Circulaire nr. AFZ/Intern.IB/96.0470 dd. 26.10.2000
Bull. nr. 810, pag. 3260
BELASTING VAN NIET-INWONERS NATUURLIJKE PERSONEN
Berekening van de belasting
Non-discriminatie
DUBBELBELASTINGVERDRAG
Frankrijk
Grensarbeider
Heffingsbevoegdheid
Non-discriminatie
GRENSARBEIDER
Belgische grensarbeider in Frankrijk
Toepassingsmodaliteiten van het Avenant, ondertekend op 8 februari 1999, tot wijziging van de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend op 10 maart 1964 te Brussel. (Grensarbeidersregeling - Non-discriminatie).
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2+ en 2 van de Administratie van de fiscale zaken, van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit (sector directe belastingen), van de Administratie van de invordering (sector directe belastingen) en van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie.
I. BELANGRIJKE DATA
Ondertekening van het Avenant : 8 februari 1999.
Parlementaire goedkeuring: Wet van 9 juni 1999.
Inwerkingtreding: 27 april 2000.
Publicatie: BS van 23 mei 2000 en als bijlage I.
Wet betreffende de tenuitvoerlegging van het Avenant: Wet van 12 augustus 2000.
Publicatie: BS van 26 september 2000 en als bijlage II.
II. DOELSTELLINGEN
Het Avenant heeft hoofdzakelijk tot doel het stelsel dat van toepassing is op de grensarbeiders te wijzigen. Het volgt op een arrest van 14 januari 1998 van het Hof van beroep te Luik dat werd geveld na een verwijzing van het Hof van Cassatie. Op basis van dit arrest wordt het grensarbeidersstelsel waarin de Overeenkomst van 10 maart 1964 voorziet, een keuzestelsel (Belgische grensarbeiders die in de Franse grensstreek een dienstbetrekking uitoefenen, kunnen ervoor kiezen te worden belast in België of in Frankrijk).
De Belgische belastingadministratie past het desbetreffende arrest toe op de inkomsten die werden betaald of toegekend voor 1 januari 1999 (zie circ. Ci.R.9 F/509.317 van 17 juni 1999, Bull. 795). Noch de Belgische belastingadministratie noch de Franse belastingadministratie stemt evenwel in met de interpretatie welke ten grondslag ligt aan deze rechtspraak. Deze analyse stemt bovendien niet overeen met de bedoeling van de onderhandelaars die de Overeenkomst van 1964 hebben gesloten, noch met de geest van de Overeenkomst.
Dit Avenant beoogt dus voornamelijk een einde te maken aan een situatie die niet overeenstemt met hetgeen de beide Staten meenden te zijn overeengekomen in 1964.
Er werd tevens van de gelegenheid gebruik gemaakt om de bepalingen met betrekking tot de non-discriminatie aan te passen. De inwoners van een overeenkomstsluitende Staat die een beroepswerkzaamheid uitoefenen in de andere overeenkomstsluitende Staat, zullen voortaan bij de belastingheffing de persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van de gezinstoestand of gezinslasten genieten die deze andere Staat aan zijn eigen inwoners verleent.
De bepalingen van het Avenant verschillen evenwel van de soortgelijke bepalingen die zijn opgenomen in andere dubbelbelastingverdragen die België heeft gesloten, met name de overeenkomsten die momenteel in werking zijn met Nederland, Griekenland en Marokko. Met betrekking tot de inwoners van Frankrijk worden de persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen inderdaad verminderd naar rata van de in België belastbare bezoldigingen, winst en baten in verhouding tot het totale beroepsinkomen van de betrokkenen.
III. GRENSARBEIDERS (artikel 1 van het Avenant)
Het stelsel waarin de Overeenkomst voorziet, zoals het na de opheffing van de grenskaart voor de onderdanen van de Lidstaten van de Europese Unie werd ingesteld door de Belgische en Franse belastingautoriteiten, wordt voortgezet. De bezoldigingen van grensarbeiders zijn uitsluitend belastbaar in hun woonstaat.
De tekst van artikel 11, § 2, c) van de Overeenkomst wordt opgeheven en vervangen door een nieuwe tekst die geen enkele keuzemogelijkheid openlaat voor de betrokken belastingplichtigen.
1. Bedoelde personen
Bedoeld worden de inwoners van België die een dienstbetrekking uitoefenen in de grensstreek van Frankrijk en hun duurzaam tehuis in de Belgische grensstreek hebben.
Het "duurzaam tehuis" is de plaats waar de belastingplichtige gewoonlijk woont, eventueel met vrouw en kinderen. Het is de domus, de gezinswoning waar hij na zijn beroepsverplaatsingen terugkeert en waar hij eventueel zijn gezin terugvindt.
Het criterium dat in aanmerking wordt genomen is hetzelfde als het criterium waarmee rekening wordt gehouden om woonplaatsconflicten op te lossen (artikel 1, § 2 van de Overeenkomst).
Dankzij dit criterium kan inzonderheid het conflict worden opgelost dat voortvloeit uit het feit dat een werknemer die een duurzaam tehuis heeft in de grensstreek, tijdelijk in dezelfde Staat maar wel buiten de grensstreek verblijft, en omgekeerd.
Het is bovendien niet nodig dat de loontrekkers elke dag naar hun duurzaam tehuis terugkeren. Door een tijdelijk verblijf in de Staat waar ze hun werkzaamheid uitoefenen, verliezen ze niet de hoedanigheid van grensarbeider indien zij hun duurzaam tehuis in de grensstreek van de andere Staat hebben behouden.
