Circulaire nr. AOIF 22/2002 (E.T.108.543) dd. 06.01.2005
Circulaire nr. AOIF 22/2002 (E.T.108.543) dd. 06.01.2005
INVOER
Aanschrijving Nr. 3/1973 (bijwerking 2002)
Circulaire AOIF Nr. 22/2002
Herziening van de vooruitbetaalde belasting
Vergunning tot de verleggingsregeling bijinvoer
Verlegging van de heffing bij invoer
VOLDOENING VAN DE BELASTING
Invoer - Bijzondere wijze van betalen
ADDENDUM
aan de aanschrijving nr. 3 van 11 januari 1973 (bijwerking2002)
Aan alle ambtenaren vande sector BTW.
DOEL VAN DE CIRCULAIRE
1. De aanschrijving nr. 3 van11 januari 1973, bijgewerkt door de circulaire nr.22/2002 van 21 augustus 2002, voert een stelsel in waarbij debetaling van de BTW die is verschuldigd wegens de invoer vangoederen in België, wordt verlegd naar de periodieke BTW-aangiftevan de invoerder, zodat die belasting niet meer aan de douane moetworden voldaan.
2. Artikel 6 van de wet totwijziging van het BTW-Wetboek van 5 december 2004 (BelgischStaatsblad van 22 december 2004) vult artikel 40, § 1, van het BTW-Wetboek aan met een 3°. Deze nieuwe bepalingmaakt deel uit van de omzetting in intern Belgisch recht vanRichtlijn 2003/92/EG van de Raad van 7 oktober 2003 metbetrekking tot de plaats van levering van gas en elektriciteit. Zetreedt in werking op 1 januari 2005.
Overeenkomstig het nieuweartikel 40, § 1, 3°, van het BTW-Wetboek wordtvrijstelling van BTW verleend voor de invoer in België van gas viahet aardgasdistributiesysteem en voor de invoer van elektriciteit, wanneer de persoon op wiens naam de verschuldigde belasting bij deinvoer mag of moet worden voldaan, deze goederen heeft verworvenonder de in artikel 15, § 2, tweede lid, 4° van hetBTW-Wetboek bepaalde voorwaarden.
Deze nieuwe bepaling legt de plaatsvast waar een levering van gas via het aardgasdistributiesysteem envan elektriciteit geacht wordt plaats te vinden.
Bijgevolg wordt geen vrijstelling vanBTW verleend voor de invoer in België van gas via hetaardgasdistributiesysteem en voor de invoer van elektriciteit, wanneer de persoon die als geadresseerde van de ingevoerde goederenoptreedt, deze goederen niet heeft verkregen ingevolge een leveringwaarvan de plaats wordt bepaald overeenkomstig artikel 15, § 2, tweede lid, 4° van het BTW-Wetboek, bijvoorbeeld omdathij de zelf geproduceerde goederen invoert. Hieruit volgt eveneensdat de invoer van gas met andere vervoermiddelen dangaspijpleidingen, zoals het vervoer per schip of het vervoer mettankwagens, niet van de BTW kan worden vrijgesteld.
De vrijstelling is toepasselijk opaardgas en de andere gasvormige koolwaterstoffen (propaan, butaan, enz.) ingedeeld bij de GN-code 2711 en de op de elektrische energiebedoeld bij de GN-code 2716. Voor de toepassing van de vrijstellingis het van geen belang welke de chemische samenstelling of fysischetoestand (vloeibaar of gasvormig) is van het ingevoerde gas.
3. Deze circulaire bepaalt debijzondere afwijkende regels die ingevolge de genoemdewetswijziging op het stuk van de invoer, in acht mogen wordengenomen voor het stelsel van de verlegging van de heffing bijinvoer.
AFZIEN VAN DE VERGUNNING
4. Belastingplichtigen die uitsluitendgas en elektriciteit invoeren onder de voorwaarden vanartikel 40, § 1, 3° van het BTW-Wetboek, worden geachtambtshalve aan de verleggingregeling te verzaken per 1 januari2005.
Zij kunnen alsdan de teruggaaf vragenvan het totaalbedrag de vooruitbetaalde belasting op de wijzeuiteengezet in de nrs. 31 tot 33 van aanschrijving 3/1973.Bovenaan het document dat overeenkomstig nr. 32 van dieaanschrijving moet worden opgesteld om het recht op teruggaaf testaven, dient volgende melding te worden aangebracht"ambtshalve verval - circulaire nr. 22/2002 van 6 januari2005, addendum".
