ADDENDUM d.d. 08.04.2016 aan de circulaire AAFisc Nr. 41/2013 (nr. Ci.RH.231/629.328) d.d. 25.10.2013

Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Operationele Expertise en Ondersteuning
Dienst VENB
Vennootschapsbelasting/Personenbelasting

Personenbelasting
Belastbare grondslag in de PB
Inkomen van roerende goederen en kapitalen
Roerend inkomen
Interest
Collectieve beleggingsinstelling in effecten

Begrip 'collectieve beleggingsinstelling in effecten' zoals bedoeld in art. 19bis, WIB 92: wijziging voor de verrichtingen die plaatsgrijpen vanaf 01.07.2016.

I. INLEIDING

1. Deze circulaire heeft betrekking op de bepaling van het toepassingsgebied van art. 19bis, WIB 92, en wijzigt in dat verband de circ. 25.10.2013 (dezelfde referentie) wat inzonderheid het gevolg is van de invoering van de W 19.04.2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders (hierna W 19.04.2014).

Meer bepaald moet de draagwijdte van het begrip 'collectieve beleggingsinstelling in effecten' (ICBE) zoals bedoeld in art. 19bis, WIB 92, worden aangepast gelet op de wijziging van de bepalingen van art. 7, W 03.08.2012 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles (hierna W 03.08.2012) en de evolutie van de Europese wetgeving betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden, waarbij het doel van art. 19bis, WIB 92, wordt nageleefd.

II. WIJZIGING VAN HET WETTELIJK KADER

A. Financiële wetgeving met betrekking tot ICB’S

2. De W 03.08.2012 werd gewijzigd door de W 19.04.2014 en in dat verband werd inzonderheid het opschrift ervan vervangen door 'Wet betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen' (hierna W 03.08.2012 UCITS).

Als gevolg van de W 19.04.2014, werd art. 7, W 03.08.2012, waarnaar wordt verwezen in nr. 28 van de circ. 25.10.2013, gewijzigd (1).

(1) Zie art. 419, W 19.04.2014.
Bovendien werd art. 3, 1°, W 03.08.2012, eveneens gewijzigd in die zin dat het woord 'uitsluitende' werd geschrapt (zie art. 415, W 19.04.2014). Voortaan bepaalt dat artikel (zie art. 3, W 03.08.2012 UCITS):
'Voor de toepassing van deze wet en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en reglementen, wordt verstaan onder:
1° 'instelling voor collectieve belegging': een Belgische of buitenlandse instelling waarvan het doel de collectieve belegging van financiële middelen is';

3. Art. 7, W 03.08.2012, bepaalde:

'Elke instelling voor collectieve belegging moet voor de belegging van de financiële middelen die zij inzamelt, opteren voor één van de hierna opgesomde categorieën van toegelaten beleggingen:

1° beleggingen die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG;
2° financiële instrumenten en liquide middelen;
3° grondstoffen, opties en termijncontracten op grondstoffen;
4° opties en termijncontracten op effecten, deviezen en beursindexcontracten;
5° vastgoed;
6° hoogrisicodragend kapitaal;
7° schuldvorderingen in het bezit van derden en overgedragen aan de instelling voor collectieve belegging bij een overdrachtsovereenkomst onder de voorwaarden en volgens de regels die door de Koning zijn vastgesteld;
8° financiële instrumenten die zijn uitgegeven door niet-genoteerde vennootschappen;
9° andere door de Koning toegelaten beleggingen.

De Koning definieert de in het eerste lid opgesomde categorieën van toegelaten beleggingen bij besluit genomen na advies van de FSMA.'.

Art. 7, W 03.08.2012 UCITS, bepaalt voortaan (2):

'Bij koninklijk besluit genomen op advies van de FSMA definieert de Koning de categorieën van toegelaten beleggingen voor de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG.
De instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG moeten, bij de belegging van de financiële middelen die zij aantrekken, opteren voor één van de categorieën van toegelaten beleggingen. Die belegging dient te gebeuren conform de aldus vastgestelde regels.'.

(2) De art. 415 en 419, W 19.04.2014, treden in werking op 27.06.2014 (namelijk 10 dagen na publicatie in het BS).

B. Spaarrichtlijn

4. De draagwijdte van de Spaarrichtlijn 2003/48/EG (3) werd uitgebreid door de richtlijn 2014/48/EU (4), inzonderheid met betrekking tot de bedoelde ICB’s. De nieuwe maatregelen moeten nog worden omgezet in het Belgisch recht.

(3) Richtlijn 2003/48/EG van de raad van 03.06.2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (hierna Spaarrichtlijn).

(4) Richtlijn 2014/48/EU van de Raad van 24.03.2014 tot wijziging van richtlijn 2003/48/EG betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (hierna gewijzigde Spaarrichtlijn).

5. De bedoelde ICB’s worden voortaan voor het begrip 'rentebetaling' (zie art. 6, lid 1, gewijzigde Spaarrichtlijn) op algemene wijze gedefinieerd, zonder te verwijzen naar de 'ICBE’S waaraan vergunning is verleend overeenkomstig richtlijn 85/611/EEG' (zie art. 6, lid 1, c) en d), van de Spaarrichtlijn vóór de wijziging ervan).