2. Grensstreken
De grensstreek van elke Staat omvat alle gemeenten gelegen in de streek die wordt bepaald door de gemeenschappelijke grens tussen Frankrijk en België en een lijn op een afstand van 20 kilometer van deze grens, met dien verstande dat de gemeenten die door deze lijn worden doorkruist, tot de grensstreek behoren.
De lijst van de gemeenten die tot de Belgische en Franse grensstreek behoren, die is opgenomen in de Com.Ov. 15/82 is nog steeds geldig.
3. Formaliteiten
Om te vermijden dat ze dubbel zouden worden belast, met name in de Staat waar de werkzaamheid wordt uitgeoefend en in de woonstaat, moeten de Belgische grensarbeiders die in Frankrijk werken nog steeds de formaliteiten omschreven in de Com.Ov. 15/52 vervullen. Het Avenant bevestigt tot nader order het gebruik van de formulieren 276 Front. (F) en 5206.
Algemeen gezien blijven de formaliteiten en de procedures die in de Com.Ov. 15/52 en 15/71 en 72 omschreven zijn, zoals voorheen van toepassing.
4. Toepassing (artikel 3, § 2 van het Avenant)
De bepalingen van artikel 1 zijn van toepassing op de salarissen, lonen en andere soortgelijke bezoldigingen die werden verkregen, verwezenlijkt, betaald of toegekend vanaf 1 januari 1999.
Op 12 januari 1999 werden de betrokken werknemers op de hoogte gebracht van de inhoud van het Avenant met Frankrijk via een persmededeling. Er werd duidelijk gesteld dat de Belgische grensarbeiders die hun werkzaamheid in Frankrijk uitoefenen, automatisch zullen worden onderworpen aan het stelsel waarin het Avenant voorziet met betrekking tot de bezoldigingen die ze vanaf 1 januari 1999 hebben verkregen.
5. Verduidelijkingen
Aangezien de toepassing van de grensarbeidersregeling in de praktijk aanleiding geeft tot bepaalde moeilijkheden, wordt hierna voor enkele ervan een oplossing geboden.
A. Werkzaamheden verricht in een derde staat
Een werknemer die woont in de grensstreek van een overeenkomstsluitende Staat en terzelfdertijd werkzaamheden verricht in een derde Staat, verliest niet a priori de hoedanigheid van grensarbeider. Het stelsel dat van toepassing is op de bezoldigingen die hij geniet voor zijn werkzaamheden op het grondgebied van een derde staat dient te worden beoordeeld met inachtneming van de bepalingen zoals deze voorzien zijn in het dubbelbelastingverdrag dat eventueel is gesloten tussen de derde Staat en zijn woonstaat.
Voorbeeld:
Een belastingplichtige woonachtig in Aarlen (Belgische grensstreek) is in dienst van een werkgever in het Groothertogdom Luxemburg. In die hoedanigheid werkt hij 50 % van zijn tijd op het grondgebied van het Groothertogdom en de rest van zijn tijd is hij werkzaam in Longwy (Frans grensstreek).
De bezoldigingen die voortvloeien uit zijn werkzaamheid in Longwy zijn belastbaar in België (toepassing van de grensarbeidersregeling zoals deze is voorzien in het Avenant).
De bezoldigingen die betrekking hebben op zijn in het Groothertogdom uitgeoefende werkzaamheden zijn uitsluitend in Luxemburg belastbaar (toepassing van artikel 15, § 1, van de Belgisch-Luxemburgse Overeenkomst van 17 september 1970). België mag deze inkomsten in aanmerking nemen om het belastingtarief te bepalen (toepassing van artikel 23, § 2, 1° van de Belgisch-Luxemburgse Overeenkomst en van artikel 155, WIB 92).
B. Plaats van tewerkstelling
Om de plaats van tewerkstelling te bepalen dient rekening te worden gehouden met de plaats waar de werkzaamheid daadwerkelijk wordt uitgeoefend en niet, bijvoorbeeld, de plaats waar de zetel van beheer of leiding waarvan de werknemers afhangen zich bevindt noch de plaats vanwaar zij hun werkzaamheid aanvatten. Deze interpretatie is in overeenstemming met de zienswijze van de OESO volgens dewelke "De werkzaamheid wordt uitgeoefend op de plaats waar de werknemer fysiek aanwezig is wanneer hij de werkzaamheden verricht waarmee de inkomsten die hij geniet verbonden zijn" (OESO, Commentaar op de artikelen van het modelverdrag, juni 1998, punt 1 van de commentaar op artikel 15 betreffende het belasten van niet-zelfstandige beroepen).
C. Andere bijzondere stelsels
Voor zover nodig wordt eraan herinnerd dat de grensarbeidersregeling niet geldt voor inkomsten die onder andere bijzondere verdragsbepalingen vallen (artiesten en sportbeoefenaars, personeel van zeevaart- en luchtvaartondernemingen, personeel van overheidsbedrijven of andere publiekrechtelijke instellingen die geen nijverheids- of handelsbedrijf uitoefenen, enz.).
IV. NON-DISCRIMINATIE (artikel 2 van het Avenant)
De bepalingen van artikel 25 van de Overeenkomst worden vervangen door nieuwe bepalingen.
1. Paragraaf 1
De tekst van paragraaf 1, a) neemt de nieuwe formulering van het OESO-Model van fiscale Overeenkomst over.
