Circulaire nr. 10/2007 d.d. 09.05.2007 (AFZ 6/2007)
Huur - Woninghuur - Formaliteit - Termijn - Persoon gehouden tot de verplichting - Persoon gehouden tot betaling - Kosteloze registratie
Federale registratierechten - Akten houdende verhuring, onderverhuring of overdracht van huur van in België gelegen onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen, die uitsluitend bestemd zijn tot huisvesting van een gezin of van één persoon
In het Belgisch Staatsblad van 28 december 2006 werd de Programmawet (I) van 27 december 2006 bekendgemaakt.
Een aantal bepalingen van deze wet brengen grondige wijzigingen aan in het geheel van de voorschriften van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten die de registratie regelen van akten houdende verhuring, onderverhuring of overdracht van huur van in België gelegen onroerende goederen.
In deze circulaire wordt een eerste commentaar gegeven bij deze nieuwe regeling op het vlak van huurcontracten. In samenhang daarmee wordt de situatie van deze contracten kort bekeken op het vlak van de zegelrechten - die per 1 januari 2007 opgehouden hebben te bestaan - en op het vlak van de diverse rechten (i.c. rechten op geschriften) - die per 1 januari 2007 als nieuw type van belasting zijn ingevoerd. De overige wijzigingen die bij de genoemde programmawet werden doorgevoerd op het vlak van de indirecte belastingen waarvoor de administratie van de patrimoniumdocumentatie in staat voor de dienst van de belasting, zullen het onderwerp uitmaken van afzonderlijke circulaires.
Bijlage 1 bevat een uittreksel met de in deze circulaire besproken artikelen van de programmawet. Bijlage 2 bevat de gecoördineerde teksten van de bij deze circulaire becommentarieerde bepalingen van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten. Bijlage 3 bevat de gecoördineerde tekst van artikel 1762bis/1 van het Burgerlijk Wetboek (1), omdat de wetgever er de voorkeur aan gegeven heeft de verhuurder door middel van een aantal in de woninghuurwet ingeschreven burgerlijke sancties te inciteren tot naleving van de aan hem opgelegde verplichting tot aanbieding tot registratie . De opname van een bijlage 4 wordt verantwoord door hetgeen gezegd wordt onder punt 1 van de commentaar.
[1. Vermeld artikel van het Burgerlijk Wetboek bevat de zogenaamde "woninghuurwet" (Wet houdende wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake huishuur, d.d. 20 februari 1991, B.S. 22-02-1991, gewijzigd bij de wet van 13 april 1997, B.S.21-05-1997 .]
* *
*
Commentaar
Hoofdstuk I. - Bedoeling van de federale regering.
1. De Staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging heeft het opzet van de maatregelen op het vlak van de registratie van huurcontracten reeds toegelicht in een antwoord gegeven op 19 oktober 2006, op een vraag om uitleg gesteld in de Senaat : het voor de burger vereenvoudigen van de wijze waarop hij (bepaalde) huurcontracten ter registratie kan aanbieden. Die aanbieding zou voortaan ook moeten mogelijk zijn door overmaking van een kopie van het contract via bijvoorbeeld elektronische post of via fax. Dat impliceerde dan ook de afschaffing van het registratierecht en van het zegelrecht op (bepaalde) huurcontracten. Aldus hoopt de Staatssecretaris dat veel meer onderhandse huurcontracten ter registratie zullen worden aangeboden. Uit cijfers van de Fod Financiën is immers gebleken dat slechts een vierde van alle huurcontracten werd geregistreerd, hoewel dat niet alleen wettelijk verplicht is maar ook nodig is om het contract aan derden tegenstelbaar te maken.
2. Gelet op het feit dat het hiervoor vermelde antwoord van de Staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging (2) helpt om samen met de memorie van toelichting bij het wetsontwerp de bedoeling van de regering - zoals overgenomen door de wetgever - te bepalen, wordt dat antwoord in bijlage 4 gereproduceerd.
[2. Omdat die bedoeling soms duidelijker blijkt uit dat antwoord dan uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp.]
3. Tenslotte wordt onder de aandacht gebracht dat de wetgever enkel nieuwe regels heeft willen uitvaardigen voor "akten houdende verhuring, onderverhuring of overdracht van huur van in België gelegen onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen, die uitsluitend bestemd zijn tot huisvesting van een gezin of van één persoon (nieuw artikel 19, 3°, a) W.Reg.)". In Hoofdstuk II, afdeling 2, wordt verduidelijkt dat de verwijzing in de nieuwe of gewijzigde artikelen van het W.Reg. naar het nieuwe artikel 19, 3°, a) W.Reg., soms beperkend soms breed moet worden geïnterpreteerd, afhankelijk van de context en de bedoeling van de wetgever, .
In de memorie van toelichting bij het ontwerp van programmawet werd uitdrukkelijk gesteld dat voor andere huurakten dan voornoemde categorie van verplicht te registreren akten, er niets veranderd.
Voorbeeld: Bij eenzelfde onderhands akte (3) wordt een In Brussel gelegen onroerend goed verhuurd dat een woning en winkelruimte omvat. Dergelijk contract met gemengde bestemming valt, gezien het onroerend goed niet uitsluitend bestemd is tot huisvesting, onder het nieuwe artikel 19, 3°, b), wat onder meer meebrengt dat het, zoals in het verleden, onderworpen is aan het evenredig recht van 0,20 ten honderd en dat de verplichting tot aanbieding ter registratie binnen de vier maanden blijft berusten bij zowel de verhuurder als de huurder.
[3. Wordt er voor de woning en voor de winkelruimte elk een afzonderlijk huurcontract gemaakt, dan wordt het contract betreffende de woning in principe kosteloos geregistreerd (zie circulaire nr. 10 van 23 mei 1991).]
Hoofdstuk II. - Akten houdende "verhuring, onderverhuring of overdracht van huur van in België gelegen onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen, die uitsluitend bestemd zijn tot huisvesting van een gezin of van één persoon" - Ruime of beperkende interpretatie van een verwijzing naar de in artikel 19, 3°, a), bedoelde akten van verhuring, onderverhuring of overdracht van huur.
Afdeling 1. Volledige en verkorte omschrijving van de betrokken akten
4. De maatregelen die in deze circulaire worden besproken zijn qua toepassingsgebied in principe beperkt tot "akten houdende verhuring, onderverhuring of overdracht van huur van in België gelegen onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen, die uitsluitend bestemd zijn tot huisvesting van een gezin of van één persoon". Deze omschrijving is niet nieuw in het W.Reg.: ze kwam reeds voor in het bij deze programmawet opgeheven artikel 159, 13° W.Reg, dat werd ingevoegd bij het enig artikel van de wet van 10 april 1991 (4).
[4. Wet van 10 april 1991 tot aanvulling van artikel 159 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten. Bekendmaking : B.S. van 23-05-1991.]
5. Uiteraard wordt aan deze omschrijving in het kader van de nieuwe maatregelen dezelfde inhoud gegeven als onder toepassing van het opgeheven artikel 159, 13° W.Reg. Voor meer uitleg ter zake kan dus verwezen worden naar de circulaire (vroegere benaming "aanschrijving") nr. 10 van 23 mei 1991 en naar de beslissingen van de geschillendienst die desbetreffend zijn gepubliceerd in de R.J (5). Ter herinnering en samenvattend, de relevante termen moeten als volgt geInterpreteerd worden:
[5. R.J. Nr. 159-13°/01-01 tot 04.01]
-
huisvesting: het onroerend goed moet (uitsluitend) voor het verblijven (permanent of tijdelijk) van één of meer personen bestemd zijn:
- het is niet vereist dat de bewoner(s) er zijn (hun) hoofdverblijfplaats vestig(t)(en);
- niet permanent gebruikte verblijven (2de, 3de, …) vallen onder de omschrijving;
- uitsluitende bestemming tot huisvesting: dit houdt in dat een onroerend goed met een gemengde bestemming, d.w.z. naast verblijf van een of meer personen, nog een andere bestemming (vb. magazijn, bureel, winkel, …), in principe niet onder de omschrijving vallen. Indien echter voor het verblijfgedeelte en het overige gedeelte afzonderlijke huurcontracten worden gesloten, wordt het verblijfgedeelte - en alleen dat gedeelte - toch geacht onder de omschrijving te vallen (mits de partijen in al hun betrekkingen de burgerrechtelijke gevolgen van de opsplitsing van het contract aanvaarden).
- familie of één persoon: de term familie moet niet strikt worden geïnterpreteerd - bedoeld wordt om het even welke vorm van samenleving van personen.
In ieder geval is het duidelijk dat deze omschrijving op een ruimere categorie van huurovereenkomsten slaat dan deze geviseerd door de zogenaamde "woninghuurwet" (zie B.W. Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling II: Regels betreffende de huurovereenkomsten met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de huurder in het bijzonder; artikel 1762bis/1) die enkel van toepassing is op de huurovereenkomsten met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de huurder.
Vb. Een bij onderhandse akte aangegane huur van een studentenkot in Leuven valt wel onder de registratieverplichting bepaald in artikel 19, 3°, a) maar op die huurovereenkomst zijn de bepalingen van de woninghuurwet in principe (aangenomen dat de student zijn hoofdverblijfplaats, die hij normaal in de woonst van zijn ouders heeft, niet heeft overgebracht naar het kot) niet van toepassing.
De contracten waarbij een opstal- of erfpachtrecht wordt toegestaan, evenals de contracten tot overdracht van dergelijke rechten, blijven, zoals voorheen, aan het evenredig recht van 0,20 ten honderd onderworpen, ook al hebben zij betrekking op een onroerend goed dat tot huisvesting kan dienen.
6. Met het oog op een vlotte leesbaarheid van deze circulaire wordt deze volledige omschrijving in de hoofdstukken hierna verkort tot "akte(n) van verhuring van (een) woning(en)". De aanhalingstekens geven daarbij duidelijk aan dat het telkens gaat om verkorte omschrijving.
Afdeling 2. - Ruime of beperkende interpretatie van een verwijzing naar de in artikel 19, 3°, a), W.Reg. (6) bedoelde akten van verhuring, onderverhuring of overdracht van huur.
[6. Mutatis mutandis geldt dat uiteraard dan ook voor de verwijzingen naar artikel 19, 3°, b).]
7. Het nieuwe artikel 19, 3°, a, W.Reg. luidt: " de akten houdende verhuring, onderverhuring of overdracht van huur van in België gelegen onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen, die uitsluitend bestemd zijn tot huisvesting van een gezin of van één persoon".
8. Bij letterlijke interpretatie van de term "akten" gaat het om alle types van geschriften waarbij een huurovereenkomst is vastgelegd: notariële (7), onderhandse, administratieve, buitenlands verleden authentieke akten …. Dit is de extensieve interpretatie van artikel 19, 3°, a) W.Reg. Met andere woorden, het feit dat notariële akten van verhuring bij toepassing van artikel 19, 1°, W.Reg. te registreren zijn, doet niets af aan het feit dat die notariële akten ook bij toepassing van de bepaling in artikel 19, 3°, a) WReg. verplicht te registreren zijn. Het vormelijk criterium van artikel 19, 1° W.Reg. en het inhoudelijk criterium van artikel 19, 3°, a) overlappen elkaar immers gedeeltelijk.
[7. Een notariële huurakte is bijvoorbeeld vereist om een huur van meer dan negen jaar op het hypotheekkantoor te kunnen overschrijven en die huur aldus tegenstelbaar te maken aan derden die zonder bedrog hebben gecontracteerd - art. 1 van de hypotheekwet.]
Anderzijds is het evenzeer duidelijk dat in de context van bepaalde artikels de verwijzing naar artikel 19, 3°, a) W.Reg. beperkend moet geïnterpreteerd worden als hebbende enkel betrekking op onderhandse (8) en buitenlands verleden authentieke akten van verhuring. Dit is zo in artikelen waarin het de bedoeling van de wetgever is geweest om in eerste instantie alle (Belgische) notariële akten - zonder inhoudelijk onderscheid (9) - enerzijds en de onderhandse en buitenlands verleden authentieke akten anderzijds, aan een verschillende regeling te onderwerpen. Hierbij primeert het vormelijk criterium van artikel 19, 1° W.Reg. op het inhoudelijk criterium van artikel 19, 3°, a). Dit is met name het geval op het vlak van de tot aanbieding ter registratie gehouden personen en de termijn waarbinnen die aanbieding moet geschieden: zie de artikelen 32 (termijn) en 35 (verplichting tot aanbieding) W.Reg.
[8.In deze circulaire wordt aangenomen dat de term "onderhandse akten" ook de categorie van de "administratieve akten"omvat.
