Circulaire nr. Ci.RH.231/579.253 (AOIF Nr. 33/2009) d.d. 30.06.2009

Personenbelasting

Roerend inkomen

Interest

Rentecomponent

Schuldvordering

Instelling voor collectieve belegging

Gemeenschappelijk beleggingsfonds

Roerende voorheffing

Schuldenaar van de RV

Vrijstelling van de RV

Buitenlands roerend inkomen

Commentaar op art. 19bis, WIB 92 : heffing op obligatiefondsen en fondsen die voor meer dan 40 % in vastrentende effecten beleggen.

Aan alle ambtenaren van de niveaus A, B en C

INHOUDSTAFEL - Nrs

I. INLEIDING....1

II. WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE BEPALINGEN....9

III. SCHULDENAAR VAN HET INKOMEN

1. Algemeen....10

2. ICBE's met Europees paspoort en niet Europese ICBE's....11

3. Uitsluiting van distributie ICBE's....13

4. Drempel van 40 % belegd in schuldvorderingen....20

a) Overgangsbepaling : grootvadersclausule....30

b) Home country rule....33

5. Bijzonder geval van de gemeenschappelijke beleggingsfondsen....34

IV. BELASTBARE INKOMSTEN....38

1. Situatie tot 31.12.2007....39

a) Begrip "rentecomponent"....39

b) Belastbaar inkomen in geval van ontstentenis van de rentecomponent....45

2. Situatie vanaf 1.1.2008....49

a) Geheel van de inkomsten uit schuldvorderingen....50

b) Belastbaar inkomen in geval van ontstentenis van het geheel van de inkomsten uit schuldvorderingen....54

3. Prorata temporis principe....58

V. ROERENDE VOORHEFFING

1. Schuldenaar van de RV....63

2. Vrijstelling van RV....65

VI. INKOMSTEN VAN BUITENLANDSE OORSPRONG....69

VII. INWERKINGTREDING....73

BIJLAGEN

1. Programmawet van 27.12.2005

2. Wet 27.12.2006 houdende diverse bepalingen (I)

3. KB 5.8.2006 ter nadere bepaling van het percentage per jaar beoogd in artikel 19bis, § 2, eerste lid, WIB 92

I. INLEIDING

1. Deze circulaire bespreekt de bepalingen van art. 19bis, WIB 92, zoals ingevoegd door art. 111 van de Programmawet van 27.12.2005 (PW 27.12.2005 - BS 30.12.2005) (1) en daarna achtereenvolgens gewijzigd door de art. 117 tot 119 van dezelfde PW en van de uitvoeringsbepaling van art. 1bis, KB/WIB 92, ingevoegd door art. 1, KB 5.8.2006 ter nadere bepaling van het percentage per jaar beoogd in artikel 19bis, § 2, eerste lid, WIB 92 (2) (KB 5.8.2006).

(1) De wijziging van art. 19bis, WIB 92, door art. 118, PW 27.12.2005, wordt hier niet besproken bij gebrek aan een na overleg in de Ministerraad vastgesteld KB dat de datum van inwerkingtreding bepaalt.

(2) Zoals gewijzigd door art. 117, PW 27.12.2005.

In dit kader worden eveneens de ermee verband houdende wijzigingen besproken die aan het WIB 92 werden aangebracht door enerzijds titel VII, hoofdstuk V van dezelfde wet met betrekking tot de "Heffing op obligatiefondsen en fondsen die voor meer dan 40 % in vastrentende effecten beleggen" (zie de art. 109, 110 en 112 tot 115, PW 27.12.2005) en anderzijds door de art. 325 en 346, W 27.12.2006 houdende diverse bepalingen (I) (W 27.12.2006 - BS 28.12.2006).

2. Voor de toepassing van deze circulaire, verstaat men onder :

- de Spaarrichtlijn : de Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (als bijlage toegevoegd aan de circ. van 8.7.2005, zie vierde gedachtenstreepje);

- W 17.5.2004 : de wet van 17.5.2004 tot omzetting in het Belgisch recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing (als bijlage toegevoegd aan de circ. van 8.7.2005, zie vierde gedachtenstreepje);

- W 20.7.2004 : de wet van 20.7.2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles;

- circ. van 8.7.2005 : de administratieve circulaire van 8.7.2005, ref. Ci.RH.231/569.168, die de bepalingen van de W 17.5.2004 bespreekt.

3. Art. 19bis, WIB 92, zoals ingevoegd door art. 111, PW 27.12.2005, heeft als doel het geheel of een gedeelte van de inkomsten, die worden verleend aan een rijksinwoner naar aanleiding van een inkoop van eigen rechten van deelneming of naar aanleiding van een gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen van sommige collectieve beleggingsinstellingen in effecten (ICBE) te rangschikken onder de roerende inkomsten die als interest belastbaar zijn.

Die nieuwe bepaling sluit aan bij het stelsel zoals ingevoegd door de W 17.5.2004, dat de inhouding van een "Woonstaatheffing" (WSH) voorziet ingeval van interestbetaling aan een verkrijger die zijn fiscale woonplaats in een andere Lidstaat van de Europese Unie heeft (of in sommige derde staten en de afhankelijke of geassocieerde gebieden waarmee een bilateraal akkoord werd gesloten).

4. Vanuit een meer economisch perspectief is die bepaling gebaseerd op het principe dat beleggingsproducten die elkaars substituten zijn ook een gelijkaardige fiscale behandeling moeten kennen (zie Parl. St., Kamer, DOC 51-2097/008, blz. 9, eerste lid).

Bijgevolg worden de schuldenaars van inkomsten bedoeld die inzonderheid de hoedanigheid van een kapitalisatie-ICBE hebben en die rechtstreeks of onrechtstreeks meer dan 40 % van hun vermogen beleggen in schuldvorderingen zoals bedoeld in art. 3, § 1, 7°, a), W 17.5.2004.

5. Het belastbaar roerend inkomen is in een eerste periode - dit is van 1.7.2005 tot 31.12.2007 - gelijk aan de rentecomponent verkregen naar aanleiding van de inkoop van eigen rechten van deelneming of de gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen van een ICBE; het gaat in het bijzonder om het deel van de inkomsten dat rechtstreeks of onrechtstreeks afkomstig is van interestbetalingen zoals bedoeld in art. 3, § 1, 7°, a) en b), W 17.5.2004, t.t.z. :

a) interesten, uitbetaald of bijgeschreven op een rekening, die zijn terug te voeren op enigerlei schuldvordering, al dan niet gedekt door hypotheek of voorzien van een winstdelingsclausule, en met name de opbrengsten van overheidspapier en obligatieleningen, inclusief daaraan gehechte premies en prijzen; boete voor te late betaling wordt niet als interest aangemerkt;

b) interest die is aangegroeid of gekapitaliseerd op het moment van de verkoop, terugbetaling of aflossing van de onder a) bedoelde schuldvorderingen.

Vanaf 1.1.2008 zal het belastbaar gedeelte van het ontvangen bedrag naar aanleiding van de hiervoor vermelde verrichtingen gebaseerd zijn op de rentecomponent en eveneens op het gedeelte van de "meerwaarde" van de activa van de ICBE die werden belegd in schuldvorderingen.

6. Er wordt benadrukt dat met betrekking tot de bedoelde inkomsten er slechts RV aan de bron zal worden ingehouden indien de verkrijger een aan de PB onderworpen belastingplichtige is (zie art. 265, eerste lid, 3°, WIB 92, nieuw).

7. Gelet op de gelijkenissen tussen de hier besproken bepalingen en de bepalingen die werden ingevoegd door de W 17.5.2004, zal regelmatig worden verwezen naar de begrippen en principes die werden uiteengezet in de circ. van 8.7.2005.

8. Er wordt bovendien opgemerkt dat de hierna volgende bespreking moet toelaten de bedoelde fiscale bepalingen coherent toe te passen ondanks bepaalde anomalieën in de huidige stand van de wetgeving, inzonderheid wat betreft het stelsel dat voor entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid van toepassing is.

II. WETTELIJKE EN REGLEMENTAIRE BEPALINGEN (3)

(3) De bepalingen van de PW 27.12.2005 en de W 27.12.2006 die besproken worden in deze circulaire zijn respectievelijk opgenomen als bijlagen 1 en 2.

9. Gelet op de wijzigingen die werden aangehaald in het nr. 1 hiervoor, worden de bepalingen van het WIB 92 en het KB/WIB 92, als volgt weergegeven (de gewijzigde delen worden cursief vermeld) :

Art. 18, derde lid, WIB 92 (4)

(4) Art. 18, derde lid, WIB 92, zoals gewijzigd door art. 109, PW 27.12.2005.

"[…]

De dividenden omvatten niet de inkomsten bedoeld in artikel 19, § 1, 4° en 19bis."

Art. 19, § 1, 4°, WIB 92 (5)

(5) Art. 19, § 1, 4°, WIB 92, zoals gewijzigd door art. 110, PW 27.12.2005.

"§ 1. Interest omvat :

[…]

4° de inkomsten uit aandelen betaald of toegekend door niet in artikel 19bis bedoelde beleggingsvennootschappen, en gehaald uit de gehele of gedeeltelijke verdeling van hun maatschappelijk vermogen of bij verkrijging van hun eigen aandelen, wanneer bij het openbaar aanbod in België van de aandelen verbintenissen werden aangegaan die, wat het terugbetalingsbedrag of de rendementsvoet ervan betreft, bepaald waren en wanneer die verbintenissen betrekking hebben op een periode kleiner dan of gelijk aan acht jaar."

Art. 19bis, WIB 92 (van toepassing van 1.1.2006 tot 31.12.2007) (6)

(6) Met uitzondering van § 2 die van toepassing is vanaf 1.7.2006 (zie art. 117, W 27.12.2005).

Het initieel art. 19bis, § 2, WIB 92, zal hier niet besproken worden. Het werd als volgt geformuleerd (zie art. 111, PW 27.12.2005; geen verwijzing naar een forfaitair door een KB bepaald jaarlijks percentage) :

"§ 2. Wanneer de collectieve beleggingsinstelling in effecten of de door haar aangestelde niet in de mogelijkheid is om de rentecomponent te bepalen, is het belastbare bedrag van de inkomsten gelijk aan het verschil tussen het bij de verrichting ontvangen bedrag en de aanschaffings- of beleggingswaarde van de rechten van deelneming.

Wanneer het gaat om rechten van deelneming verworven vóór 1 juli 2005, geldt de inventariswaarde op deze datum als aanschaffings- of beleggingswaarde voor de toepassing van het vorige lid."

"§ 1. Interest omvat eveneens de rentecomponent in het bedrag verkregen ingeval van inkoop van eigen rechten van deelneming of ingeval van gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen van een collectieve beleggingsinstelling in effecten waarvan meer dan 40 % van het vermogen rechtstreeks of onrechtstreeks is belegd in schuldvorderingen, voor zover deze rentecomponent betrekking heeft op de periode gedurende dewelke de verkrijger houder was van de rechten van deelneming. Indien de verkrijger de rechten van deelneming vóór 1 juli 2005 heeft verworven, of indien hij de datum van verwerving niet aantoont, wordt hij evenwel geacht houder te zijn geweest vanaf 1 juli 2005.

Deze verrichtingen zijn slechts belastbaar indien ze betrekking hebben op rechten van deelneming van een collectieve beleggingsinstelling in effecten waarvoor de statuten of het fondsreglement geen uitkering van de netto-opbrengst voorzien.

