nagegaan of de kwijtschelding leidt tot een belastingvermindering.
4. Inwerkingtreding
De wijzigingen van artikel 17, eerste lid W.Succ. zijn van toepassing op alle overlijdens die zich voordoen vanaf 1januari 2025. Bij wijze van overgangsmaatregel, en om de rechten te waarborgen van belastingplichtigen die eventueel geen aanspraak meer kunnen maken op teruggave overeenkomstig artikel 134, eerste lid W.Succ., worden de rechten, interesten en boetes die ten onrechte zijn geheven vanwege de ongrondwettigheid van het voormalige artikel 17, eerste lidW.Succ., zoals vastgesteld bij arrest nr. 80/2021 van het Grondwettelijk Hof van 3 juni 2021, teruggegeven. Daartoe moet binnen twee jaar na 1 januari 2025 een verklaring worden ingediend waarin het feit wordt vermeld dat de teruggave rechtvaardigt, bij het kantoor Rechtszekerheid die over de verklaring van nalatenschap beschikt.
De opheffing van artikel 68 W.Reg. is van toepassing op alle overlijdens die zich voordoen vanaf 1januari 2025. Bij wijze van overgangsmaatregel, en om de rechten te waarborgen van de belastingplichtigen die eventueel geen aanspraak meer kunnen maken op teruggave overeenkomstig artikel 134, eerste lid, W.Reg., worden de rechten, interesten en boetes die ten onrechte zijn geheven, uitsluitend in gevallen waarin een erfgenaam een fiscale vrijstelling heeft verloren als gevolg van de toepassing van artikel 68 W.Reg. terugbetaald om te voldoen aan de draagwijdte van arrest nr. 59/2022 van het Grondwettelijk Hof van 21 april 2022. Daartoe moet binnen twee jaar na 1 januari 2025 een verklaring worden ingediend waarin het feit wordt vermeld dat de teruggave rechtvaardigt, bij de kantoor Rechtszekerheid die over de verklaring van nalatenschap beschikt.