9. De akten vermeld in artikel 34, 1°, tweede lid, evenwel uitgezonderd. ]
9. De akten vermeld in artikel 34, 1°, tweede lid, evenwel uitgezonderd. ]
9. Ook uit de voorbereidende werken van de programmawet kan afgeleid worden dat de v erwijzing naar artikel 19, 3, a, W.Reg. :
- ruim - in de zin van betrekking hebbend op alle soorten geschriften die de bedoelde huurovereenkomsten vaststellen - moet geïnterpreteerd worden in artikel 161, 12°, W.Reg.: nergens blijkt de bedoeling van de wetgever om de kosteloosheid voor te behouden voor onderhandse en buitenlandse verleden akten;
- beperkend - in de zin van enkel betrekking hebbend op onderhandse en buitenlands verleden authentieke akten - moet geïnterpreteerd worden in de context van de artikelen 32, 5° en 35, 7° W.Reg. (10): het was duidelijk niet de bedoeling van de wetgever om bij de programmawet de aanbiedingsplicht in hoofde van de Belgische notaris binnen de normaal voor notariële (huur)akten geldende termijn te wijzigen. Op het vlak van de registratie van deze akten deden zich immers geen problemen voor; de problemen op het vlak van aanbieding golden enkel voor onderhandse (en buitenlands verleden authentieke) akten waarvoor de aanbiedingsplicht rustte op de verhuurder en huurder. Het is dan ook enkel voor die akten dat de wetgever nieuwe regels heeft ingesteld qua personen verplicht tot de aanbieding ervan (zie verder Hoofdstuk V) en qua termijn waarbinnen die aanbieding dient te gescheiden (zie verder Hoofdstuk IV).
[10.De formulering van het 6° en 7° van artikel 35 W.Reg. bevestigt dit met zoveel woorden.]
Hoofdstuk III. - Nieuwe mogelijkheden van wijze van aanbieding van een "akte van verhuring van een woning" - Wijziging van artikel 2 W.Reg.
10. Voorafgaande opmerking
Het spreekt voor zich dat een "akte van verhuring van een woning" nog steeds door de daartoe gehouden persoon ter registratie kan worden aangeboden door zich persoonlijk met de akte (en eventueel haar bijlagen) naar het bevoegde registratiekantoor te begeven. Dat kan ook wanneer de aanbieding aldus geschiedt door een derde die al dan niet daarmee werd gelast door de tot aanbieding gehouden persoon.
11. Artikel 2, eerste lid, W.Reg., zoals gewijzigd bij artikel 61 van de programmawet, bepaalt dat de akten, naast op de minuten, brevetten of originelen, voortaan ook op kopieën die met de hand of via elektronische handtekening ondertekend zijn, kunnen worden geregistreerd.
Gelet op de algemene draagwijdte van artikel 2 W.Reg., lijkt het of de registratie op een kopie reeds mogelijk is voor om het even welke akte. Uit de bespreking van het opzet van de nieuwe regelgeving (11) blijkt echter duidelijk dat het voorlopig enkel de bedoeling is de registratie op een kopie mogelijk te maken voor "akten van verhuring van een woning".
[11. Zie ook bijlage 4 waar de Staatssecretaris voor Administratieve vereenvoudiging in zijn antwoord de bedoeling van zijn hervormingen op het vlak van aanbieding ter registratie duidelijk beperkt: "De verhuurder zal voorstaan instaan voor de registratie van het contract. ... Hij kan zich hiervoor nog steeds persoonlijk op het registratiekantoor aanmelden, maar de huurovereenkomst ook via e-mail versturen. Dat laatste was tot nog toe onmogelijk omdat de registratie aan de hand van de originele akte diende te gebeuren ..." ]
De administratie neemt dus aan dat die uitbreiding van de "registreerbare" types (12) van documenten met "kopieën", enkel bedoeld is voor de onderhandse (13) of buitenlands verleden authentieke "akten van verhuring van een woning" (cf. de memorie van toelichting bij artikel 61 van het ontwerp van programmawet (14)).
[12. minuten, brevetten of originelen
13. Bij (Belgische) notariële akte vastgestelde huurcontracten - die voortaan ook kosteloos te registreren zijn - blijven zoals in het verleden in principe enkel op de minuut registreerbaar.
14. Argumenten voor deze interpretatie zijn o.m.:
- het tweede lid van art. 2 W.Reg. dat verwijst naar kopieën van (buitenlandse authentiek) akten wordt niet opgeheven;
- de Nederlandse tekst van de M.T. heeft het over "documenten" (niet voorafgegaan door een bepaald lidwoord) zodat het lijkt of de uitbreiding van registreerbare akten tot kopieën op alle mogelijke overeenkomsten slaat; in de franse tekst is echter wel degelijk sprake van "les documents" en niet van "des documents". "Les documents" in de tweede zin van de toelichting legt de link met "les baux" in de eerste zin ervan;
- de programmawet wijzigt enkel de regelgeving inzake de registratie van (sommige) huurcontracten, niet van andere overeenkomsten. De regering had duidelijk niet de bedoeling artikel 2 W.Reg. voor alle mogelijke overeenkomsten te wijzigen; indien dat wel het geval zou zijn geweest, zou zij die bedoeling in de memorie zeker geëxpliciteerd hebben en daar ook de nadruk op gelegd hebben in haar contacten met de pers;
- in de algemene bespreking van de betreffende artikelen wordt er met zoveel woorden gezegd dat "voor de andere huurcontracten (handelshuur, pacht, huur van bedrijfsruimten, huur van gemengde aard) niets verandert", a fortiori geldt dit voor alle andere te registreren overeenkomsten;]
13. Bij (Belgische) notariële akte vastgestelde huurcontracten - die voortaan ook kosteloos te registreren zijn - blijven zoals in het verleden in principe enkel op de minuut registreerbaar.
14. Argumenten voor deze interpretatie zijn o.m.:
- het tweede lid van art. 2 W.Reg. dat verwijst naar kopieën van (buitenlandse authentiek) akten wordt niet opgeheven;
- de Nederlandse tekst van de M.T. heeft het over "documenten" (niet voorafgegaan door een bepaald lidwoord) zodat het lijkt of de uitbreiding van registreerbare akten tot kopieën op alle mogelijke overeenkomsten slaat; in de franse tekst is echter wel degelijk sprake van "les documents" en niet van "des documents". "Les documents" in de tweede zin van de toelichting legt de link met "les baux" in de eerste zin ervan;
- de programmawet wijzigt enkel de regelgeving inzake de registratie van (sommige) huurcontracten, niet van andere overeenkomsten. De regering had duidelijk niet de bedoeling artikel 2 W.Reg. voor alle mogelijke overeenkomsten te wijzigen; indien dat wel het geval zou zijn geweest, zou zij die bedoeling in de memorie zeker geëxpliciteerd hebben en daar ook de nadruk op gelegd hebben in haar contacten met de pers;
- in de algemene bespreking van de betreffende artikelen wordt er met zoveel woorden gezegd dat "voor de andere huurcontracten (handelshuur, pacht, huur van bedrijfsruimten, huur van gemengde aard) niets verandert", a fortiori geldt dit voor alle andere te registreren overeenkomsten;]
a) Kopieën van originelen die met de hand ondertekend zijn.
12. In concreto zal een onderhands "akte van verhuring van een woning" ter registratieformaliteit kunnen worden aangeboden door neerlegging op het bevoegde kantoor of door overmaking via de post aan het bevoegde kantoor van een kopie van het door beide partijen ondertekend origineel van de akte (15). Een kopie van een slechts door één partij ondertekend origineel voldoet eveneens wanneer de andere partij om de registratie verzoekt. Bedoelde handtekeningen moeten uiteraard enkel op het origineel met de hand zijn geplaatst (16); de kopie moet de fotografische reproductie van die handtekeningen bevatten.
[15.Vóór de inwerkingtreding van de programmawet registreerde de administratie reeds de via de post aan het bevoegde kantoor overgemaakte originelen van huurcontracten en hun daarbij gevoegde bijlagen, mits voorafbetaling van de verschuldigde sommen. Deze mogelijkheid blijft uiteraard in de toekomst bestaan voor de andere huurcontracten dan de "akten van verhuring van een woning".
16. Het is niet aan de administratie om na te gaan of dit inderdaad het geval is - de administratie mag aannemen dat dit het geval is als op de kopie de vereiste handtekening(en) wordt (worden) gereproduceerd.]
16. Het is niet aan de administratie om na te gaan of dit inderdaad het geval is - de administratie mag aannemen dat dit het geval is als op de kopie de vereiste handtekening(en) wordt (worden) gereproduceerd.]
De aanbieding ter registratie kan ook geschieden door middel van een fax aan het bevoegde registratiekantoor. Dergelijke fax zal door de administratie voortaan beschouwd worden als een registreerbare kopie van de originele "akte van verhuring van een woning", op voorwaarde dat de fax de fotografische reproductie draagt van de op het origineel geplaatste handtekening van hetzij alle betrokken partijen, hetzij van de andere partij dan diegene die om de registratie verzoekt.
Een e-mail bijlage (attachement) die een digitale kopie (scan) van het huurcontract (met de nodige handtekeningen, zie hiervoor) bevat, is eveneens een middel om een "akte van verhuring van een woning" ter registratieformaliteit voor te leggen. Om praktische redenen moet bij degene die aldus een contract wenst aan te bieden ter registratie, er op aangedrongen worden dat de digitale kopie wordt verstrekt in PDF-formaat (Portable Document Format). De administratie zal iedere aansprakelijkheid wegens een laattijdige registratie of het ontbreken van registratie afwijzen wanneer de digitale kopie niet in PDF-formaat wordt doorgestuurd en de partij die om de registratie verzoekt door het bevoegde kantoor onverwijld in kennis werd gesteld van het feit dat de digitale kopie in PDF-formaat moet worden doorgestuurd om geregistreerd te kunnen worden.
13. Opmerking 1: quid met bijlagen?
De bijlagen van het huurcontract kunnen ook onder kopievorm via de post, per fax of e-mail (aangehechte kopie in PDF-formaat) ter registratie worden aangeboden, maar opdat die kosteloos zouden kunnen worden geregistreerd moet dat geschieden samen met de aanbieding via de post, per fax of e-mail op het bevoegde registratiekantoor van (het origineel of de kopie van) het huurcontract zelf en daarenboven moet in of onderaan het huurcontract uitdrukkelijk naar die bijlage worden verwezen (zie ook verder: kost van de registratie van "akten van verhuring van een woning" - randnummer 25).
14. Opmerking 2: quid met het voorschrift van artikel 21^1 W.Reg.
Artikel 21^1 W.Reg. werd door de programmawet niet gewijzigd. Krachtens dat artikel is de aanbieder ter registratie van een akte houdende verhuring, onderverhuring of overdracht van huur van in België onroerende goederen (17) bij de aangeboden akte te voegen:
[17. Artikel 21^1 W.Reg. spreekt onder meer van de onderhandse of buitenlands verleden akten behorende tot die welke bij artikel 19, 3° zijn voorzien. Aldus geldt het in principe zowel voor de in artikel 19, 3°, a) W.Reg. als voor de in artikel 19, 3°, b) W.Reg. bedoelde akten. ]
- ofwel een tweede exemplaar van de akte bekleed met dezelfde handtekeningen als het origineel;
- ofwel een door minstens één van de partijen voor echt verklaard afschrift te voegen.
Het hoeft geen betoog dat dit voorschrift niet naar de letter kan gevolgd worden wanneer de aanbieding ter registratie geschiedt op één van de nieuwe wijzen (18). Daarom zal het kantoor waar de akte wordt geregistreerd zelf instaan voor het aanmaken van de kopie (19) die op het kantoor blijft berusten als een in artikel 19, 3° a) bedoelde onderhandse of buitenlands verleden akte via fax of onder de vorm van een PDF-bijlage bij een e-mail wordt aangeboden.
[18.De aanbieding ter registratie door overmaking aan het bevoegde kantoor via de post is geen nieuwe manier van aanbieding. Artikel 21^1 W.Reg. blijft dus van toepassing wanneer een in artikel 19, 3°, a) of b) bedoelde akte op die manier wordt aangeboden.
19. Vanzelfsprekend niet ondertekend door één van de partijen.]
19. Vanzelfsprekend niet ondertekend door één van de partijen.]
15. Hoewel het Wetboek daarover niets zegt, heeft de administratie beslist dat het bevoegde kantoor ook een door haar aangemaakte kopie zal bijhouden van de bijlagen die gevoegd zijn bij een in artikel 19, 3°, a) bedoelde onderhandse of buitenlands verleden akte, wanneer die samen ter registratie worden aangeboden.
b) Kopieën van originelen die elektronisch ondertekend zijn.
16. Het voorzien in artikel 2 van het W.Reg. van de mogelijkheid om "akten van verhuring van een woning" volledig onder elektronische vorm op te maken (d.w.z. inclusief ondertekening door alle partijen met hun elektronische handtekening) en vervolgens via elektronische weg ter registratie over te maken, moet gezien worden als een anticipatie van een toestand die misschien in de nabije toekomst gebruikelijk zal worden. In de huidige situatie kan van deze mogelijkheid echter nog geen gebruik gemaakt worden omdat de administratie nog niet uitgerust is om na te gaan of dergelijke contracten wel degelijk van de vereiste elektronische handtekeningen voorzien zijn.