Een collectieve beleggingsinstelling waarvan de statuten niet de jaarlijkse uitkering voorzien van het geheel van de inkomsten uit interesten die werden verkregen, na aftrek van de proportioneel daarmee verband houdende bezoldigingen, commissies en kosten, wordt voor de toepassing van het vorige lid geacht geen uitkering van de netto-opbrengst te voorzien.

Onder rentecomponent wordt verstaan het gedeelte van de inkomsten van schuldvorderingen van de collectieve beleggingsinstelling in effecten dat rechtstreeks of onrechtstreeks afkomstig is van interestbetalingen als bedoeld in artikel 3, § 1, 7°, a) en b), van de wet van 17 mei 2004 tot omzetting in het Belgische recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing.

Onder schuldvorderingen worden verstaan de schuldvorderingen bedoeld in artikel 3, § 1, 7°, a), van voormelde wet van 17 mei 2004, met uitsluiting van die bedoeld in artikel 6 van dezelfde wet.

Onder collectieve beleggingsinstellingen in effecten in de zin van deze bepaling, wordt verstaan de in artikel 3, § 1, 4°, van de voormelde wet van 17 mei 2004 bedoelde instellingen en de collectieve beleggingsinstellingen gevestigd buiten het grondgebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap krachtens zijn artikel 299 van toepassing is.

Het in het eerste lid bedoelde percentage van 40 % wordt bepaald aan de hand van de beleggingspolitiek zoals die in het fondsreglement of de statuten van de betrokken instelling is neergelegd en, bij ontstentenis daarvan, op basis van de feitelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille van de instelling.

Bij gebrek aan informatie over het voormelde percentage van het vermogen van de collectieve beleggingsinstelling in effecten dat is belegd in schuldvorderingen, wordt dit percentage geacht meer dan 40 pct. te bedragen.

§ 2. Wanneer de collectieve beleggingsinstelling in effecten of de door haar aangestelde niet in de mogelijkheid is om de rentecomponent te bepalen, is het belastbare bedrag van de inkomsten gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met de kapitalisatie gedurende de bezitsperiode van de verkrijger van de inkomsten, van de interest berekend tegen een door de Koning bepaald percentage per jaar op de inventariswaarde van de rechten van deelneming op de datum van aanschaffing.

Wanneer het gaat om rechten van deelneming verworven vóór 1 juli 2005, of indien de datum van verwerving niet wordt aangetoond, geldt de inventariswaarde op 1 juli 2005 als aanschaffings- of beleggingswaarde voor de toepassing van deze paragraaf."

Art. 19bis, WIB 92 (van toepassing vanaf 1.1.2008) (7)

(7) Art. 19bis, WIB 92, zoals gewijzigd door art. 119, PW 27.12.2005.

Art. 120, PW 27.12.2005 bepaalt :

"De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad artikel 119 opheffen. Dit besluit verliest alle uitwerking zo het uiterlijk twaalf maanden na de datum van de inwerkingtreding ervan, niet bij wet wordt bekrachtigd. De bekrachtiging heeft terugwerkende kracht tot de datum van inwerkingtreding van het besluit."

"§ 1. Interest omvat eveneens de inkomsten in het bedrag verkregen ingeval van inkoop van eigen rechten van deelneming of ingeval van gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen van een collectieve beleggingsinstelling in effecten waarvan meer dan 40 % van het vermogen rechtstreeks of onrechtstreeks is belegd in schuldvorderingen, voor zover deze inkomsten betrekking hebben op de periode gedurende dewelke de verkrijger houder was van de rechten van deelneming. Indien de verkrijger de rechten van deelneming vóór 1 juli 2005 heeft verworven, of indien hij de datum van verwerving niet aantoont, wordt hij evenwel geacht houder te zijn geweest vanaf 1 juli 2005.

Deze verrichtingen zijn slechts belastbaar indien ze betrekking hebben op rechten van deelneming van een collectieve beleggingsinstelling in effecten waarvoor de statuten of het fondsreglement geen uitkering van de netto-opbrengst voorzien.

Een collectieve beleggingsinstelling waarvan de statuten niet de jaarlijkse uitkering voorzien van alle inkomsten die werden verkregen, na aftrek van de bezoldigingen, commissies en kosten, wordt voor de toepassing van het vorige lid geacht geen uitkering van de netto-opbrengst te voorzien.

Het belastbaar bedrag van de inkomsten bedoeld in het eerste lid is gelijk aan het geheel van de inkomsten die rechtstreeks of onrechtstreeks, onder de vorm van interesten, meerwaarden of minderwaarden voortkomen van de opbrengsten uit activa die werden belegd in schuldvorderingen bedoeld in artikel 3, § 1, 7°, a), van de voornoemde wet van 17 mei 2004, wanneer de beheerder van de collectieve beleggingsinstelling in staat is dat gedeelte vast te stellen in het bedrag dat voortvloeit uit het verschil tussen het bij de verrichting verkregen bedrag en de aanschaffings- of beleggingswaarde van de aandelen of bewijzen van deelneming.

Onder schuldvorderingen worden verstaan de schuldvorderingen bedoeld in artikel 3, § 1, 7°, a), van voormelde wet van 17 mei 2004, met uitsluiting van die bedoeld in artikel 6 van dezelfde wet.

Onder collectieve beleggingsinstellingen in effecten in de zin van deze bepaling, wordt verstaan de in artikel 3, § 1, 4°, van de voormelde wet van 17 mei 2004 bedoelde instellingen en de collectieve beleggingsinstellingen gevestigd buiten het grondgebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap krachtens zijn artikel 299 van toepassing is.

Het in het eerste lid bedoelde percentage van 40 % wordt bepaald aan de hand van de beleggingspolitiek zoals die in het fondsreglement of de statuten van de betrokken instelling is neergelegd en, bij ontstentenis daarvan, op basis van de feitelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille van de instelling.

Bij gebrek aan informatie over het voormelde percentage van het vermogen van de collectieve beleggingsinstelling in effecten dat is belegd in schuldvorderingen, wordt dit percentage geacht meer dan 40 pct. te bedragen.

§ 2. Wanneer de beheerder niet in de mogelijkheid is om dat gedeelte te bepalen, is het belastbaar bedrag van de inkomsten gelijk aan het verschil tussen het bij de verrichting ontvangen bedrag en de aanschaffings- of beleggingswaarde van de aandelen of bewijzen van deelneming vermenigvuldigd met het percentage van het vermogen van de collectieve beleggingsinstelling in effecten dat belegd is in schuldvorderingen bedoeld in artikel 3, § 1, 7°, a), van voormelde wet van 17 mei 2004.

Wanneer het gaat om rechten van deelneming verworven vóór 1 juli 2005, of indien de datum van verwerving niet wordt aangetoond, geldt de inventariswaarde op 1 juli 2005 als aanschaffings- of beleggingswaarde voor de toepassing van deze paragraaf."

Art. 21, 2°, WIB 92 (8)

(8) Art. 21, 2°, zoals gewijzigd door art.112, PW 27.12.2005.

"De inkomsten van roerende goederen en kapitalen omvatten niet :

1° […];

2° inkomsten van aandelen, andere dan die vermeld in artikel 19, § 1, 4°en 19bis, betaald of toegekend bij gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen of bij verkrijging van eigen aandelen door een beleggingsvennootschap die in het land van haar fiscale woonplaats, een belastingregeling geniet die afwijkt van het gemeen recht;

[…]"

Art. 261, eerste lid, 2°bis, WIB 92 (9)

(9) Art. 261, eerste lid, 2°bis, WIB 92, zoals ingevoegd door art. 113, PW 27.12.2005.

"De roerende voorheffing is verschuldigd :

1° […];

2° […];

2°bis. In afwijking op het 1° en het 2°, wat betreft de interesten bedoeld in artikel 19bis, door de uitbetalende instantie bedoeld in artikel 3, § 1, 6°, van de wet van 17 mei 2004 tot omzetting in het Belgische recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing.

[…]"

Art. 265, eerste lid, WIB 92 (10)

(10) Art. 265, eerste lid, 4° en 5°, WIB 92, vindt zijn oorsprong in art. 325, W 27.12.2006, dat van toepassing is vanaf 1.1.2007 (art. 346, W 27.12.2006).

Art. 265, eerste lid, 5°, WIB 92, is de omzetting in het WIB 92 van de bepalingen van art. 146, § 2, W 4.12.1990 op de financiële transacties en de financiële markten, zoals deze zijn ingevoegd door art. 115, PW 27.12.2005.

"Evenmin is roerende voorheffing verschuldigd op inkomsten die zijn verleend of toegekend :

1° […];

2° […];

3° op de inkomsten bedoeld in artikel 19bis wanneer die worden betaald of toegekend aan gemeenschappelijke beleggingsfondsen en aan belastingplichtigen anderen dan degenen onderworpen aan de personenbelasting;

4° met uitzondering van deze vermeld in artikel 19bis, door een gemeenschappelijk beleggingsfonds bedoeld in artikel 6, 1° of 2°, van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, aan zijn deelnemers in de mate deze inkomsten voortkomen uit inkomsten als bedoeld in de artikelen 18 en 19, en voor zover de beheersvennootschap van instellingen voor collectieve beleggingen voldaan heeft aan de verplichting van artikel 321bis;

5° bedoeld in artikel 19bis, aan een gemeenschappelijk beleggingsfonds bedoeld in artikel 6 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, waarvan het reglement niet voorziet in de verdeling van netto-opbrengst."

Art. 1bis, KB/WIB 92 (11)

(11) Die bepaling houdt verband met art. 19bis, § 2, eerste lid, WIB 92, zoals het van toepassing was van 1.7.2006 tot 31.12.2007, t.t.z. voor de periode waarin het belastbaar roerend inkomen overeenstemt met de "rentecomponent" die begrepen is in het inkomen dat door de ICBE wordt verleend.

Afdeling Ibis - Bepaling van het percentage per jaar met het oog op het berekenen van het belastbaar inkomen uit rechten van deelneming in bepaalde instellingen voor collectieve beleggingen als de rentecomponent niet vastgesteld is.

(Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 19bis, § 2, eerste lid)

"Art. 1bis. Het percentage beoogd in artikel 19bis, § 2, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, is gelijk aan het gemiddelde van de door het Rentenfonds maandelijks bekendgemaakte referte-indexen J (lineaire obligatie 10 jaren), als bedoeld in artikel 9, § 1, van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecaire krediet, voor het jaar dat de verwerving van de rechten van deelneming in een collectieve beleggingsinstelling in effecten beoogd in artikel 19bis van dat Wetboek voorafgaat.

Wanneer het gaat om rechten van deelneming verworven vóór 1 juli 2006, wordt het toe te passen percentage bepaald met inachtneming van het gemiddelde van de referte-indexen J vermeld in het eerste lid voor het jaar 2005.

Wanneer de verkrijger de datum van verwerving niet aantoont, wordt het toe te passen percentage bepaald met inachtneming van het gemiddelde van de referte-indexen J vermeld in het eerste lid voor het jaar dat de verkoop van de rechten van deelneming in een collectieve beleggingsinstelling in effecten beoogd in artikel 19bisvan dat Wetboek voorafgaat."

III. SCHULDENAAR VAN HET INKOMEN

1. Algemeen

10. Worden bedoeld door de bepalingen van art. 19bis, WIB 92, de schul­denaars van de inkomsten die beantwoorden aan de volgende drie voorwaarden :

1. een instelling zijn zoals bedoeld in art. 3, § 1, 4°, W 17.5.2004 of een ICB gevestigd buiten het grondgebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap krachtens zijn art. 299 van toepassing is;

2. waarvan de statuten of het fondsreglement niet de jaarlijkse uitkering voorzien van alle inkomsten die werden verkregen, na aftrek van de bezoldigingen, commissies en kosten (12);

(12) Die voorwaarde is in deze bewoordingen van toepassing vanaf 1.1.2008. Tot die datum had die voorwaarde betrekking op de jaarlijkse uitkering van het geheel van de inkomsten uit interesten die werden verkregen, na aftrek van de proportioneel daarmee verband houdende bezoldigingen, commissies en kosten (zie oorspronkelijk art. 19bis, § 1, derde lid, WIB 92).

