Circulaire nr. Ci.RH.861/573.445 - Ci.RH.862/536.019 (AOIF 49/2005) dd. 13.12.2005

ADMINISTRATIEVE GESCHILLENPROCEDURE
Bezwaarschrift
Kennisgeving aan de belastingplichtige
Ontheffing van ambtswege
Ontvangstbewijs van het administratief beroep

BEZWAARSCHRIFT
Beslissing van de directeur
Indienen van het bezwaarschrift

GERECHTELIJKE GESCHILLENREGELING
Voorziening in cassatie
Vordering bij de Rechtbank van eerste aanleg

HERVORMING VAN DE FISCALE PROCEDURE
Administratieve geschillenprocedure
Gerechtelijke geschillenregeling

ONTHEFFING VAN AMBTSWEGE
Beslissing van de directeur
Nieuw bescheid of feit
Ontheffing via kohier


Bezwaarschrift ingediend bij een territoriaal onbevoegd gewestelijk directeur. - Ambtshalve ontheffing via kohier. - Arrest van het Arbitragehof als nieuw feit in de zin van art. 376, § 1, WIB 92.
Aan alle ambtenaren van de sector taxatie.

I. INLEIDING
1. Deze circulaire bevat de commentaar op de Programmawet van 27 december 2004 (Belgisch Staatsblad van 31 december 2004) voor zover ze de bepalingen van Titel VII, Hoofdstuk VII van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vervolledigt, wijzigt of opheft (art. 366 tot 392, WIB 92).

II. WETTEKST
2. Art. 376
Artikel 366 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij de wet van 15 maart 1999, wordt aangevuld met de volgende leden :
"Het bezwaarschrift blijft evenwel geldig ingediend wanneer het gebracht wordt voor een andere directeur van de belastingen dan deze bedoeld in het eerste lid.
Wanneer het bezwaarschrift gericht wordt aan een andere directeur van de belastingen, zendt deze het van ambtswege door aan de territoriaal bevoegde directeur en stelt de bezwaarindiener hiervan in kennis.".
Art. 377
Artikel 370 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 maart 1999, wordt opgeheven.
Art. 378
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 376ter ingevoegd, luidende :
"Art. 376ter. - De directeur der belastingen of de door hem aangewezen ambtenaar doet bij met redenen omklede beslissing uitspraak nopens het verzoek ingediend door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd.
Hij kan evenwel, de ambtshalve ontheffing verlenen van de overbelastingen, het overschot van de voorheffingen of de voorafbetalingen en van andere verminderingen, bedoeld in artikel 376, door middel van de registratie, op naam van de betrokken belastingplichtige, van het ontheven bedrag in een kohier dat uitvoerbaar wordt verklaard.
In alle gevallen geschiedt de kennisgeving van de beslissing aan de belastingplichtige bij ter post aangetekende brief. Deze beslissing is onherroepelijk wanneer geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek vermelde termijn.".
Art. 379
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 376quater ingevoegd, luidende :
"Art. 376quater. - Aan de verzoekers van de bezwaarschriften en de aanvragen tot ambtshalve ontheffing wordt een ontvangstbewijs uitgereikt dat de datum van ontvangst van het administratief beroep vermeldt.
Wanneer de ambtshalve ontheffing door de administratie zelf wordt verleend, stelt zij de belastingplichtige in kennis van de oorzaak en de datum van deze vaststelling.".
Art. 380
Artikel 378 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 december 2001, wordt vervangen als volgt :
"Art. 378. - Het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie en het antwoord op de voorziening mag door een advocaat worden ondertekend en neergelegd.".
III. OORSPRONG
3. De aangebrachte wijzigingen kaderen in het regeerakkoord van 12 juli 2003 waarin uitdrukkelijk een hervorming en een vereenvoudiging van de fiscale procedures is opgenomen.