Hoofdstuk IV. - Termijn voor aanbieding ter registratie
17. Voor de onderhandse en buitenlands verleden authentieke "akten van verhuring van een woning" wordt de termijn waarbinnen de akte ter registratie moet worden aangeboden, teruggebracht van vier tot twee maanden (art. 63 van de programmawet - gewijzigd art. 32, 5° W.Reg.).
18. Voor (Belgische) notariële "akten van verhuring van een woning" en alle andere bij (Belgische) notariële akte vastgestelde huurovereenkomsten blijft de termijn voor aanbieding ter registratie, zoals in het verleden, 15 dagen (art. 32, 1° W Reg.).
19. Voor de onderhandse en de in authentieke vorm in het buitenland verleden akten betreffende huur, andere dan die bedoeld onder randnummer 17, blijft de termijn onveranderd 4 maanden (art. 63 van de programmawet - gewijzigd art. 32, 5° W.Reg.).
Hoofdstuk V. - Personen verplicht tot aanbieding ter registratie.
20. Voor de onderhandse en buitenlands verleden authentieke "akten van verhuring van een woning" wordt de verplichting om de akte ter registratie aan te bieden voortaan uitsluitend opgelegd aan de verhuurder (art. 64, 2° van de programmawet - herstelde art. 35, eerste lid, 7° W.Reg.).
De wetgever heeft het zinvol geacht deze verplichting van de verhuurder ook uitdrukkelijk in de woninghuurwet (20) in te schrijven.
[20. Zie bijlage 3, randnummer 5bis]
Opmerking:hoewel de huurder niet meer gehouden is een dergelijk huurcontract ter registratie aan te bieden, kan hij dat uiteraard nog steeds uit eigen beweging doen. Hij kan er immers belang bij hebben dat het huurcontract zo vlug mogelijk vaste datum krijgt.
21. Voor (Belgische) notariële "akten van verhuring van een woning" en alle andere bij ( Belgische) notariële akte vastgestelde huurovereenkomsten blijft de verplichting tot aanbieding ter registratie zoals in het verleden in principe bij de notaris berusten (art. 35, eerste lid, 1° W.Reg.).
22. Voor de onderhandse en de in authentieke vorm in het buitenland verleden huurovereenkomsten, andere dan die bedoeld onder randnummer 20, blijft de verplichting om de akte ter registratie aan te bieden, zoals in het verleden, berusten bij zowel de verhuurder als de huurder (art. 64, 1° van de programmawet - gewijzigd art. 35, eerste lid, 6° W.Reg.).
Hoofdstuk VI. - Sanctie wegens laattijdige aanbieding ter registratie.
23. Artikel 41 W.Reg werd door de programmawet niet gewijzigd. Dit brengt mee dat de laattijdige aanbieding ter registratie van een "akte van verhuring van een woning" een fiscale boete van 25 € opeisbaar maakt (het minimum bedrag van de boete is van toepassing wegens de kosteloosheid van de formaliteit). Gaat het om een onderhandse of buitenlands verleden authentieke akte dan kan de betaling van die boete enkel gevorderd worden van de verhuurder, vermits de verplichting tot aanbieding ter registratie van dergelijke akte enkel rust op de verhuurder.
De wetgever heeft ervoor gekozen de verhuurder tot naleving van zijn verplichting tot aanbieding ter registratie aan zetten door middel van een nieuwe burgerrechtelijke sanctie in plaats van de verhoging van de bestaande fiscale sanctie.
De burgerrechtelijke sanctie houdt in dat zolang het huurcontract niet geregistreerd is na de in het W.Reg bepaalde termijn van twee maanden waarover de verhuurder beschikt om het contract ter registratie aan te bieden, de huurder de huurovereenkomst kan beëindigen zonder de wettelijk bepaalde opzegtermijn en -vergoeding te moeten respecteren (21).
[21. Zie bijlage 3, randnummer 3, § 5, nieuw derde lid.]
Merk op dat die burgerlijke sanctie uiteraard enkel toepassing kan vinden op "akten van verhuring van een woning" die onder toepassing vallen van de woninghuurwet. Zoals eerder gezegd omvat de notie "akten van verhuring van een woning" meer dan alleen maar de akten die onder de toepassing van de woninghuurwet vallen. Voor de "akten van verhuring van een woning" die niet met uitdrukkelijke of stilzwijgende instemming van de verhuurder en vanaf de ingenottreding tot hoofdverblijfplaats van de huurder is bestemd, bestaat er dus enkel de fiscale sanctie.
Tenslotte wordt er in dit verband ook nog op gewezen dat in de woninghuurwet (22) werd ingeschreven dat de kosten verbonden aan een eventuele laattijdige registratie volledig ten laste zijn van de verhuurder. Een clausule in het contract die de verhuurder toelaat de hem in voorkomend geval opgelegde boete wegens laattijdige aanbieding ter registratie op de huurder te verhalen, is dus nietig (23).
[22. Zie bijlage 3, randnummer 5bis
23. Uiteraard belet het voorkomen van dergelijke clausule in het contract de registratie ervan niet. De administratie is immers geen rechter van de geldigheid van (de clausules van) het contract.]
23. Uiteraard belet het voorkomen van dergelijke clausule in het contract de registratie ervan niet. De administratie is immers geen rechter van de geldigheid van (de clausules van) het contract.]
Hoofdstuk VII. - "Akten van verhuringen van woningen" niet alleen meer vrijgesteld van het evenredig recht maar voortaan ook vrijgesteld van het algemeen vast recht.
24. Naast de vereenvoudiging van de wijze van aanbieding ter registratie van een "akte van verhuring van een woning" rekent de wetgever er ook op dat het gratis maken van de registratie van dergelijke akte, zal bijdragen tot een betere naleving door de verhuurder van zijn verplichting tot aanbieding ter registratie.
Contracten "van verhuringen van woningen" waren sinds de wet van 10 april 1991 vrijgesteld van het evenredig recht en onderworpen aan het algemeen vast recht (art. 159, 13°, W.Reg.).
De wetgever heeft dit type huurcontracten bij de programmawet ook willen vrijstellen van het algemeen vast recht. Daartoe werden ze overgeheveld van artikel 159, 13° W.Reg. - dat dus werd opgeheven - naar artikel 161, 12° W.Reg. Daarbij werd de redactie van de nieuwe bepaling enigszins aangepast aan de gebruikelijke terminologie in artikel 161. Eerder werd er al op gewezen dat de verwijzing in het nieuwe artikel 161, 12° naar de "in artikel 19, 3°, a), bedoelde akten" breed moet geïnterpreteerd worden: de kosteloze registratie geldt niet alleen voor de onderhandse en buitenlands verleden authentieke "akten van verhuringen van woningen" maar ook voor de (Belgische) notariële "akten van verhuringen van woningen" (zie hoofdstuk II, Afdeling II, hiervoor).
25. Quid met de bijlagen van een akte van verhuring van een woning"- worden deze ook kosteloos geregistreerd ?
In principe is iedere bijlage onderworpen aan het algemeen vast recht van 25 euro. Artikel 161, 12°, W.Reg. voorziet immers alleen in de kosteloze registratie van de "akten van verhuring van een woning" zelf en niet in de kosteloze registratie van de bijlagen van in artikel 19, 3°, a) bedoeld akten.
Op vraag van de administrateur-generaal van de patrimoniumdocumentatie naar de bedoeling van de wetgever ter zake, heeft de Minister van Financiën echter beslist dat bedoelde bijlagen kosteloos te registreren zijn indien de twee volgende voorwaarden samen vervuld zijn:
- de bijlage moet samen met het huurcontract op het bevoegde registratiekantoor worden aangeboden;
- in het huurcontract of onderaan het huurcontract moet uitdrukkelijk naar die bijlage verwezen worden.
Hoofdstuk VIII. Geen zegelrechten meer.
26. Artikel 76 van de programmawet voorziet in de vrijstelling van het zegelrecht op "akten van verhuringen van woningen" in de eventualiteit dat de afschaffing van het Wetboek der zegelrechten (24) op datum van 1 januari 2007 nog niet effectief in werking zou zijn getreden. Vermits die afschaffing wel degelijk op 1 januari 2007 in werking is getreden, moet artikel 76 van de programmawet als impliciet opgegeven worden beschouwd op hetzelfde moment als het in werking is getreden. Op de vanaf 1 januari 2007 opgemaakte en ondertekende akten houdende huurovereenkomsten is geen zegelrecht meer verschuldigd, want die belasting werd met ingang van die datum opgeheven.
[24. Wet van 19/12/2006 tot omvorming van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen tot het Wetboek diverse rechten en taksen, tot opheffing van het Wetboek der zegelrechten en houdende verscheidene andere wetswijzigingen', Belgisch Staatsblad 29/12/2006, en Koninklijk besluit van 21/12/2006 tot omvorming van de algemene verordening op de met het zegel gelijkgestelde taksen tot het uitvoeringsbesluit van het Wetboek diverse rechten en taksen, tot opheffing van het regentbesluit tot uitvoering van het Wetboek der zegelrechten en houdende verscheidene andere wijzigingen aan uitvoeringsbesluiten', Belgisch Staatsblad van 29/12/2006.]
27. Om praktische redenen heeft de administratie van de patrimoniumdocumentatie beslist de kwijting van het zegelrecht niet meer te vragen voor huurcontracten die vóór 1 januari 2007 zijn opgesteld maar pas vanaf die datum ter registratie worden aangeboden. Het feit dat die geschriften bij de aanbieding ter registratie toch gezegeld zijn, doet geen recht op teruggave ontstaan.
Hoofdstuk IX. "Akte van verhuring van een woning" onderworpen aan een recht op geschriften (=divers recht) ?
28. Wat dit betreft wordt verwezen naar de circulaire over de wet van 19/12/2006 en het Koninklijk besluit van 21/12/2006 waarvan sprake in voetnoot 24 hieronder. Hier kan worden volstaan met de opmerking dat een onderhands "akte van verhuring van een woning" alleszins niet aan een (divers) recht op geschriften onderworpen is. Een notariële "akte van verhuring van een woning" is in principe wel onderworpen aan een recht (in casu 50 €) op geschriften. De notariële "akten van verhuring van een woning" zijn niet opgenomen in de lijst van vrijstellingen van artikel 21 van het Wetboek diverse rechten en taksen.
Hoofdstuk X. Inwerkingtreding - werking in de tijd van de oude en nieuwe wetgeving
29. Voor de meeste van de hier besproken wijzigingen aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten bevat de programmawet een uitdrukkelijke bepaling inzake inwerkingtreding.
30. Dit is met name het geval voor:
-
artikel 62 (wijziging artikel 19, 3° W.Reg.) en artikel 65 (opheffing van artikel 159, 13° W.Reg.) van de programmawet: die artikelen zijn in werking getreden op 1 januari 2007;Opmerkingen:
- De wijziging van artikel 19, 3° heeft strikt genomen niets gewijzigd aan de draagwijdte van die bepaling. Het zijn nog steeds dezelfde akten die bij toepassing van die bepaling verplicht ter registratie moeten worden aangeboden. Om legistiek-technische redenen heeft men alleen een bestaande categorie opgesplitst in twee subcategorieën voor de toepassing van andere bepalingen van het wetboek. Wat het artikel op zichzelf beschouwd betreft heeft de datum van inwerkingtreding dus geen praktische gevolgen.
- De inwerkingtreding van de opheffing van artikel 159, 13° W.Reg. op 1 januari 2007 brengt mee dat de akten "van verhuring van een woning" die dagtekenen van vóór die datum, en die vanaf die datum ter registratie worden aangeboden in principe - zie echter de commentaar bij de bijzondere tijdelijke bepaling in Hoofdstuk XI hierna - beheerst blijven door dat artikel: ze zijn niet kosteloos te registreren maar blijven enkel vrijgesteld van het evenredig recht en onderworpen aan het algemeen vast recht
-
artikel 63 (wijziging artikel 32, 5° W.Reg.), artikel 64 (wijziging artikel 35, eerste lid, W.Reg.) en artikel 66 (invoeging nieuw 12° in artikel 161 W.Reg.) van de programmawet: die bepalingen zijn van toepassing op de akten die dagtekenen vanaf 1 januari 2007.Opmerking: wat de werking van de wetgeving in de tijd betreft betekent dit dus in principe:
-
dat voor "akten van verhuring van een woning" (beperkende interpretatie) die dagtekenen van vóór 1 januari 2007 maar die na die datum ter registratie worden aangeboden:
- de verplichting tot aanbieding berust bij de huurder en de verhuurder;
- de termijn voor die aanbieding, vier maanden bedraagt te rekenen van de dagtekening van de akte;
-
de fiscale boete - ondeelbaar verschuldigd door de huurder en de verhuurder - bij laattijdige aanbieding:
- gelijk is aan het vroegere evenredig recht van 0,20 ten honderd (25) indien de akte vóór 2 juni 1991 (26) had moeten zijn geregistreerd;
- gelijk is aan 25 € (minimum van de in artikel 41 W.Reg. bepaalde boete) indien de overschrijding van de termijn voor tijdige aanbieding zich voordeed vanaf 2 juni 1991
-
het evenredig recht van 0,20 ten honderd verschuldigd is indien de akte dagtekent van vóór 2 juni 1991 en van die datum af tot en met 31 december 2006 het op datum van de akte bestaande bedrag van het algemeen vast recht verschuldigd is, te weten:
- 18,60 € (750 fr.) in de periode van 2 juni 1991 tot en met 4 augustus 1993 ;
- 25 € in de periode van 5 augustus 1993 tot en met 31 december 2006
-
dat voor "akten van verhuring van een woning" (beperkende interpretatie) die dagtekenen vanaf 1 januari 2007 de nieuwe regeling geldt zodat:
- enkel de verhuurder verplicht is tot aanbieding,
- de termijn voor aanbieding twee in plaats van vier maanden bedraagt
- de fiscale boete in geval van laattijdige aanbieding 25 € bedraagt en uitsluitend ten laste van de verhuurder kan worden ingevorderd
- er kosteloze registratie is.
