Circulaire 2019/C/128 betreffende de teruggaven inzake Btw aan belastingplichtigen die hun economische activiteit aanvangen
Commentaar op de nieuwe regeling van maandelijkse teruggaven van btw-kredieten aan belastingplichtigen die hun economische activiteit aanvangen en de wijzigingen aangebracht in de toepassingsvoorwaarden voor de houders van de regeling van maandelijkse teruggaven.
Belasting over de toegevoegde waarde ; teruggaven ; belastingplichtige maandindieners ; verplichtingen
FOD Financiën, 11.12.2019
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Belasting over de toegevoegde waarde
Inhoudstafel
4. Nieuwe maandelijkse teruggaveregeling voor starters
4.1. Beoogde belastingplichtigen
d. De datum van indiening van de aangifte
e. De wijze van indiening van de aangifte
4.3. Intrekking van het recht op maandelijkse teruggave
a. Datum van indiening van de aangifte
b. De wijze van indiening van de aangifte
Het koninklijk besluit van 29.08.2019 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 4 van 29.12.1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, wat betreft belastingplichtigen die hun economische activiteit aanvangen, werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 05.09.2019.
Hieronder zet een eerste algemene commentaar de wijzigingen uiteen die door dit koninklijk besluit werd ingevoerd in koninklijk besluit nr. 4.
1. De belastingplichtigen die hun economische activiteit aanvangen (ook genaamd 'starters'), bevinden zich vaak in een situatie van btw-krediet bij de staat, ten gevolge van de aftrek van de btw geheven op de uitgaven en de investeringen verricht bij de aanvang van hun activiteit.
Dit krediet wordt in principe overgedragen naar de volgende aangifteperiode. Het kan echter, door middel van de voldoening aan bepaalde voorwaarden, worden terugbetaald aan de belastingplichtige die de aanvraag hiervoor heeft verricht, hetzij trimestrieel, hetzij maandelijks.
De regeling tot maandelijkse terugbetaling van een belastingkrediet voorzien in artikel 8^1, § 2, 1ste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29.12.1969 met betrekking tot de teruggaven inzake btw, is desalniettemin enkel toegankelijk voor belastingplichtigen die zich bijna constant in een situatie van belastingkrediet bevinden en dus voornamelijk voor diegenen wiens activiteit in grote mate vrijgesteld is van de btw of wiens activiteit niet onderworpen is aan de btw in België terwijl ze de btw moeten voldoen op hun inkomende handelingen.
De meerderheid van de belastingplichtigen heeft dus enkel toegang tot de trimestriële teruggave voorzien in artikel 8^1, § 2, 1ste lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, voor dewelke de teruggave ten laatste gebeurt na een termijn van drie maanden volgend op de periode op dewelke de btw-kwartaalaangifte of de btw-aangifte van de laatste maand van het kwartaal betrekking heeft.
Deze termijn kan liquiditeitsproblemen veroorzaken voor belastingplichtigen die hun economische activiteit aanvangen, in het bijzonder voor natuurlijke personen en KMO’s die niet beschikken over een belangrijke financiële basis. Dit is waarom het koninklijk besluit van 29.08.2019 het voornoemde koninklijk besluit nr. 4 heeft gewijzigd, door vanaf 01.01.2020 een nieuwe mogelijkheid voor maandelijkse teruggave van het btw-krediet te voorzien voor belastingplichtigen die hun economische activiteit aanvangen.
Deze maatregel voorziet voor 'starters' dat zij in elke maandelijkse btw-aangifte, de teruggave kunnen vragen van het btw-krediet dat blijkt uit deze aangifte, rekening houdend met bepaalde voorwaarden en formaliteiten, en dit gedurende een periode van twee jaar.
2. De huidige circulaire heeft als doel de voorwaarden en toepassingsmodaliteiten van de nieuwe maatregel voor maandelijkse teruggave van btw-krediet aan 'starters' te preciseren.