3. die meer dan 40 pct. van haar vermogen rechtstreeks of onrechtstreeks heeft belegd in de in art. 3, § 1, 7°, a), W 17.5.2004 bedoelde schuldvorderingen.

2. ICBE's met Europees paspoort en niet Europese ICBE's

11. Overeenkomstig art. 19bis, § 1, zesde lid, WIB 92, worden bedoeld (zie ook Parl. St., Kamer, DOC 51-2097/008, blz. 10, zesde lid) :

- de ICBE's zoals bedoeld in art. 3, § 1, 4°, W 17.5.2004, namelijk elke ICBE waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig de richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20.12.1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten. Het gaat om ICBE's met een "Europees paspoort" (13);

(13) Dat paspoort maakt hun verhandeling in de ganse Europese Unie mogelijk.

- de ICBE's die gevestigd zijn buiten het grondgebied maar waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap krachtens zijn art. 299 van toepassing is.

12. Gelet op de bepalingen van art. 118, PW 27.12.2005 (14), is hetgeen vermeld is in art. 19bis, § 1, zesde lid, WIB 92, met betrekking tot de ICBE's die door de onderhavige maatregel worden bedoeld (zie het nr. 11 hiervoor) te beschouwen als overgangsbepaling tot een door de Koning te bepalen datum.

(14) Art. 118, PW 27.12.2005, vervangt art. 19bis, § 1, vijfde en zesde lid, WIB 92, door de volgende bepaling :

"Onder schuldvorderingen worden verstaan de schuldvorderingen bedoeld in artikel 3, § 1, 7°, a), van voormelde wet van 17 mei 2004.

Onder collectieve beleggingsinstellingen in effecten in de zin van deze bepaling, wordt verstaan elke instelling voor collectieve belegging naar Belgisch recht of buitenlands recht met een veranderlijk aantal rechten van deelneming die de financiële middelen die ze inzamelt, belegt in één van de categorieën van beleggingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, 1° of 2°, van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles." Overeenkomstig dat art. 118, PW 27.12.2005 :

- is het nieuwe art. 19bis, § 1, vijfde en zesde lid, WIB 92, van toepassing "vanaf de datum bepaald bij een KB vastgesteld na overleg in de Ministerraad" (tot dusver is nog geen enkel KB aangenomen);

- "verliest dit KB alle uitwerking zo het uiterlijk twaalf maanden na de datum van de inwerkingtreding ervan, niet bij wet wordt bekrachtigd. De bekrachtiging heeft terugwerkende kracht tot de datum van inwerkingtreding van het besluit."


Later zal het toepassingsgebied van die maatregel worden uitgebreid tot de ICBE's die geen Europees paspoort bezitten (zie art. 19bis, § 1, zesde lid, zoals gewijzigd door art. 118, PW 27.12.2005).

Bijgevolg zullen alle ICB's naar Belgisch of buitenlands recht met een veranderlijk aantal rechten van deelneming die de financiële middelen die ze inzamelen beleggen in één van de categorieën van beleggingen zoals bedoeld in art. 7, eerste lid, 1° of 2°, W 20.7.2004 (15) worden bedoeld.

(15) Art. 7, eerste lid, W 20.7.2004, verwijst respectievelijk naar :

1° beleggingen die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 85/611/EEG;

2° financiële instrumenten en liquide middelen.

3. Uitsluiting van distributie ICBE's

13. Art. 19bis, WIB 92, heeft als doel enkel de inkomsten die worden toegekend door sommige kapitalisatie-ICBE's en door sommige distributie-ICBE's die niet het geheel van hun netto-opbrengst (16) uitkeren, als interesten te belasten.

(16) Dat begrip verschilt al naargelang de verrichting die de belastbare inkomsten oplevert (inkoop of verdeling) v??r of vanaf 1.1.2008 plaatsvindt.

De periodieke toekenningen van inkomsten door distributie-ICBE's, zullen in principe onder de algemene bepalingen van art. 18, eerste lid, 1°, WIB 92, vallen en belastbaar zijn als dividenden.

14. Art. 19bis, § 1, tweede en derde lid, WIB 92, voorziet dat de verrichtingen van inkoop van eigen rechten van deelneming of van gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen slechts belastbaar zijn indien ze betrekking hebben op rechten van een ICBE waarvoor de statuten of het fondsreglement niet de jaarlijkse uitkering voorzien van het geheel van de netto inkomsten uit interesten die werden verkregen (meer bepaald, na aftrek van de proportioneel daarmee verband houdende bezoldigingen, commissies en kosten).

Er wordt opgemerkt dat vanaf 1.1.2008 de verwijzing naar "het geheel van de inkomsten uit interesten die werden verkregen" dat voorkomt in art. 19bis, § 1, derde lid, WIB 92, wordt vervangen door "alle inkomsten die werden verkregen" (zie art. 19bis, § 1, derde lid, WIB 92, zoals gewijzigd door art. 119, 2°, PW 27.12.2005).

15. Zoals art. 19bis, § 1, derde lid, WIB 92, bepaalt, wordt een ICBE waarvan de statuten niet de jaarlijkse uitkering voorzien van het geheel van de netto inkomsten uit interesten (17) geacht geen uitkering van de netto-opbrengst te voorzien (hierin begrepen de inkomsten uit beleggingen die geen schuldvorderingen zijn zoals bedoeld in art. 3, § 1, 7, a), W 17.5.2004).

(17) Of, vanaf 1.1.2008, van "alle inkomsten" (zie art. 19bis, § 1, derde lid, WIB 92, zoals gewijzigd door art. 119, 2°, PW 27.12.2005).

Wat betreft de ICBE's zonder rechtspersoonlijkheid (zoals de gemeenschappelijke beleggingsfondsen), moet - bij gebrek aan statuten - de naleving van de uitkeringsvoorwaarde met betrekking tot de inkomsten zoals bedoeld in art. 19bis, § 1, derde lid, WIB 92, worden beoordeeld op basis van de bepalingen van het fondsreglement, ondanks het feit dat er in de bedoelde wetsbepaling geen verwijzing naar dat reglement is.

16. De interesten die door de uitkeringsvoorwaarde van art. 19bis, § 1, derde lid, WIB 92, worden bedoeld, stemmen overeen met diegene die in het interne recht worden beoogd, meer bepaald in de art. 19, 19bis en 19ter, WIB 92.

Daaruit volgt dat de uitkering van verkregen inkomsten uit interesten, zoals bedoeld in art. 19bis, § 1, derde lid, WIB 92, inzonderheid de inkomsten uit schuldvorderingen uitgegeven v??r 31.3.2001 (schuldvorderingen die vallen onder de grootvadersclausule - zie het nr. 30 hierna) en de interesten zoals bedoeld in de art. 19, 19bis en 19ter, WIB 92, die worden ontvangen via andere onderliggende fondsen, omvat.

17. Er wordt benadrukt dat een gewone vermelding van de uitkeringsvoorwaarden in de uitgifteprospectus niet voldoende is om onder de bepalingen van art. 19bis, § 1, tweede lid, WIB 92, te vallen; het is absoluut noodzakelijk dat de verplichting tot uitkering wordt vermeld in de statuten of in het fondsreglement zelf.

ICBE's met verscheidene compartimenten

18. Wat betreft de ICBE's met compartimenten, wordt de uitkeringsvoorwaarde beoordeeld :

- ofwel per compartiment, indien alle aandelen of rechten van deelneming van het distributie type zijn;

- ofwel binnen een compartiment, per type van aandelen of rechten van deelneming,

op voorwaarde dat de statuten of het fondsreglement aan de ene kant toelaten om duidelijk de compartimenten of de types van aandelen of rechten van deelneming te identificeren in functie van de eraan verbonden rechten (distributie of kapitalisatie), en aan de andere kant voor alle aandelen of rechten van deelneming van het distributie type van het bedoelde compartiment de jaarlijkse uitkering voorzien van het geheel van de erop betrekking hebbende inkomsten uit interesten die werden verkregen (18).

(18) Of, vanaf 1.1.2008, van "alle inkomsten die werden verkregen" (zie art. 19bis, § 1, derde lid, WIB 92, zoals gewijzigd door art. 119, 2°, PW 27.12.2005).

19. Bovendien is het toegelaten dat de statutaire bepalingen van een ICBE een algemene regel bevatten die in de jaarlijkse uitkering van het geheel van de netto-opbrengst (in de zin van art. 19bis, § 1, derde lid, WIB 92) voorziet en die in principe van toepassing is op alle aandelen of rechten van deelneming van het distributie type van alle compartimenten van de bedoelde instelling met de mogelijkheid om per compartiment (t.t.z. voor alle distributieaandelen van dat compartiment) van die algemene regel af te wijken door een uitdrukkelijke andersluidende vermelding op te nemen in alle uitgifteprospectussen van het desbetreffende compartiment.

4. Drempel van 40 % belegd in schuldvorderingen

20. Art. 19bis, WIB 92, is van toepassing op de toekenningen van inkomsten door ICBE's waarvan meer dan 40 % van het vermogen rechtstreeks of onrechtstreeks is belegd in schuldvorderingen.

21. Overeenkomstig art. 19bis, § 1, vijfde lid, WIB 92, zijn de schuldvorderingen waarmee rekening moet worden gehouden voor de bepaling van de drempel van 40 % de schuldvorderingen die worden bedoeld in art. 3, § 1, 7°, a), W 17.5.2004.

De schuldvorderingen die worden bedoeld in art. 6 van diezelfde wet, t.t.z. de schuldvorderingen die onder de grootvadersclausule vallen, zijn niettemin - bij wijze van overgangsbepaling tot een door de Koning te bepalen datum (19) uitgesloten (zie het nr. 30 hierna).

(19) Zie art. 19bis, § 1, vijfde lid, WIB 92, zoals dat zal worden gewijzigd door art. 118, PW 27.12.2005 (zie voetnoot 14).

22. Art. 3, § 1, 7°, a), W 17.5.2004 definieert niet als dusdanig de bedoelde schuldvorderingen maar bevat de definitie van één van de bestanddelen van het begrip "interestbetaling" voor de toepassing van de Spaarrichtlijn.

Hiermee worden bedoeld, de "interesten, uitbetaald of bijgeschreven op een rekening, die zijn terug te voeren op enigerlei schuldvordering, al dan niet gedekt door hypotheek of voorzien van een winstdelingsclausule, en met name de opbrengsten van overheidspapier en obligatieleningen, inclusief daaraan gehechte premies en prijzen; boete voor te late betaling wordt niet als interest aangemerkt".

23. Die definitie omvat onder andere de inkomsten die voortkomen uit :

- deposito's in contanten waaronder alle vormen van bankrekeningen die interesten opbrengen;

- alle soorten privé- en overheidsobligaties en andere vergelijkbare verhandelbare effecten.

Wat betreft de obligaties verduidelijkt de commentaar op het OESO-modelverdrag dat interesten "alles wat de emittent uitkeert bovenop het bedrag dat de inschrijver betaalt, dus de aangegroeide interest, verhoogd, in voorkomend geval, met de terugbetalings- of uitgiftepremie" (20) omvatten.