IV. UITVOERING VAN DE NIEUWE WET
Hoofdstuk 1 : bezwaarschrift ingediend bij een territoriaal onbevoegd directeur
4. Gewijzigde tekst

Art. 366 - De belastingschuldige, alsmede zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, kan tegen het bedrag van de gevestigde aanslag, opcentiemen, verhogingen en boeten inbegrepen, schriftelijk bezwaar indienen bij de directeur der belastingen in wiens ambtsgebied de aanslag, de verhoging en de boete zijn gevestigd.
Het bezwaarschrift blijft evenwel geldig ingediend wanneer het gebracht wordt voor een andere directeur van de belastingen dan deze bedoeld in het eerste lid.
Wanneer het bezwaarschrift gericht wordt aan een andere directeur van de belastingen, zendt deze het van ambtswege door aan de territoriaal bevoegde directeur en stelt de bezwaarindiener hiervan in kennis.
(Art. 376, W. 27.12.2004)

Inwerkingtreding : het artikel 366, WIB 92, is van toepassing vanaf 10.1.2005 (BS 31.12.2004)

5. In zijn vroegere redactie stelt het artikel 366, WIB 92, dat het bezwaarschrift moet worden ingediend bij de directeur der belastingen van de provincie of het gebied " in wiens ambtsgebied de aanslag, de verhoging en de boete zijn gevestigd".

6. Zoals de parlementaire werkzaamheden aangeven, " wordt met betrekking tot deze voorgeschreven wettelijke vereiste evenwel door de administratie een zekere tolerantie in acht genomen voor de bezwaarschriften die worden ingediend enerzijds door belastingplichtigen niet-inwoners en anderzijds in verband met voorheffingen door genieters van de inkomsten, dewelke niet altijd het adres van de territoriaal bevoegde directeur der belastingen kennen.
Buiten deze tolerantieregels die in een beperkt aantal gevallen worden toegepast, is de territoriaal bevoegde gewestelijke directeur echter wettelijk gemachtigd de bezwaarschriften die aan hem worden overgemaakt door een collega die ze heeft ontvangen, onontvankelijk te verklaren omdat ze werden toegezonden aan een directeur die territoriaal niet bevoegd was.
Dit vormvoorschrift wordt vandaag unaniem beschouwd als zijnde te ver doorgedreven.
De voorgestelde wijziging beoogt derhalve toe te laten dat het bezwaarschrift wordt ingediend bij een andere directeur dan diegene die territoriaal bevoegd is, met dien verstande dat de behandeling van het bezwaarschrift en het nemen van de desbetreffende beslissing blijven toebehoren aan de
directeur der belastingen "in wiens ambtsgebied de aanslag, de verhoging en de boete zijn gevestigd" (Parl., St., Kamer, zitting 2004-2005, nr. 1437/001-1438-02, blz. 235 en 236).

Toepasselijke procedure
Beginsel : het bezwaarschrift moet worden ingediend bij de directeur der belastingen die territoriaal bevoegdis.
7. De wetswijziging van artikel 366, WIB 92, wijzigt geenszins het algemeen beginsel dat behouden werd in lid 1 en dat voorschrijft dat het bezwaarschrift moet worden ingediend bij "de directeur der belastingen in wiens ambtsgebied de aanslag, de verhoging en de boeten zijn gevestigd".

8. Aangezien artikel 366, WIB 92, enkel spreekt van de directeur in wiens ambtsgebied de belasting is gevestigd, moeten met de (gewestelijke) directeur der belastingen worden gelijkgesteld, de gewestelijke directeur van het controlecentrum en de directeur van het gelieerde controlecentrum. Deze laatsten hebben immers beslissingsbevoegdheid gekregen inzake administratieve beroepen krachtens artikel 95 van de wet van 15.3.1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (BS 27.3.1999 - V 2673) en artikel 19 van het koninklijk besluit van 18.12.1998 (BS 31.12.1998 - Editie 3) zoals gewijzigd bij artikel 14 van het koninklijk besluit van 16.6.1999 (BS 23.7.1999) betreffende inzonderheid de hervorming van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit (zie circulaire nr. Ci.RH.861/543.369 van 23.7.2001).

9. Zo ook blijven de regels van kracht van Com.IB 92, nr. 366/31 en 32 voor wat betreft de bepaling van de territoriaal bevoegde directeur der belastingen om bepaalde bezwaarschriften te ontvangen die betrekking hebben op sommige vrijwillig gestorte of ingekohierde voorheffingen (bedrijfsvoorheffing of roerende voorheffing).

Wettelijke tolerantie : het bezwaarschrift ingediend bij een territoriaal onbevoegd directeur blijft niettemin geldig onder voorbehoud van andere oorzaken van niet ontvankelijkheid die in voorkomend geval zouden worden opgeworpen door de territoriaal bevoegde directeur.
10. Om een einde stellen aan wat de parlementaire werkzaamheden kwalificeren als " een te ver doorgedreven formalisme" wordt thans aangenomen dat het bezwaarschrift evenwel geldig is ingediend wanneer het is ingediend bij een andere directeur der belastingen dan de directeur in wiens ambtsgebied de aanslag, de verhoging en de boete zijn gevestigd.