Ze becommentarieert eveneens de wijzigingen die werden aangebracht aan de regeling van de teruggave van hun belastingkrediet voor houders van de vergunning van maandelijkse teruggave beoogd in artikel 8^1, § 2, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd.
3. In artikel 8^1, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 4 voornoemd, werd 4° als volgt hersteld:
'Het bedrag dat verschuldigd is door de Staat na het indienen van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde maandaangifte en dat betrekking heeft op een tijdvak dat valt binnen de vierentwintig maanden die volgen op de datum van aanvang van de economische activiteit bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr.10 van 29 december 1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, derde lid en 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde, wanneer dat bedrag 245 euro bereikt.'
In paragraaf 2, werd het tweede lid vervangen als volgt:
'De teruggaaf bedoeld in het eerste lid, 1°, is afhankelijk van de voorwaarde dat alle aangiften met betrekking tot de handelingen van het kalenderjaar uiterlijk op 20 januari van het volgende jaar zijn ingediend. Voor de teruggaaf bedoeld in het eerste lid, 2° tot 4°, moeten alle aangiften met betrekking tot de handelingen van het lopende jaar ingediend zijn uiterlijk de twintigste van de maand na, naargelang van het geval, het kwartaal of de maand op het einde waarvan het door de Staat verschuldigde bedrag blijkt. Voor de teruggaaf bedoeld in het eerste lid, 3° en 4°, moeten die aangiften bovendien ingediend worden overeenkomstig de modaliteiten bepaald in artikel 18, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.'
In paragraaf 3, derde lid, worden de woorden 'in het geval bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 3° 'vervangen door de woorden 'in de gevallen bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 3° en 4°'.
In paragraaf 5, zesde lid, worden de woorden 'van oprichting van een nieuwe onderneming, ' opgeheven.
Paragraaf 5 wordt aangevuld met een lid luidende als volgt:
'De administratie kan eveneens tijdelijk of definitief het recht op teruggaaf bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 4°, intrekken indien die werd verkregen op grond van een onjuiste verklaring, indien de belastingplichtige de door het Wetboek en door de besluiten genomen ter uitvoering ervan opgelegde verplichtingen niet nakomt of in het geval bedoeld in paragraaf 3, vijfde lid.'
4. Nieuwe maandelijkse teruggaveregeling voor starters
4. Wanneer het uiteindelijke resultaat van de periodieke aangifte beoogd in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, een belastingkrediet in het voordeel van de belastingplichtige is, wordt deze in principe overgedragen op de volgende aangifteperiode, krachtens artikel 8^1, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd.
Niettemin, in afwijking van wat voorafging en krachtens artikel 8^1, § 2, eerste lid, 4°, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, kan het belastingkrediet, vanaf 01.01.2020, maandelijks terugbetaald worden aan de belastingplichtige starter, op zijn uitdrukkelijke vraag en mits de voldoening aan bepaalde voorwaarden en formaliteiten.
Wanneer de voorwaarden en formaliteiten vervuld zijn, zal de terugbetaling van het belastingkrediet aan 'starters' uitgevoerd worden ten laatste voor het einde van de tweede maand die volgt op de periode van de maandelijkse aangifte (artikel 8^1, § 3, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
De eerste mogelijkheid tot maandelijkse teruggave aan de belastingplichtige starter krachtens de betrokken maatregel, zal dus deze zijn met betrekking tot de eerste aangifte ingediend in 2020, met name de aangifte met betrekking tot de handelingen van de maand december 2019, in te dienen tegen 20.01.2020. De terugbetaling van het belastingkrediet zal ten laatste verricht worden tegen 29.02.2020.
4.1. Beoogde belastingplichtigen
5. De belastingplichtigen beoogd door de nieuwe maatregel van maandelijkse terugbetaling van het btw-krediet zijn de belastingplichtigen die hun economische activiteit aanvangen, de genoemde 'starters'. Het betreft belastingplichtigen die een aangifte van aanvang van activiteit hebben ingediend (door middel van een document nr. 604A, of voor de btw-eenheden, door middel van een document nr. 606A) minder dan 24 maanden geleden.