Volgens de gewijzigde Spaarrichtlijn (5) worden inzonderheid onder het begrip 'rentebetaling' de inkomsten begrepen, die zijn gerealiseerd op het tijdstip van de verkoop, terugbetaling of aflossing van aandelen of bewijzen van deelneming in 'instellingen voor collectieve belegging of andere fondsen of regelingen voor collectieve belegging' (6), 'die hetzij overeenkomstig het recht van een lidstaat of een van de niet tot de Unie behorende landen van de Europese Economische Ruimte als zodanig in een register zijn ingeschreven, hetzij een fondsreglement of statuten hebben naar de wetgeving betreffende fondsen of regelingen voor collectieve belegging van een van deze lidstaten of landen. Dit is van toepassing ongeacht de rechtsvorm van dergelijke instellingen, fondsen of regelingen en ongeacht een eventuele beperking van de koop, verkoop of aflossing van hun aandelen of deelnemingsbewijzen tot een beperkte groep beleggers' (7).

(5) Zie art. 6, lid 1, eerste alinea, e), i), gewijzigde Spaarrichtlijn.

(6) Wanneer die instellingen of fondsen rechtstreeks of onrechtstreeks meer dan 40 % van hun activa beleggen in schuldvorderingen (zie art. 6, lid 1, eerste alinea, e), gewijzigde Spaarrichtlijn). Het percentage van 40 % wordt verlaagd naar 25 % vanaf 01.01.2016 (zie art. 6, lid 7, gewijzigde Spaarrichtlijn).

(7) Er wordt opgemerkt dat het begrip ICBE verdwenen is uit de bepalingen van de Spaarrichtlijn.

III. ICBE’s ZOALS BEDOELD IN ART. 19bis, WIB 92

6. Het begrip ICBE zoals bedoeld in art. 19bis, WIB 92, wordt besproken in de nrs. 26 tot 28, circ. 25.10.2013. Dienaangaande werd het volgende bepaald (zie nr. 28):

- de ICB’s zoals gedefinieerd in art. 3, 1°, W 03.08.2012, die de financiële middelen die ze inzamelen, beleggen in één van de in art. 7, eerste lid, 1° (beleggingen die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG) of 2° (financiële instrumenten en liquide middelen), W 03.08.2012, bedoelde categorieën (zie nr. 3 hiervoor), worden bedoeld in art. 19bis, WIB 92;

- daarentegen, de ICB’s die beleggen in één van de in art. 7, eerste lid, 3° tot 9°, W 03.08.2012 (zie nr. 3 hiervoor) bedoelde categorieën, vallen buiten het toepassingsgebied van art. 19bis, WIB 92.

Die benadering gaf de bepalingen weer van art. 118, PW 27.12.2005, dat nooit in werking is getreden (zie nr. 27, circ. 25.10.2013).

7. De voormelde bepalingen van de W 19.04.2014, hebben de art. 3 en 7, W 03.08.2012, gewijzigd en maken zo de administratieve commentaar, die opgenomen is onder de nrs. 27 en 28, circ. 25.10.2013, overbodig.

8. Bovendien geeft de evolutie van de Europese wetgeving betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden aan dat, voor de interpretatie van het begrip ICBE, een veralgemening nodig is om ervoor te zorgen dat er een gelijke behandeling is van alle fondsen, onafhankelijk van hun juridische vorm en de wijze waarop ze worden voorgesteld aan de beleggers.

9. In dat verband lijkt een verwijzing naar de begrippen zoals bedoeld in art. 7, W 03.08.2012, niet langer houdbaar.

10. Door enkel het criterium in verband met het percentage, dat in schuldvorderingen (8) is belegd, te onderzoeken, kan met zekerheid worden bepaald of een ICBE al dan niet onder het toepassingsgebied van art. 19bis, WIB 92, valt, zonder dat het doel ervan wordt omzeild of de draagwijdte ervan wordt beperkt.

(8) Onder schuldvorderingen worden verstaan, de schuldvorderingen zoals bedoeld in art. 2, § 1, 3°, a), KB 27.09.2009 tot uitvoering van art. 338bis, § 2, WIB 92 (zie art. 19bis, § 1, vijfde lid, WIB 92).

Alle ICBE’S, die al dan niet beschikken over een Europees paspoort, waarvan meer dan 25 % van het vermogen rechtstreeks of onrechtstreeks is belegd in schuldvorderingen (9), worden dus bedoeld in art. 19bis, WIB 92.

(9) Onverminderd de uitsluiting van de ICBE’S waarvan de statuten of het fondsreglement de jaarlijkse uitkering voorzien van alle inkomsten die werden verkregen, na aftrek van de bezoldigingen, commissies en kosten (zie art. 19bis, § 1, tweede en derde lid, WIB 92).

11. Bij wijze van voorbeeld zijn de ICBE’S die het beleggen in leningen en schuldinstrumenten, die zijn uitgegeven door niet-genoteerde vennootschappen (een categorie van belegging die voorheen was bedoeld in art. 7, eerste lid, 8°, W 03.08.2012), als beleggingspolitiek hebben, voortaan bedoeld in art. 19bis, WIB 92.

IV. INWERKINGTREDING

12. De schrapping van de nrs. 26 tot 28, circ. 25.10.2013 en de uitvoering van het criterium zoals bedoeld in nr. 10 hiervoor, zijn van toepassing op de belastbare verrichtingen (overdracht onder bezwarende titel, inkoop of gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen) die plaatsgrijpen vanaf 01.07.2016.

Voor de Administrateur-generaal van de Fiscaliteit,

D. DELVAUX
Adviseur – Directeur