11. Het is fundamenteel op te merken dat de enige hypothese die de wettekst voor ogen heeft om de indiening van het bezwaarschrift te valideren, betrekking heeft op het bezwaarschrift ingediend bij een directeur der belastingen (in de voormelde zin) die territoriaal niet bevoegd is, met uitsluiting van elke andere ambtenaar.

In dat geval zendt de niet bevoegde directeur, onmiddellijk nadat met een datumstempel op het ontvangen document de datum van ontvangst is aangebracht, ambtshalve het stuk door naar de bevoegde directeur en stelt hij de belastingplichtige van die doorzending in kennis.

Voor die kennisgeving aan de belastingplichtige moet het bijgevoegde document (zie bijlage 1) worden gebruikt. Die kennisgeving onderscheidt zich van de ontvangstmelding beoogd in het nieuw artikel 376quater, WIB 92, (zie nr. 47 en volgende) die in beginsel slechts kan uitgaan van de territoriaal bevoegde directeur der belastingen.

12. De diensten die reeds verbonden zijn aan de Workflow geschillen, passen de ter zake geldende onderrichtingen toe die kunnen worden geraadpleegd op de intranetsite van de FOD Financiën (http://10.12.5.146/workflow, zie Hulp voor gebruikers, Instructie : richtlijnen voor de inproductiestelling - nr. 123bis tot 124).

Uitsluiting : het bezwaarschrift ingediend bij een andere ambtenaar dan de directeur der belastingen blijft niet geldig.
13. In die hypothese kan het bezwaarschrift niet worden beschouwd als geldig ingediend aangezien het buiten het toepassingsveld valt van het nieuw artikel 366, WIB 92. Het tweede en derde lid van artikel 366, WIB 92, beogen enkel het bezwaarschrift dat is ingediend bij de territoriaal niet bevoegde directeur.
Hieruit volgt dat wanneer een bezwaarschrift wordt ingediend bij een andere ambtenaar dan een directeur der belastingen in de bovenvermelde zin, de dienst die het bezwaarschrift ontvangt dit onmiddellijk moet terugsturen naar de belastingplichtige met vermelding van het adres en de gegevens van de bevoegde gewestelijke directeur.

14. Voor die terugzending moet het bijgevoegde document (zie bijlage 2) worden gebruikt, waarbij aan de belastingplichtige wordt medegedeeld dat zijn verzoek slechts op grond van artikel 376, WIB 92, zal kunnen worden behandeld indien hij geen regelmatig bezwaarschrift indient bij de directeur der belastingen .
15. Het spreekt van zelf dat wanneer de betrokkene een geldig bezwaarschrift indient de directiediensten een ontvangstmelding moeten versturen waarbij een nieuwe wachttermijn van zes of negen maanden aanvangt.

16. Tenslotte moeten de onderrichtingen van nr. 366/35, Com.IB 92, worden geactualiseerd in de mate waarin de bovenvermelde diensten aan de gewestelijke directeur " een afschrift van de aan de belastingplichtige gerichte brief en een fotokopie van het bezwaarschrift waarop met een datumstempel de datum van ontvangst is aangebracht toezenden met het oog op een eventuele toepassing van art. 376, WIB 92, voor het geval de belastingplichtige zou nalaten een regelmatig bezwaarschrift in te dienen".

Hoofdstuk 2 : Ontvangstmelding van het bezwaarschrift
17. Artikel 370, WIB 92, dat de ontvangstmelding van het bezwaarschrift voorschrijft is opgeheven door artikel 377, Wet 27.12.2004.

De inhoud van het aldus opgeheven artikel is evenwel integraal overgenomen in het nieuw artikel 376quater, WIB 92, ingevoegd door artikel 379, Wet 27.12.2004.