-
[25. onverminderd het in de tijd toepasselijke minimum bepaald in art. 41 W.Reg.
26. Datum van inwerkingtreding van de wet van 10 april 1991 tot aanvulling van artikel 159 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, waarbij de "akten van verhuring van een woning" van het evenredig recht werden vrijgesteld en aan het algemeen vast recht werden onderworpen.]
26. Datum van inwerkingtreding van de wet van 10 april 1991 tot aanvulling van artikel 159 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, waarbij de "akten van verhuring van een woning" van het evenredig recht werden vrijgesteld en aan het algemeen vast recht werden onderworpen.]
Hierna (Hoofdstuk XI) zullen we zien dat de "bijzondere tijdelijke bepaling" in de programmawet de hierboven beschreven regels inzake toepassing in de tijd van de het verschuldigde recht en van de eventuele boete wegens laattijdige aanbieding ter registratie gedurende een "regularisatieperiode" opzij zet. Na die periode hernemen bovenstaande regels hun volledige uitwerking.
31. Dat is daarentegen niet het geval voor de wijziging bij artikel 61 van de programmawet van artikel 2 W.Reg., wat meebrengt dat de aanbieding ter registratie van een onderhandse of buitenlands verleden authentieke "akte van verhuring van een woning" (en de bijgevoegde bijlagen ervan) door middel van een kopie die via fax of als bijlage van een e-mail aan het bevoegde kantoor is overgemaakt, maar mogelijk is sedert 7 januari 2007 (= tien dagen na publicatie van de programmawet). De datum waarop de kopie op het kantoor toekomt is bepalend of de kopie al dan niet als een type van registreerbare akte kan worden beschouwd. Noch de datum van de overeenkomst, noch die van de akte, zijn wat dat betreft van belang.
32. Wat artikel 76 van de programmawet (vrijstelling van het zegelrecht voor "akten van verhuring van een woning") betreft, bepaalt artikel 77 van dezelfde wet de toepassing ervan op de vanaf 1 januari 2007 ter registratie aangeboden akten.
Eerder (zie randnummer 20) werd erop gewezen dat de artikelen 76 en 77 in de programmawet werden opgenomen in de eventualiteit dat de afschaffing van het Wetboek der zegelrechten op datum van 1 januari 2007 nog niet effectief in werking zou zijn getreden. Hoewel artikel 76 in de praktijk overbodig is gebleken (zie randnummer 20), is artikel 77 van de programmawet niet zonder belang.
De afschaffing van het Wetboek der zegelrechten is in werking getreden op 1 januari 2007. Vermits het zegelrecht verschuldigd was op datum van de opstelling van een aan dat recht onderworpen akte (= belastbaar feit), zou op de onderhandse of buitenlands verleden akten houdende "verhuring van een woning" die dagtekenen van vóór 1 januari 2007, nog zegelrechten moeten worden gekweten.
Zoals onder randnummer 21 reeds vermeld heeft de administratie beslist de kwijting van het zegelrecht niet meer te vragen voor "akten van verhuring van een woning" die dagtekenen van vóór 1 januari 2007 maar pas vanaf die datum ter registratie worden aangeboden (27). Deze beslissing is niet alleen ingegeven vanuit praktische motieven maar steunt tevens op de tekst van artikel 77 van de programmawet. De wetgever heeft immers niet de datum van de opstelling van de akte (28) (het belastbaar feit) maar de datum van aanbieding ter registratie als scharnierpunt voor de werking in de tijd van de oude (wel zegelrecht) en nieuwe (geen zegelrecht meer) wetgeving gekozen, en is daarmee uitdrukkelijk afgeweken van de normale regel inzake werking in de tijd van oude en nieuwe fiscale wetgeving (29) . Het is niet omdat achteraf de bepaling van artikel 76 van de programmawet overbodig is gebleken, dat de uit artikel 77 van die wet blijkende wil van de wetgever om na 1 januari 2007 geen zegelrecht meer te heffen op ter registratie aangeboden "akten van verhuring van een woning" van vóór 1 januari 2007, kan genegeerd worden.
[27. Ter herinnering: het feit dat een dergelijk huurcontract toch gezegeld wordt aangeboden, doet geen recht op teruggave ontstaan - zie randnummer 27.
28. In welk geval de inwerkingtreding van artikel 76 van de programmawet op 1 januari 2007 - zonder meer - kon worden bepaald.
29. Volgens de gewone regels van de werking van fiscale wetgeving in de tijd, moet gekeken worden naar de datum waarop het belastbaar feit zich heeft voorgedaan, om te bepalen of de oude dan wel de nieuwe wetgeving van toepassing is. Afwijkend van de gewone regel heeft de wetgever hier voor een extern element (de aanbieding ter registratie) gekozen om de werking in de tijd van de oude en nieuwe wetgeving af te bakenen.]
28. In welk geval de inwerkingtreding van artikel 76 van de programmawet op 1 januari 2007 - zonder meer - kon worden bepaald.
29. Volgens de gewone regels van de werking van fiscale wetgeving in de tijd, moet gekeken worden naar de datum waarop het belastbaar feit zich heeft voorgedaan, om te bepalen of de oude dan wel de nieuwe wetgeving van toepassing is. Afwijkend van de gewone regel heeft de wetgever hier voor een extern element (de aanbieding ter registratie) gekozen om de werking in de tijd van de oude en nieuwe wetgeving af te bakenen.]
Hoofdstuk XI. Bijzondere tijdelijke bepaling - regularisatieperiode
33. De nieuwe regeling van de registratie van "akten van verhuring van een woning", met zijn burgerrechtelijke en fiscale sancties bij niet (tijdige) naleving van de verplichting tot aanbieding ter registratie, zal pas zijn volle uitwerking krijgen nadat de overgangsperiode neergelegd in de bijzondere tijdelijke bepaling in artikel 71 van de programmawet zal zijn beëindigd (naargelang van het geval op 1 juli of op 1 oktober 2007). In die zin moet de onder hoofdstuk X besproken inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen van het W.Reg. - wat bepaalde aspecten ervan betreft - genuanceerd worden.
34. De bedoeling van de overgangsperiode is in de eerste plaats de burgers (30) die hun verplichting tot aanbieding ter registratie van "akten van verhuring van een woning" onder gelding van de oude wetgeving niet hebben nageleefd, alsnog de mogelijkheid te bieden dat te doen, zonder dat zij daarbij het normaal verschuldigde recht (31) moeten betalen of de fiscale sanctie wegens laattijdige aanbieding oplopen.
[30. Er mag aangenomen worden dat de verwijzing in artikel 71 van de programmawet naar artikel 19, 3° a) W.Reg., beperkend (zie Hoofdstuk I - afdeling 2) bedoeld is en dus enkel geldt voor de onderhandse of buitenlands verleden "akten van verhuring van een woning".
31. Voor akten van vóór 2 juni 1991 is dit het evenredig recht van 0,20 ten honderd (wettelijke boete = recht) ; voor akten dagtekenend vanaf 2 juni 1991 tot en met 31 december 2006 is dat het op de dagtekening van de akte geldende algemeen vast recht (wettelijke boete = minimum van € 25). ]
31. Voor akten van vóór 2 juni 1991 is dit het evenredig recht van 0,20 ten honderd (wettelijke boete = recht) ; voor akten dagtekenend vanaf 2 juni 1991 tot en met 31 december 2006 is dat het op de dagtekening van de akte geldende algemeen vast recht (wettelijke boete = minimum van € 25). ]
33. Zij kunnen zich dus fiscaal kosteloos - zowel op het vlak van de rechten als van de fiscale boete wegens laattijdigheid (32)- in regel stellen en aldus ook - wat voor de verhuurders in de praktijk belangrijker is - de eventuele toepassing van de burgerrechtelijke "sancties" vermijden .
[32. En ook wat betreft zegelrechten - zie randnummers 26 en 27.]
34. De regularisatieperiode loopt in principe van 1 januari 2007 tot en met 30 juni 2007.
De regering kan echter de regularisatieperiode verlengen tot 30 september 2007, indien na een evaluatie in de maand april van dit jaar zou blijken dat de beoogde doelstelling inzake aanbieding ter registratie van oude nog lopende contracten, onvoldoende wordt benaderd.
34. In de regularisatiebepaling wordt uitdrukkelijk bepaald dat ze toepassing vindt zowel op akten die dagtekenen van vóór 1 januari 2007 (en dus onderworpen aan de oude wetgeving) als op akten die tijdens de overgangsperiode zijn opgemaakt (en dus in principe al onderworpen zijn aan de nieuwe wetgeving).
Enkele voorbeelden ter illustratie.
Aangenomen wordt dat de regularisatieperiode eindigt op 30 juni 2007.
| Geval | Datum akte | Datum aanbieding | verschuldigd recht | verschuldigde boete en schuldenaar(s) |
| 1 a) | 1/2/1990 | 1/2/2007 | kosteloos | - |
| b) | 1/2/1990 | 1/7/2007 | 0,20 % |
boete = 1 x recht
H+V
|
| 2 a) | 1/2/1992 | 1/2/2007 | kosteloos | - |
| b) | 1/2/1992 | 1/7/2007 | 18,60 € (750 fr.) |
25 €
H+V
|
| 3 a) | 1/2/1995 | 1/2/2007 | kosteloos | - |
| b) | 1/2/1995 | 1/7/2007 | 25 € |
25 €
H+V
|
| 4 a) | 1/2/2007 | 1/3/2007 | kosteloos | - |
| b) | 1/2/2007 | 1/5/2007 | kosteloos | - |
| c) | 1/2/2007 | 1/7/2007 | kosteloos |
25 €
V
|
| 5 a) | 1/7/2007 | 1/8/2007 | kosteloos | - |
| b) | 1/7/2007 | 1/12/2007 | kosteloos |
25 €
V
|
In de laatste kolom van de tabel staat H voor "huurder" en V voor "verhuurder".
Hierbij is het van belang te weten:
- dat het algemeen vast recht:
- van 1 januari 1990 tot en met 4 augustus 1993 750 fr (18,60 €) bedroeg;
- van 5 augustus 1993 tot op heden 25 € bedraagt;
- dat de huurcontracten waarover het hier gaat onderworpen waren aan
- een evenredig recht van 0,20% tot en met 1 juni 1991
- het algemeen vast recht van 750 fr (18,60 €) in de periode van 2 juni 1991 tot en met 4 augustus 1993;
het algemeen vast recht van 25 € in de periode van 5 augustus 1993 tot 31 december 2006.
Hoofdstuk XII. Toevoeging - Burgerrechtelijke maatregelen die de verhuurder moeten aanzetten tot naleving zijn verplichting tot aanbieding ter registratie.
35. Vermits het hier niet gaat om een fiscale materie en de administratie van de patrimoniumdocumentatie zich dus niet heeft in te laten met de aflijning van de precieze draagwijdte van deze bepalingen wordt, wat de inhoud van die maatregelen betreft, eenvoudigweg verwezen naar de tekst van de woninghuurwet in bijlage 3 (33). De in die wet ingeschreven maatregelen werden in die bijlage onderlijnd.
[33. Zie ook randnummer 23.]
Zoals in de memorie van toelichting wordt vermeld treffen de burgerrechtelijke maatregelen in geval van niet registratie van een "akte van verhuring van een woning" niet alle akten die onder dat begrip vallen (34). Vermits ze in de woninghuurwet zijn ingeschreven kunnen ze enkel toepassing vinden indien de betreffende woning de hoofdverblijfplaats van de huurder is.
[34 Zie randnummer 5.]
Hier volstaat het nog te vermelden dat die burgerrechtelijke maatregelen in principe van kracht worden op 1 juli 2007, met dien verstande dat indien de regering de regularisatieperiode zou verlengen, die inwerkingtreding opschuift naar 1 oktober 2007.
NAMENS DE MINISTER:
De adjunct-administrateur-generaal,
Paul NECKEBROECK.
----------
BIJLAGE 1
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 28 december 2006
FEDERALE OVERHEIDSDIENST KANSELARIJ VAN DE EERSTE MINISTER
27 DECEMBER 2006. - Programmawet (I)
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
TITEL I. - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
TITEL II. - Financiën
HOOFDSTUK I. - Maatregelen inzake fraudebestrijding en betere inning van de belastingen
…
HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, van het Wetboek der zegelrechten, van het Wetboek der successierechten en van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen
Afdeling 1. - Registratierechten
Onderafdeling 1. - Wijzigingen aan het Wetboek
Art. 61.
In artikel 2 van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, worden de woorden «, kopieën die met de hand of via elektronische handtekening ondertekend zijn, » ingevoegd tussen het woord « brevetten » en de woorden « of originelen ».
Art. 62.
Artikel 19, 3°, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
« 3° a) de akten houdende verhuring, onderverhuring of overdracht van huur van in België gelegen onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen, die uitsluitend bestemd zijn tot huisvesting van een gezin of van één persoon;
b) de andere dan onder a) bedoelde akten houdende verhuring, onderverhuring of overdracht van huur van in België gelegen onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen. »
Art. 63.
Artikel 32, 5°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 13 augustus 1947 en de wet van 25 juni 1973, wordt vervangen als volgt :
« 5° voor akten van verhuring, onderverhuring of overdracht van huur bedoeld in artikel 19, 3°, a), twee maanden en voor akten van verhuring, onderverhuring of overdracht van huur bedoeld in artikel 19, 3°, b), vier maanden; ».
Art. 64.
In artikel 35, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het 6°, gewijzigd bij de wet van 14 april 1965, het koninklijk besluit van 12 december 1996 en de wet van 22 december 1988, worden de woorden «, b), » ingevoegd tussen het woord « 3° » en de woorden « en 5° »;
2° het 7°, opgeheven bij de wet van 10 juni 1997, wordt hersteld in de volgende lezing :
« 7° op de verhuurder ten aanzien van de onderhandse of buitenlands verleden akten waarvan sprake in artikel 19, 3°, a). »
Art. 65.
Artikel 159, 13°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 april 1991, wordt opgeheven.
Art. 66.
Artikel 161 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 22 december 1998, wordt aangevuld als volgt :
« 12° de in artikel 19, 3°, a), bedoelde akten van verhuring, onderverhuring of overdracht van huur; ».
Art. 67. - art. 69.
… (niet relevant in het kader van deze circulaire)
Art. 70.
De artikelen 62 en 65 treden in werking op 1 januari 2007.
De artikelen 63 en 64 en 66 zijn van toepassing op de akten die dagtekenen vanaf 1 januari 2007.
Onderafdeling 2. - Bijzondere tijdelijke bepaling
Art. 71.
De vanaf 1 januari 2007 tot 30 juni 2007 ter registratie aangeboden akten houdende verhuring, onderverhuring of overdracht van huur bedoeld in artikel 19, 3°, a), van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten worden kosteloos geregistreerd ongeacht of de akte dagtekent van vóór of vanaf 1 januari 2007. Er is op deze akten geen boete wegens laattijdige aanbieding ter registratie verschuldigd.
Op grond van een evaluatie in de loop van de maand april 2007, kan de Koning de datum van 30 juni 2007 vervangen door de datum van 30 september 2007.
Art. 72.
Artikel 71 treedt in werking op 1 januari 2007.
Onderafdeling 3. - Wijziging aan het burgerlijk wetboek
Art. 73.
In artikel 3, § 5, van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling II, van het Burgerlijk Wetboek, wordt het volgende lid ingevoegd tussen het tweede en derde lid :
« Zolang het huurcontract niet geregistreerd is na de termijn van twee maanden bedoeld in artikel 32, 5°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, zijn zowel de in het eerste lid bedoelde opzeggingstermijn als de in het tweede lid bedoelde vergoeding niet van toepassing. »
Art. 74.
Tussen artikel 5 en 6 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling II, van het Burgerlijk Wetboek wordt een artikel 5bis ingevoegd, luidend als volgt :
« Art. 5bis. - De verplichting van de registratie van de huurovereenkomst rust op de verhuurder. De kosten verbonden aan een eventueel laattijdige registratie zijn volledig ten zijne laste ».
Art. 75.
De artikelen 73 en 74 treden in werking op 1 juli 2007.
Ingeval de Koning, op grond van een evaluatie in de loop van de maand april 2007, als bedoeld in artikel 71, tweede lid, de datum van 30 juni 2007 vervangt door de datum van 30 september 2007, vervangt de koning tevens de datum van 1 juli 2007, bedoeld in het eerste lid, door de datum van 1 oktober 2007.
Afdeling 2. - Zegelrechten
Art. 76.
Artikel 591 van het Wetboek der Zegelrechten, gewijzigd bij de wet van 21 februari 2003, wordt aangevuld als volgt :
« 64° de akten van verhuring, onderverhuring of overdracht van huur bedoeld in artikel 19, 3°, a) van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten. »
Art. 77.
Artikel 76 is van toepassing op de vanaf 1 januari 2007 ter registratie aangeboden akten.
…
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 27 december 2006.
ALBERT
Van Koningswege :
Voor de Eerste Minister, afwezig :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Justitie.
Mevr. L. ONKELINX
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
Voor de Minister van Financiën, afwezig :
De Minister van Middenstand en Landbouw,
Mevr. S. LARUELLE
Voor de Minister van Begroting en Consumentenzaken, afwezig :
De Minister van Mobiliteit,
R. LANDUYT
De Minister van Binnenlandse Zaken,
P. DEWAEL
Voor de Minister van Buitenlandse Zaken, afwezig :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse Zaken,
P. DEWAEL
De Minister van Landsverdediging,
A. FLAHAUT
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
R. DEMOTTE
De Minister van Middenstand,
Mevr. S. LARUELLE
Voor de Minister van Maatschappelijke Integratie, afwezig :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
De Minister van Mobiliteit,
R. LANDUYT
De Minister van Pensioenen en Minister van Leefmilieu,
B. TOBBACK
Voor De Minister van Werk, afwezig :
De Minister van Mobiliteit,
R. LANDUYT
De Staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling,
E. VAN WEERT
Voor de Staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, afwezig :
De Minister van Mobiliteit,
R. LANDUYT
Met 's Lands Zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
Mevr. L. ONKELINX
BIJLAGE 2
Gecoördineerde teksten van de gewijzigde bepalingen van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
Artikel 2
De akten worden op de minuten, brevetten, kopieën die met de hand of via elektronische handtekening ondertekend zijn, of originelen geregistreerd.
Evenwel worden de buitenslands verleden authentieke akten in minuut op de uitgiften, afschriften of uittreksels geregistreerd.
Artikel 19
Moeten binnen de bij artikel 32 gestelde termijnen geregistreerd worden:
1° de akten van notarissen; de exploten en processen-verbaal van gerechtsdeurwaarders; de arresten en vonnissen der hoven en rechtbanken die bepalingen bevatten welke door deze titel aan een evenredig recht onderworpen worden;
2° de akten waarbij de eigendom of het vruchtgebruik van in België gelegen onroerende goederen overgedragen of aangewezen wordt;
3° a) de akten houdende verhuring, onderverhuring of overdracht van huur van in België gelegen onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen, die uitsluitend bestemd zijn tot huisvesting van een gezin of van één persoon;
b) de andere dan onder a) bedoelde akten houdende verhuring, onderverhuring of overdracht van huur van in België gelegen onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen;
4° de processen-verbaal van openbare verkoping van lichamelijke roerende voorwerpen;
5° de akten houdende inbreng van goederen in vennootschappen met rechtspersoonlijkheid waarvan hetzij de zetel der werkelijke leiding in België, hetzij de statutaire zetel in België en de zetel der werkelijke leiding buiten het grondgebied der Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap, is gevestigd;
6° ... ;
7° ... ;
Behoudens wat nrs. 2, 3 en 5 betreft, worden in dit artikel alleen de in België verleden akten bedoeld.
Art. 32
De termijnen, binnen welke de aanbieding ter registratie moet plaats hebben van verplichtend aan de formaliteit der registratie onderworpen akten, zijn:
1° voor akten van notarissen, vijftien dagen;
Evenwel is deze termijn gesteld op vier maand, ingaande met de dag van het overlijden der erflaters of schenkers, voor testamenten en voor daarmede bij artikel 141, 3°, 2e alinea, gelijkgestelde schenkingen, voor akten van derzelver herroeping, voor verklaringen betreffende testamenten in internationale vorm en voor akten van bewaargeving van een testament door de erflater;
2° voor akten van gerechtsdeurwaarders andere dan protesten, vier dagen;
3° voor arresten en vonnissen der hoven en rechtbanken, tien dagen;
4° voor akten waarbij de eigendom of het vruchtgebruik van in België gelegen onroerende goederen overgedragen of aangewezen wordt, vier maand;
5°; voor akten van verhuring, onderverhuring of overdracht van huur bedoeld in artikel 19, 3°, a), twee maanden en voor akten van verhuring, onderverhuring of overdracht van huur bedoeld in artikel 19, 3°, b), vier maanden;
6° voor processen-verbaal van openbare verkoping van lichamelijke roerende goederen opgemaakt door bestuursoverheden en agenten van Staat, provinciën, gemeenten en openbare instellingen, één maand;
7° voor akten houdende inbreng van goederen in vennootschappen met rechtspersoonlijkheid waarvan hetzij de zetel der werkelijke leiding in België, hetzij de statutaire zetel in België en de zetel der werkelijke leiding buiten het grondgebied der Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap, is gevestigd, vier maanden;
8° voor protesten, acht dagen te rekenen vanaf de datum van inschrijving van het protest in het door de centrale depositaris overeenkomstig artikel 9 van de protestwet van 3 juni 1997 gehouden repertorium.
Artikel 35
De verplichting tot aanbieding ter registratie van akten of verklaringen en tot betaling van de desbetreffende rechten en gebeurlijk de geldboeten, waarvan de vorderbaarheid uit bewuste akten of verklaringen blijkt, berust ondeelbaar:
1° op de notarissen en gerechtsdeurwaarders, ten aanzien van de akten van hun ambt andere dan de protesten;
2° op de centrale depositaris bedoeld in artikel 2 van de protestwet van 3 juni 1997, ten aanzien van de protesten;
3° (opgeheven)
4° op de notarissen en gerechtsdeurwaarders, ten aanzien van de akten, overeenkomstig artikel 26 aan hun akten gehecht of in hun handen neergelegd, zonder voorafgaande registratie;
5° op de bestuursoverheden en agenten van Staat, provinciën, gemeenten en openbare instellingen, ten aanzien van de door hen opgemaakte akten;
6° op de contracterende partijen, ten aanzien van de onderhandse of buitenslands verleden akten, waarvan sprake in artikel 19, 2°, 3°, b), en 5°, en ten aanzien van de in artikel 31 voorziene verklaringen;
7° op de verhuurder ten aanzien van de onderhandse of buitenlands verleden akten waarvan sprake in artikel 19, 3°, a).
De verplichting tot aanbieding ter registratie van de arresten en vonnissen van hoven en rechtbanken berust op de griffiers. In afwijking van artikel 5 worden deze arresten en vonnissen in debet geregistreerd.
De verplichting tot betaling van de rechten waarvan de vorderbaarheid blijkt uit arresten en vonnissen van hoven en rechtbanken houdende veroordeling, vereffening of rangregeling rust :
1° op de verweerders, elkeen in de mate waarin de veroordeling, vereffening of rangregeling te zijnen laste wordt uitgesproken of vastgesteld, en op de verweerders hoofdelijk in geval van hoofdelijke veroordeling;
2° op de eisers naar de mate van de veroordeling, vereffening of rangregeling, die ieder van hen heeft verkregen, zonder evenwel de helft van de sommen of waarden die ieder van hen als betaling ontvangt te overschrijden.
Zo op een vonnis of arrest verschuldigde rechten en boeten slaan op een overeenkomst waarbij de eigendom of het vruchtgebruik van in België gelegen onroerende goederen overgedragen of aangewezen wordt, zijn die rechten en boeten ondeelbaar verschuldigd door de personen die partijen bij de overeenkomst zijn geweest.
De rechten en, in voorkomend geval, de geldboeten worden betaald binnen de termijn van één maand, te rekenen vanaf de dag van de verzending van het betalingsbericht bij ter post aangetekende brief door de ontvanger der registratie.
Artikel 159
Worden van het evenredig recht vrijgesteld en aan het algemeen vast recht onderworpen :
1° de aanwijzing van lastgever, op voorwaarde :
a) dat het vermogen om een lastgever aan te wijzen in de akte van toewijzing of koop voorbehouden is;
b) dat de aanwijzing bij authentieke akte geschied is;
c) dat zij bij exploot van gerechtsdeurwaarder aan de ontvanger der registratie betekend wordt of dat de akte ter formaliteit aangeboden wordt uiterlijk op de eerste werkdag na de dag van de toewijzing of van het contract.
Bij niet-voldoening aan deze voorwaarden wordt de aanwijzing van lastgever voor de toepassing van dit wetboek als wederverkoop beschouwd.