(20) Modelverdrag van de OESO betreffende belastingen op inkomen en kapitaal, OESO, januari 2003, art. 11, nr. 20.

Voor meer bijzonderheden met betrekking tot de verschillende soorten van schuldvorderingen die worden bedoeld, wordt verwezen naar de nrs. 60 en 61, circ. van 8.7.2005.

24. Het percentage van 40 % wordt vastgesteld (zie art. 19bis, § 1, zevende lid, WIB 92) :

- aan de hand van de beleggingspolitiek zoals die in het fondsreglement of de statuten van de instelling is opgenomen of;

- bij ontstentenis daarvan, op basis van de feitelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille van de instelling.

25. De drempel van 40 % wordt bepaald door rekening te houden met de rechtstreekse en onrechtstreekse beleggingen in schuldvorderingen zoals bedoeld in de nrs. 22 en 23 hiervoor, t.t.z. met inbegrip van de schuldvorderingen die worden aangehouden via de tussenkomst van andere collectieve beleggingsinstellingen ("deelfondsen").

26. Voor de berekening van die drempel van 40 % in schuldvorderingen wordt verwezen naar de algemene criteria die worden toegepast om te bepalen of een ICBE binnen het toepassingsgebied van de Spaarrichtlijn en de W 17.5.2004 valt (zie de nrs. 87 tot 91, circ. van 8.7.2005).

De parlementaire werkzaamheden bij de PW 27.12.2005 verduidelijken immers dat "Enkel deze fondsen worden geviseerd die meer dan 40 % van hun vermogen beleggen in schuldvorderingen van enigerlei aard, zoals deze op zeer ruime wijze omschreven zijn in de omzettingswet (art. 3, § 1, 7°, a van de omzettingswet). Voor de toepassing van deze bepaling en de vaststelling van deze drempel wordt verwezen naar wat geldt met het oog op de toepassing van de spaarrichtlijn en de omzettingswet" (zie Parl. St., Kamer, DOC 51-2097/008, blz. 10-11).

27. In die omstandigheden moet, zoals dat het geval is voor de toepassing van de Spaarrichtlijn (zie het nr. 87, circ. van 8.7.2005) en dat gedurende een overgangsfase, wanneer een ICBE zelf belegt in een tweede ICBE die geen Europees paspoort bezit, geen rekening worden gehouden met de schuldvorderingen die van die tweede ICBE voortkomen.

Die beperking zal echter niet meer van toepassing zijn wanneer de ICBE's zonder Europees paspoort binnen het toepassingsgebied van art. 19bis, WIB 92, zullen vallen (21).

(21) Zie art. 19bis, § 1, zesde lid, WIB 92, zoals dat zal worden gewijzigd door art. 118, PW 27.12.2005 (zie voetnoot 14).

Hierbij wordt eveneens verwezen naar de ontwerptekst van art. 117, PW 27.12.2005, waarvan de definitieve tekst tenslotte, na legistieke aanpassingen, werd opgenomen in art. 118, PW 27.12.2005 (zie Parl. St., Kamer, DOC 51-2097/001, blz.150) :

"Art. 117. Vanaf de datum bepaald bij een in de Ministerraad overlegd besluit

a) worden in artikel 19, § 3, 3bis, zoals ingevoegd in deze wet, de woorden "met uitsluiting van de schuldvorderingen als bedoeld in artikel 6 van dezelfde wet" geschrapt;

b) worden de instellingen voor collectieve beleggingen waarvoor geen vergunning is verleend overeenkomstig de Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 in aanmerking genomen voor de toepassing van voormeld artikel 19, § 1, 3bis van dezelfde wet".

28. Wanneer een ICBE uit verscheidene compartimenten bestaat, gebeurt de bepaling van die drempel, in voorkomend geval, per compartiment.

29. Wanneer geen enkele informatie beschikbaar is met betrekking tot het percentage van het vermogen dat is belegd in schuldvorderingen, wordt dat percentage geacht meer dan 40 % te bedragen (zie art. 19bis, § 1, achtste lid, WIB 92).

Dat betekent dat het bedrag van de inkoop van eigen aandelen of rechten van deelneming of de gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen van de ICBE ambtshalve in aanmerking zal komen voor de toepassing van art. 19bis, WIB 92.

a) Overgangsbepaling : grootvadersclausule

30. Om te bepalen of een beleggingsinstelling meer dan 40 % van haar vermogen in schuldvorderingen heeft belegd, moeten de verhandelbare schuldinstrumenten die voor het eerst zijn uitgegeven v??r 1.3.2001 of waarvan de oorspronkelijke uitgifteprospectus v??r die datum is goedgekeurd, buiten beschouwing worden gelaten (zie art. 19bis, § 1, vijfde lid, WIB 92, dat verwijst naar art. 6, W 17.5.2004).

Die uitsluiting van bepaalde schuldvorderingen op basis van de ouderdom ervan wordt de "grootvadersclausule" genoemd.

31. Het begrip "verhandelbare schuldinstrumenten" omvat alle soorten van schuldinstrumenten die vrij op de secundaire markten mogen worden verhandeld of door de houder ervan zonder voorafgaande toestemming van de emittent mogen worden overgedragen. Daartoe behoren alle binnenlandse en internationale obligaties, maar ook andere soorten van verhandelbare schuldinstrumenten, zoals euro-commercial papers, euro medium term notes en kasbons.

Voor meer details hierover wordt verwezen naar de nrs. 102 tot 108, circ. van 8.7.2005.

32. De uitsluiting van de door de grootvadersclausule bedoelde schuldvorderingen voor de berekening van de drempel van 40 % is van toepassing bij wijze van overgangsbepaling tot een door de Koning te bepalen datum (22).

(22) Zie art. 19bis, § 1, vijfde lid, WIB 92, zoals dat zal worden gewijzigd door art. 118, PW 27.12.2005 (zie voetnoot 14).

b) Home country rule

33. Wat betreft de Spaarrichtlijn, kunnen de uitbetalende instanties door de toepassing van de Home country rule (23) verwijzen naar de gegevens die worden verstrekt door de ICBE's die zijn gevestigd in een lidstaat of in een partnerland, voor de bepaling van zowel het percentage in schuldvorderingen als het belastbaar gedeelte van het inkomen, zelfs indien de berekeningsregels die gebruikt worden door die lidstaten of partnerlanden verschillend zijn van diegene die in België worden gebruikt (zie het nr. 97, circ. van 8.7.2005).

(23) Toepassing van de "Regelgeving van het land van oorsprong".

Gelet op de bewoordingen van de hiervoor vermelde parlementaire werkzaamheden bij de W 27.12.2005 (Parl. St., Kamer, DOC 51-2097/008, blz. 10-11 - zie het nr. 26 hiervoor), is dezelfde regel van toepassing met betrekking tot de bepalingen van art. 19bis, WIB 92.

Bijgevolg kan de uitbetalende instantie, wat betreft de ICBE's die zijn gevestigd in een lidstaat of in een land waar de Spaarrichtlijn van toepassing is, verwijzen naar de gegevens die door die instellingen in naleving van de regels van het land waarin ze zijn gevestigd worden verstrekt, om te bepalen welk percentage van de portefeuille uit schuldvorderingen bestaat.

5. Bijzonder geval van de gemeenschappelijke beleggingsfondsen

34. De inkomsten van ICBE's zonder rechtspersoonlijkheid (hierna gemeenschappelijke beleggingsfondsen, GBF) die voortvloeien uit de inkoop van eigen rechten van deelneming of uit de gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen, vallen eveneens onder de bepalingen van art. 19bis, WIB 92.

35. Aangezien een GBF een mede-eigendom in onverdeeldheid is, worden de aan het fonds verleende roerende inkomsten geacht rechtstreeks te zijn verkregen door de deelnemers van het fonds, meer bepaald de eigenaars van het onverdeeld vermogen.

Bijgevolg is het in principe niet nodig om een eerste toekenning van roerende inkomsten aan het fonds zelf en vervolgens een tweede toekenning van inkomsten door dat fonds aan de houders van de rechten van deelneming vast te stellen. Gelet op het statuut van het fonds (onverdeeldheid) is overeenkomstig het burgerlijk recht de enige toekenning van inkomsten diegene die zich voordoet tussen de schuldenaar van de inkomsten en de beleggers die zich verenigd hebben in het fonds.

36. Niettegenstaande dat juridische kader en om eventuele dubbele belasting te vermijden op interesten zoals bedoeld in art. 19bis, WIB 92, die via een GBF worden verkregen, heeft de fiscale wetgever het nuttig geacht om uitdrukkelijk een vrijstelling van RV te voorzien voor de inkomsten zoals bedoeld in art. 19bis, WIB 92, "wanneer die worden betaald of toegekend aan gemeenschappelijke beleggingsfondsen" (zie art. 265, eerste lid, 3°, WIB 92, zoals ingevoegd door art. 114, PW 27.12.2005 - zie ook het nr. 66 hierna).

37. Voor de toepassing van het WIB 92, verstaat men onder "gemeenschappelijk beleggingsfonds", "het onverdeeld vermogen dat een beheersvennootschap van instellingen voor collectieve belegging beheert voor rekening van de deelnemers overeenkomstig de bepalingen van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles of overeenkomstig analoge bepalingen van buitenlands recht." (zie art. 2, § 1, 5°bis, WIB 92, zoals ingevoegd door art. 313, W 27.12.2006; inwerkingtreding vanaf 1.1.2007).

Die definitie stemt in wezen overeen met de definitie van art. 11, W 20.7.2004. Worden hier bedoeld :

- zowel de Belgische als de buitenlandse fondsen;

- zowel de kapitalisatiefondsen als de distributiefondsen, die worden beheerd door een beheersvennootschap van instellingen voor collectieve belegging voor rekening van de deelnemers.

IV. BELASTBARE INKOMSTEN

38. Gelet op de bepalingen van de art. 19bis, § 1, eerste lid, WIB 92, en 116, PW 27.12.2005 (24), zijn enkel de vanaf 1.7.2005 opgebrachte interesten, die voortkomen van de inkoop van eigen rechten van deelneming of de gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen verwezenlijkt vanaf 1.1.2006, belastbaar.

(24) Art. 116, PW 27.12.2005 : "De artikelen 109 tot 115 zijn van toepassing op inkomsten betaald vanaf 1 januari 2006".

1. Situatie tot 31.12.2007

a) Begrip "rentecomponent"

39. Overeenkomstig de oorspronkelijke tekst van art. 19bis, § 1, eerste lid, WIB 92, zoals ingevoegd door art. 111, PW 27.12.2005, stemt het belastbaar roerend inkomen overeen met de "rentecomponent verkregen ingeval van inkoop van eigen rechten van deelneming of ingeval van gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen van een ICBE".

40. Onder rentecomponent wordt begrepen het gedeelte van de inkomsten van schuldvorderingen van de ICBE dat rechtstreeks of onrechtstreeks afkomstig is van interestbetalingen zoals bedoeld in art. 3, § 1, 7°, a) en b), W 17.5.2004 (zie oorspronkelijk art. 19bis, § 1, vierde lid, WIB 92).

De bedoelde inkomsten omvatten bijgevolg twee van de vier categorieën van interestbetalingen die werden gedefinieerd voor de toepassing van de Spaarrichtlijn, namelijk :

a) de zogenaamde "gewone" interesten;

b) de aangegroeide of gekapitaliseerde interesten,

van enigerlei schuldvordering, al dan niet gedekt door hypotheek of voorzien van een winstdelingsclausule, en met name de opbrengsten van overheidspapier en obligatieleningen, inclusief daaraan gehechte premies en prijzen.