Paragraaf 1 stelt als beginsel dat discriminatie op basis van de nationaliteit, op fiscaal vlak verboden is. In gelijke omstandigheden mogen Franse onderdanen in België niet minder gunstig worden behandeld dan Belgische onderdanen.
De uitdrukking "onder gelijke omstandigheden) slaat op belastingplichtigen die zich, wat de interne belastingreglementering betreft, in gelijke juridische en feitelijke omstandigheden bevinden. Door de uitdrukking "inzonderheid met betrekking tot de woonplaats" toe te voegen, wordt verduidelijkt dat de woonplaats van de belastingplichtige één der elementen is waardoor kan worden uitgemaakt of belastingplichtigen zich in dezelfde omstandigheden bevinden. Dit wijzigt de vroegere interpretatie niet aangezien de Belgische en Franse belastingadministratie systematisch heeft geoordeeld dat rekening moest worden gehouden met de woonplaats van de belastingplichtige om de omstandigheden waarin die belastingplichtige zich bevindt te evalueren.
Paragraaf 1, b) versterkt nog de verklaring die vervat is in de toevoeging waarvan sprake. Deze paragraaf stemt overeen met een vraag van de Franse onderhandelaars om klaar en duidelijk een einde te stellen aan een afwijkende interpretatie door Franse rechtbanken en gerechtshoven. Deze nieuwe paragraaf heeft geen gevolgen op het vlak van de toepassing van het non-discriminatieprincipe in België. Hij heeft tot doel te waarborgen dat dit principe in Frankrijk zal worden toegepast op de wijze zoals de beide belastingadministraties het altijd hebben begrepen en toegepast.
2. Paragrafen 2 en 3
Paragrafen 2 en 3 verlenen aan bepaalde inwoners van Frankrijk - weliswaar in beperkte mate - de persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en belastingverminderingen uit hoofde van de gezinstoestand of gezinslasten die België aan zijn inwoners verleent.
A. Bedoelde personen
1. De loontrekkers (paragraaf 2)
Bedoeld worden de natuurlijke personen die inwoner zijn van Frankrijk, die in België een dienstbetrekking uitoefenen en die in België belastbaar zijn.
Het gaat dus om werknemers die inwoner zijn van Frankrijk en die in België tewerkgesteld zijn, die niet het grensarbeidersstelsel genieten of die niet voldoen aan de drie voorwaarden die tegelijkertijd vereist zijn in artikel 11, § 2, a van de Overeenkomst (de zogenaamde 183 dagen -regel) waardoor ze in Frankrijk belastbaar zouden zijn.
De bepaling van het Avenant is evenwel niet van toepassing op de loontrekkers die het voordeliger stelsel genieten waarin art.244 WIB 92 voorziet, waarbij rekening wordt gehouden met de persoonlijke en familiale toestand van de betrokken belastingplichtigen. Het gaat om :
- inwoners van Frankrijk die gedurende het volledige belastbare tijdperk in België een tehuis hebben behouden, en
- inwoners van Frankrijk die in België belastbare beroepsinkomsten hebben behaald of verkregen, die ten minste 75 % bedragen van het geheel van hun binnenlandse en buitenlandse beroepsinkomsten.
2. Andere begunstigden (paragraaf 3)
Bedoeld worden eveneens de natuurlijke personen die inwoner zijn van Frankrijk en die in België een landbouw - of bosbedrijf, een vaste inrichting of een vaste basis hebben. Deze belastingplichtigen genieten het stelsel waarin het Avenant voorziet, wanneer ze niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 244 WIB 92 om het voordeliger intern stelsel te genieten.
B. Bedoelde inkomsten
De inkomsten waarvoor de voordelen worden verleend, zijn uitsluitend :
- de gewone bezoldigingen - niet zijnde opzeggingsvergoedingen - die voortkomen uit het uitoefenen van een dienstbetrekking in België (d.w.z. de inkomsten opgenomen in vak IV van de aangifte in de BNI/nat.pers. voor aanslagjaar 2000 in de rubriek "A. Gewone bezoldigingen" die in België belastbaar zijn); en,
- de inkomsten uit landbouw of bosbouw, de ondernemingswinst of de baten uit zelfstandige werkzaamheden (d.w.z. de inkomsten opgenomen in vak XIII, XIV en XVI van de aangifte in de BNI/nat.pers. voor aanslagjaar 2000 die in België belastbaar zijn).
De bepalingen van het Avenant zijn niet van toepassing op opzeggingsvergoedingen, werkloosheidsuitkeringen, wettelijke uitkeringen bij ziekte of invaliditeit, vervangingsinkomsten en brugpensioenen. Overeenkomstig de bepalingen van de Overeenkomst van 10 maart 1964 (artikel 12 of artikel 18, naar het geval) mogen deze inkomsten uitsluitend worden belast in de woonstaat van de genieter.
Pensioenen vallen buiten de reikwijdte van het Avenant.
C. Stelsel dat van toepassing is
1. Algemeen
Overeenkomstig de bepalingen van het Avenant moeten de persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en belastingverminderingen uit hoofde van de gezinstoestand of gezinslasten die aan de bovenbedoelde personen worden verleend, worden verminderd naar rata van de bovenbedoelde inkomsten in verhouding tot het totale beroepsinkomen, ongeacht de herkomst ervan, waarvan die personen de gerechtigde zijn.