Vanaf zijn aanvraag tot btw-identificatie, kan een belastingplichtige genieten van de maandelijkse teruggave van zijn btw-kredieten als zijnde 'starter' gedurende een periode van 24 maanden, voor zover de voorwaarden die van toepassing zijn en opgesomd worden in punt 5 hierna, vervuld zijn.
6. Het begrip belastingplichtige 'starter' beoogt met name:
- de nieuwe belastingplichtigen die nog nooit eerder werden geïdentificeerd voor de btw en die een aangifte indienen ter aanvang van de activiteit (document nr. 604A)
- de belastingplichtigen die hun activiteit hebben stopgezet (indiening van een document nr. 604C) en die een nieuwe activiteit aanvangen, voor zover ten minste drie maanden zijn verlopen tussen de datum van stopzetting (de indiening van het document nr. 604C) en de datum van indiening van de nieuwe aangifte van aanvang van activiteit (document nr. 604A)
- de belastingplichtigen die een aangifte van aanvang van activiteit indienen (document nr. 604A) en de vrijstellingsregeling kiezen en die in de loop van de eerste 24 maanden van hun activiteit overgaan naar de normale regeling van de belasting inzake btw (ze blijven starter tot het verstrijken van de 24 maanden)
- de nieuwe btw-eenheden (zelfs waarvan de leden reeds allen geïdentificeerd waren voor de btw) en die een aangifte van aanvang van activiteit indienen (document nr. 606A).
7. De houders van een globaal btw-identificatienummer (waarvan het nummer begint met BE 0796.6 of BE 0796.5) worden daarentegen nooit beschouwd als 'starters'.
8. Bij afloop van de periode van 24 maanden die volgt op de datum van aanvang van zijn activiteit, wordt de betrokken belastingplichtige niet langer beschouwd als 'starter' en kan dus niet meer genieten van de nieuwe regeling van maandelijkse teruggave van btw-kredieten. Zijn eventueel belastingkrediet wordt dus in principe overgedragen op de volgende aangifteperiode, krachtens artikel 8^1, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd (zie evenwel de mogelijkheden van trimestriële of maandelijkse teruggave respectievelijk voorzien in de artikelen 8^1, § 2, eerste lid, 2° en 3°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).
9. Opdat de belastingplichtige 'starter' de maandelijkse teruggave van zijn belastingkrediet kan verkrijgen, moeten de volgende toepassingsvoorwaarden gelijktijdig vervuld zijn.
10. Het btw-krediet moet betrekking hebben op een periode vervat in de 24 maanden die volgen op de datum van aanvang van de economische activiteit. Deze datum is deze vermeld door de belastingplichtige in zijn aangifte van aanvang van de activiteit (document nr. 604A).
Voorbeeld
Een belastingplichtige heeft in zijn aangifte van aanvang van activiteit aangeduid dat hij deze activiteit start op datum van 23.03.2019. Indien alle terzake vereiste voorwaarden vervuld zijn, zou hij kunnen genieten van de maandelijkse teruggave van zijn belastingkrediet voor 'starters’ voor handelingen verricht tussen 23.03.2019 en 31.03.2021. De laatste aangifte waarin deze belastingplichtige de maandelijkse teruggave van zijn belastingkrediet zou kunnen aanvragen, zal dus deze zijn met betrekking tot de handelingen van de maand maart 2021, in te dienen tegen 20.04.2021.
Bij afloop van deze periode van 24 maanden, zal het saldo van het belastingkrediet, in principe, overgedragen worden op de volgende aangifteperiode (zie echter nummer 8 hiervoor).
De regeling van maandelijkse teruggave van belastingkrediet is voorbehouden aan de belastingplichtige starters gehouden tot maandelijkse indiening van periodieke aangiften, overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek.