HERZIENING VAN DE VOORUITBETAALDEBELASTING
5. Belastingplichtigen die naast opgrond van artikel 40, § 1, 3° van het BTW-Wetboekvrijgestelde invoeren van gas en elektriciteit ook nog anderegoederen invoeren waarvoor de belasting verschuldigd is, mogen bijde herziening van de vooruitbetaling bedoeld in de nrs. 25 tot29 van de aanschrijving 3/1973 die in het jaar 2005 moet wordenverricht, volgende afwijkende regel toepassen.
6. Gelet op het feit dat voor deinvoeren van gas en elektriciteit die worden verricht onder devoorwaarden bedoeld in artikel 40, § 1, 3° van hetBTW-Wetboek, vanaf 1 januari 2005 in het kader van deverleggingsregeling geen vooruitbetaling meer moet worden verricht, aangezien dergelijke invoeren van de belasting vrijgesteld zijn,mag de vergunninghouder die in 2004 zowel invoeren van gasen elektriciteit die thans bij toepassing van voornoemde wettelijkebepaling van de BTW zouden zijn vrijgesteld, als aan de belastingonderworpen invoeren heeft verricht, een bijzondereberekeningswijze toepassen bij de herziening van de vooruitbetalingdie uiterlijk op 20 april 2005 dient te geschieden.
In afwijking van het nr. 26, eerste lid, van de aanschrijving 3/1973, moet die herziening alsdanniet gebeuren op basis van het totale bedrag van de BTW die in 2004wegens invoer was verschuldigd, maar mag ze worden verricht opbasis van een lagere maatstaf. Het totaalbedrag van de BTW die in2004 werd betaald voor de invoeren van gas en elektriciteit die opgrond van artikel 40, § 1, 3° van het BTW-Wetboek van deBTW zouden zijn vrijgesteld mochten ze in 2005 hebbenplaatsgevonden, mag in mindering worden gebracht van hettotaalbedrag van de BTW die in 2004 was verschuldigd wegensinvoeren.
7. De vergunninghouder die de in voriglid vermelde bijzondere berekeningswijze wenst toe te passen, moethet totaalbedrag van de BTW die in 2004 werd betaald voor deinvoeren van gas en elektriciteit onder de voorwaarden bedoeld inartikel 40, § 1, 3° van het BTW-Wetboek, ter kennisbrengen van het BTW-controlekantoor waaronder hij ressorteert metverwijzing naar onderhavig addendum.
AANVRAGEN TOT HET BEKOMEN VAN EENVERGUNNING
8. Wanneer een aanvraag om vergunningdie tijdens het jaar 2005 wordt ingediend, is gebaseerd op deinvoeren die de aanvrager effectief heeft verricht gedurende devier kalenderkwartalen die de aanvraag voorafgaan (situatie bedoeldin het nr. 20, eerste lid, van de aanschrijving 3/1973), moetde aanvrager het bedrag van de vooruitbetaling in principe bepalenop grond van het totaalbedrag van de BTW die hij in voornoemdereferentieperiode was verschuldigd wegens invoer.
9. Om dezelfde redenen als bedoeld innr. 6 hiervoor, mag de aanvrager desgewenst voor deinvoeren van gas en elektriciteit die hij heeft verricht tijdenshet gedeelte van de voornoemde referentieperiode dat betrekkingheeft op 2004, dezelfde uitsplitsing toepassen als uiteengezet inhet nr. 6 hiervoor voor de bepaling van het bedrag dat alsvooruitbetaling moet worden gestort voor het verkrijgen van devergunning.
10. De aanvrager die deze bijzondereberekeningswijze wenst toe te passen, moet het totaalbedrag van deBTW die in 2004 werd betaald voor de invoeren van gas enelektriciteit onder de voorwaarden bedoeld in artikel 40, § 1, 3° van het BTW-Wetboek, ter kennis brengen van decentrale diensten van de Administratie van de ondernemings- eninkomensfiscaliteit met verwijzing naar onderhavig addendum.
NAMENS DE MINISTER :
Voor de Administrateur-generaal van de
Belastingen en de Invordering,
F. HAMELS
Auditeur-generaal van financiën