De breuk die zal worden gebruikt om deze evenredigheid uit te voeren, omvat :
- in de teller : de netto-beroepsinkomsten van Belgische oorsprong waarop het Avenant van toepassing is (cf. inkomsten bedoeld in rubriek B);
- in de noemer : alle in de BNI/nat.pers. belastbare en regulariseerbare netto-beroepsinkomsten, de buitenlandse beroepsinkomsten en de bij verdrag vrijgestelde binnenlandse inkomsten.
2. Toerekening van een huwelijksquotiënt
De in rubriek A bedoelde natuurlijke personen trekken voordeel uit de bepalingen met betrekking tot de toerekening van en huwelijksquotiënt : een deel van hun beroepsinkomsten wordt toegerekend aan hun echtgeno(o)t(e) wanneer deze slechts weinig of geen beroepsinkomsten heeft (cf. art. 87 tot 89 WIB 92).
Het als huwelijksquotiënt toe te rekenen bedrag bedraagt 30 % van de in rubriek B bedoelde beroepsinkomsten die belastbaar zijn in de BNI/nat.pers. of 30% van de in rubriek B bedoelde, in de BNI/nat.pers. belastbare beroepsinkomsten van de beide echtgenoten verminderd met de (al dan niet door het Avenant bedoelde) beroepsinkomsten die belastbaar zijn in de BNI/nat.pers., van de echtgeno(o)t(e) die er het minste heeft. Het bedrag dat kan worden toegerekend, is beperkt tot een maximum van 270.000F (te indexeren bedrag).
De voordelen moeten in principe worden verminderd naar rata van de in rubriek B bedoelde beroepsinkomsten in verhouding tot de totale beroepsinkomsten, ongeacht de herkomst ervan, waarvan de bedoelde personen de begunstigden zijn.
Aangezien het huwelijksquotiënt wordt bepaald door alleen op de in rubriek B bedoelde beroepsinkomsten een percentage toe te passen, wordt de evenredigheid automatisch verwezenlijkt. Het maximale bedrag dat de toepassing van dit percentage beperkt, wordt ook niet verminderd.
Het huwelijksquotiënt wordt dus toegerekend overeenkomstig de modaliteiten uiteengezet in de administratieve commentaar van het WIB 92 (Com.IB 92 243/77 tot 80), met dien verstande dat alleen de in het Avenant bedoelde inkomsten (zie rubriek B) in aanmerking komen om het toe te rekenen bedrag vast te stellen.
3. Meewerkinkomen
Een deel van de winst en de baten die afkomstig zijn uit een in België gelegen landbouw- of bosbedrijf, vaste inrichting of vaste basis mag worden toegekend aan de echtgeno(o)t(e) die de bedoelde persoon in het uitoefenen van zijn (haar) beroepswerkzaamheid werkelijk helpt (cf. art. 86 WIB 92).
Aangezien het gaat om de toekenning van een deel, beperkt tot 30 %, van de in de BNI/nat.pers. belastbare winst of baten, wordt de evenredigheid waarin het Avenant voorziet automatisch verwezenlijkt.
Het deel wordt toegekend overeenkomstig de modaliteiten uiteengezet in de administratieve commentaar van het WIB 92 (Com.IB 92 243/81 tot 84).
4. Belastingheffing als alleenstaande van sommige gehuwde belastingplichtigen
Art. 244bis WIB 92 bepaalt dat :
- de gehuwde niet - inwoners voor het berekenen van het BNI/nat.pers. als alleenstaanden worden aangemerkt wanneer slechts één van de echtgenoten in België aan de BNI/nat.pers. onderworpen inkomsten verkrijgt en de andere echtgenoot Belgische beroepsinkomsten heeft die bij overeenkomst zijn vrijgesteld of buitenlandse beroepsinkomsten heeft van meer dan 270.000 frank (te indexeren bedrag);
- de toeslagen op de belastingvrije som wegens gezinslasten, slechts worden verleend indien de beroepsinkomsten van de aan de BNI/nat.pers. onderworpen echtgenoot meer bedragen dan de beroepsinkomsten van de andere echtgenoot.
Deze bepalingen zijn niet in strijd met het Avenant. Ze zijn van toepassing op de bedoelde personen op basis van artikel 3 van de wet van 12 augustus 2000 betreffende de tenuitvoerlegging van het Avenant.
De toepassingsmodaliteiten uiteengezet in de administratieve commentaar van het WIB 92 (Com.IB 92 243/124 tot 131) zijn van toepassing.
5. Belastingvrije som
Overeenkomstig de bepalingen van het Avenant moeten de bedragen van de belastingvrije som evenwel worden verminderd naar rata van de in rubriek B bedoelde inkomsten in verhouding tot de totale beroepsinkomsten, waarvan de inwoners van Frankrijk de begunstigde zijn. Die evenredigheid wordt gerealiseerd door in de rubriek C, 1 bedoelde breuk toe te passen.
Voorbeelden :
I. Het echtpaar DUBOIS, inwoners van Frankrijk, geen kinderen ten laste, heeft in 1999 de volgende inkomsten verkregen :
Man : nettobezoldiging uit Belgische bronnen : 500.000 BEF;
nettobezoldiging uit Franse bronnen : 900.000 BEF;
Vrouw: nettobezoldiging uit Franse bronnen : 600.000 BEF.