Met afwijking van het vorenstaande :
a) moet de aanwijzing van lastgever, bij toewijzingen die wettelijk gedaan zijn onder de schorsende voorwaarde van ontstentenis van opbod, om van het evenredig recht vrijgesteld te zijn, gedaan worden vóór de notaris die de toewijzing gedaan heeft of hem betekend worden uiterlijk op de eerste werkdag na die waarop de wettelijke termijn voor opbod verstrijkt;
b) moet de aanwijzing van lastgever, in geval van toewijzing ten gevolge van hoger bod op vrijwillige vervreemding van onroerende goederen, om van het evenredig recht vrijgesteld te zijn, gedaan worden vóór de notaris die de toewijzing heeft gedaan of hem betekend worden uiterlijk op de eerste werkdag na de dag van de toewijzing.
In die gevallen wordt de aanwijzing ingeschreven of vermeld onderaan het proces-verbaal van toewijzing zonder dat zij aan de ontvanger der registratie behoeft te worden betekend;
2° de toewijzingen naar aanleiding van rouwkoop, van roerende of onroerende goederen, wanneer zij geen aanleiding geven tot de heffing van een hoger evenredig recht dan datgene geheven op de vorige toewijzing. In het tegenovergesteld geval wordt laatstbedoeld recht afgerekend van het bedrag van de belasting waartoe de daarop volgende toewijzing aanleiding geeft.
Hetzelfde regime is van toepassing op de toewijzingen naar aanleiding van prijsverhoging in de gevallen waarin het voorbehoud van prijsverhoging geen schorsende voorwaarde uitmaakt;
3° de overeenkomsten die strekken tot de overdracht van het vruchtgebruik op de blote eigenaar, wanneer het evenredig registratierecht of het successierecht door de blote eigenaar of door een vorige blote eigenaar, zijn rechtsvoorganger, op de waarde van de volle eigendom werd voldaan;
4° (opgeheven)
5° en 6° (opgeheven)
7° de overdragende of aanwijzende overeenkomsten, andere dan de inbrengen onderworpen aan het in artikel 115bis bepaalde recht, die buitenslands gelegen onroerende goederen tot voorwerp hebben, zomede de huurcontracten van dergelijke goederen;
8° (federale tekst die nog van toepassing is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; voor de in het Vlaamse en Waalse Gewest geldende teksten wordt verwezen naar fisconet) de overdragende of aanwijzende vervreemdingen onder bezwarende titel, andere dan die welke aan het in artikel 115bis bepaalde recht onderworpen zijn, van op te richten, in oprichting zijnde of nieuw opgerichte gebouwen, op voorwaarde dat de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar is voor de levering van de vervreemde gebouwen; de vestigingen, overdrachten of wederoverdrachten van de zakelijke rechten bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met betrekking tot op te richten, in oprichting zijnde of nieuw opgerichte gebouwen, op voorwaarde dat de belasting over de toegevoegde waarde opeisbaar is op de vestiging of de overdracht van deze rechten.
De vrijstelling geldt niet voor de grond begrepen in de overeenkomst.
Wanneer de gebouwen samen met de grond waarop zij staan voor een enige prijs worden vervreemd, wordt het evenredig recht wegens de vervreemding van de grond berekend over de verkoopwaarde van de grond, geraamd op het tijdstip van de vervreemding, doch met inachtneming van de staat van de grond vóór de aanvang van het werk. Wanneer de vestiging of de overdracht van de in het eerste lid bedoelde zakelijke rechten tevens betrekking heeft op de grond waarop de gebouwen staan en voor een enige prijs gebeurt, wordt het evenredig recht wegens de vestiging of de overdracht van die rechten op de grond, berekend over de waarde van die rechten, geraamd op het tijdstip van de vestiging of de overdracht, doch met inachtneming van de staat van de grond vóór de aanvang van het werk. In die gevallen worden de gegevens nodig voor de berekening van de rechten opgegeven in een verklaring als omschreven in artikel 168.
Indien de overeenkomst betrekking heeft op het vruchtgebruik of de blote eigendom van de grond, wordt de belastbare grondslag bepaald op de wijze vermeld in de artikelen 47 tot 50.
De bepalingen van dit 8° zijn alleen toepasselijk, indien in de akte of in een vóór de registratie bij de akte te voegen geschrift worden vermeld :
a) het jaar waarin, in voorkomend geval, de onroerende voorheffing van het gebouw waarop de overeenkomst betrekking heeft voor het eerst ten cohiere is gebracht;
b) het kantoor waar de belastingplichtige de aangifte moet indienen voor de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde;
c) wanneer de overeenkomst het werk is van een andere dan in artikel 12, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde belastingplichtige, de datum waarop hij kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de verrichting te doen met betaling van de belasting over de toegevoegde waarde.
In geval van onjuistheid van die vermeldingen verbeurt de cedent een boete gelijk aan het ontdoken recht.
9° de contracten tussen de Algemene Spaar- en Lijfrentekas en de leden van de landbouwkantoren verleden, met betrekking tot de waarborg door deze laatsten verstrekt;
10° de contracten van onroerende financieringshuur bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, b, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;
11° de inbreng van goederen in een samenwerkingsverband beheerst, door de wet van 17 juli 1989 betreffende de economische samenwerkingsverbanden of in Europese economische samenwerkingsverbanden;
12° de teruggave van de onroerende goederen aan de leden van een economisch samenwerkingsverband of van Europese economische samenwerkingsverbanden die deze goederen hebben ingebracht, wanneer de teruggave gebeurt tengevolge van de uittreding van deze leden of de ontbinding van het samenwerkingsverband.
Indien onroerende goederen verkregen worden in andere omstandigheden dan deze voorzien in het vorige lid, is voor deze verkrijging, hoe zij ook gebeurt, het voor verkopingen bepaalde recht verschuldigd.
13° … (opgeheven)
14° de inbrengen van onroerende goederen, andere dan die welke gedeeltelijk of geheel tot bewoning aangewend worden of bestemd zijn en door een natuurlijke persoon ingebracht worden, in burgerlijke vennootschappen of handelsvennootschappen met zetel van werkelijke leiding en statutaire zetel buiten België, of met statutaire zetel in België doch met zetel van werkelijke leiding op het grondgebied van één van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap. Deze vrijstelling geldt voor zover de inbreng met maatschappelijke rechten wordt vergolden. Indien de inbreng zowel in België gelegen onroerende goederen als andere goederen omvat wordt, niettegenstaande elk strijdig beding, de vergelding die anders dan door toekenning van maatschappelijke rechten geschiedt, geacht evenredig verdeeld te zijn tussen de waarde die aan de onroerende goederen is toegekend en die welke aan de andere goederen is toegekend. In de mate dat de inbreng betrekking heeft op in België gelegen onroerende goederen wordt hij onderworpen aan het recht voorgeschreven voor verkopingen.
In geval van onjuiste verklaring betreffende de aanwending of de bestemming van het onroerend goed, worden de bijvoegelijke rechten opeisbaar en verbeurt iedere partij een boete gelijk aan de rechten.
Artikel 161
(federale versie die nog van toepassing is op de federaal gebleven registratierechten; wat de gewestelijke registratierechten betreft, wordt er verwezen naar de tekst op fisconet van dit artikel zoals die geldt in het Gewest waaraan de opbrengst van het recht is toegewezen)
Worden kosteloos geregistreerd:
1° akten in der minne verleden ten name of ten bate van Staat, Kolonie en openbare Staatsinstellingen, met uitzondering van de akten verleden in naam of ten gunste van de Algemene Spaar- en Lijfrentekas voor de verrichtingen van de Spaarkas ;
De akten in der minne, die betrekking hebben op onroerende goederen die uitsluitend bestemd zijn voor onderwijs, verleden ten name of ten bate van de inrichtende machten van het gemeenschapsonderwijs of het gesubsidieerd onderwijs, alsook ten name of ten bate van verenigingen zonder winstoogmerk voor patrimoniaal beheer die tot uitsluitend doel hebben onroerende goederen ter beschikking te stellen voor onderwijs dat door de voornoemde inrichtende machten wordt verstrekt.
De akten in der minne verleden ten name of ten bate van de naamloze vennootschap van publiek recht HST-Fin.
De akten in der minne verleden ten name of ten bate van de naamloze vennootschap A.S.T.R.I.D.
De akten verleden ten name of ten bate van de naamloze vennootschap BIO.
Hetzelfde geldt - met uitzondering van akten houdende schenking onder de levenden - voor akten verleden ten name of ten bate van de Nationale Maatschappij voor de huisvesting, de Nationale Landmaatschappij en de Nationale Maatschappij van Belgische spoorwegen.
Deze beschikking is echter slechts van toepassing op de akten waarvan de kosten wettelijk ten laste van bedoelde organismen vallen;
1°bis de vonnissen en arresten houdende veroordeling van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten, van de openbare instellingen die zijn opgericht door de Staat, en van de inrichtingen van de Gemeenschappen en de Gewesten;
2° overdrachten in der minne van onroerende goederen ten algemenen nutte, aan Staat, provinciën, gemeenten, openbare instellingen en aan alle andere tot onteigening gerechtigde organismen of personen; akten betreffende de wederafstand na onteigening ten algemenen nutte in de gevallen waarin hij bij de wet toegelaten is; akten tot vaststelling van een ruilverkaveling of een herverkaveling verricht met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk VI van titel I van de wet houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw; de akten van overdracht van een afgedankte bedrijfsruimte aan de Staat of een andere publiekrechtelijke rechtspersoon ;
3° de akten houdende oprichting, wijziging, verlenging of ontbinding van de Nationale Maatschappij der waterleidingen, van de verenigingen overeenkomstig de bepalingen der wetten van 18 augustus 1907 en van 1 maart 1922 gevormd, van de Maatschappij voor het intercommunaal vervoer te Brussel, van de maatschappijen voor tussengemeentelijk vervoer beheerst door de wet betreffende de oprichting van maatschappijen voor stedelijk gemeenschappelijk vervoer, van de Federale Investeringsmaatschappij, de gewestelijke investeringsmaatschappijen en van de Belgische Naamloze Vennootschap tot Exploitatie van het Luchtverkeer (Sabena);
4° akten die, bij toepassing van de organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de overgave vaststellen van goederen aan of de inbreng in openbare centra voor maatschappelijk welzijn ofwel de overgave van goederen aan of de inbreng in op grond van voornoemde wet opgerichte verenigingen, evenals akten houdende verdeling, na ontbinding of splitsing van een bovenbedoelde vereniging;
5° waarmerkingen en akten van bekendheid, in de gevallen bedoeld in artikel 139 van de hypotheekwet van 16 december 1851;
6° akten houdende verkrijging door vreemde Staten van onroerende goederen die bestemd zijn tot vestiging van hun diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in België, of voor de woning van het hoofd der standplaats.
De kosteloosheid is echter ondergeschikt aan de voorwaarde dat wederkerigheid aan de Belgische Staat toegekend wordt;
7° de akten, vonnissen en arresten betreffende de uitvoering van de wet houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen in der minne;
8° ... ;
9° akten, vonnissen en arresten betreffende de uitvoering der wet op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet en der wet houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bij de uitvoering van grote infrastructuurwerken ;
10° akten tot vaststelling van een vereniging van kolenmijnconcessies, een afstand, een uitwisseling of een verpachting van een gedeelte van deze concessies.
De kosteloosheid is ondergeschikt aan de voorwaarde dat een eensluidend verklaard afschrift van het koninklijk besluit, waarbij de verrichting toegelaten of bevolen wordt, aan de akte gehecht is op het ogenblik der registratie.
Het eerste lid is mede van toepassing wanneer bedoelde akten terzelfdertijd de afstand vaststellen van goederen die voor de exploitatie van de afgestane concessie of het afgestane concessiegedeelte worden gebruikt;
11° de akten en attesten die verplicht bij de akten bedoeld in artikel 140bis moeten worden bijgevoegd;
12° de in artikel 19, 3°, a), bedoelde akten van verhuring, onderverhuring of overdracht van huur;
13° de overeenkomsten bedoeld in artikel 132bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
BIJLAGE 3
Gecoördineerde teksten van de gewijzigde artikelen van het Burgerlijk Wetboek
Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling II, van het Burgerlijk Wetboek
Artikel 1762bis/1
Toepassingsgebied
1. § 1. Deze afdeling is van toepassing op huurovereenkomsten betreffende een woning die de huurder, met uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming van de verhuurder, vanaf de ingenottreding tot zijn hoofdverblijfplaats bestemt. Een woning is elk roerend en onroerend goed of een deel ervan dat tot hoofdverblijfplaats van de huurder is bestemd.
Het beding waarbij het gehuurde goed niet tot hoofdverblijfplaats van de huurder mag dienen en dat niet uitdrukkelijk noch ernstig kan worden gestaafd, onder meer door elementen met betrekking tot de natuurlijke bestemming van het goed, en waarin de hoofdverblijfplaats van de huurder tijdens de huurovereenkomst niet is vermeld, wordt voor niet geschreven gehouden.