De belastingplichtige 'starters' die opteren voor de trimestriële indiening van hun periodieke btw-aangifte krachtens artikel 18, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot maatregelen ter voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, zijn automatisch uitgesloten van de regeling van maandelijkse teruggave. De toepassingsvoorwaarden van de teruggave van belastingkredieten die resulteren uit kwartaalaangiften ingediend door belastingplichtige starters zijn vastgelegd door artikel 8^1, § 1 en 8^1, § 2, eerste lid, 1° en 2°, van het koninklijk besluit nr. 4.
11. Het btw-krediet moet ten minste 245 euro bereiken. Indien het belastingoverschot de 245 euro niet bereikt, wordt het, in regel, automatisch overgedragen naar de volgende aangifteperiode.
d. De datum van indiening van de aangifte
12. De periodieke btw-aangifte moet ten laatste worden ingediend de twintigste dag van de maand die volgt op de maand na dewelke de door de staat verschuldigde som wordt vastgesteld.
Dit betekent enerzijds, dat om te kunnen genieten van de maandelijkse terugbetaling van zijn belastingkredieten, de belastingplichtige 'starter' gehouden is tot het indienen van maandelijkse btw-aangiften en, anderzijds, dat deze laatste strikt moeten worden ingediend binnen de wettelijk voorziene indieningstermijn. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat geen enkele tolerantie hieromtrent zal worden toegepast door de administratie, zelfs niet in de vakantieperiode.
Bijvoorbeeld, een belastingplichtige die voldoet aan het geheel van de andere voorwaarden, maar die zijn periodieke aangifte met betrekking tot de maand maart 2020 indient op 25.04.2020, de maandelijkse teruggave van het btw-krediet dat blijkt uit deze aangifte niet zal kunnen verkrijgen aangezien deze moest ingediend worden ten laatste 20.04.2020. Dit belastingkrediet zal dus worden overgedragen naar de volgende aangifteperiode, met betrekking tot de handelingen van de maand april 2020 waarvoor de aangifte moet worden ingediend tegen 20.05.2020.
e. De wijze van indiening van de aangifte
13. De periodieke btw-aangifte moet verplicht worden ingediend via elektronische weg, door middel van de toepassing INTERVAT. Geen enkele afwijking zal worden toegekend op dit principe.
Zo zal bijvoorbeeld, een belastingplichtige die voldoet aan het geheel van de andere voorwaarden (indieningsdatum en minimumbedrag) maar die zijn periodieke aangifte met betrekking tot de maand maart 2020 indient op papier en zo de indieningsprocedure niet respecteert, de maandelijkse teruggave van zijn btw-krediet dat blijkt uit deze aangifte niet kunnen verkrijgen aangezien deze op elektronische wijze had moeten ingediend worden. Dit belastingkrediet zal dus worden overgedragen naar de volgende aangifteperiode, met betrekking tot de handelingen van de maand april 2020 waarvoor de aangifte moet worden ingediend tegen 20.05.2020.
De belastingplichtigen die genieten van een vrijstelling van indiening van hun periodieke btw-aangiften via elektronische weg krachtens artikel 18, § 5, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, respecteren de indieningsprocedure door hun aangifte in te dienen op papier, maar kunnen echter niet genieten van de nieuwe regeling van maandelijkse teruggave voor 'starters'.
14. De belastingplichtige moet uitdrukkelijk vragen om teruggave van het belastingkrediet op het einde van elke maand voor dewelke een belastingoverschot terugbetaalbaar is. Hiervoor dient hij het kader aan te kruisen dat voor dit doel voorzien is in de rubriek 'Vraag om teruggave' van de maandelijkse btw-aangifte met betrekking tot de handelingen van de betrokken periode.
4.3. Intrekking van het recht op maandelijkse teruggave
15. Krachtens artikel 8^1, § 5, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, kan het recht op maandelijkse teruggave van de belastingplichtige 'starter' worden ingetrokken op tijdelijke of definitieve wijze, indien de teruggave werd verkregen ten gevolge een onjuiste aangifte, indien deze belastingplichtige niet meer voldoet aan de voorwaarden opgelegd door het Btw-Wetboek en door de besluiten genomen ter uitvoering ervan of ingeval van ernstige vermoedens of bewijzen dat de betrokken aangifte of de voorgaande aangiften onjuiste gegevens bevatten die wijzen op een belastingschuld.
