Circulaire nr. 21/2003 (AINV 3/2003 - IR/IV-4/7.014 - E.T.102.201) dd. 31.07.2003

CIRC 21/2003

Circulaire nr. 21/2003 (AINV 3/2003 - IR/IV-4/7.014 - E.T.102.201) dd. 31.07.2003

Bull. nr. 841, pag. 2504-2511

BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE

Vervoermiddel

In het buitenland ingeschreven voertuig gebruikt door een Belgische verblijfhouder

Bedrijfswagen ter beschikking gesteld door de in het buitenland gevestigde werkgever

BTW-attest bedoeld door aanschr. nr 1 van 3 mei 2000 van de AOIF-Sector BTW

Controlemaatregel

MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE BELASTINGEN

Verkeersbelasting op de autovoertuigen

Aanvullende verkeersbelasting

Accijnscompenserende belasting

Belasting op de inverkeerstelling

In het buitenland ingeschreven voertuig gebruikt door een Belgische verblijfhouder

Aan al de ambtenaren van de niveaus 1, 2+ en 2 van de sectoren taxatie en invordering (DB en BTW).

I. INLEIDING

1. Het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen (B.S., 08.08.2001) vervangt het koninklijk besluit van 31 december 1953 houdende reglementering van de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens.

Het nieuwe besluit geeft een duidelijkere omschrijving van de inschrijvingsplicht. Artikel 3, § 1, van dit besluit verplicht de in België verblijvende personen om de voertuigen die zij hier gebruiken daadwerkelijk in België te laten inschrijven, zelfs wanneer deze voertuigen reeds in een ander land zijn ingeschreven.

2. Bepaalde voertuigen kunnen verder in België worden gebruikt door personen die er verblijf houden met behoud van hun buitenlandse inschrijving.

Immers, ingevolge de §§ 2 en 3 van hetzelfde artikel geldt de inschrijvingsplicht in België niet voor:

a) het voertuig dat door een buitenlandse verhuurder voor hoogstens achtenveertig uren wordt ter beschikking gesteld van een natuurlijke persoon of rechtspersoon die ingeschreven is in de bevolkingsregisters van een Belgische gemeente of in een Belgisch handelsregister;

b) het voertuig dat door een natuurlijke persoon wordt gebruikt voor de uitoefening van zijn beroep en in het buitenland ingeschreven is op naam van een buitenlandse eigenaar waarmee die persoon verbonden is door een arbeidsovereenkomst; een door de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit (AOIF), Sector BTW, afgeleverd attest (zie model als bijlage) moet zich steeds aan boord van het voertuig bevinden (z. aanschr. nr 1 van 3 mei 2000 van de AOIF, Sector BTW);

c) het personenvoertuig bestuurd door een ambtenaar die in België verblijft en werkt voor een internationale instelling in een andere lidstaat van de Europese Unie; een door de werkgever afgeleverde accreditatiekaart moet zich steeds aan boord van het voertuig bevinden;

d) het voertuig waarvan die persoon eigenaar is die als tijdelijk afwezige persoon wordt beschouwd in de zin van artikel 18, 6°, 8° en 9° van het koninklijk besluit van 16 juni 1992 betreffende de bevolkingsregister en het vreemdelingenregister en waarbij dit laatste niet langer dan zes maanden zonder onderbreking in België wordt gestald; voor de toepassing van deze uitzondering worden als tijdelijk of afwezige personen beschouwd:

  • het militair personeel en het burgerpersoneel van de Belgische Strijdkrachten in Duitsland, de militairen die in het buitenland gedetacheerd zijn bij hetzij internationale of supranationale organismen, hetzij bij een militaire basis in het buitenland;
  • de Belgische diplomatieke ambtenaren, de leden van het administratief en technisch personeel van de Belgische diplomatieke missies, de Belgische consulaire ambtenaren en consulaire beroepswerknemers;
  • de leden van het personeel van de coöperatie met de ontwikkelingslanden en de personen die op coöperatieopdracht gestuurd worden door verenigingen die erkend zijn door het Algemeen Bestuur voor Ontwikkelingssamenwerking voor de duur van hun coöperatieopdracht;

e) de voertuigen die door sommige, met bijzondere opdrachten belaste, rijksdiensten worden gebruikt; het betreft hier gevallen van vrijstelling van inschrijving die uitzonderlijk door de Minister van Mobiliteit en Vervoer of zijn gemachtigde worden verleend.

3. Bovenvermeld koninklijk besluit is in werking getreden op 1 oktober 2001.

4. In de voormelde gevallen moeten de voertuigen niet aan de belasting in België worden onderworpen. Er zal bijgevolg vrijstelling worden verleend van de VB, van de AVB en van de ACOB.