De boetes ingevolge laattijdige betaling worden niet als interest aangemerkt (zie art. 3, § 1, 7°, a), in fine, W 17.5.2004) (25).

(25) Dat standpunt sluit aan bij hetgeen van toepassing is in het interne recht (zie het nr. 19/29, Com.IB 92).

41. De inkomsten uit schuldvorderingen die onrechtstreeks afkomstig zijn van interestbetalingen hebben betrekking op de toekenning van interesten door tussenkomst van een deelfonds. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn voor interesten die worden ontvangen door een BEVEK die wordt gehouden door de ICBE die haar eigen rechten van deelneming inkoopt.

42. De interesten die afkomstig zijn van schuldvorderingen die vallen onder de grootvadersclausule worden uit het begrip rentecomponent gesloten en dat tot een door de Koning te bepalen datum (26) (zie de nrs. 30 tot 32 hiervoor).

(26) Zie art. 19bis, § 1, vijfde lid, WIB 92, zoals dat zal worden gewijzigd door art. 118, PW 27.12.2005 (zie voetnoot 14).

43. De rentecomponent is belastbaar ongeacht het daadwerkelijke resultaat voor de verkrijger van het inkomen. Indien de rentecomponent groter is dan het verschil tussen het bij de verrichting werkelijk verkregen bedrag en de aanschaffings- of beleggingswaarde van de betreffende rechten van deelneming (meerwaarde), zal het belastbaar bedrag niet worden beperkt tot de meerwaarde (27) (in tegenstelling tot datgene wat van toepassing is voor de inhouding van de WSH overeenkomstig de W 17.5.2004) .

(27) Zie Parl. St., Kamer, DOC 51-2097/008, blz. 11, laatste lid en blz. 16 (amendement nr. 13 en advies van de Raad van State). Zelfs in geval van een minderwaarde kan art. 19bis, WIB 92, worden toegepast indien het bedrag bij inkoop een rentecomponent bevat.

Voorbeeld : een aandeel van een 100 % obligatiebevek van het kapitalisatie type werd aangekocht op 1.7.2005 tegen een prijs van 100,00 EUR. Het aandeel wordt ingekocht op 12.5.2006 voor een prijs van 102,00 EUR. Het bij die verrichting verkregen resultaat van 2,00 EUR bestaat uit gewone verlopen interesten voor 4,00 EUR en uit een minderwaarde op obligaties voor 2,00 EUR. Het overeenkomstig art. 19bis, WIB 92, belastbaar bedrag bedraagt 4,00 EUR.

44. De ICBE's verstrekken de nodige informatie aan de uitbetalende instantie (28) om de rentecomponent vast te stellen.

(28) Het begrip "uitbetalende instantie" wordt uiteengezet in de nrs. 63 en 64 hierna.

b) Belastbaar inkomen in geval van ontstentenis van de rentecomponent

45. Wanneer de ICBE of de door haar aangestelde niet in de mogelijkheid is om de rentecomponent te bepalen, stemt het belastbare bedrag van de inkomsten overeen met de kapitalisatie gedurende de bezitsperiode van de verkrijger van de inkomsten, van de interest berekend tegen een door de Koning bepaald percentage per jaar op de inventariswaarde van de rechten van deelneming op de datum van aanschaffing (zie art. 19bis, § 2, eerste lid, WIB 92, zoals gewijzigd door art. 117, PW 27.12.2005) (29).

(29) Voor de periode begrepen tussen 1.1.2006 en 30.6.2006, bepaalde art. 19bis, § 2, eerste lid, WIB 92, het volgende : "Wanneer de collectieve beleggingsinstelling in effecten of de door haar aangestelde niet in de mogelijkheid is om de rentecomponent te bepalen, is het belastbare bedrag van de inkomsten gelijk aan het verschil tussen het bij de verrichting ontvangen bedrag en de aanschaffings- of beleggingswaarde van de rechten van deelneming." Voor die periode stemt het belastbaar inkomen in geval van ontstentenis van de rentecomponent bijgevolg overeen met de door de belegger ontvangen meerwaarde.

46. Het kapitalisatiepercentage per jaar zoals bedoeld in het vorige nummer wordt gedefinieerd in art. 1bis, KB/WIB 92, zoals ingevoegd door art. 1, KB 5.8.2006 (30), en is gelijk aan het gemiddelde van de door het Rentenfonds maandelijks bekendgemaakte referte-indexen J (lineaire obligatie 10 jaren), als bedoeld in art. 9, § 1, W 4.8.1992 op het hypothecaire krediet, voor het jaar dat de verwerving van de rechten van deelneming in een ICBE beoogd in art. 19bis, WIB 92 (31), voorafgaat.

(30) De tekst van het KB 5.8.2006 ter nadere bepaling van het percentage per jaar beoogd in artikel 19bis, § 2, eerste lid, WIB 92, is opgenomen als bijlage 3.

(31) Er wordt opgemerkt dat die referentierentevoet overeenstemt met diegene die inzake de aftrek voor risicokapitaal gedefinieerd is in art. 205quater, §§ 2 en 3, WIB 92.

Wanneer het gaat om rechten van deelneming die werden verworven v??r 1.7.2006 (32), wordt het toe te passen percentage bepaald met inachtneming van het gemiddelde van de referte-indexen J vermeld in het eerste lid voor het jaar 2005.

(32) Er wordt aan herinnerd dat tussen 1.1.2006 en 1.7.2006, het art. 19bis, § 2, eerste lid, WIB 92, bepaalde dat het belastbaar inkomen in geval van ontstentenis van de rentecomponent gelijk is aan "het verschil tussen het bij de verrichting ontvangen bedrag en de aanschaffings- of beleggingswaarde van de rechten van deelneming", zonder verwijzing naar een door een KB te bepalen percentage (zie art. 111, W 27.12.2005).

Wanneer de verkrijger de datum van verwerving niet aantoont, wordt het toe te passen percentage bepaald met inachtneming van het gemiddelde van de referte-indexen J vermeld in het eerste lid voor het jaar dat de verkoop van de rechten van deelneming van de ICBE beoogd in art. 19bis, WIB 92, voorafgaat.

47. De berekening van het inkomen aan de hand van de forfaitaire kapitalisatiemethode van de interesten moet worden uitgevoerd overeenkomstig de richtlijnen die voor de toepassing van art. 19, § 2, WIB 92, werden uiteengezet met betrekking tot de verhandeling van een vastrentend effect tussen twee vervaldagen van de inkomsten (zie inzonderheid het nr. 19/18, Com.IB 92).

Voorbeeld :

Aandelen van een BEVEK, aangekocht op 1.2.2004 (inventariswaarde op 1.7.2005 : 1.000 EUR) worden ingekocht op 1.10.2006 voor 1.060 EUR.

De werkelijke rentecomponent kan niet worden bepaald. Het inkomen wordt op een forfaitaire basis berekend (kapitalisatiepercentage : 3,442 pct) (33).

(33) Zie het Bericht van 16.1.2006 aangaande de belastingaftrek voor risicokapitaal - tarieven voor het aanslagjaar 2007 (BS 16.1.2006).

Berekening van de forfaitaire interest :

De in aanmerking te nemen bezitsduur van de aandelen bedraagt 15 maanden (van 1.7.2005 tot 1.10.2006; zie art. 19bis, § 1, eerste lid, WIB 92, in fine).

- Forfaitaire waarde na 1 jaar : 1.000 x (1 + 0,03442) = 1.034,42 EUR

- Forfaitaire waarde na 2 jaar : 1.000 x (1 + 0,03442)2 = 1.070,02 EUR

- Op 1.10.2006 : 1.034,42 + ((1.070,02 - 1034,42) x 3/12 ) =1.043,32 EUR

48. De forfaitaire berekening is door de wetgever als alternatief voorzien wanneer de ICBE die onder de hiervoor vermelde bepaling valt (t.t.z. een ICBE waarvan de inkoop van eigen rechten van deelneming of de gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen aanleiding geeft tot het belasten van interesten) of de door haar aangestelde, niet in de mogelijkheid is om de rentecomponent te bepalen.

Het geval waarbij de ICBE onmogelijk de rentecomponent kan bepalen omdat zij dat gegeven met betrekking tot een gedeelte van de toekenning niet kent - bijvoorbeeld wanneer de toekenning voortvloeit uit beleggingen in internationale deelfondsen - valt binnen het toepassingsgebied van art. 19bis, § 2, WIB 92.

Zo is het niet toegelaten voor een fonds van fondsen (ook dakfonds genoemd), waarvan de inkoop van eigen rechten van deelneming of de gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen binnen het toepassingsgebied van art. 19bis, WIB 92, valt, de toepassing van de forfaitaire basis te beperken tot het niet gekende gedeelte van de interestbetalingen. In de veronderstelling dat het betreffende fonds het geheel van de rechtstreekse of onrechtstreekse interestbetalingen niet kan uitsplitsen, moet de forfaitaire basis worden bepaald aan de hand van de in aanmerking te nemen beleggingswaarde.

2. Situatie vanaf 1.1.2008

49. Gelet op de bewoordingen van de inleidende zin van art. 119, PW 27.12.2005 moet ervan worden uitgegaan dat de nieuwe modaliteiten tot vaststelling van de belastbare basis, die zijn ingevoegd door die bepaling, van toepassing zijn op verrichtingen van inkoop van eigen rechten van deelneming of van gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen van een ICBE die vanaf 1.1.2008 plaatsvinden, ongeacht de periode dat de verkrijger houder is geweest van de aandelen of rechten van deelneming (dus ook voor de periode begrepen tussen de datum van verwerving (of 1.7.2005) en 31.12.2007).

Met andere woorden, de inkomsten moeten niet worden uitgesplitst al naargelang ze betrekking hebben op een periode van vóór of vanaf 1.1.2008.

a) Geheel van de inkomsten uit schuldvorderingen

50. Vanaf 1.1.2008 is het belastbaar bedrag van de inkomsten in principe gelijk aan het geheel van de inkomsten die rechtstreeks of onrechtstreeks, onder de vorm van interesten, meerwaarden of minderwaarden voortkomen van de opbrengsten uit activa die door ICBE's werden belegd in schuldvorderingen zoals bedoeld in art. 3, § 1, 7°, a), W 17.5.2004 (34) (zie art. 19bis, § 1, vierde lid, WIB 92, zoals gewijzigd door art. 119, 3°, W 27.12.2005).

(34) Art. 120, W 27.12.2005 voorziet in de mogelijkheid voor de Koning om die bepaling op te heffen bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

Het belastbaar inkomen wordt op die wijze vastgesteld wanneer de beheerder van de ICB in staat is het gedeelte van de inkomsten uit schuldvorderingen zoals bedoeld in het vorige lid vast te stellen in het bedrag dat voortvloeit uit het verschil tussen het bij de verrichting verkregen bedrag en de aanschaffings- of beleggingswaarde van de aandelen of bewijzen van deelneming (zie art. 19bis, § 1, vierde lid, in fine, WIB 92).

51. De in de belastbare basis op te nemen meerwaarden en minderwaarden stemmen overeen met de geboekte bestanddelen zoals opgenomen in de boekhouding van de ICBE tijdens de periode dat de verkrijger houder is geweest van de rechten van deelneming (35), met inachtneming van de wettelijke voorschriften terzake (bewijs van de "reële waarde").

(35) In voorkomend geval, de periode tussen 1.7.2005 en de datum van de inkoop of de verdeling.

52. Gelet op de bewoordingen van art. 19bis, § 1, vierde lid, WIB 92, is vanaf 1.1.2008 het bedrag dat als interesten belastbaar is overeenkomstig art. 19bis, WIB 92, begrensd tot de naar aanleiding van de verrichting verkregen meerwaarde door de belegger.