Hoofdstuk 3 : Ontheffing via het kohier
Bijgevoegde tekst

18. Art. 376ter. - De directeur der belastingen of de door hem aangewezen ambtenaar doet bij met redenen omklede beslissing uitspraak nopens het verzoek ingediend door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd.
Hij kan evenwel, de ambtshalve ontheffing verlenen van de overbelastingen, het overschot van de voorheffingen of de voorafbetalingen en van andere verminderingen, bedoeld in artikel 376, door middel van de registratie, op naam van de betrokken belastingplichtige, van het ontheven bedrag in een kohier dat uitvoerbaar wordt verklaard.
In alle gevallen geschiedt de kennisgeving van de beslissing aan de belastingplichtige bij ter post aangetekende brief. Deze beslissing is onherroepelijk wanneer geen vordering is ingesteld bij de rechtbankvan eerste aanleg binnen de in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek vermelde termijn.
(art. 378, Wet 27.12.2004)

Inwerkingtreding : artikel 376ter is van toepassing vanaf 10.01.2005 (BS van 31.12.2004).

19. De parlementaire werkzaamheden verantwoorden de maatregel vanuit de vaststelling dat " aangezien de procedure van ambtshalve ontheffing een uitzonderlijke procedure is die volgens de geest ervan in essentie bedoeld is om een oplossing te bieden voor eenvoudige gevallen waarbij door de belastingplichtige of door de administratie onbetwistbaar een fout werd begaan (…) is het belangrijk erover te waken een versnelde behandeling mogelijk te maken. Dit vanuit een dubbele bezorgdheid, tezelfdertijd een betere dienstverlening aan de belastingplichtige te verzekeren en te vermijden dat bij gebrek aan een snelle beslissing, de belastingplichtige een bezwaarschrift ten bewarende titel zou indienen" (Parl. St. zitting 2004-2005, nr. 1437/001-1438-02, blz. 237).

Ook " is het voornaamste doel van de bepaling (…) een dergelijke behandeling toe te laten door de gewestelijke directeur te machtigen de ontheven bedragen, onder de vorm van negatieve aanslagen, in te kohieren ten voordele van de belastingplichtigen. Deze mogelijkheid waarover de gewestelijke directeur beschikt om de behandeling van de voorstellen van ambtshalve ontheffing te versnellen, ontslaat hem evenwel niet van het maken van een gemotiveerde beslissing die aan de belastingplichtige zal worden betekend en die de beroepstermijn zal doen aanvangen voor de rechtbank van eerste aanleg".
A. Op elke aanvraag van de belastingplichtige moet een gemotiveerde beslissing volgen
20. Artikel 379ter, lid 1, WIB 92, bevestigt de verplichting om elke beslissing genomen op een vraag vande belastingplichtige binnen het raam van een procedure tot ontheffing te motiveren.

Zo in de circulaire van 18.9.2000 (Ci.RH.863/530.827) de administratie reeds het initiatief had genomen om aan haar diensten voor te schrijven de beslissingen te motiveren die op grond van artikel 376, WIB 92, werden genomen, dan kwam die verplichting evenwel niet als dusdanig voor in de instructie van 12.7.2002 (Co.88.21/73.772) die de maatregelen bevatte om door middel van negatieve kohieren de rechtzetting van verkeerde aanslagen te bespoedigen.

21. Die instructie die van toepassing kon zijn in antwoord op een vraag van de belastingplichtige, beperkte er zich immers toe te stellen dat " de belastingplichtige bij gewone brief op beknopte maar duidelijke wijze in kennis moet worden gesteld van het bedrag aan belasting dat na de rechtzetting - op de vervaldag van de oorspronkelijke aanslag - moet worden betaald of dat zal worden teruggegeven".

22. Vanaf nu is er een wettelijke verplichting tot adequate motivering van elke beslissingop een vraag van de belastingplichtige met inbegrip van de vraag die aanleiding geeft tot een ontheffing langs het kohier.

B. De beslissing moet uitgaan van de directeur der belastingen of een door hem aangewezen ambtenaar
23. Artikel 376ter, WIB 92, bepaalt dat de personen die over de vraag van de belastingplichtige moeten beslissen, " de directeur der belastingen of de door hem aangewezen ambtenaar" zijn.

De terminologie verschilt dus van die welke wordt gebruikt in de artikelen 367, 375 en 376, WIB 92, waarbij de persoon die de beslissing mag nemen wordt geïdentificeerd als " de directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar".

Die verwarring deed zich reeds in het verleden voor bij het aannemen van de Franse tekst van artikel 367, WIB 92, door de wet van 12.6.1992 tot bekrachtiging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gecoördineerd op 10.4.1992, alvorens een verbetering werd aangebracht door artikel 74 van de wet van 6.7.1994 houdende fiscale bepalingen (BS van 16.7.1994) en het woord "désigné" werd vervangen door het woord "délégué".

