Aanschrijving nr. 9 dd. 19.02.2001
AANSCHRIJVING 01/009
Aanschrijving nr. 9 dd. 19.02.2001
Deze aanschrijving werd vervangen door de aanschrijving nr. 14 dd. 19.05.2003.
Vrijstelling van art.39quater
Entrepot ander dan douane-entrepot
BTW-entrepot
Invoer
Verplichting
Addendum betreffende de aanschrijving nr. 9 van 5 november 1996
Artikel 39quater van het BTW-Wetboek verleent vrijstelling van BTW voor de handelingen met betrekking tot goederen die onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot (ook BTW-entrepot genaamd) worden geplaatst, of die zich reeds onder die regeling bevinden.
Het koninklijk besluit nr. 54 van 25 februari 1996 met betrekking tot de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot bedoeld in artikel 39quater van het BTW-Wetboek, bepaalt de beperkingen en de voorwaarden die in acht moeten worden genomen voor de toepassing van de vrijstelling van voornoemd artikel 39quater dat op 1 januari 1996 in voege is getreden.
De ervaring opgedaan sinds de invoering van de regeling heeft geleerd dat het wenselijk is om in de administratieve commentaar op de regeling BTW-entrepot, gepubliceerd in de aanschrijving nr. 9 van 5 november 1996, meer te benadrukken dat de regeling verplicht van toepassing is ten aanzien van accijnsproducten die onder de regeling vallen en om meer te verduidelijken wie de persoon is die de accijnsproducten aan de regeling BTW-entrepot onttrekt.
De regeling BTW-entrepot is verplicht ten aanzien van accijnsproducten die onder de regeling vallen, zolang ze in België onder schorsing van de accijnsrechten opgeslagen zijn in of zich bevinden in een belastingentrepot. Daaruit volgt dat alle leveringen die hebben plaatsgevonden vóór de aangifte ten verbruik van die goederen voor de toepassing van de accijnsrechten of vóór hun fysieke uitslag uit het entrepot onder een opschortende regeling inzake accijnzen, uitsluitend kunnen plaatsvinden met handhaving van de regeling BTW-entrepot en derhalve met vrijstelling van de BTW.
De persoon die aan accijns onderworpen goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt, kan bijgevolg zijn:
-ofwel, de belastingplichtige die een levering van goederen heeft verricht zonder handhaving van de regeling, voor zover die levering tot gevolg heeft dat de goederen voor de toepassing van de accijnsrechten voor het verbruik moeten aangegeven worden of voor zover die levering aanleiding geeft tot de daadwerkelijke uitslag van de goederen uit het entrepot onder een opschortende regeling inzake accijnzen ;
-ofwel, de eigenaar van de goederen die ze, los van elke handelstransactie, onttrekt aan het entrepot en hen voor de toepassing van de accijnsrechten voor het verbruik aangeeft of hen onder een opschortende regeling inzake accijnzen naar een andere plaats verzendt.
De commentaar opgenomen in de nrs. 49, 50 en 70 van de aanschrijving nr. 9/1996 wordt in de hiervoor aangeduide zin verduidelijkt door onderstaande tekst die de bewoordingen van de oude nummers vervangt.
* * *
49. Artikel 39quater, § 2, 1°, van het Wetboek bepaalt dat de belastingentrepots worden aangemerkt als BTW-entrepots voor goederen die aan accijnsrechten zijn onderworpen.
Daaruit volgt dat:
-de plaatsen die niet zijn erkend als belastingentrepot, evenmin kunnen worden aangemerkt als BTW-entrepot voor accijnsproducten;
-een belastingentrepot ambtshalve als BTW-entrepot wordt aangemerkt voor die producten.
De plaatsing van accijnsproducten onder de regeling BTW-entrepot impliceert derhalve dat ze worden opgeslagen in een belastingentrepot met uitsluiting van elke andere plaats (z. nr. 11). Bijgevolg is inzake BTW geen specifieke titel van vergunning vereist en moet deze evenmin worden aangevraagd. De vergunning inzake belastingentrepot, uitgereikt door de Administratie der douane en accijnzen aan de erkende entrepothouder (z. nr. 11) geldt als bijzondere vergunning inzake BTW-entrepot voor de communautaire accijnsproducten die onder de regeling BTW-entrepot zijn toegelaten, ongeacht of ze afkomstig zijn uit België, uit een andere Lid-Staat of zijn ingevoerd. De beide vergunningen hebben hetzelfde identificatienummer.
50. Hieruit volgt eveneens dat de toepassing van de regeling BlW-entrepot met inachtneming van de voorwaarden opgelegd in deze aanschrijving, verplicht is ten aanzien van de goederen die aan accijnzen zijn onderworpen en die onder de regeling BlW-entrepot zijn toegelaten, wanneer deze goederen in België onder schorsing van de accijusrechten in een belastingentrepot zijn opgeslagen of er zich in bevinden en voor de toepassing van de accijnsrechten niet voor het verbruik zijn aangegeven of niet fysiek uit het entrepot zijn uitgeslagen onder een opschortende regeling inzake accijnzen
Er wordt aan herinnerd dat de volgende accijnsproducten onder de regeling BTWentrepot kunnen worden geplaatst:
-voor ingevoerde goederen:minerale oliën; tabaksfabrikaten; alcohol en alcoholhoudende dranken.
-voor nationale of communautaire goederen: de minerale oliën bedoeld in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54.
70. De persoon die de goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt, kan bijgevolg zijn :
-ofwel, de belastingplichtige die de levering van de goederen verricht waarbij de regeling niet wordt gehandhaafd;
-ofwel, de eigenaar van de goederen die de goederen, los van elke handelstransactie, onttrekt aan het entrepot.
Het zijn de partijen die betrokken zijn bij de laatste levering van de goederen in het entrepot, die zelf bepalen wie de persoon is die de goederen aan het BTW-entrepot onttrekt, al naargelang ze voor deze levering al dan niet een beroep doen op de vrijstelling van artikel 39quater, § 1, 2°, van het Wetboek.
Er wordt echter opgemerkt dat de commerciële leveringsvoorwaarden niet in tegenspraak mogen zijn met de op die levering toegepaste BTW-bepalingen (bijvoorbeeld een levering franco thuis bij de koper waarvoor de vrijstelling van artikel 39quater, § 1, 2°, van het Wetboek wordt ingeroepen hetgeen de handhaving van de goederen in het BTW-entrepot veronderstelt).
Bovendien mag voor wat de accijnsproducten betreft, niet uit het oog worden verloren dat de regeling BTW-entrepot verplicht toepasselijk is wanneer de goederen in België onder schorsing van de accijnsrechten in een entrepot worden opgeslagen of er zich bevinden (z. nr. 50). Daaruit volgt dat alle leveringen die hebben plaatsgevonden vóór de aangifte ten verbruik van die goederen voor de toepassing van de accijnsrechten of vóór hun fysieke uitslag uit het entrepot onder een opschortende regeling inzake accijnzen, uitsluitend kunnen plaatsvinden met handhaving van de regeling BTW-entrepot en derhalve met vrijstelling van de BTW.
De persoon die aan accijns onderwerpen goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt, kan bijgevolg zijn:
-ofwel, de belastingplichtige die een levering van goederen heeft verricht zonder handhaving van de regeling, voor zover die levering tot gevolg heeft dat de goederen voor de toepassing van de accijnsrechten voor het verbruik moeten worden aangegeven of voor zover die levering aanleiding geeft tot de daadwerkelijke uitslag van de goederen uit het entrepot onder een opschortende regeling inzake accijnzen;
-ofwel, de eigenaar van de goederen die ze, los van elke handelstransactie, onttrekt aan het entrepot en hen voor de toepassing van de accijnsrechten voor het verbruik aangeeft of hen onder een opschortende regeling inzake accijnzen naar een andere plaats verzendt.
Aanschrijving nr. 9 dd. 19.02.2001
Deze aanschrijving werd vervangen door de aanschrijving nr. 14 dd. 19.05.2003.
Vrijstelling van art.39quater
Entrepot ander dan douane-entrepot
BTW-entrepot
Invoer
Verplichting
Addendum betreffende de aanschrijving nr. 9 van 5 november 1996
Artikel 39quater van het BTW-Wetboek verleent vrijstelling van BTW voor de handelingen met betrekking tot goederen die onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot (ook BTW-entrepot genaamd) worden geplaatst, of die zich reeds onder die regeling bevinden.
Het koninklijk besluit nr. 54 van 25 februari 1996 met betrekking tot de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot bedoeld in artikel 39quater van het BTW-Wetboek, bepaalt de beperkingen en de voorwaarden die in acht moeten worden genomen voor de toepassing van de vrijstelling van voornoemd artikel 39quater dat op 1 januari 1996 in voege is getreden.
De ervaring opgedaan sinds de invoering van de regeling heeft geleerd dat het wenselijk is om in de administratieve commentaar op de regeling BTW-entrepot, gepubliceerd in de aanschrijving nr. 9 van 5 november 1996, meer te benadrukken dat de regeling verplicht van toepassing is ten aanzien van accijnsproducten die onder de regeling vallen en om meer te verduidelijken wie de persoon is die de accijnsproducten aan de regeling BTW-entrepot onttrekt.
De regeling BTW-entrepot is verplicht ten aanzien van accijnsproducten die onder de regeling vallen, zolang ze in België onder schorsing van de accijnsrechten opgeslagen zijn in of zich bevinden in een belastingentrepot. Daaruit volgt dat alle leveringen die hebben plaatsgevonden vóór de aangifte ten verbruik van die goederen voor de toepassing van de accijnsrechten of vóór hun fysieke uitslag uit het entrepot onder een opschortende regeling inzake accijnzen, uitsluitend kunnen plaatsvinden met handhaving van de regeling BTW-entrepot en derhalve met vrijstelling van de BTW.
De persoon die aan accijns onderworpen goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt, kan bijgevolg zijn:
-ofwel, de belastingplichtige die een levering van goederen heeft verricht zonder handhaving van de regeling, voor zover die levering tot gevolg heeft dat de goederen voor de toepassing van de accijnsrechten voor het verbruik moeten aangegeven worden of voor zover die levering aanleiding geeft tot de daadwerkelijke uitslag van de goederen uit het entrepot onder een opschortende regeling inzake accijnzen ;
-ofwel, de eigenaar van de goederen die ze, los van elke handelstransactie, onttrekt aan het entrepot en hen voor de toepassing van de accijnsrechten voor het verbruik aangeeft of hen onder een opschortende regeling inzake accijnzen naar een andere plaats verzendt.
De commentaar opgenomen in de nrs. 49, 50 en 70 van de aanschrijving nr. 9/1996 wordt in de hiervoor aangeduide zin verduidelijkt door onderstaande tekst die de bewoordingen van de oude nummers vervangt.
* * *
49. Artikel 39quater, § 2, 1°, van het Wetboek bepaalt dat de belastingentrepots worden aangemerkt als BTW-entrepots voor goederen die aan accijnsrechten zijn onderworpen.
Daaruit volgt dat:
-de plaatsen die niet zijn erkend als belastingentrepot, evenmin kunnen worden aangemerkt als BTW-entrepot voor accijnsproducten;
-een belastingentrepot ambtshalve als BTW-entrepot wordt aangemerkt voor die producten.
De plaatsing van accijnsproducten onder de regeling BTW-entrepot impliceert derhalve dat ze worden opgeslagen in een belastingentrepot met uitsluiting van elke andere plaats (z. nr. 11). Bijgevolg is inzake BTW geen specifieke titel van vergunning vereist en moet deze evenmin worden aangevraagd. De vergunning inzake belastingentrepot, uitgereikt door de Administratie der douane en accijnzen aan de erkende entrepothouder (z. nr. 11) geldt als bijzondere vergunning inzake BTW-entrepot voor de communautaire accijnsproducten die onder de regeling BTW-entrepot zijn toegelaten, ongeacht of ze afkomstig zijn uit België, uit een andere Lid-Staat of zijn ingevoerd. De beide vergunningen hebben hetzelfde identificatienummer.
50. Hieruit volgt eveneens dat de toepassing van de regeling BlW-entrepot met inachtneming van de voorwaarden opgelegd in deze aanschrijving, verplicht is ten aanzien van de goederen die aan accijnzen zijn onderworpen en die onder de regeling BlW-entrepot zijn toegelaten, wanneer deze goederen in België onder schorsing van de accijusrechten in een belastingentrepot zijn opgeslagen of er zich in bevinden en voor de toepassing van de accijnsrechten niet voor het verbruik zijn aangegeven of niet fysiek uit het entrepot zijn uitgeslagen onder een opschortende regeling inzake accijnzen
Er wordt aan herinnerd dat de volgende accijnsproducten onder de regeling BTWentrepot kunnen worden geplaatst:
-voor ingevoerde goederen:minerale oliën; tabaksfabrikaten; alcohol en alcoholhoudende dranken.
-voor nationale of communautaire goederen: de minerale oliën bedoeld in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 54.
70. De persoon die de goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt, kan bijgevolg zijn :
-ofwel, de belastingplichtige die de levering van de goederen verricht waarbij de regeling niet wordt gehandhaafd;
-ofwel, de eigenaar van de goederen die de goederen, los van elke handelstransactie, onttrekt aan het entrepot.
Het zijn de partijen die betrokken zijn bij de laatste levering van de goederen in het entrepot, die zelf bepalen wie de persoon is die de goederen aan het BTW-entrepot onttrekt, al naargelang ze voor deze levering al dan niet een beroep doen op de vrijstelling van artikel 39quater, § 1, 2°, van het Wetboek.
Er wordt echter opgemerkt dat de commerciële leveringsvoorwaarden niet in tegenspraak mogen zijn met de op die levering toegepaste BTW-bepalingen (bijvoorbeeld een levering franco thuis bij de koper waarvoor de vrijstelling van artikel 39quater, § 1, 2°, van het Wetboek wordt ingeroepen hetgeen de handhaving van de goederen in het BTW-entrepot veronderstelt).
Bovendien mag voor wat de accijnsproducten betreft, niet uit het oog worden verloren dat de regeling BTW-entrepot verplicht toepasselijk is wanneer de goederen in België onder schorsing van de accijnsrechten in een entrepot worden opgeslagen of er zich bevinden (z. nr. 50). Daaruit volgt dat alle leveringen die hebben plaatsgevonden vóór de aangifte ten verbruik van die goederen voor de toepassing van de accijnsrechten of vóór hun fysieke uitslag uit het entrepot onder een opschortende regeling inzake accijnzen, uitsluitend kunnen plaatsvinden met handhaving van de regeling BTW-entrepot en derhalve met vrijstelling van de BTW.
De persoon die aan accijns onderwerpen goederen aan de regeling BTW-entrepot onttrekt, kan bijgevolg zijn:
-ofwel, de belastingplichtige die een levering van goederen heeft verricht zonder handhaving van de regeling, voor zover die levering tot gevolg heeft dat de goederen voor de toepassing van de accijnsrechten voor het verbruik moeten worden aangegeven of voor zover die levering aanleiding geeft tot de daadwerkelijke uitslag van de goederen uit het entrepot onder een opschortende regeling inzake accijnzen;
-ofwel, de eigenaar van de goederen die ze, los van elke handelstransactie, onttrekt aan het entrepot en hen voor de toepassing van de accijnsrechten voor het verbruik aangeeft of hen onder een opschortende regeling inzake accijnzen naar een andere plaats verzendt.
Bron: FisconetPlus