5. Wijziging aangebracht aan de toepassingsvoorwaarden voor de houders van de regeling maandelijkse teruggave
16. Het koninklijk besluit van 29.08.2019 ter wijziging van koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, brengt de volgende wijzigingen aan betreffende de belastingplichtigen houder van de vergunning van maandelijkse teruggave beoogd in artikel 8^1, § 2, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd.
a. Datum van indiening van de aangifte
17. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de voorwaarde om de indieningstermijn te respecteren (ten laatste de twintigste dag van de volgende maand) om te kunnen genieten van de maandelijkse teruggave van het belastingkrediet van deze aangifte, voortaan strikt zal worden toegepast door de administratie, zelfs in de vakantieperiode, voor de houder van de vergunning van maandelijkse teruggave beoogd in artikel 8^1, § 2, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd.
Zo zal bijvoorbeeld, een belastingplichtige, houder van de vergunning voor maandelijkse teruggave, die voldoet aan het geheel van de andere voorwaarden maar die zijn periodieke aangifte met betrekking tot de maand april 2020 pas indient op 28.05.2020, de maandelijkse teruggave van het btw-krediet dat blijkt uit deze aangifte niet kunnen verkrijgen aangezien deze moest ingediend worden ten laatste 20.05.2020.Dit belastingkrediet zal dus worden overgedragen naar de volgende aangifteperiode, met betrekking tot de handelingen van de maand mei 2020 waarvoor de aangifte moet worden ingediend tegen 20.06.2020.
b. De wijze van indiening van de aangifte
18. De periodieke btw-aangifte voor dewelke de belastingplichtige houder van de vergunning voor maandelijkse teruggave, de teruggave van het belastingkrediet vraagt, moet verplicht worden ingediend via elektronische weg, door middel van de toepassing INTERVAT. Geen enkele afwijking zal worden toegekend op dit principe.
Zo zal bijvoorbeeld, een belastingplichtige houder van de vergunning voor maandelijkse teruggave die voldoet aan het geheel van de andere voorwaarden (indieningsdatum en minimumbedrag) maar die zijn periodieke aangifte met betrekking tot de maand maart 2020 indient op papier en zo de indieningsprocedure niet respecteert, de maandelijkse teruggave van zijn btw-krediet dat blijkt uit deze aangifte niet kunnen verkrijgen aangezien deze op elektronische wijze had moeten ingediend worden. Dit belastingkrediet zal dus worden overgedragen naar de volgende aangifteperiode, met betrekking tot de handelingen van de maand april 2020 waarvoor de aangifte moet worden ingediend tegen 20.05.2020.
De belastingplichtige houders van de vergunning voor maandelijkse teruggave, die genieten van een vrijstelling van indiening van hun periodieke btw-aangiften via elektronische weg krachtens artikel 18, § 5, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, respecteren de indieningsprocedure door hun aangifte in te dienen op papier, maar verliezen automatisch de regeling van maandelijkse teruggave.
Deze nieuwe toepassingsvoorwaarden voor de houders van de vergunning voor maandelijkse teruggave zijn van kracht vanaf de eerste aangifte ingediend in 2020, met name de aangifte met betrekking tot de handelingen van de maand december 2019, in te dienen tegen 20.01.2020.
Er wordt verwezen naar de circulaire nr. E.T.115.806 (AOIF 9/2009) d.d. 03.03.2009 wat betreft de andere toepassingsvoorwaarden van de regeling van maandelijkse teruggave van belastingkredieten.
19. De regeling van maandelijkse teruggave van het btw-krediet aan starters en de wijzigingen aangebracht in de toepassingsvoorwaarden voor de houders van de vergunning van maandelijkse teruggave, zijn van kracht vanaf 01.01.2020. De huidige circulaire is van kracht vanaf zijn publicatiedatum.
Interne ref.: 136.371