Deze afdeling is tevens van toepassing indien de woning, met de schriftelijke toestemming van de verhuurder, in de loop van de huurovereenkomst tot hoofdverblijfplaats wordt bestemd. In dat geval neemt de huurovereenkomst een aanvang de dag waarop deze toestemming is verleend.
Deze afdeling is van toepassing op de onderhuur van de in het eerste lid bedoelde woning, aangegaan overeenkomstig artikel 4 van deze afdeling en binnen de grenzen bepaald in hetzelfde artikel.
§ 1bis. Deze afdeling is tevens van toepassing op de onderhuur aangegaan door de verenigingen of door de rechtspersonen bedoeld in artikel 1717, tweede lid, tweede zin, binnen de grenzen bepaald in artikel 4, § 2bis. In dat geval is ook de hoofdhuurovereenkomst onderworpen aan de bepalingen van deze afdeling.
§ 2. Deze afdeling is niet van toepassing wanneer de overeenkomst op grond waarvan de woning aan de huurder wordt toegewezen, ondergeschikt is aan een hoofdovereenkomst, die betrekking heeft op de functie of de bedrijvigheid van de huurder.
§ 3. Deze afdeling is niet langer van toepassing zodra het gehuurde pand niet meer tot hoofdverblijfplaats wordt bestemd.
Staat van het gehuurde goed
2. Het gehuurde goed moet beantwoorden aan de elementaire vereisten van veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid.
Of deze voorwaarde is vervuld wordt beoordeeld aan de hand van de staat van het goed op het ogenblik dat de huurder in het genot ervan treedt.
De Koning stelt de voorwaarden vast waaraan ten minste voldaan moet zijn opdat het gehuurde goed beantwoordt aan de vereisten bepaald in het eerste lid.
Indien de door de vorige leden voorgeschreven voorwaarden niet zijn vervuld, heeft de huurder de keuze ofwel de uitvoering te eisen van de werken die noodzakelijk zijn om het gehuurde goed in overeenstemming te brengen met de vereisten van het eerste lid, ofwel de ontbinding van de huurovereenkomst te vragen met schadevergoeding.
In afwachting van de uitvoering van de werken, kan de rechter een vermindering van de huurprijs toestaan.
Duur van de huurovereenkomst
3. § 1. Elke huurovereenkomst bedoeld in artikel 1 wordt geacht te zijn aangegaan voor een duur van negen jaar.
De huurovereenkomst eindigt na het verstrijken van een periode van negen jaar indien ten minste zes maanden vóór de vervaldag door één van beide partijen een opzegging wordt betekend.
Indien binnen deze termijn geen opzegging wordt betekend, wordt de huurovereenkomst telkens onder dezelfde voorwaarden voor een duur van drie jaar verlengd.
§ 2. De verhuurder kan de huurovereenkomst evenwel te allen tijde beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden, indien hij voornemens is het goed persoonlijk en werkelijk te betrekken of het op dezelfde wijze te laten betrekken door zijn afstammelingen, zijn aangenomen kinderen, zijn bloedverwanten in opgaande lijn, zijn echtgenoot, door diens afstammelingen, bloedverwanten in opgaande lijn en aangenomen kinderen, door zijn bloedverwanten in de zijlijn en de bloedverwanten in de zijlijn van zijn echtgenoot tot in de derde graad. Wordt de opzegging gegeven opdat bloedverwanten in de derde graad het goed kunnen betrekken, dan kan de opzeggingstermijn niet verstrijken vóór het einde van de eerste driejarige periode vanaf de inwerkingtreding van de huurovereenkomst.
De opzegging vermeldt de identiteit van de persoon die het goed zal betrekken en de band van verwantschap met de verhuurder. Deze laatste moet op verzoek van de huurder de band van verwantschap bewijzen. De verhuurder moet aan dit verzoek voldoen binnen een termijn van twee maanden te rekenen van de kennisgeving ervan; zoniet kan de huurder de nietigverklaring van de opzegging vorderen. Die vordering moet op straffe van verval uiterlijk twee maanden vóór het verstrijken van de opzeggingstermijn worden ingesteld.
Het goed moet binnen een jaar na het verstrijken van de opzegging door de verhuurder of, in geval van verlenging, na teruggave van het goed door de huurder, worden betrokken. Het goed moet gedurende ten minste twee jaar werkelijk en doorlopend betrokken blijven.
Indien de verhuurder, zonder het bewijs te leveren van buitengewone omstandigheden, binnen de gestelde termijn en voorwaarden de betrekking van het goed niet verwezenlijkt, heeft de huurder recht op een vergoeding die gelijk is aan achttien maanden huur.
De partijen kunnen evenwel overeenkomen om de mogelijkheid van vroegtijdige beëindiging uit te sluiten of te beperken.
§ 3. Bij het verstrijken van de eerste en de tweede driejarige periode kan de verhuurder de huurovereenkomst beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden indien hij voornemens is het onroerend goed of een gedeelte ervan weder op te bouwen, te verbouwen of te renoveren, op voorwaarde dat die werkzaamheden:
- worden uitgevoerd met eerbiediging van de bestemming van het goed die voortvloeit uit de wets- en verordeningsbepalingen inzake stedebouw;
- worden uitgevoerd aan het door de huurder bewoonde gedeelte en
- meer kosten dan drie jaar huur van het verhuurde goed ofwel, indien het gebouw waarin dit goed gelegen is uit verscheidene verhuurde woningen bestaat die aan dezelfde verhuurder toebehoren en die van de werkzaamheden ongerief hebben, meer kosten dan twee jaar huur voor al die woningen samen.
Met het oog op het goede verloop van de werken kan de verhuurder van verscheidene woningen in eenzelfde gebouw te allen tijde verscheidene huurovereenkomsten beëindigen, met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden, voor zover de huurovereenkomst niet tijdens het eerste jaar wordt opgezegd.
De verhuurder moet aan de huurder kennis geven van, ofwel de hem verleende bouwvergunning, of een omstandig bestek, of een beschrijving van de werkzaamheden samen met een gedetailleerde kostenraming, of een aannemingsovereenkomst.
De werken moeten worden aangevat binnen zes maanden en worden beëindigd binnen vierentwintig maanden na het verstrijken van de opzegging door de verhuurder of, in geval van verlenging, na de teruggave van het goed door de huurder.
Indien de verhuurder, zonder het bewijs te leveren van buitengewone omstandigheden, binnen de gestelde termijn en voorwaarden de werken niet uitvoert, heeft de huurder recht op een vergoeding die gelijk is aan achttien maanden huur.
Op verzoek van de huurder is de verhuurder verplicht hem kosteloos de documenten mede te delen waaruit blijkt dat de werken overeenkomstig de bij deze paragraaf gestelde voorwaarden zijn uitgevoerd.
De partijen kunnen evenwel overeenkomen om de mogelijkheid van vroegtijdige beëindiging uit te sluiten of te beperken.
§ 4. Bij het verstrijken van de eerste en de tweede driejarige periode kan de verhuurder de huurovereenkomst beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van zes maanden, zonder motivering, maar met betaling van een vergoeding.
Deze vergoeding is gelijk aan negen dan wel zes maanden huur naargelang de overeenkomst een einde neemt bij het verstrijken van de eerste of de tweede driejarige periode.
De partijen kunnen evenwel overeenkomen om deze mogelijkheid van vroegtijdige beëindiging uit te sluiten of te beperken.
§ 5. De huurder kan de huurovereenkomst op ieder tijdstip beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden.
Indien de huurder de huurovereenkomst evenwel beëindigt tijdens de eerste driejarige periode, heeft de verhuurder recht op een vergoeding. Die vergoeding is gelijk aan drie maanden, twee maanden of één maand huur naargelang de huurovereenkomst een einde neemt gedurende het eerste, het tweede of het derde jaar.
Zolang het huurcontract niet geregistreerd is na de termijn van twee maanden bedoeld in artikel 32, 5°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, zijn zowel de in het eerste lid bedoelde opzeggingstermijn als de in het tweede lid bedoelde vergoeding niet van toepassing.
Wanneer de verhuurder de huurovereenkomst beëindigt overeenkomstig de §§ 2 tot 4, kan de huurder op zijn beurt de huurovereenkomst te allen tijde beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand. In dat geval is hij de vergoeding bedoeld in het vorige lid niet verschuldigd.
§ 6. In afwijking van § 1 kan de huurovereenkomst schriftelijk worden gesloten voor een duur die korter is dan of gelijk aan drie jaar.
Die huurovereenkomst is niet onderworpen aan de bepalingen van de §§ 2 tot 5.
Zij kan slechts eenmaal, enkel schriftelijk en onder dezelfde voorwaarden, worden verlengd zonder dat de totale duur van de huur langer dan drie jaar mag zijn.
Zij wordt beëindigd mits één van de partijen ten minste drie maanden vóór het verstrijken van de in de overeenkomst bepaalde duur een opzegging betekent.
Niettegenstaande enig andersluidend beding of andersluidende overeenkomst, wordt bij ontstentenis van een tijdig betekende opzegging of indien de huurder het goed blijft bewonen zonder verzet van de verhuurder, zelfs in de veronderstelling dat een nieuwe huurovereenkomst wordt gesloten tussen dezelfde partijen, de huurovereenkomst geacht te zijn aangegaan voor een duur van negen jaar te rekenen van de datum waarop de aanvankelijke huurovereenkomst van korte duur in werking is getreden en is zij derhalve onderworpen aan de §§ 1 tot 5. In dat geval blijven de huurprijs en de andere voorwaarden dezelfde als die welke bepaald waren in de aanvankelijk gesloten huurovereenkomst van korte duur, zulks onverminderd de toepassing van de artikelen 6 en 7.
§ 7. In afwijking van § 1 kan de huurovereenkomst tevens bij geschrift worden gesloten voor een termijn die een duur van negen jaar te boven gaat.
Die huurovereenkomst loopt ten einde bij het verstrijken van de overeengekomen termijn mits een van de partijen ten minste zes maanden vóór de vervaldag een opzegging betekent.
Als binnen die termijn geen opzegging wordt betekend, wordt de huurovereenkomst telkens onder dezelfde voorwaarden voor een duur van drie jaar verlengd.
De vergoeding die met toepassing van artikel 3, § 4, is verschuldigd door de verhuurder die, bij het verstrijken van de derde driejarige periode of van een volgende driejarige periode, een einde maakt aan de huurovereenkomst, is gelijk aan drie maanden huur.
§ 8. In afwijking van § 1 kan de huurder een schriftelijke huurovereenkomst sluiten voor het leven. Die huurovereenkomst eindigt van rechtswege bij het overlijden van de huurder. Die huurovereenkomst is niet onderworpen aan de bepalingen van de §§ 2 tot 4, tenzij partijen anders overeenkomen.
§ 9. In alle gevallen waarin een opzegging te allen tijde kan worden gedaan, neemt de opzeggingstermijn een aanvang de eerste dag van de maand die volgt op de maand tijdens welke de opzegging wordt gedaan.
Overdracht van huur en onderhuur
4. § 1. De overdracht van de huurovereenkomst is verboden, behoudens schriftelijke en voorafgaande toestemming van de verhuurder. In dat geval wordt de overdrager ontheven van elke toekomstige verplichting, behoudens een in de overeenkomst tot overdracht van de huurovereenkomst opgenomen andersluidend beding.
§ 2. De huurder die een woning in huur genomen heeft die hij tot zijn hoofdverblijfplaats bestemt, mag het goed niet volledig onderverhuren.
Met de instemming van de verhuurder mag hij een gedeelte van dat goed onderverhuren op voorwaarde dat het resterende gedeelte tot zijn hoofdverblijfplaats bestemd blijft. Indien het onderverhuurde goed bestemd wordt als hoofdverblijfplaats van de onderverhuurder, worden de rechten en verplichtingen van de huurder en van de onderhuurder, wat hun respectieve verhouding betreft, bepaald door deze afdeling, onder voorbehoud van de volgende bepalingen van deze paragraaf.
De duur van de onderverhuring mag de resterende looptijd van de hoofdhuurovereenkomst niet overtreffen.
De huurder moet vooraf de onderhuurder in kennis stellen van diens hoedanigheid en van de omvang van diens rechten.
Wanneer de verhuurder aan de hoofdhuurovereenkomst een einde maakt, moet de huurder uiterlijk de vijftiende dag na ontvangst van de opzegging een afschrift daarvan aan de onderhuurder betekenen en hem ervan in kennis stellen dat de onderverhuring op dezelfde dag als de hoofdhuurovereenkomst beëindigd wordt.
Wanneer de huurder vervroegd de hoofdhuurovereenkomst beëindigt, moet hij de onderhuurder een opzeggingstermijn van ten minste drie maanden geven, samen met een afschrift van de opzegging die hij aan de verhuurder richt, en moet hij de onderhuurder een vergoeding betalen die gelijk is aan drie maanden huur.
In de gevallen bedoeld in de twee voorgaande leden, is artikel 11 niet van toepassing.