24. In afwachting van een eventuele wijziging in de terminologie, moeten de directeurs der belastingen en de directeurs van de controlecentra evenwel niet overgaan tot herziening van alle verleende delegaties aan de ambtenaren van hun directie en de ambtenaren van de buitendiensten aangezien de verleende delegatie van bevoegdheid op grond van de artikelen 375 en 376, WIB 92, noodzakelijk de aanwijzing inhoudt op grond van artikel 376ter, WIB 92.

C. Draagwijdte van de ontheffingen via het kohier
25. Artikel 376ter, lid 2, WIB 92, verleent aan de directeur of aan de door hem aangewezen ambtenaar de bevoegdheid om tot ambtshalve ontheffing over te gaan van de overbelastingen, het overschot van de voorheffingen of de voorafbetalingen en de andere verminderingen, bedoeld in artikel 376, WIB 92, door middel van de registratie, op naam van de betrokken belastingplichtige, van het ontheven bedrag in een kohier dat uitvoerbaar wordt verklaard.

26. Bijgevolg moet worden gehandeld door middel van een "negatieve inkohiering" voor de gevallen beoogd in artikel 376, WIB 92, zoals voorgeschreven in het "Coperfin-project" dat het volgende aanbeveelt " een versnelde verwerking voor negatieve aanslagen ingevolge door de belastingplichtige of door de administratie begane materiële vergissingen, of bij niet betwiste anomalieën. Een belangrijk doel is dat daarmee kan worden vermeden dat de belastingplichtige, gelet op de korte bezwaartermijn, een bezwaarschrift zal indienen om zijn rechten te vrijwaren " (zie instructie van 12.7.2002 - Co.88.21/73.772 - COPERFIN (quick wins).

Daaruit volgt dat de term "materiële vergissing" die aanleiding kan geven tot toepassing van de ontheffingsprocedure en de negatieve inkohiering, breed moet worden geïnterpreteerd. Op die manier worden "niet betwiste anomalieën" die evident zijn verbeterd en wordt de indiening van nutteloze bezwaarschriften vermeden die gemakkelijk kunnen worden opgelost door een minder zware en snellere procedure.

27. Elke twijfel omtrent de te volgen procedure moet worden beslecht in het voordeel van de belastingplichtige volgens het adagium "in dubio contra
fiscum" zodat de vergissing moet worden aangemerkt als een materiële vergissing.

In die context en om de behandeling te bespoedigen overeenkomstig de doelstelling van het "Coperfin-project" mag de toepassing van artikel 376ter, WIB 92, eveneens worden uitgebreid tot de bezwaarschriften die, hoewel reeds ingediend, kunnen worden beschouwd als kennisgeving van een "materiële vergissing" die gelijk te stellen is met een "niet betwiste anomalie" in de bovenvermelde betekenis die evident is.

Bijzonderheid : nieuw feit voortkomend uit de publicatie van een arrest van het Arbitragehof op een prejudiciële vraag.

28. De aandacht van de betrokken diensten wordt gevestigd op het arrest nr. 54/2005 van het Arbitragehof van 8.3.2005 waardoor bepaalde voorschriften van de circulaire Ci.RH.862/536.019 van 4.5.2001 betreffende de toepassingsvoorwaarden voor de ambtshalve ontheffing bij een arrest van het Arbitragehof op de helling worden gezet.

Die circulaire schreef voor dat : " het nieuw bewijskrachtig feit waarvan sprake in artikel 376, § 1, WIB 92, slechts door de belastingplichtige kan worden aangevoerd indien de bezwaartermijn voorgeschreven in artikel 371, WIB 92, verstreken was op de datum van het arrest van het Arbitragehof of uiterlijk op de datum van de publicatie van dat arrest in het Belgisch Staatsblad".

29. Die regel die zijn oorsprong vond in de rechtspraak van het Hof van Cassatie (zie Com.IB 92 nr. 376/13 met vermelding van Cass. 30.01.1968 inzake De Mey Albert, Bull. 462) moet worden opgegeven. Het bovenvermelde arrest van het Arbitragehof ziet immers een verschillende behandeling tussen de belastingplichtigen die ambtshalve ontheffing kunnen krijgen van overbelastingen die voortspruiten uit een arrest van het Arbitragehof op een prejudiciële vraag dat een fiscale bepaling ongrondwettelijk acht, omdat zij kennis namen van het arrest na het verstrijken van de bezwaartermijn en de belastingplichtigen die kennis namen van het arrest voor het verstrijken van die termijn en die bijgevolg dezelfde ontheffing niet kunnen bekomen.