5. Daarenboven werden ook nog de twee hiernavermelde gevallen niet opgenomen in de aanschrijving nr 1 van 3 mei 2000 van de AOIF, Sector BTW, noch bepaald in het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen. In deze twee gevallen zullen de voertuigen in België als niet belastbaar worden beschouwd en moet geen enkel BTW-attest worden afgeleverd:

a) het voertuig dat toebehoort aan een buitenlandse onderneming en uitsluitend wordt gebruikt voor beroepsdoeleinden door een Belgische verblijfhouder die deel uitmaakt van deze onderneming (vrachtwagens en lichte vrachtwagens om de leveringen te verrichten, dienstverlening, …);

b) het autovoertuig dat wordt gebruikt door een in het buitenland verblijf houdende student gedurende de effectieve duurtijd van zijn studies, en die enkel in België verblijft om zijn studies verder te zetten in een in België gevestigde onderwijsinrichting.

II. PRAKTISCHE RICHTLIJNEN

6. Wanneer een belastingplichtige die een in het buitenland ingeschreven voertuig in België gebruikt, zich hiervoor aanbiedt of telefonisch contact opneemt, is het van belang om eerst na te gaan of deze zich niet in één van de onder punt 2 hiervoor vermelde gevallen bevindt.

7. Indien het een Belgische verblijfhouder betreft die een voertuig gebruikt (personenauto, auto voor dubbel gebruik, minibus of motorfiets) dat door zijn in het buitenland gevestigde werkgever ter zijner beschikking werd gesteld, onder andere voor het woon-werkverkeer, (geval bedoeld onder nr 2 b), moet hij worden uitgenodigd, voor zover dit nog niet zou gebeurd zijn, om de eerstaanwezend inspecteur van de BTW van zijn woonplaats te contacteren met het oog op het bekomen van een attest zoals bedoeld door de aanschr. nr 1 van 3 mei 2000, van de AOIF, Sector BTW.

In dit verband moet worden opgemerkt dat de wet van 25 januari 1999 houdende wijziging van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen overeenkomstig de richtlijn nr 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen (B.S., 19.02.1999 - V 2662) in hetzelfde wetboek een artikel 5, § 1, 9° heeft ingevoegd dat een vrijstelling van de VB invoert voor de bedoelde autovoertuigen. In afwachting van een koninklijk besluit dat de voorwaarden en toepassingsmodaliteiten van deze vrijstelling zal bepalen, wordt het huidige administratieve standpunt gehandhaafd.

Er wordt aan herinnerd dat er geen controle op de VB moet worden uitgeoefend wanneer de bestuurder een attest voorlegt dat werd afgeleverd overeenkomstig de aanschr. nr 1 van 3 mei 2000, van de AOIF, Sector BTW.

Wanneer het attest niet werd afgeleverd maar de belastingplichtige aan de vereiste voorwaarden voldoet, moet hij worden uitgenodigd zich aan te bieden op het bevoegde BTW-kantoor teneinde een dergelijk attest te bekomen.

Wanneer de belastingplichtige niet de vereiste voorwaarden vervult, moet een proces-verbaal worden opgesteld lastens de persoon die het voertuig gebruikt of exploiteert (d.i. de Belgische verblijfhouder die bestendig of gewoonlijk over het voertuig beschikt en die het voor persoonlijke doeleinden in België aanwendt).

Voor de personen die tewerkgesteld worden door een Luxemburgse werkgever, zal het bekomen of het behoud van een BTW-attest worden onderworpen aan o.a. het voorleggen van een kopie van de arbeidsovereenkomst evenals een attest afkomstig van de Luxemburgse sociale zekerheidsdienst. Met de medewerking van de Luxemburgse autoriteiten zullen de fictieve arbeidsovereenkomsten kunnen worden opgespoord. In ieder geval moet een zekere termijn worden verleend voor het bekomen van de vereiste attesten.

8. Indien het een ambtenaar betreft die voor een internationale instelling werkt in een andere lidstaat van de Europese Unie, moet er worden op gewezen dat de voorlegging van diens accreditatiekaart op het ogenblik van een eventuele controle volstaat.

In elk ander geval (1) dan deze bedoeld onder punt 2, moet de in België verblijf houdende persoon worden uitgenodigd het douanekantoor van zijn keuze te contacteren met het oog op het bekomen van een vignet 705 dat hem zal toelaten zijn voertuig in België in te schrijven.

[(1) Er wordt opgemerkt dat de artikelen 559 tot 561 van het Communautair Wetboek van toepassing zijn op een aantal uitzonderlijke gevallen waarin een in de Gemeenschap gevestigde persoon tijdelijk een buiten de Gemeenschap ingeschreven voertuig kan invoeren. De voormelde artikelen bepalen zelfs uitzonderingen die men niet terugvindt in het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen (cf. § 29 van de circulaire D.D. 233.393 van 27 september 2001).]

Indien deze persoon zijn in het buitenland ingeschreven voertuig blijft gebruiken, dan is deze er toe gehouden een aangifte nr 651 te onderschrijven bij de bevoegde ontvanger der directe belastingen, de gebruikelijke belastingen te betalen en het vereiste fiscaal kenteken te bevestigen.

Voor de Administrateur-generaal

van de Belastingen en de Invordering:

De Auditeur-generaal van financiën,

L. VAN DER WESTEN

Auditeur-generaal, dienstchef

De Auditeur-generaal van financiën,

F. HAMELS

J.-M. PREVOST