De man zal als alleenstaande in de BNI/nat.pers. worden belast vermits zijn echtgenote geen aan de BNI/nat.pers. onderworpen inkomsten heeft verkregen en buitenlandse inkomsten heeft van meer dan 270.000 BEF (te indexeren bedrag).
De man zal recht hebben op een belastingvrije som van 74.286 BEF (208.000 x 500.000/1.400.000).
II. Het echtpaar DUPONT, inwoners van Frankrijk, geen kinderen ten laste, heeft in 1999 de volgende inkomsten verkregen :
Man : nettobezoldiging uit Belgische bronnen : 800.000 BEF;
pensioenen uit Belgische bronnen : 300.000 BEF;
nettobezoldiging uit Franse bronnen : 900.000 BEF;
Vrouw : nettobezoldiging uit Franse bronnen : 197.000 BEF.
Het echtpaar zal worden beschouwd als echtgenoten (de tweede voorwaarde om als alleenstaande te worden belast is niet vervuld, vermits de echtgenote beroepsinkomsten heeft van minder dan 270.000 BEF (te indexeren bedrag)). Er zal een huwelijksquotiënt van 43.000 BEF worden toegerekend aan de echtgenote ((800.000 x 30 %) - 197.000). Het bedrag van 43.000 BEF zal volledig worden afgehouden van de gewone bezoldigingen die voordeel genieten uit het Avenant (dit bedrag zal inderdaad voordeel genieten uit de bepalingen van het Avenant bij het berekenen van de belasting die betrekking heeft op de inkomsten van de echtgenote).
De man zal recht hebben op een belastingvrije som van 63.825 BEF (165.000 F x 757.000/1.957.000). De echtgenote zal recht hebben op een belastingvrije som van 29.563 BEF (165.000 x 43.000/240.000).
6. Toeslagen op de belastingvrije som wegens gezinslasten
De volgende toeslagen worden bedoeld:
- de toeslagen voor kinderen ten laste;
- de bijkomende toeslag van 10.000 F (te indexeren bedrag) voor elk kind dat de leeftijd van 3 jaar niet heeft bereikt op 1 januari van het aanslagjaar;
- de toeslag voor andere personen ten laste;
- de toeslag voor de gehandicapte belastingplichtige;
- de toeslag voor de gehandicapte personen ten laste;
- de toeslag voor weduwe, weduwnaar of ongehuwde vader of moeder met kinderen ten laste;
- de toeslag voor het jaar van huwelijk indien de echtgenoot geen netto-bestaansmiddelen heeft gehad die meer dan 60.000 BEF (te indexeren bedrag) bedragen;
- de toeslag voor het jaar waarin het huwelijk door overlijden is ontbonden.
De toeslagen worden toegekend overeenkomstig de modaliteiten uiteengezet in de administratieve commentaar van het WIB 92 (Com.IB 92 243/134 tot 136). De gehuwde niet-inwoners die als alleenstaande worden belast, kunnen geen aanspraak maken op de laatste drie toeslagen.
Overeenkomstig de bepalingen van het Avenant moeten de bedragen van de toeslagen evenwel worden verminderd naar rata van de bedoelde inkomsten in verhouding tot de totale beroepsinkomsten, waarvan de inwoners van Frankrijk de begunstigden zijn. Die evenredigheid wordt gerealiseerd door de in rubriek C, 1 bedoelde breuk toe te passen.
Voorbeeld :
Het echtpaar MARTIN, inwoners van Frankrijk, met 3 kinderen ten laste, heeft in 1999 de volgende inkomsten verkregen :
Man : nettobezoldiging uit Belgische bronnen : 300.000 BEF;
nettobezoldiging uit Franse bronnen : 700.000 BEF;
Vrouw : nettobezoldiging uit Franse bronnen : 600.000 BEF.
De man zal als alleenstaande in de BNI/nat.pers. worden belast vermits zijn echtgenote geen aan de BNI/nat.pers. onderworpen inkomsten heeft verkregen en buitenlandse beroepsinkomsten heeft van meer dan 270.000 BEF (te indexeren bedrag). Hij zal de toeslag op de belastingvrije som wegens gezinslasten genieten aangezien zijn beroepsinkomsten hoger zijn dan die van zijn echtgenote.
De man heeft dus recht op den belastingvrije som van 62.400 BEF (208.000 BEF x 300.000/1.000.000) en op de toeslag op de belastingvrije som voor 3 kinderen ten laste van 76.500 BEF (255.000 x 300.000/1.000.000).
7. Belastingvermindering voor het lange termijnsparen en het bouwsparen
De bedoelde personen (cf. rubriek A) kunnen, zoals in het verleden, niet genieten van deze verminderingen. Het gaat hier immers niet om verminderingen die verband houden met hun persoonlijke toestand of hun gezinslasten.
De vermindering voor betalingen die zijn verricht in het kader van het pensioensparen, wordt evenwel toegekend aan de inwoners van Frankrijk, indien zij bij het openen van de rekening of bij het ondertekenen van het verzekeringscontract inwoner waren van België. De vermindering wordt toegekend naar rata van de in rubriek B bedoelde inkomsten in verhouding tot het totale beroepsinkomen waarvan zij de begunstigde zijn. Deze evenredigheid wordt gerealiseerd door de in rubriek C, 1 bedoelde breuk toe te passen.