Door te verklaren dat de artikelen 371 en 376, § 1, WIB 92, een verboden discriminatie instellen wanneer ze " in die zin worden geïnterpreteerd dat zij het een belastingplichtige niet mogelijk maken ambtshalve ontheffing van overbelastingen te verkrijgen op grond van een arrest van het Arbitragehof waarin een bepaling van de belastingwet op prejudiciële vraag ongrondwettig is verklaard, wanneer die belastingplichtige kennis neemt van het arrest voor het verstrijken van de gewone bezwaartermijn ", schept het Arbitragehof de mogelijkheid tot gelijktijdige toepassing van de beide administratieve beroepen.

Hier kan nog worden aan toegevoegd dat het Hof verklaart dat " de datum van bekendmaking van een arrest in het Belgisch Staatsblad, de datum is waarop de burgers geacht worden van het arrest kennis te hebben genomen" en " een relevant aanvangspunt vormt om de beroepstermijn te doen ingaan" . Het is in dat opzicht van weinig belang dat een persoon over de ongrondwettigheid van een wet werd geïnformeerd door welk bericht ook of door een niet officiële bekendmaking.

D. Kennisgeving van de beslissing
30. Ingevolge artikel 376ter, 3 de lid, WIB 92, moet thans in alle gevallen, de beslissing aan de belastingplichtige worden ter kennis gebracht bij ter post aangetekende brief.

De kennisgeving wordt dus verplicht zowel op de beslissingen genomen binnen het raam van artikel 375, WIB 92, (bezwaarprocedure) als binnen het raam van de artikelen 376 en volgende, WIB 92, (procedure van ontheffing).

Zo in de circulaire van 18.9.2000 (Ci.RH. 863/530.827) de administratie reeds het initiatief had genomen om aan haar diensten voor te schrijven de beslissingen te motiveren die op grond van artikel 376, WIB 92, werden genomen, dan kwam die verplichting evenwel niet als dusdanig voor in de instructie van 12.7.2002 (Co.88.21/73.772) die de maatregelen bevatte om door middel van negatieve kohieren de rechtzetting van verkeerde aanslagen te bespoedigen.

In de toekomst moet elke beslissing - met inbegrip van die welke aanleiding geven tot een ontheffing via het kohier met toepassing van artikel 376ter, 3 de lid, WIB 92, - die een initiatief van de administratie of een vraag van de belastingplichtige afsluit, het voorwerp zijn van een kennisgeving.

31. Aangezien die kennisgeving dezelfde gevolgen heeft als de kennisgeving beoogd in artikel 375, 2 de lid, WIB 92, moet de beslissing op klaar en duidelijke wijze de beroepsmogelijkheden vermelden alsook de bevoegde instanties en de na te leven vormen en termijnen. Bij gebreke hieraan begint de beroepstermijn niet te lopen.

Voor de praktische aspecten van de kennisgeving wordt verwezen naar de circulaire van 18.9.2000 (Ci.RH.863/530.827) en meer bepaald naar de nummers 73 en 74 die alle nuttige informatie bevatten voor de toepassing van die verplichting.

Hoofdstuk 4 : ontvangstmelding
Toegevoegde tekst

32. "Art. 376quater. - Aan de verzoekers van de bezwaarschriften en de aanvragen tot ambtshalve ontheffing wordt een ontvangstbewijs uitgereikt dat de datum van ontvangst van het administratief beroep vermeldt.
Wanneer de ambtshalve ontheffing door de administratie zelf wordt verleend, stelt zij de belastingplichtige in kennis van de oorzaak en de datum van deze vaststelling.".

(Art. 379, Wet 27.12.2004)

33. De parlementaire werkzaamheden preciseren dat " deze bepaling de inhoud overneemt van artikel 370 van het WIB 92 waarbij het principe wordt uitgebreid tot de verzoeken om ambtshalve ontheffing.
Bij de wetten inzake de hervorming van de fiscale procedure, heeft de wetgever nagelaten te voorzien dat de administratie een ontvangstbewijs zou uitreiken met betrekking tot de aanvragen op basis van artikel 376 van het WIB 92.
Een dergelijk ontvangstbewijs kan daarenboven nuttig blijken in de hypothese dat de administratie de oorzaak tot een ambtshalve ontheffing zelf vaststelt. In dit geval wordt de indiening van een bezwaarschrift of een verzoek tot ambtshalve ontheffing door de belastingplichtige vermeden.
De ontwerptekst beoogt deze vergetelheid te herstellen. Dit ontvangstbewijs blijkt inderdaad noodzakelijk aangezien de wetgever in 1999 voorzien heeft dat de belastingplichtige de zaak bij de rechtbank kan inleiden zes maanden (of negen maanden ingeval van een aanslag van ambtswege) na de datum van ontvangst van het bezwaarschrift bij het uitblijven van een beslissing binnen die termijn."

Praktische richtlijnen bij de versturing van het ontvangstbericht
Hypothese 1 : bezwaarprocedure
34. De verschillende mogelijkheden die zich kunnen voordoen met betrekking tot de beslissingsbevoegdheid die aan de directeurs van de controlecentra is toegekend binnen het raam van het administratief beroep worden hierna onderzocht.

35. a) Zowel de directeur DB als de directeur van het CC wiens diensten de taxatie hebben doorgevoerd, zijn territoriaal bevoegd.
Het controlecentrum waarbij het bezwaarschrift is ingediend is niet het controlecentrum vermeld op het aanslagbiljet maar is niettemin territoriaal bevoegd.

De onderrichtingen vermeld in de circulaire Ci.RH.861/543.369 van 23.7.2001 blijven van toepassing (zie punt. 5)

36. b) Het bezwaarschrift is ingediend bij een directeur der belastingen (in de voormelde zin : gewestelijk directeur, directeur van een controlecentrum, eventueel van een gelieerd controlecentrum) die niet territoriaal bevoegd is.
De onderrichtingen van de voormelde circulaire worden door de volgende onderrichtingen vervangen.

Zodra hij zijn territoriale onbevoegdheid heeft vastgesteld en nadat op het bezwaarschrift de datum van ontvangst is aangebracht met een datumstempel, zendt de betrokken directeur ambtshalve het bezwaarschrift door naar de bevoegde directeur en stelt hij de belastingplichtige van die doorzending in kennis.

Die kennisgeving onderscheidt zich van de ontvangstmelding beoogd in het nieuw artikel 376quater, WIB 92, die in beginsel slechts kan uitgaan van de territoriaal bevoegde directeur der belastingen. Voor die kennisgeving aan de belastingplichtige moet het bijgevoegde document worden gebruikt (zie bijlage 1).

37. Zodra de territoriaal bevoegde directeur het bezwaarschrift ontvangt verstuurt hij naar de belastingplichtige het ontvangstbericht beoogd in art. 376quater, 1 ste lid, WIB 92, met als datum de datum die met een datumstempel door de territoriaal onbevoegde directeur op het stuk is aangebracht (zie bijlage 3).

Die datum die de officiële ontvangst van het administratief beroep bevestigt, vormt het vertrekpunt voor de berekening van de termijn van zes maanden (of negen maanden in geval van ambtshalve aanslag) waarna de belastingplichtige een vordering in rechte kan inleiden bij gebreke aan beslissing.

Het is dus essentieel om de termijn te beperken tussen de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door de territoriaal onbevoegde directeur en de datum waarop het bezwaarschrift bij de bevoegde directeur toekomt.

Daarom moet de ten onrechte aangeschreven directeur onmiddellijk nadat hij zijn onbevoegdheid heeft vastgesteld, het bezwaarschrift naar de bevoegde directeur doorsturen zodat deze niet voor een onvoorziene inkorting van zijn beslissingstermijn komt te staan.

38. c) Het bezwaarschrift is ingediendbij een directeur die verbonden is met de workflow die het bezwaarschrift moet doorzenden naar een directeur die ook verbonden is met de workflow.
Hier moet worden gehandeld overeenkomstig de richtlijnen beschreven in de "richtlijnen voor de inproductiestelling" (op. cit. nr. 129 tot 131).

39. d) Het bezwaarschrift is ingediend bij een andere ambtenaar dan de directeur der belastingen in de voormelde zin.
Die ambtenaar moet handelen volgens de hierboven vermelde richtlijnen (zie nr. 14 en volgende)

Hypothese 2 : ambtshalve ontheffing
De wet schrijft thans voor dat de aanvragen ingediend op grond van artikel 376, WIB 92, aanleiding geven tot de uitreiking van een ontvangstbewijs.