§ 2bis. Onderverhuring is toegestaan onder de voorwaarden bepaald in artikel 1717, tweede lid, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek, door de erin vermelde rechtspersonen. Het derde tot zevende lid van § 2 zijn op deze onderverhuring van toepassing.
§ 3. De huurder is ten aanzien van de verhuurder en de onderhuurder of de overnemer aansprakelijk voor de gevolgen die voortvloeien uit de niet-naleving van de bepalingen van dit artikel.
Onroerende voorheffing
5. De onroerende voorheffing betreffende het gehuurde onroerende goed kan niet ten laste van de huurder worden gelegd.
5bis. - De verplichting van de registratie van de huurovereenkomst rust op de verhuurder. De kosten verbonden aan een eventueel laattijdige registratie zijn volledig ten zijne laste.
Indexatie
6. Indien zulks niet uitdrukkelijk is uitgesloten en op voorwaarde dat de huurovereenkomst bij geschrift is gesloten, is de aanpassing van de huurprijs aan de kosten van levensonderhoud eenmaal per huurjaar, verschuldigd op de verjaardag van de inwerkingtreding van de huurovereenkomst, volgens de regels bepaald bij artikel 1728bis van het Burgerlijk Wetboek.
Deze aanpassing vindt slechts plaats op schriftelijk verzoek van de belanghebbende partij en werkt slechts terug tot drie maanden voorafgaand aan die van het verzoek.
Herziening van de huurprijs en de lasten
7. § 1. Onverminderd artikel 8 kunnen de partijen tussen de negende en de zesde maand voorafgaand aan het verstrijken van elke driejarige periode overeenkomen dat de huurprijs wordt herzien.
Bij gebrek aan overeenstemming tussen de partijen kan de rechter een herziening van de huurprijs toestaan indien blijkt dat de normale huurwaarde van het gehuurde goed ten gevolge van nieuwe omstandigheden ten minste twintig percent hoger of lager is dan de op het tijdstip van de indiening van het verzoek eisbare huurprijs.
Hij kan tevens een verhoging van de huurprijs toestaan aan de verhuurder die bewijst dat de normale huurwaarde van het gehuurde goed met ten minste tien percent van de op het tijdstip van de indiening van het verzoek eisbare huurprijs is gestegen ten gevolge van werken die op zijn kosten in het gehuurde goed zijn uitgevoerd, met uitzondering van de werken die noodzakelijk waren om het goed in overeenstemming te brengen met de vereisten van artikel 2, eerste lid.
De rechter doet uitspraak naar billijkheid.
De vordering kan slechts worden ingesteld tussen de zesde en de derde maand vóór het verstrijken van de driejarige periode.
De herziene huurprijs geldt te rekenen van de eerste dag van de volgende driejarige periode, maar de vroegere huurprijs kan voorlopig worden gevorderd tot op de dag van de definitieve beslissing.
In het geval van artikel 3, § 8, kunnen partijen evenwel overeenkomen af te zien van het recht de huurprijs te herzien.
§ 1bis. Indien een woning het voorwerp is van opeenvolgende huurovereenkomsten met verschillende huurders, gesloten voor een duur die korter is dan of gelijk aan drie jaar en die beëindigd worden door een opzegging door de verhuurder, mag de basishuurprijs gedurende negen opeenvolgende jaren niet hoger zijn dan de bij het begin van de negenjarige periode eisbare huurprijs, proportioneel aangepast aan de kosten van levensonderhoud, tenzij de normale huurwaarde van het goed ondertussen ten gevolge van nieuwe omstandigheden, met ten minste twintig percent of ten gevolge van werken in het gehuurde goed met ten minste tien percent is gestegen.
Niettegenstaande enig andersluidend beding of andersluidende overeenkomst vermindert de rechter de huurprijs tot de huurprijs die eisbaar is krachtens de vorige huurovereenkomst, proportioneel aangepast aan de kosten van levensonderhoud, wanneer de verhuurder niet bewijst dat de huurprijs werd vastgesteld overeenkomstig de belangen van het eerste lid.
De proportioneel aangepaste huurprijs wordt berekend als volgt: basishuurprijs bij het begin van de negenjarige periode vermenigvuldigd met het indexcijfer van de maand voorafgaand aan die van het sluiten van de nieuwe huurovereenkomst en gedeeld door het indexcijfer van de maand voorafgaand aan die van het sluiten van de huurovereenkomst bij het begin van de negenjarige periode.
§ 2. Iedere partij kan te allen tijde aan de vrederechter de herziening van de forfaitaire kosten en lasten vragen of de omzetting ervan in werkelijke kosten en lasten.
De rechter doet inzonderheid uitspraak op grond van de ontwikkeling van de werkelijke uitgaven.
Hij beslist tot de omzetting indien zij mogelijk is.
Renovatie
8. De partijen kunnen te allen tijde schriftelijk overeenkomen dat de huurder zich ertoe verbindt op zijn kosten in het gehuurde goed bepaalde werken uit te voeren, die door de verhuurder moeten worden verricht. Zij moeten de termijn bepalen waarbinnen de werken moeten worden uitgevoerd.
In dat geval kan van artikel 2 worden afgeweken op voorwaarde dat de voorgenomen werken er toe strekken het gehuurde goed in overeenstemming te brengen met de vereisten van dat artikel, dat deze werken precies omschreven worden, dat de aanvang voor de werken binnen een redelijk tijdstip is bepaald en dat geen huurgelden verschuldigd zijn tijdens de overeengekomen duur ervan, met dien verstande dat deze duur niet korter mag zijn dan degene die redelijkerwijze noodzakelijk is om ze uit te voeren.
Als tegenprestatie verbindt de verhuurder zich ertoe tijdens een bepaalde periode die meer dan negen jaar kan bedragen, af te zien van het recht aan de huurovereenkomst een einde te maken of van het recht de herziening van de huurprijs te vragen, of verbindt hij zich ertoe de huurprijs te verlagen of kwijt te schelden.
Na beëindiging van de werken wordt op verzoek van de meest gerede partij overgegaan tot de oplevering ervan op tegenspraak.
Overdracht van het gehuurde goed
9. Indien de huurovereenkomst een vaste dagtekening vóór de vervreemding van het gehuurde goed heeft, treedt de verkrijger om niet of onder bezwarende titel in de rechten en verplichtingen van de verhuurder op de datum van het verlijden van de authentieke akte, zelfs indien de huurovereenkomst het recht van uitzetting in geval van vervreemding bedingt.
Hetzelfde geldt wanneer de huurovereenkomst geen vaste dagtekening vóór de vervreemding heeft, indien de huurder het verhuurde goed sinds ten minste zes maanden betrekt. In dat geval kan de verkrijger evenwel de huurovereenkomst te allen tijde beëindigen, om de redenen en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 3, § 2, 3 en 4, mits aan de huurder, op straffe van verval, een opzegging van drie maanden wordt betekend binnen drie maanden te rekenen van de datum van het verlijden van de authentieke akte tot vaststelling van de overgang van eigendom.
Waarborg
10. Indien de huurder, ongeacht de in artikel 1752 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde zekerheid, ter nakoming van zijn verbintenissen een waarborg stelt die bestaat in een som geld, mag deze een bedrag gelijk aan drie maanden huur niet overtreffen.
Deze waarborg moet bij een financiële instelling op een geïndividualiseerde rekening op naam van de huurder worden geplaatst; de interest wordt gekapitaliseerd en de verhuurder verkrijgt een voorrecht op het actief van de rekening voor elke schuldvordering voortvloeiend uit de gehele of gedeeltelijke niet-nakoming door de huurder van zijn verplichtingen.
Wanneer de verhuurder in het bezit is van de waarborg en nalaat deze te plaatsen op de wijze bepaald in het tweede lid, is hij de huurder de gemiddelde marktrente op het bedrag van de waarborg verschuldigd vanaf de overhandiging ervan.
Deze interest wordt gekapitaliseerd. Vanaf de dag waarop de huurder de verhuurder aanmaant de verplichting na te komen die hem bij het tweede lid wordt opgelegd, zijn evenwel de wettelijke interesten op het bedrag van de waarborg verschuldigd.
Over de waarborgrekening, zowel wat de hoofdsom als de interesten betreft, mag niet worden beschikt ten bate van de ene of de andere partij, dan op voorlegging of van een schriftelijk akkoord, opgemaakt ten vroegste na beëindiging van de huurovereenkomst, of van een afschrift van een rechterlijke beslissing. Die beslissing is uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande verzet of beroep en zonder borgtocht, noch kantonnement.
Verlenging wegens buitengewone omstandigheden
11. Wanneer een huurovereenkomst vervalt of eindigt ten gevolge van een opzegging, kan de huurder, die het bewijs levert van buitengewone omstandigheden, om een verlenging verzoeken.
Deze verlenging wordt, op straf van nietigheid, uiterlijk een maand voor de vervaldag van de huur aan de verhuurder gevraagd bij een ter post aangetekende brief.
Bij gebrek aan overeenstemming tussen de partijen kan de rechter, rekening houdend met de belangen van de twee partijen, ondermeer met de eventuele hoge leeftijd van een van de partijen, de verlenging toestaan. Hij stelt de duur ervan, die bepaald moet zijn, vast. De rechter, kan in dit geval, indien hij het billijk acht, op verzoek van de verhuurder eveneens een verhoging van de huurprijs toestaan, en de vergoeding die bij toepassing van artikel 3, § 4, verschuldigd is, beperken of opheffen.
Slechts één aanvraag om hernieuwing van de verlenging kan worden ingediend onder dezelfde voorwaarden.
Bij gebrek aan overeenstemming tussen de partijen kan de rechter deze verlenging toestaan eveneens onder dezelfde voorwaarden.
12. Behalve als zij er anders over beschikken, zijn de bepalingen, zijn de bepalingen van deze afdeling van dwingend recht.
BIJLAGE 4
Belgische Senaat
Handelingen
Donderdag 19 oktober 2006 - Namiddagvergadering
(vervolg)
Handelingen
Donderdag 19 oktober 2006 - Namiddagvergadering
(vervolg)
Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de Staatssecretaris voor Administratieve vereenvoudiging over "de registratie van huurcontracten" (nr. 3-1832)
De voorzitter.- De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT).- Op 10 maart kondigde de minister aan dat hij het belastingzegel en het registratierecht op huurcontracten zou afschaffen in het kader van een vereenvoudiging van de registratie van huurcontracten.
Uit cijfers van de FOD Financiën blijkt dat amper een huurder op vier zijn huurcontract laat registreren. Registratie is nochtans wettelijk verplicht en nodig op het contract tegen derden inroepbaar te maken, een cruciaal element als het ooit tot een rechtszaak komt of tot een procedure voor de vrederechter. Bij verandering van eigenaar kan ook de huurprijs voor de huurder niet zomaar de hoogte in.
De afschaffing van het zegel is een goede zaak. De minister kondigde aan dat de (lees ver-)huurder via e-mail, of via een kopie van het contract per brief de registratie in orde zou kunnen maken.
Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen:
1. Welke timing plant de minister om de vereenvoudiging effectief te realiseren? Is er reeds een wetsontwerp klaar ? Zo neen, hoe ver staat het ermee?
2. Hoe zal de vereenvoudiging er in concreto uitzien? Is er reeds een akkoord met de Administratie van het Kadaster, Registratie en Domeinen over de maatregelen om de vereenvoudiging door te voeren.
De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van de staatssecretaris.
"De afschaffing van de fiscale zegel die vereist was bij de registratie van huurovereenkomsten, werd opgenomen in de afschaffing van het Wetboek Zegelrechten. De Ministerraad plant de inwerkingtreding van deze vereenvoudiging, door de invoering van het nieuwe Wetboek diverse rechten en taksen, voor begin volgend jaar.
De werkgroep die zich met deze materie bezighoudt heeft voorgesteld het vaste recht van 25 euro, dat verschuldigd is voor de registratie van huurcontracten met betrekking tot onroerende goederen bestemd voor bewoning integraal af te schaffen.
Tijdens een bijeenkomst van de werkgroep werd ook een aanpassing van het Wetboek van registratierechten voorgesteld, zodat de huurcontracten voortaan via het internet ter registratie kunnen worden aangeboden. De bespreking van de voorstellen is nog volop aan de gang. De voorstellen zullen normaal worden opgenomen in de programmawet en begin 2007 in werking treden.
De verhuurder zal voortaan instaan voor de registratie van het huurcontract. Indien hij dat nalaat, kan hij geen aanspraak maken op enige huuropzeg ten laste van de huurder. Hij kan zich hiervoor nog steeds persoonlijk op het registratiekantoor aanmelden, maar de huurovereenkomst ook via e-mail versturen. Dat laatste was tot nog toe onmogelijk, omdat de registratie aan de hand van de originele akte diende te gebeuren en er een fiscale zegel van vijf euro moest worden gekleefd. Met de algemene administratie Patrimoniumdocumentatie werd al overeenstemming bereikt over de nodige aanpassingen in het Wetboek van registratierechten. In de komende maanden willen we de praktische uitwerking ervan in handen nemen".
Bron: FisconetPlus