53. De ICBE's verstrekken de nodige informatie aan de uitbetalende instantie (36) om het in art. 19bis, § 1, vierde lid, WIB 92, gedefinieerd belastbaar inkomen te bepalen.

(36) Het begrip "uitbetalende instantie" wordt uiteengezet in de nrs. 63 en 64 hierna.

b) Belastbaar inkomen in geval van ontstentenis van het geheel van de inkomsten uit schuldvorderingen

54. Wanneer de beheerder van de ICBE niet in de mogelijkheid is om het gedeelte van de inkomsten zoals bedoeld in het nr. 50 hiervoor te bepalen, is het belastbaar bedrag van de inkomsten gelijk aan het verschil tussen het bij de verrichting ontvangen bedrag en de aanschaffings- of beleggingswaarde van de aandelen of bewijzen van deelneming vermenigvuldigd met het percentage van het vermogen van de ICBE dat belegd is in schuldvorderingen zoals bedoeld in art. 3, § 1, 7°, a), W 17.5.2004 (zie art. 19bis, § 2, eerste lid, WIB 92, zoals gewijzigd door art. 119, 4°, W 27.12.2005).

55. Voor de berekening van het hiervoor bedoelde percentage, moet rekening worden gehouden met de rechtstreekse en onrechtstreekse beleggingen in schuldvorderingen zoals bedoeld in art. 3, § 1, 7°, a), W 17.5.2004 met uitsluiting van de schuldvorderingen die vallen onder de "grootvadersclausule" (zie art. 19bis, § 1, vijfde lid, WIB 92 en art. 6, W 17.5.2004 - zie de nrs. 20 tot 33 hiervoor).

56. Wat betreft het tijdstip waarop het percentage van het vermogen dat in schuldvorderingen is belegd moet worden vastgesteld, wordt verwezen naar de richtlijnen die werden uiteengezet met betrekking tot de toepassing van de W 17.5.2004 (zie circ. van 8.7.2005, nr. 91).

Het percentage dat in aanmerking moet worden genomen is het gemiddelde van de samenstelling van de onderliggende activa die op twee data wordt geregistreerd, namelijk die van het laatste beschikbare halfjaarlijkse en jaarlijkse verslag van de ICBE.

57. Wanneer het percentage van het vermogen dat in schuldvorderingen is belegd niet is gekend, is de in aanmerking te nemen factor voor de in art. 19bis, § 2, eerste lid, WIB 92, bedoelde formule gelijk aan 100 %, zodat het belastbaar inkomen in desbetreffend geval zal overeenstemmen met de netto-opbrengst van de verrichting (inkoopprijs of bedrag verkregen naar aanleiding van de verdeling verminderd met de aanschaffings- of beleggingswaarde). Dat percentage geeft de algemene draagwijdte weer die de wetgever heeft willen geven aan art. 19bis, § 2, eerste lid, WIB 92.

3. Prorata temporis principe

58. Het in art. 19bis, WIB 92, bedoelde inkomen is ten name van de verkrijger belastbaar in verhouding tot de periode gedurende dewelke hij houder was van de aandelen of rechten van deelneming van de ICBE (zie art. 19bis, § 1, eerste lid, in fine, WIB 92).

59. Zoals voor de toepassing van de W 17.5.2004 (zie circ. van 8.7.2005, nrs. 149 en 150), worden inzonderheid als bewijs van de bezitsduur aanvaard :

- stukken van financiële instellingen zoals borderellen of rekeninguittreksels (originelen en dubbels, maar geen afschriften);

- duidelijk gedateerde stukken (notariële akte, vonnis, bij de administratie geregistreerd stuk).

60. Onrechtstreekse bewijzen zullen niet worden aanvaard (verklaring van de verkrijger, getuigenissen, enz.). Een datum van deponering, de datum van inschrijving van de effecten op naam van de verkrijger in een register op naam of van inschrijving op een effectenrekening als gevolg van de dematerialisatie van het effect, kunnen als dusdanig niet het bewijs vormen van het begin van de bezitsduur.

61. Indien de verkrijger de rechten van deelneming v??r 1.7.2005 heeft verworven, of indien hij de datum van verwerving niet aantoont, wordt hij evenwel geacht houder te zijn geweest vanaf 1.7.2005 (zie art. 19bis, § 1, eerste lid, WIB 92).

In die gevallen geldt de inventariswaarde op 1.7.2005 als aanschaffings- of beleggingswaarde voor de bepaling van het belastbaar inkomen (zie art. 19bis, § 2, tweede lid, WIB 92).

62. In geval een ICBE (of een compartiment) wordt opgericht na 1.7.2005, stemt de datum van verwerving, indien deze niet werd aangetoond (zie het nr. 61 hiervoor), overeen met de datum waarop de ICBE (of het compartiment) werd opgericht.

De datum waarop een ICBE, die werd opgericht v??r 1.7.2005, op de Belgische markt wordt uitgebracht, kan in geen geval als referentiedatum worden genomen voor het vaststellen van de bezitsduur of de inventariswaarde van de aandelen of rechten van deelneming indien deze v??r 1.7.2005 werden verworven of indien de verkrijger de datum van verwerving niet aantoont.

V. ROERENDE VOORHEFFING

1. Schuldenaar van de RV

63. Overeenkomstig art. 261, eerste lid, 2°bis, WIB 92 is, wat betreft de interesten zoals bedoeld in art. 19bis, WIB 92, de uitbetalende instantie, zoals gedefinieerd in art. 3, § 1, 6°, W 17.5.2004, de schuldenaar van de RV.

64. Voor de toepassing van de RV stemt het begrip "uitbetalende instantie" bijgevolg overeen met het begrip zoals dat van toepassing is inzake de WSH die wordt ingehouden in uitvoering van de Spaarrichtlijn.

Dat begrip wordt besproken in de nrs. 26 en volgende van de circ. van 8.7.2005 waarnaar dan ook wordt verwezen.

2. Vrijstelling van RV

65. Gelet op de bepalingen van art. 265, eerste lid, 3°, WIB 92, is de RV enkel verschuldigd wanneer de in art. 19bis, WIB 92, bedoelde interesten worden verleend of toegekend aan belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de PB.

Bijgevolg worden de belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de RPB of aan de BNI en waarvoor overeenkomstig respectievelijk art. 225, eerste lid en 248, eerste lid, WIB 92, de inhouding van de RV aan de bron de eindbelasting uitmaakt, niet belast op de interesten zoals bedoeld in art. 19bis, WIB 92.

66. Bovendien is, zoals aangehaald in het nr. 36 hiervoor, de RV evenmin verschuldigd op de inkomsten verleend of toegekend aan een gemeenschappelijk beleggingsfonds in de zin van art. 2, § 1, 5°bis, WIB 92, niettegenstaande het feit dat de deelnemers ervan belastingplichtigen kunnen zijn die onderworpen zijn aan de PB.

67. Er wordt bovendien opgemerkt dat art. 265, eerste lid, 5°, WIB 92, bepaalt dat de RV niet verschuldigd is op de "inkomsten zoals bedoeld in art. 19bis, WIB 92 die zijn verleend of toegekend aan een gemeenschappelijk beleggingsfonds bedoeld in art. 6, W 20.7.2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, waarvan het reglement niet voorziet in de verdeling van netto-opbrengst."

Die bepaling is de omzetting in het WIB 92, van art. 146, § 2, tweede lid, W 4.12.1990 op de financiële transacties zoals dat werd ingevoegd door art. 115, PW 27.12.2005 en vervolgens werd opgeheven door art. 345 van de voormelde W 27.12.2006.

68. Art. 6, W 20.7.2004 vermeldt de ICB's naar Belgisch recht en verdeelt ze onder in 3 categorieën :

- ICB's met een veranderlijk aantal rechten van deelneming die geregeld zijn bij overeenkomst (GBF met een veranderlijk aantal rechten van deelneming) of bij statuten (beleggingsvennootschap met veranderlijk kapitaal : BEVEK);

- ICB's met een vast aantal rechten van deelneming die geregeld zijn bij overeenkomst (GBF met een vast aantal rechten van deelneming) of bij statuten (beleggingsvennootschap met vast kapitaal : BEVAK);

- ICB's in schuldvorderingen die geregeld zijn bij overeenkomst (GBF in schuldvorderingen) of bij statuten (vennootschap voor belegging in schuldvorderingen : VBS).

Bijgevolg blijkt art. 265, eerste lid, 5°, WIB 92, een geval van vrijstelling van RV te voorzien dat reeds onder art. 265, eerste lid, 3°, WIB 92 valt, aangezien alle GBF zoals bedoeld in art. 6, W 20.7.2004 (waarnaar art. 265, eerste lid, 5°, WIB 92, verwijst) noodzakelijkerwijs bedoeld zijn in art. 11, W 20.7.2004 waarvan de bewoordingen zijn opgenomen in art. 2, § 1, 5°bis, WIB 92 (37) (zie het nr. 37 hiervoor).

(37) Art. 265, eerste lid, 5°, WIB 92, is restrictiever dan art. 265, eerste lid, 3°, WIB 92, omdat het enkel betrekking heeft op inkomsten die worden verleend aan gemeenschappelijke beleggingsfondsen naar Belgisch recht van het kapitalisatie type.

VI. INKOMSTEN VAN BUITENLANDSE OORSPRONG

69. Wat betreft de in art. 19bis, WIB 92, bedoelde inkomsten die door een in het buitenland gevestigde ICBE worden verleend of toegekend, kan de uitbetalende instantie verwijzen naar de gegevens die door die ICBE in naleving van de regels van het land waar ze is gevestigd (zie het nr. 33 hiervoor, Home country rule) worden verstrekt om :

- te bepalen of die instelling valt onder de toepassing van art. 19bis, WIB 92, inzonderheid wat betreft het criterium met betrekking tot de belegging in schuldvorderingen (drempel van 40 %);

- de uitsplitsing te bepalen van de door de ICBE verleende sommen volgens de aard ervan.

70. In het kader van zorgvuldig fiduciair beheer moeten de uitbetalende instanties erover waken dat de Belgische belasting op uniforme wijze wordt toegepast voor dezelfde fondsen.

71. Er wordt aan herinnerd dat indien de uitbetalende instantie niet over gegevens beschikt in verband met :

- het percentage in schuldvorderingen dat door de ICBE wordt aangehouden, dat percentage geacht wordt meer dan 40 % te bedragen (zie art. 19bis, § 1, achtste lid, WIB 92);

- het bedrag dat als interesten belastbaar is overeenkomstig art. 19bis, WIB 92, de belastbare grondslag op forfaitaire wijze moet worden vastgesteld (zie de nrs. 45 of 54 hiervoor).

72. Indien de verkrijger natuurlijke persoon de interesten zoals bedoeld in art. 19bis, WIB 92, rechtstreeks in het buitenland verkrijgt, moet hij die vermelden in de gepaste rubriek van de aangifte in de PB (zie art. 313, WIB 92).

VII. INWERKINGTREDING

73. De bepalingen van art. 19bis, WIB 92, zoals ingevoegd door art. 111, PW 27.12.2005, zijn van toepassing op inkomsten betaald vanaf 1.1.2006 (zie art. 116, PW 27.12.2005).

De opeenvolgende wijzigingen die werden aangebracht aan art. 19bis, WIB 92, door de art. 117 en 119, PW 27.12.2005, zijn van toepassing op verrichtingen van inkoop van eigen rechten van deelneming of van gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen die respectievelijk plaatsvinden vanaf 1.7.2006 en 1.1.2008 (zie de art. 117 en 119, PW 27.12.2005).