A. Het initiatief tot de procedure gaat uit van de belastingplichtige
40. a1 - binnen het raam van een vraag tot ontheffing ingediend bij de bevoegde directeur der belastingen :
Deze reikt onmiddellijk het ontvangstbewijs uit door middel van het bijgevoegde formulier (zie bijlage 4) met vermelding van de datum waarop hij de aanvraag heeft ontvangen.

41. a2 - binnen het raam van een aanvraag tot ontheffing ingediend bij een andere dienst dan de bevoegde directeur der belastingen :
De nieuwe wettekst bevestigt de administratieve bepalingen (zie circ. Ci.RH.863/530.927 van 18.9.2000, nr. 85 in fine en nr. 224) die voorschrijven dat " wanneer een andere ambtenaar dan de bevoegde directeur der belastingen een vraag tot ontheffing van ambtswege krijgt, moet hij daarvan ontvangst melden door middel van het formulier dat voorkomt als bijlage bij deze circulaire. De datum van ontvangst is die waarop de vraag bij die ambtenaar is toegekomen. De ambtenaar die niet bevoegd is om over die vraag te beslissen moet de vraag onmiddellijk doorsturen naar de bevoegde gewestelijke directeur met een kopie van het ontvangstbericht en moet de belastingplichtige hiervan in kennis stellen".

42. De datum van ontvangst van het administratief beroep die voorkomt op de ontvangstmelding doet de wachttermijn van 6 of 9 maanden lopen vermeld in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.

43. B. Het initiatief van de procedure gaat uit van de administratie
Wanneer de ambtshalve ontheffing gebeurt op initiatief van de administratie moet de dienst die de beslissing ter zake neemt aan de betrokken belastingplichtige de motieven of meer bepaald het feit dat aan de basis ligt van de beslissing mededelen alsook de datum waarop het feit werd vastgesteld.

Voor die kennisgeving wordt gebruik gemaakt van het bijgevoegde model (zie bijlage 6) zodra het tot de ontheffing aanleidinggevend feit door de administratie is vastgesteld. De betrokken dienst moet er zorg voor dragen dat de rechtzetting spoedig volgt op het ogenblik waarop de vergissing is vastgesteld.

Er moet immers vermeden worden dat de belastingplichtige een bezwaarschrift zou indienen of een ambtshalve ontheffing zou vragen om vergissingen of manifeste anomalieën te herstellen die met een versnelde en eenvoudige procedure geregeld kunnen worden.

44. De mededeling door de administratie van de reden van de ontheffing die zij doet, kan niet het beginpunt vormen voor de termijn van 6 maanden (of 9 maanden) voorgeschreven door artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, om een vordering in rechte te kunnen inleiden bij de Rechtbank van eerste aanleg indien geen beslissing binnen die termijn is genomen. Die mededeling kan niet worden gelijkgesteld met een ontvangstmelding.

Hoofdstuk 5 : procedure bij het Hof van Cassatie
Gewijzigde tekst

45. Art. 378. - Het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie en het antwoord op de voorziening mag door een advocaat worden ondertekend en neergelegd.
(Art. 380, Wet 27.12.2004)

46. De parlementaire werken zeggen hierover het volgende :

" Deze bepaling beoogt te verhelpen aan een andere onvolkomenheid in de wetten betreffende de hervorming. Inderdaad, in afwijking van de regels van het gemeen recht, heeft de wet van 15 maart 1999 toegestaan dat met betrekking tot fiscale zaken, de voorziening in cassatie kan opgesteld worden door een advocaat die geen Cassatieadvocaat is. Daarbij werd evenwel het geval van de memorie van antwoord vergeten waarop de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing blijven."

De wet laat thans toe dat het antwoord op de voorziening kan worden opgesteld door een advocaat die geen Cassatieadvocaat is. 47. V. Inwerkingtreding
De nieuwe wettelijke bepalingen zijn in werking getreden op 10.1.2005, te weten 10 dagen na de publicatie van de wet van 27.12.2004 in het Belgisch Staatsblad van 31.12.2004.

NAMENS DE MINISTER :
Voor de Administrateur-generaal
van de Belastingen en de Invordering,

M. BALLEUX
Directeur

Bijlage 1



Bijlage 2





Bijlage 3





Bijlage 4





Bijlage 5





Bijlage 6