8. Belastingverminderingen voor vervangingsinkomsten en pensioenen
Het bedrag van de basisbelastingverminderingen in de BNI/nat.pers. hangt af van de toekenning van de belastingvrije sommen. In de huidige stand van zaken zijn er twee basisbelastingverminderingen in de BNI/nat.pers. van toepassing:
- een "lage" vermindering voor niet-inwoners met tehuis, de gelijkgestelden (75 % regel) en de bevoorrechte niet-inwoners (inwoners van Nederland, Griekenland en Marokko) omdat voor hen de belastingvrije sommen volledig worden toegekend.
- en "hoge" vermindering voor de niet-inwoners zonder tehuis waarvoor de belastingvrije sommen niet worden toegekend.
Aangezien voor de inwoners van Frankrijk de belastingvrije sommen worden toegekend volgens de breuk vermeld in rubriek C, 1, moet bijgevolg de basisbelastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten voor hen worden aangepast in functie van de belastingvrije sommen waarop zij aanspraak hebben gemaakt.
9. Aftrek van onderhoudsuitkeringen
De onderhoudsuitkeringen die een inwoner van Frankrijk betaalt aan een niet-inwoner van België zijn aftrekbaar naar rata van de in het Avenant bedoelde inkomsten in verhouding tot het totale beroepsinkomen waarvan die inwoner van Frankrijk de begunstigde is. Daartoe zijn de noodzakelijke aanpassingen in vak VIII van de aangifte doorgevoerd.
D. Modaliteiten voor het toekennen van het stelsel
Artikel 24, § 1 van de Overeenkomst van 10 maart 1964 bepaalt dat de bevoegde autoriteiten van België en Frankrijk overleg plegen inzonderheid met betrekking tot de rechtvaardigingen die door de inwoners van een overeenkomstsluitende Staat moeten worden verstrekt om in de andere overeenkomstsluitende Staat de bij Overeenkomst bepaalde belastingvrijstellingen of -verminderingen te genieten.
Dit houdt in dat de inwoners van Frankrijk die aanspraak maken op de vermindering van de BNI/nat.pers. die voortkomt uit het Avenant, de gegevens moeten verstrekken waardoor hun persoonlijke toestand en hun gezinslasten kunnen in aanmerking worden genomen.
Deze belastingplichtigen moeten bijgevolg zorgvuldig de vakken II en VII van hun aangifte in de BNI/nat.pers. voor het aanslagjaar 2000 invullen. Indien ze niet de gegevens verstrekken die nodig zijn om de belasting te berekenen overeenkomstig de regels die voortkomen uit de toepassing van het Avenant (met inbegrip van hun buitenlandse en bij verdrag vrijgestelde binnenlandse beroepsinkomsten en die van hun echtgeno(o)t(e)), worden de bepalingen van het Avenant niet op hen toegepast. De belasting zal worden berekend overeenkomstig de bepalingen van art. 243 WIB 92. De onachtzame belastingplichtigen zullen een bezwaar op basis van art. 366 WIB 92 of een verzoek om ontheffing op basis van art. 376, § 3, 2° WIB 92 moeten indienen. Alle nodige inlichtingen moeten worden verstrekt ter ondersteuning van het bezwaarschrift of van het verzoek.
Vak II moet de inlichtingen bevatten die betrekking hebben op hun persoonlijke toestand, eventueel op die van hun echtgeno(o)t(e) en eventueel op hun gezinslasten.
De buitenlandse beroepsinkomsten en de krachtens de Overeenkomst van 10 maart 1964 vrijgestelde inkomsten moeten worden vermeld in vak VII van de aangifte in de BNI/nat.pers. Het bedrag van deze beroepsinkomsten kan worden bepaald met alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed. Het kan gaan om een belastingbericht of een bewijsstuk dat uitgaat van de Franse belastingadministratie.
E. Inning van de bedrijfsvoorheffing
Vanaf 01.02.1999 wordt er in principe BV ingehouden op de bezoldigingen die in het buitenland aan in België tewerkgestelde niet-inwoners worden gestort door Belgische werkgevers of door buitenlandse ondernemingen die via Belgische inrichtingen werken (art. 270, 1° WIB 92).
Bij de berekening van de bedrijfsvoorheffing wordt geen rekening gehouden met de bepalingen van art.244 WIB 92 noch met de bepalingen van het Avenant. Derhalve is Hoofdstuk V, Afdeling 1 van de Bijlage III KB/WIB 92 (schaal III) van toepassing.
Voor de desbetreffende bezoldigingen wordt een regularisatie in de BNI/nat.pers. toegepast op basis van art. 232 WIB 92. De voordelen waarin het Avenant voorziet, zullen bij die regularisatie worden toegepast. Die regularisatie geeft aanleiding tot de teruggave van het teveel geheven bedrag.
3. Toepassing (artikel 3, § 2, b) van het Avenant)
De bepalingen met betrekking tot non-discriminatie zijn van toepassing op de inkomsten die werden verkregen, verwezenlijkt, betaald of toegekend vanaf 1 januari 1996.
Artikel 2 van de Wet van 12 augustus 2000 betreffende de tenuitvoerlegging van het Avenant, bevat bepalingen die het mogelijk maken om buiten de termijnen waarin het WIB 92 voorziet, belastingontheffingen te verlenen.
A. Inkomsten verkregen in 1996,1997 en 1998
De inkomsten verkregen in 1996, 1997 en 1998 werden normaal gezien belast overeenkomstig de bepalingen van art. 243 WIB 92.