De wijziging die werd aangebracht aan art. 19bis, WIB 92, door art. 118, PW 27.12.2005 is tot op heden nog niet in werking getreden (zie art. 118, PW 27.12.2005; afwachting van een KB vastgesteld na overleg in de Ministerraad).

NAMENS DE MINISTER :

Voor de Administrateur

Kleine en Middelgrote Ondernemingen :

M. DE KEYSER D. DELVAUX

Eerste Attaché van financiën Eerste Attaché van financiën

Programmawet van 27.12.2005 (BS 30.12.2005)

HOOFDSTUK V. - Heffing op obligatiefondsen en fondsen die voor meer dan 40 % in vastrentende effecten beleggen.

Art. 109. In artikel 18, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 20 maart 1996, worden de woorden "bedoeld in artikel 19, § 1, 4°" vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 19, § 1, 4° en 19bis".

Art. 110. In artikel 19, § 1, 4°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 20 maart 1996, worden de woorden "niet in artikel 19bis bedoelde" ingevoegd tussen de woorden "betaald of toegekend door" en het woord "beleggingsvennootschappen".

Art. 111. In Titel II, hoofdstuk II, afdeling III, onderafdeling I, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 19bis ingevoegd, dat luidt als volgt :

"Art. 19bis. § 1. Interest omvat eveneens de rentecomponent in het bedrag verkregen ingeval van inkoop van eigen rechten van deelneming of ingeval van gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen van een collectieve beleggingsinstelling in effecten waarvan meer dan 40 % van het vermogen rechtstreeks of onrechtstreeks is belegd in schuldvorderingen, voor zover deze rentecomponent betrekking heeft op de periode gedurende dewelke de verkrijger houder was van de rechten van deelneming. Indien de verkrijger de rechten van deelneming vóór 1 juli 2005 heeft verworven, of indien hij de datum van verwerving niet aantoont, wordt hij evenwel geacht houder te zijn geweest vanaf 1 juli 2005.

Deze verrichtingen zijn slechts belastbaar indien ze betrekking hebben op rechten van deelneming van een collectieve beleggingsinstelling in effecten waarvoor de statuten of het fondsreglement geen uitkering van de netto-opbrengst voorzien.

Een collectieve beleggingsinstelling waarvan de statuten niet de jaarlijkse uitkering voorzien van het geheel van de inkomsten uit interesten die werden verkregen, na aftrek van de proportioneel daarmee verband houdende bezoldigingen, commissies en kosten, wordt voor de toepassing van het vorige lid geacht geen uitkering van de netto-opbrengst te voorzien.

Onder rentecomponent wordt verstaan het gedeelte van de inkomsten van schuldvorderingen van de collectieve beleggingsinstelling in effecten dat rechtstreeks of onrechtstreeks afkomstig is van interestbetalingen als bedoeld in artikel 3, § 1, 7°, a) en b), van de wet van 17 mei 2004 tot omzetting in het Belgische recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing.

Onder schuldvorderingen worden verstaan de schuldvorderingen bedoeld in artikel 3, § 1, 7°, a), van voormelde wet van 17 mei 2004, met uitsluiting van die bedoeld in artikel 6 van dezelfde wet.

Onder collectieve beleggingsinstellingen in effecten in de zin van deze bepaling, wordt verstaan de in artikel 3, § 1, 4°, van de voormelde wet van 17 mei 2004 bedoelde instellingen en de collectieve beleggingsinstellingen gevestigd buiten het grondgebied waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap krachtens zijn artikel 299 van toepassing is.

Het in het eerste lid bedoelde percentage van 40 % wordt bepaald aan de hand van de beleggingspolitiek zoals die in het fondsreglement of de statuten van de betrokken instelling is neergelegd en, bij ontstentenis daarvan, op basis van de feitelijke samenstelling van de beleggingsportefeuille van de instelling.

Bij gebrek aan informatie over het voormelde percentage van het vermogen van de collectieve beleggingsinstelling in effecten dat is belegd in schuldvorderingen, wordt dit percentage geacht meer dan 40 pct. te bedragen.

§ 2. Wanneer de collectieve beleggingsinstelling in effecten of de door haar aangestelde niet in de mogelijkheid is om de rentecomponent te bepalen, is het belastbare bedrag van de inkomsten gelijk aan het verschil tussen het bij de verrichting ontvangen bedrag en de aanschaffings- of beleggingswaarde van de rechten van deelneming.

Wanneer het gaat om rechten van deelneming verworven vóór 1 juli 2005, geldt de inventariswaarde op deze datum als aanschaffings- of beleggingswaarde voor de toepassing van het vorige lid."

Art. 112. In artikel 21, 2°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 24 december 2002, worden de woorden "andere dan die vermeld in artikel 19, § 1, 4°" vervangen door de woorden "andere dan die vermeld in artikel 19, § 1, 4°, en 19bis".

Art. 113. In artikel 261, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 15 december 2004, wordt tussen het 2° en het 3° een 2°bis ingevoegd, luidende :

"2°bis. In afwijking op het 1° en het 2°, wat betreft de interesten bedoeld in artikel 19bis, door de uitbetalende instantie bedoeld in artikel 3, § 1, 6°, van de wet van 17 mei 2004 tot omzetting in het Belgische recht van de richtlijn 2003/48/EG van 3 juni 2003 van de Raad van de Europese Unie betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling en tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake de roerende voorheffing."

Art. 114. Artikel 265 (38) van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 4 april 1995, 12 december 1996 en 15 december 2004, wordt aangevuld met een 3°, luidende :

(38) Lees "Artikel 265, eerste lid" gelet op de inlassing van een tweede lid aan die bepaling door art. 57, W 15.12.2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten.

"3° op de inkomsten bedoeld in artikel 19bis wanneer die worden betaald of toegekend aan gemeenschappelijke beleggingsfondsen en aan belastingplichtigen anderen dan degenen onderworpen aan de personenbelasting."

Art. 115. Artikel 146, § 2, van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, gewijzigd bij de wet van 4 april 1995, wordt aangevuld met het volgende lid :

"Er dient geen roerende voorheffing te worden ingehouden op de inkomsten bedoeld in artikel 19bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, toegekend of betaalbaar gesteld aan een collectieve beleggingsinstelling in effecten die volgens het recht waardoor zij wordt beheerst geen rechtspersoonlijkheid heeft en waarvoor het fondsreglement geen uitkering van de netto-opbrengst voorziet."

Art. 116. De artikelen 109 tot 115 zijn van toepassing op inkomsten betaald vanaf 1 januari 2006.

Art. 117. Met ingang van 1 juli 2006 wordt de tekst van artikel 19bis, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij artikel 111, vervangen door de volgende bepaling :

§ 2. Wanneer de collectieve beleggingsinstelling in effecten of de door haar aangestelde niet in de mogelijkheid is om de rentecomponent te bepalen, is het belastbare bedrag van de inkomsten gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met de kapitalisatie gedurende de bezitsperiode van de verkrijger van de inkomsten, van de interest berekend tegen een door de Koning bepaald percentage per jaar op de inventariswaarde van de rechten van deelneming op de datum van aanschaffing.

Wanneer het gaat om rechten van deelneming verworven vóór 1 juli 2005, of indien de datum van verwerving niet wordt aangetoond, geldt de inventariswaarde op 1 juli 2005 als aanschaffings- of beleggingswaarde voor de toepassing van deze paragraaf."

Art. 118. Vanaf de datum bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, worden het vijfde en het zesde lid van artikel 19bis, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij artikel 111, vervangen als volgt :

"Onder schuldvorderingen worden verstaan de schuldvorderingen bedoeld in artikel 3, § 1, 7°, a), van voormelde wet van 17 mei 2004.

Onder collectieve beleggingsinstellingen in effecten in de zin van deze bepaling, wordt verstaan elke instelling voor collectieve belegging naar Belgisch recht of buitenlands recht met een veranderlijk aantal rechten van deelneming die de financiële middelen die ze inzamelt, belegt in één van de categorieën van beleggingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, 1° of 2°, van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles."

Dit besluit verliest alle uitwerking zo het uiterlijk twaalf maanden na de datum van de inwerkingtreding ervan, niet bij wet wordt bekrachtigd. De bekrachtiging heeft terugwerkende kracht tot de datum van inwerkingtreding van het besluit.

Art. 119. Vanaf 1 januari 2008 worden in artikel 19bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij artikel 111, de volgende wijzigingen aangebracht :

1° paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt :

"Interest omvat eveneens de inkomsten in het bedrag verkregen ingeval van inkoop van eigen rechten van deelneming of ingeval van gehele of gedeeltelijke verdeling van het eigen vermogen van een collectieve beleggingsinstelling in effecten waarvan meer dan 40 % van het vermogen rechtstreeks of onrechtstreeks is belegd in schuldvorderingen, voor zover deze inkomsten betrekking hebben op de periode gedurende dewelke de verkrijger houder was van de rechten van deelneming. Indien de verkrijger de rechten van deelneming vóór 1 juli 2005 heeft verworven, of indien hij de datum van verwerving niet aantoont, wordt hij evenwel geacht houder te zijn geweest vanaf 1 juli 2005.";

2° paragraaf 1, derde lid, wordt vervangen als volgt :

"Een collectieve beleggingsinstelling waarvan de statuten niet de jaarlijkse uitkering voorzien van alle inkomsten die werden verkregen, na aftrek van de bezoldigingen, commissies en kosten, wordt voor de toepassing van het vorige lid geacht geen uitkering van de netto-opbrengst te voorzien.";

3° paragraaf 1, vierde lid, wordt vervangen als volgt :

"Het belastbaar bedrag van de inkomsten bedoeld in het eerste lid is gelijk aan het geheel van de inkomsten die rechtstreeks of onrechtstreeks, onder de vorm van interesten, meerwaarden of minderwaarden voortkomen van de opbrengsten uit activa die werden belegd in schuldvorderingen bedoeld in artikel 3, § 1, 7°, a), van de voornoemde wet van 17 mei 2004, wanneer de beheerder van de collectieve beleggingsinstelling in staat is dat gedeelte vast te stellen in het bedrag dat voortvloeit uit het verschil tussen het bij de verrichting verkregen bedrag en de aanschaffings- of beleggingswaarde van de aandelen of bewijzen van deelneming.";

4° § 2, eerste lid, wordt vervangen als volgt :

"Wanneer de beheerder niet in de mogelijkheid is om dat gedeelte te bepalen, is het belastbaar bedrag van de inkomsten gelijk aan het verschil tussen het bij de verrichting ontvangen bedrag en de aanschaffings- of beleggingswaarde van de aandelen of bewijzen van deelneming vermenigvuldigd met het percentage van het vermogen van de collectieve beleggingsinstelling in effecten dat belegd is in schuldvorderingen bedoeld in artikel 3, § 1, 7°, a), van voormelde wet van 17 mei 2004."

Art. 120. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad artikel 119 opheffen.

Dit besluit verliest alle uitwerking zo het uiterlijk twaalf maanden na de datum van de inwerkingtreding ervan, niet bij wet wordt bekrachtigd. De bekrachtiging heeft terugwerkende kracht tot de datum van inwerkingtreding van het besluit.

Wet van 27.12.2006 houdende diverse bepalingen (I) (BS 28.12.2006)

"HOOFDSTUK VIII. - Fiscale regime van de organismen voor de financiering van pensioenen en van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.

Afdeling 1. - Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992

Art. 325. Artikel 265, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 4 april 1995 en gewijzigd bij de wetten van 12 december 1996 en 27 december 2005, wordt aangevuld met een 4° en een 5°, luidende :

"4° met uitzondering van deze vermeld in artikel 19bis, door een gemeenschappelijk beleggingsfonds bedoeld in artikel 6, 1° of 2°, van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, aan zijn deelnemers in de mate deze inkomsten voortkomen uit inkomsten als bedoeld in de artikelen 18 en 19, en voor zover de beheersvennootschap van instellingen voor collectieve beleggingen voldaan heeft aan de verplichting van artikel 321bis;

5° bedoeld in artikel 19bis, aan een gemeenschappelijk beleggingsfonds bedoeld in artikel 6 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, waarvan het reglement niet voorziet in de verdeling van netto-opbrengst.".

[…]

Afdeling 6. - Wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten

Art. 345. De artikelen 143 en 146, §§ 1 tot 4, van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten worden opgeheven.

Afdeling 7. - Inwerkingtreding

Art. 346. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2007. Voor de toepassing van de fiscale bepalingen worden de instellingen voor collectieve beleggingen waarop de overgangsbepalingen van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles van toepassing zijn, geacht vanaf 1 januari 2007 onder het toepassingsgebied te vallen van de bepaling die overeenkomstig hun statuut gebruikt wordt in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992."

Koninklijk besluit van 5.8.2006 ter nadere bepaling van het percentage per jaar beoogd in artikel 19bis, § 2, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (BS 18.8.2006)

VERSLAG AAN DE KONING

Sire,

Het ontwerp van besluit waarvan wij de eer hebben het ter ondertekening aan Uwe Majesteit voor te leggen, strekt ertoe een percentage per jaar nader te bepalen met het oog op het berekenen van het belastbaar inkomen uit rechten van deelneming in collectieve beleggingsinstellingen in effecten (ICBE) als bedoeld in artikel 19bis, § 2, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92).

Artikel 19bis, § 2, WIB 92, vervangen bij artikel 117 van de programmawet van 27 december 2005, bepaalt dat :

"Wanneer de collectieve beleggingsinstelling in effecten of de door haar aangestelde niet in de mogelijkheid is om de rentecomponent te bepalen, is het belastbare bedrag van de inkomsten gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met de kapitalisatie gedurende de bezitsperiode van de verkrijger van de inkomsten, van de interest berekend tegen een door de Koning bepaald percentage per jaar op de inventariswaarde van de rechten van deelneming op de datum van aanschaffing.

Wanneer het gaat om rechten van deelneming verworven vóór 1 juli 2005, of indien de datum van verwerving niet wordt aangetoond, geldt de inventariswaarde op 1 juli 2005 als aanschaffings- of beleggingswaarde voor de toepassing van deze paragraaf."

Deze bepaling kadert binnen de wil van de federale regering om de belastbare basis inzake roerende inkomsten (intresten) te verruimen door de rentecomponent van inkomsten uit bepaalde ICBE, met name de obligatiefondsen en de fondsen die voor meer dan 40 pct. in vastrentende effecten investeren, aan de belasting te onderwerpen. Enkel de ICBE waarvan de statuten of het fondsreglement niet voorzien in de jaarlijkse uitkering van het geheel van de netto-inkomsten, worden beoogd.

Als de ICBE of degene die door haar is aangesteld niet in de mogelijkheid is om de rentecomponent vast te stellen, voorziet artikel 19bis, § 2, eerste lid, WIB 92, in een forfaitaire berekening van het bedrag van het belastbaar inkomen door beroep te doen op een percentage per jaar dat nader wordt bepaald door Uwe Majesteit.

Hieromtrent preciseren de parlementaire werkzaamheden :

"Bedoeling is dat de Koning bij de vaststelling van het percentage rekening houdt met het rendement van vergelijkbare schuldvorderingen en voor vergelijkbare bezitsperiodes in de financiële markten, die representatief zijn voor de aangehouden beleggingen." (Kamer van volksvertegenwoordigers, doc 51 2097/008, p. 12).

Om redenen van eenvoud en beschikbaarheid voor de belastingplichtigen, werd het percentage weerhouden gelijk aan het gemiddelde van de door het Rentenfonds maandelijks bekendgemaakte referte-indexen J (lineaire obligatie 10 jaren), als bedoeld in artikel 9, § 1, van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet.

Aangezien het gaat om een percentage dat een forfaitaire berekening van het bedrag aan belastbare inkomsten mogelijk moet maken, lijkt het opportuun om te verwijzen naar een percentage dat voor de belastingplichtige spaarder zo representatief mogelijk is voor de rentevoet voor beleggingen op lange termijn in België. Dit is ook de redenering die de wetgever gevolgd heeft voor de berekening van de aftrek voor risicokapitaal bedoeld in artikel 205quater, §§ 2 en 3, WIB 92.

Natuurlijk bestaan er andere representatieve indexen waarvan de berekening gebaseerd is op een bredere waaier aan obligaties en andere vastrentende effecten.

Zonder het belang van deze (vooral internationale) verscheidenheid van de financiële instrumenten die als referentie hebben gediend bij de berekening van deze indexen te minimaliseren, moet er toch worden vastgesteld dat deze indexen niet even beschikbaar zijn voor de belastingplichtige spaarder als de referte-indexen voor OLO-leningen op 10 jaar.

De werkelijke draagwijdte op financieel vlak van deze samengestelde indexen is inderdaad dikwijls moeilijk te bevatten voor een belastingplichtige spaarder.

Men mag niet uit het oog verliezen dat als de financiële sector een bedrag aan belastbare inkomsten moet berekenen om de verschuldigde roerende voorheffing in te houden, deze voorheffing voor de belastingplichtige spaarder de eindbelasting is.

Voor de professionals van de financiële sector is de manier waarop het percentage per jaar nader wordt bepaald van weinig belang : de verschillende financiële indexen maken immers noodzakelijk deel uit van hun dagelijkse beroepswerkzaamheden. Dit is echter niet het geval voor de belastingplichtige spaarder die moet kunnen begrijpen op welke manier het bedrag aan belastbare inkomsten uit zijn belegging in rechten van deelneming in ICBE wordt berekend en die zo nodig de juistheid van het bedrag van de ingehouden roerende voorheffing moet kunnen nagaan.

Het is ook om de belastingplichtige spaarder in staat te stellen een volledig overzicht te hebben van het netto-rendement van zijn belegging nog vóór hij de rechten van deelneming verwerft, dat het percentage per jaar wordt bepaald door te verwijzen naar het gemiddelde van de referte-indexen J (lineaire obligatie 10 jaren) voor het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de rechten van deelneming in de ICBE verworven werden.

Om dezelfde reden past het ook om zich voor de rechten van deelneming die werden verworven vóór 1 juli 2006 te beperken tot het gemiddelde van de referte-indexen J voor het jaar 2005 en niet verder terug te gaan. Deze keuze werd gemaakt om tot een eenvoudig systeem te komen dat bovendien billijk is tegenover belastingplichtige spaarders die belegd hebben in rechten van deelneming in ICBE vóór de bepalingen in kwestie van kracht werden.

Als de rechten van deelneming worden verworven vanaf 1 juli 2006, dan is de algemene regel van toepassing en moet men het gemiddelde van de referte-indexen J van het jaar voorafgaand aan de verwerving nemen :

- als de rechten van deelneming bij voorbeeld worden verworven in september 2006, dan moet men het gemiddelde van de referte-indexen J van 2005 nemen;

- als ze worden verworven in 2007, dan moet men het gemiddelde van de referte-indexen J van 2006 nemen.

Als de rechten van deelneming werden verworven vóór 1 juli 2006, dan is de uitzonderingsregel van toepassing en moet men het gemiddelde van de referte-indexen J van het jaar 2005 nemen :

- als de rechten van deelneming bij voorbeeld werden verworven in maart 2006 of april 2004, dan moet men het gemiddelde van de referte-indexen J van 2005 nemen.

Als men de datum van verwerving echter niet kan aantonen, wordt het toe te passen percentage bepaald met inachtneming van het gemiddelde van de referte-indexen J vermeld in het eerste lid voor het jaar dat de verkoop van de rechten van deelneming in een collectieve beleggingsinstelling in effecten beoogd in artikel 19bis van dat Wetboek voorafgaat.

Artikel 2 van dit besluit stelt de datum van inwerkingtreding ervan vast op 1 juli 2006 in navolging van wat bepaald is in artikel 117 van de programmawet van 27 december 2005 voor de inwerkingtreding van de vervanging van artikel 19bis, § 2, WIB 92.

Ik heb de eer te zijn, Sire,

van Uwe Majesteit,

de zeer eerbiedige

en zeer getrouwe dienaar,

De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,

D. REYNDERS

ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, inzonderheid op artikel 19bis, § 2, eerste lid, ingevoegd bij artikel 111 van de programmawet van 27 december 2005 en vervangen bij artikel 117 van dezelfde programmawet;

Gelet op het KB/WIB 92;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 28 juni 2006;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting, gegeven op 20 juli 2006;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid gemotiveerd door de omstandigheid dat :

- voormeld artikel 19bis, § 2, eerste lid, vervangen bij artikel 117 van de programmawet van 27 december 2005, van toepassing is vanaf 1 juli 2006;

- het percentage per jaar dat van toepassing is om het belastbaar inkomen te berekenen als de rentecomponent niet kan worden bepaald door de collectieve beleggingsinstelling in effecten of de door haar aangestelde, zonder verder uitstel moet worden bepaald en ter kennis moet worden gebracht van de financiële sector zodat deze in staat is om vanaf 1 juli 2006 het bedrag van het belastbaar inkomen te bepalen en op basis daarvan de verschuldigde roerende voorheffing;

- elke vertraging in de inwerkingtreding van dit besluit een vermindering van de fiscale ontvangsten met zich zou meebrengen en bijgevolg nadeel zou berokkenen aan de begroting van de Staat;

Gelet op het advies nr 40.763/2 van de Raad van State, gegeven op 26 juni 2006, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1. In hoofdstuk I van het KB/WIB'92 wordt een afdeling Ibis ingevoegd die luidt als volgt :

"Afdeling Ibis - Bepaling van het percentage per jaar met het oog op het berekenen van het belastbaar inkomen uit rechten van deelneming in bepaalde instellingen voor collectieve beleggingen als de rentecomponent niet vastgesteld is. (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 19bis, § 2, eerste lid)

"Art. 1bis Het percentage beoogd in artikel 19bis, § 2, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, is gelijk aan het gemiddelde van de door het Rentenfonds maandelijks bekendgemaakte referte-indexen J (linaire obligatie 10 jaren), als bedoeld in artikel 9, § 1, van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecaire krediet, voor het jaar dat de verwerving van de rechten van deelneming in een collectieve beleggingsinstelling in effecten beoogd in artikel 19bis van dat Wetboek voorafgaat.

Wanneer het gaat om rechten van deelneming verworven vóór 1 juli 2006, wordt het toe te passen percentage bepaald met inachtneming van het gemiddelde van de referte-indexen J vermeld in het eerste lid voor het jaar 2005.

Wanneer de verkrijger de datum van verwerving niet aantoont, wordt het toe te passen percentage bepaald met inachtneming van het gemiddelde van de referte-indexen J vermeld in het eerste lid voor het jaar dat de verkoop van de rechten van deelneming in een collectieve beleggingsinstelling in effecten beoogd in artikel 19bis van dat Wetboek voorafgaat. ".

Art. 2. Dit besluit is van toepassing vanaf 1 juli 2006.

Art. 3. Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 5 augustus 2006.

ALBERT

Van Koningswege :

De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,

D. REYNDERS.