Teneinde de rechten van de belastingplichtigen te waarborgen, wordt een minimumtermijn van één jaar vastgesteld, met ingang van de publicatie in het Belgisch Staatsblad ofwel van het Avenant ofwel van de wet die afwijkt van het WIB 92 om belastingontheffingen mogelijk te maken. Aangezien de publicatie op verschillende data kan plaatshebben, heeft de wet bepaald dat de termijn van één jaar begint te lopen vanaf de laatste publicatie. De datum die in aanmerking moet worden genomen, is die van 26 september 2000.
De aanslagen zullen kunnen worden ontheven zelfs indien de in het WIB 92 bepaalde termijnen verstreken zijn, ofwel van ambtswege door de directeur der belastingen indien de overbelastingen door de administratie werden vastgesteld of door de belastingplichtige aan de administratie werden bekendgemaakt voor 27 september 2001 ofwel na een gemotiveerd bezwaarschrift dat schriftelijk binnen dezelfde termijn werd ingediend.
Om het te berekenen bedrag van de ontheffing te bepalen, moet het bedrag van de werkelijk verschuldigde belasting worden berekend. In de mate dat de bepalingen van het Avenant niet in aanmerking konden worden genomen voor de geautomatiseerde berekening van de BNI/nat.pers. van de belastbare tijdperken 1996 tot 1998, zou het bedrag van de werkelijk verschuldigde belasting manueel moeten berekend worden.
Teneinde te voorkomen dat dit nadelige gevolgen zou hebben op de achterstand in de behandeling van bezwaarschriften en ontheffingen van ambtswege, werd beslist om voor de betrokken inwoners van Frankrijk - bij wijze van uitzondering - de non-discriminatiebepaling integraal toe te passen voor de aanslagjaren 1997, 1998 en 1999. De voordelen waarin het Avenant voorziet, zullen hen dus voor die aanslagjaren zonder omdeling worden toegekend.
B. Inkomsten van belastbaar tijdperk 1999 en volgende
De bepalingen van het Avenant worden in aanmerking genomen bij het berekenen van de BNI/nat.pers.
De Adjunct-administrateur-generaal der belastingen,
J.-M. DELPRORT
*
* *
BIJLAGE I
9 JUNI 1999 - Wet houdende instemming met het Avenant bij de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend op 10 maart 1964, gedaan te Brussel op 8 februari 1999.
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Art. 2. Het Avenant bij de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve een juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend op 10 maart 1964, gedaan te Brussel op 8 februari 1999, zal volkomen gevolg hebben.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 9 juni 1999
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Buitenlandse Zaken,
E. DERYCKE
De Vice-Eerste Minister en Minister belast met Buitenlandse Handel,
E. DI RUPO
De Minister van Financiën,
J.-J. VISEUR
Met 's Lands zegel bezegeld :
De Minister van Justitie,
T. VAN PARYS
Avenant bij de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend te Brussel op 10 maart 1964
De Regering van het Koninkrijk België
en
De Regering van de Republiek Frankrijk
Wensende de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend te Brussel op 10 maart 1964 (hierna te noemen "de Overeenkomst";) te wijzigen,
Zijn als volgt overeengekomen :
Artikel 1
1. Artikel 11, paragraaf 2 c) van de Overeenkomst wordt vervangen door de volgende bepalingen :
"c) De salarissen, lonen en andere soortgelijke bezoldigingen verkregen door een inwoner van een overeenkomstsluitende Staat die zijn activiteit uitoefent in de grenszone van de andere overeenkomstsluitende Staat en die zijn duurzaam tehuis in de grenszone van de eerstgenoemde Staat heeft, zijn slechts in die Staat belastbaar.
De grenszone van elke Staat omvat alle gemeenten die gelegen zijn in de zone begrensd door de gemeenschappelijke grens van de overeenkomstsluitende Staten en een lijn getrokken op een afstand van twintig kilometer van die grens, met dien verstande dat de gemeenten die door deze lijn worden doorsneden, in de grenszone worden opgenomen.
De bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende Staten regelen, gezamenlijk of afzonderlijk, de modaliteiten voor de toepassing van de voorafgaand bepalingen en komen, indien nodig, inzonderheid overeen welke bewijsstukken voor de toepassing van deze bepalingen moeten worden verstrekt."
2. Voor de toepassing van de laatste alinea van paragraaf 1 wordt gebruik gemaakt van de formulieren 276 Grens, 276 Front en 5206 tot de bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende Staten daarover iets anders beslissen.
Artikel 2
Artikel 25 van de Overeenkomst wordt vervangen door de volgende bepalingen:
"1. a) Onderdanen van een overeenkomstsluitende Staat worden in de andere overeenkomstsluitende Staat niet onderworpen aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichtingen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen waaraan onderdanen van die andere Staat onder gelijke omstandigheden, inzonderheid met betrekking tot de woonplaats, zijn of kunnen worden onderworpen.
Niettegenstaande de bepalingen van artikel 1 is deze bepaling ook van toepassing op personen die geen inwoner zijn van een overeenkomstsluitende Staat of van beide overeenkomstsluitende Staten.
b) Er is overeengekomen dat een natuurlijke persoon, een rechtspersoon, een personenvennootschap of een vereniging die inwoner is van een overeenkomstsluitende Staat zich niet in dezelfde omstandigheden bevindt als een natuurlijke persoon, een rechtspersoon, een personenvennootschap of een vereniging die geen inwoner is van die Staat, en dit, ongeacht de definitie van de nationaliteit, zelfs indien de rechtspersonen, de personenvennootschappen en de verenigingen worden beschouwd als onderdanen van de overeenkomstsluitende Staat waarvan zij inwoner zijn.
2. Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 1 worden natuurlijke personen die inwoner zijn van een overeenkomstsluitende Staat en die in de andere overeenkomstsluitende Staat een dienstbetrekking uitoefenen, in die andere Staat terzake van de inkomsten uit deze werkzaamheden niet onderworpen aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting, die zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen waaraan natuurlijke personen die inwoner zijn van die ander Staat en die aldaar een dienstbetrekking uitoefenen, zijn of kunnen worden onderworpen. De persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van de gezinstoestand of gezinslasten welke die andere Staat aan zijn eigen inwoners verleent, worden verleend aan de in de vorige zin bedoelde personen, maar ze worden verminderd naar rata van de bezoldigingen die uit die ander Staat afkomstig zijn in verhouding tot het totale beroepsinkomen, ongeacht de herkomst ervan, waarvan die personen de begunstigden zijn.
3. De belastingheffing van een landbouw - of bosbedrijf dat een inwoner van een overeenkomstsluitende Staat in de andere overeenkomstsluitende Staat heeft, van een vaste inrichting die een onderneming van een overeenkomstsluitende Staat in de andere overeenkomstsluitende Staat heeft, of van een vaste basis waarover een inwoner van een overeenkomstsluitende Staat in de andere overeenkomstsluitende Staat beschikt, is in die andere Staat niet ongunstiger dan de belastingheffing van, naar het geval, inwoners of ondernemingen van die andere Staat die dezelfde werkzaamheden uitoefenen.
De persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van de gezinstoestand of gezinslasten welke die andere Staat aan zijn eigen inwoners verleent, worden verleend aan de in de vorige zin bedoelde personen, maar ze worden verminderd naar rata van de inkomsten uit land- of bosbouw, van de winst van een onderneming of van de inkomsten uit zelfstandige werkzaamheden die in die andere Staat zijn verwezenlijkt in verhouding tot het totale beroepsinkomen, ongeacht de herkomst ervan, waarvan die personen de begunstigden zijn.
4. De uitdrukking "onderdanen" betekent voor elke overeenkomstsluitende Staat :
a) alle natuurlijke personen die de nationaliteit van die Staat bezitten;
b) alle rechtspersonen, personenvennootschappen en verenigingen die hun rechtspositie als zodanig ontlenen aan de wetgeving van de genoemde Staat."
Artikel 3
1. Elke overeenkomstsluitende Staat zal de andere in kennis stellen van de voltooiing van de procedures die door zijn wetgeving voor de inwerkingtreding van dit Avenant zijn vereist. Dit Avenant zal in werking treden op de dag waarop de laatste kennisgeving is ontvangen.
2. De bepalingen van het Avenant zullen van toepassing zijn :
a) met betrekking tot artikel 1 op de inkomsten die werden verkregen, verwezenlijkt, betaald of toegekend vanaf 1 januari 1999 ;
b) met betrekking tot artikel 2 op de inkomsten die werden verkregen, verwezenlijkt, betaald of toegekend vanaf 1 januari 1996.
Artikel 4
Dit Avenant, dat een integrerend deel van de Overeenkomst vormt, zal in werking blijven zolang de Overeenkomst zelf in werking blijft.
Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gevolmachtigd, dit Avenant hebben ondertekend.
Gedaan in tweevoud te Brussel, op 8 februari 1999, in de Franse en de Nederlandse taal, zijnde de twee teksten gelijkelijk authentiek.
Voor de Regering van het Koninkrijk België :
De heer J.-J. VISEUR,
Minister van Financiën
Voor de Regering van de Republiek Frankrijk:
De heer D. STRAUSS-KAHN,
Minister van Economie, Financiën en Industrie
BIJLAGE II
12 AUGUSTUS 2000 - Wet betreffende de tenuitvoerlegging van het Avenant, ondertekend te Brussel op 8 februari 1999, bij de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend Brussel op 10 maart 1964
ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid zoals bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2. In afwijking van de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met betrekking tot de termijnen inzake bezwaar en ontheffing van ambtswege wordt, zelfs wanneer zij op grond van het gemeen recht niet meer kunnen worden herzien, van de aanslagen die in strijd met de bepalingen van het Avenant, ondertekend te Brussel op 8 februari 1999, bij de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend te Brussel op 10 maart 1964, zijn gevestigd of gekweten, ontheffing verleend, hetzij van ambtswege door de directeur der belastingen indien de overbelasting door de Administratie is vastgesteld of door de belastingschuldige aan de Administratie is bekendgemaakt binnen een termijn van één jaar met ingang van de publicatie ofwel van deze wet ofwel van het voormelde Avenant in het Belgisch Staatsblad, hetzij naar aanleiding van een schriftelijk en met redenen omkleed bezwaarschrift dat binnen dezelfde termijn bij de voornoemde ambtenaar is ingediend. Voor de berekening van de termijn zal de datum van de laatste publicatie beslissend zijn.
Art. 3. Artikel 244bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 is van toepassing op de inwoners van Frankrijk, bedoeld in artikel 25, §§ 2 en 3, van de Frans-Belgische Overeenkomst van 10 maart 1964 tot voorkoming van dubbele belastingen en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, zoals dat artikel is gewijzigd bij het Avenant van 8 februari 1999 bij het genoemde Verdrag.
Gegeven te Nice, 12 augustus 2000
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN
