Aanschrijving nr. 14 dd. 22.09.1992 +,addendum van 10.12.1992 +,addendum van 01.02.1995

AANSCHRIJVING 92/014

Aanschrijving nr. 14 dd. 22.09.1992 +
addendum van 10.12.1992 +
addendum van 01.02.1995


Deze aanschrijving werd volledig vervangen door de aanschrijving nr. 22 dd. 21.08.2002.
Invoer
Bijzondere wijze van betalen


INHOUD Nr. - Inleiding 1 - 6 - Herziening van het bedrag van de vooruitbetaalde belasting 7 - 8 - Teruggaaf van de vooruitbetaalde belasting 9 - 14 - Belastingplichtigen die uitsluitend invoeren uit derde landen hebben verricht in 1992 15 - Belastingplichtigen die uitsluitend invoeren uit Lid-Staten hebben verricht in 1992 16 - 18 - Belastingplichtigen die zowel invoeren uit Lid-Staten als uit derde landen hebben verricht in 1992 A. De belastingplichtige ziet af van de vergunning 19 - 24 B. De belastingplichtige ziet niet af van de vergunning 25 - 30 - Bijzondere gevallen 31 - 32 - Addendum I (aanvraag om vergunning vanaf 1 januari 1993) dd. 10 december 1992 33 - Addendum II (bijzondere regels die voor de toepassing van de verleggingsregeling bij invoer moeten worden in acht genomen ingevolge de toetreding per 1 januari 1995 van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden dd. 1 februari 1995 34 Onderwerp van de aanschrijving. 1. De aanschrijving nr. 3 van 11 januari 1973, bijgewerkt in 1988 (z. aanschrijving nr. 10 van 24 november 1988, stelt een bijzondere wijze van betalen van de BTW in voor de invoer van goederen die niet bedoeld is in artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1977 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.

2. De opheffing van de fiscale grenzen tussen de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap per 1 januari 1993 zal voor gevolg hebben dat die regeling automatisch vervalt voor de intracommunautaire handelingen.

Vanaf die datum worden namelijk het huidige principe van de belastingheffing bij invoer en de verplichting douaneformaliteiten te verrichten tot vaststelling van het binnenkomen van een goed op Belgisch grondgebied, afgeschaft voor het goederenverkeer tussen Lid-Staten.

3. De houders van de vergunning om de verleggingsregeling toe te passen zullen dan ook teruggaaf kunnen bekomen van het bedrag dat ze als belasting hebben vooruitbetaald met betrekking tot de invoeren van goederen uit Lid-Staten.

4. In het nr. 25 van de aanschrijving nr. 3 van 11 januari 1973 (bijwerking 1988) wordt bepaald dat wanneer de herziening van het vooruitbetaalde bedrag aanleiding geeft tot een teruggaaf of wanneer, om welke reden ook, een einde wordt gesteld aan de bijzondere wijze van betalen, de belasting die in het kader van die regeling werd vooruitbetaald tot beloop van het passende bedrag wordt teruggegeven overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde.

5. Het koninklijk besluit van 17 september 1992, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 24 september 1992, wijzigt met ingang van 1 oktober 1992 voornoemd besluit nr. 4 van 29 december 1969, inzonderheid wat betreft de modaliteiten inzake de teruggaaf van de vooruitbetaalde belasting.

6. Deze aanschrijving heeft tot doel de bijzondere regels te bepalen die ingevolge de opheffing van de fiscale grenzen tussen de Lid-Staten in acht moeten worden genomen bij de herziening van de vooruit te betalen belasting in 1993 en strekt er tevens toe de nieuwe regels van de teruggaaf van die belasting toe te lichten.

Zij wijzigt en werkt de aanschrijving nr. 3 van 11 januari 1973 (bijwerking 1988), hierna aanschr. 3/1973 genaamd, bij, waarnaar wordt verwezen.

Herziening van het bedrag van de vooruitbetaalde belasting.

7. Bij de herziening van het bedrag van de vooruit te betalen belasting die in de loop van het jaar 1993, doch vóór 20 april, dient te geschieden, moet, in afwijking van de nrs. 23/2 en 23/3 van de aanschr. 3/1973, slechts rekening worden gehouden met de totale belasting die werd of moet worden betaald voor de invoeren van goederen afkomstig uit derde landen die werden verricht in het kalenderjaar 1992.

8. Onder derde landen wordt verstaan de Staten die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap alsmede bepaalde nationale gebieden die, alhoewel zij deel uitmaken van een Lid-Staat van die Gemeenschap, toch uitgesloten zijn van de werkingssfeer van de BTW.

In 1992 zijn de Lid-Staten en hun gebieden die uitgesloten zijn van de werkingssfeer van de BTW :

1) Duitsland (met inbegrip van de Länder van de voormalige Duitse Democratische Republiek) met uitsluiting van
  • het eiland Helgoland
  • het grondgebied van Büsingen
2) België

3) Denemarken

4) Spanje met uitsluiting van

  • Ceuta
  • Melilla
  • de Canarische Eilanden
5) Frankrijk met uitsluiting van de overzeese departementen

6) Groothertogdom Luxemburg

7) Griekenland met uitsluiting van de Berg Athos

8) Ierland

9) Italië met uitsluiting van

  • Livigno
  • Campione d'Italia
  • de nationale wateren van het meer van Lugano
10) Nederland

11) Portugal

12) Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland met uitsluiting van

  • Gibraltar
  • de Kanaaleilanden
Teruggaaf van de vooruitbetaalde belasting.

9. De teruggaaf geschiedt onder de voorwaarden gesteld in het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969.

Artikel 5 van dat besluit luidt als volgt :

"§ 1. Ten aanzien van de belastingplichtige die gehouden is een periodieke aangifte in te dienen, vindt de teruggaaf plaats door toerekening op het bedrag van de belasting verschuldigd voor het aangiftetijdvak, van het totaalbedrag van de belasting waarvoor de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan in dat tijdvak. Ten aanzien van de belastingplichtige die gehouden is een kwartaal- of een maandaangifte in te dienen wordt de teruggaaf van de belasting, die in het kader van de vergunning bedoeld in artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit nr. 7 van 27 december 1977 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde werd vooruitbetaald voor de invoer van goederen uit de grondgebieden van de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap die binnen de werkingssfeer van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde vallen, evenwel gespreid over de kalenderkwartalen wanneer het bedrag van die teruggaaf meer dan 500.000 frank bedraagt. In dat geval vindt de teruggaaf plaats door toerekening van een achtste van de terug te geven belasting op het bedrag van de belasting verschuldigd voor het aangiftetijdvak waarin de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan en door toerekening van een achtste van die terug te geven belasting op het bedrag van de belasting verschuldigd voor de zeven volgende kalenderkwartalen of voor de laatste maand van elk van die zeven kwartalen.

De belastingplichtige verricht de toerekening door het voor teruggaaf vatbare bedrag op te nemen in het bedrag van de herzieningen van belasting voor het aangiftetijdvak.

§ 2. Wanneer de belastingplichtige de toerekening niet heeft verricht conform § 1, mag hij dat nog doen in een van de aangiften ingediend binnen vijf jaar te rekenen vanaf het tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf is ontstaan."

10. Daaruit volgt dat alle belastingplichtigen zoals in het verleden teruggaaf van de vooruitbetaalde BTW bekomen door toerekening; daartoe nemen ze het totaalbedrag van de voor teruggaaf vatbare belasting op in de periodieke aangifte die betrekking heeft op de periode waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.

Wanneer evenwel de teruggaaf betrekking heeft op de BTW die werd vooruitbetaald in het kader van de intracommunautaire handelingen die de belastingplichtige heeft verricht en ze meer bedraagt dan 500.000 frank, wordt die teruggaaf gespreid over acht kalenderkwartalen. Het eerste achtste van het terug te geven bedrag mag worden toegerekend in de periodieke aangifte die betrekking heeft op de periode waarin het recht op teruggave is ontstaan en de zeven overige achtsten in de periodieke aangiften die betrekking hebben op de volgende zeven kalenderkwartalen of op de laatste maand van elk van die kwartalen wanneer de belastingplichtige gehouden is tot het indienen van maandaangiften.

11. De oorzaak van teruggaaf van de vooruitbetaalde belasting doet zich voor en het recht op teruggaaf ontstaat :

  • op 1 januari van het jaar waarin de herziening van het vooruitbetaalde bedrag aanwijst dat er teveel werd betaald;
  • op de datum waarop de belastingplichtige van de vergunning afziet;
  • op de datum waarop de vergunning wordt ingetrokken;
  • op de datum waarop de vergunning niet meer mag worden ingeroepen; dat is inzonderheid het geval wanneer de houder van de vergunning de hoedanigheid van belastingplichtige verliest of wanneer hij onderworpen wordt aan een regeling die hem ontslaat van het indienen van periodieke aangiften.
12. Overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 4, moet de belastingplichtige, om zijn vordering tot teruggaaf te kunnen uitoefenen, een document opstellen conform het model als bijlage bijgevoegd bij onderhavige aanschrijving, die de bijlage V van de aanschr. 3/1973 vervangt. Dat document moet worden ingeschreven in het register van teruggaaf (z. aanschr. 78/1970, nr. 31).

Twee exemplaren van dat document moeten worden gehecht aan de periodieke aangifte waarin de toerekening heeft plaatsgevonden of de eerste toerekening ingeval de teruggaaf dient te worden gespreid.

13. Wanneer de belastingplichtige de toerekening niet heeft verricht conform nr. 10, mag hij dat doen in een volgende aangifte tot beloop van het bedrag van de terug te geven belasting dat hij nog mag toerekenen op het tijdstip van indienen van die aangifte. Daarbij mag de termijn bedoeld in artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 (z. nr. 9) uiteraard niet worden overschreden.

14. De wijze waarop de teruggaaf van de belasting geschiedt hangt af van de situatie die zich stelt.

Belastingplichtigen die uitsluitend invoeren uit derde landen hebben verricht in 1992.

15. Wanneer de herziening van het vooruitbetaalde bedrag aanleiding geeft tot een teruggaaf of wanneer de regeling wordt beëindigd, bekomt de belastingplichtige teruggaaf van de belasting door de totale terug te geven som, ongeacht het bedrag ervan, toe te rekenen in de periodieke aangifte die betrekking heeft op de periode waarin het recht op teruggaaf is ontstaan (z. nr. 11).

Belastingplichtigen die uitsluitend invoeren uit Lid-Staten hebben verricht in 1992.

16. De belastingplichtige die uitsluitend invoeren uit Lid-Staten heeft verricht in 1992 wordt geacht ambtshalve van de regeling af te zien per 1 januari 1993 voor zover hij dit niet reeds vóór die datum heeft gedaan met inachtneming van de vormvoorwaarde waarin nr. 14 van de aanschr. 3/1973 voorziet.

Wanneer hij de regeling verder wil toepassen in 1993 voor de handelingen met derde landen die hij voornemens is te verrichten, moet hij een nieuwe aanvraag tot het bekomen van de vergunning indienen. Overeenkomstig nr. 18 van de aanschr. 3/1973 moet die aanvraag de bedragen van de invoeren uit die landen vermelden die de belastingplichtige, volgens zijn vooruitzichten, zal doen tijdens de volgende twaalf maanden. Bovendien moet hij het bedrag van de vooruit te betalen belasting storten dat in het kader van zijn aanvraag is verschuldigd.

Het bedrag dat de betrokkene heeft betaald voor de in 1992 verrichte invoeren kan daartoe in geen geval worden aangewend en wordt hem noodzakelijkerwijs als volgt teruggegeven.

17. Wanneer het terug te geven bedrag kleiner of gelijk is aan 500.000 frank, bekomt de belastingplichtige teruggaaf van de belasting door toerekening van het totale terug te geven bedrag in de aangifte die betrekking heeft op de periode waarin het recht op teruggaaf is ontstaan (z. nr. 11).

18. Wanneer het terug te geven bedrag meer bedraagt dan 500.000 frank, bekomt de belastingplichtige teruggaaf door toerekening van een achtste per kalenderkwartaal. Het eerste achtste van het bedrag wordt opgenomen in zijn periodieke aangifte met betrekking tot de periode waarin de oorzaak van teruggaaf zich heeft voorgedaan (z. nr. 11) en de zeven overige achtsten in zijn periodieke aangiften die betrekking hebben op elk van de volgende zeven kalenderkwartalen of op de laatste maand van elk van de zeven volgende kalenderkwartalen wanneer de belastingplichtige gehouden is tot het indienen van maandelijkse aangiften.

Dat geval kan zich normaal niet voordoen te opzichte van de belastingplichtigen die, overeenkomstig artikel 16 van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, gehouden zijn tot het indienen van jaarlijkse aangiften. De jaaromzet van die belastingplichtigen mag namelijk niet meer bedragen dan drie miljoen frank.

Belastingplichtigen die zowel invoeren uit Lid-Staten als uit derde landen hebben verricht in 1992.

19. Meerdere gevallen kunnen zich voordoen naargelang de belastingplichtige de verleggingsregeling verder blijft toepassen dan wel ervan afziet en de betrokkene de invoeren die hij in 1992 heeft verricht al dan niet uitsplitst in handelingen met Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap en handelingen met derde landen (z. nr. 8).



A.De belastingplichtige ziet af van de vergunning.
20. Er wordt herinnerd aan het feit dat het afzien van de verleggingsregeling bedoeld in aanschr. 3/1973 in principe definitief is.

21. Wanneer het terug te geven bedrag kleiner of gelijk is aan 500.000 frank, handelt de belastingplichtige zoals voorgeschreven in nr. 17.

22. Wanneer het terug te geven bedrag meer bedraagt dan 500.000 frank en de belastingplichtige de invoeren die hij in 1992 heeft verricht niet uitsplitst in de op te maken bijlage, zijn de regels van teruggaaf uiteengezet in nr. 18 van toepassing op het totale bedrag.

23. Wanneer het terug te geven bedrag meer bedraagt dan 500.000 frank en de belastingplichtige de invoeren die hij in 1992 heeft verricht uitsplitst in de op te maken bijlage, verkrijgt hij de teruggaaf van het deel van het vooruitbetaalde bedrag dat betrekking heeft op zijn handelingen met derde landen door dat bedrag op te nemen in de aangifte die betrekking heeft op de periode waarin het recht op teruggaaf is ontstaan (z. nr. 11).

In dezelfde aangifte verkrijgt hij bovendien de volledige teruggaaf van het deel van het vooruitbetaalde bedrag dat betrekking heeft op de handelingen met de Lid-Staten, wanneer dat deel kleiner is of gelijk aan 500.000 frank.

Wanneer dit deel van het vooruitbetaalde bedrag meer bedraagt dan 500.000 frank, bekomt de belastingplichtige hiervan de teruggaaf door toerekening van een achtste per kalenderkwartaal, zoals uiteengezet onder nr. 18.



24.Het volgende voorbeeld schetst de in nr. 23 bedoelde situatie.
Stel een belastingplichtige, gehouden tot het indienen van maandelijkse aangiften, die op 10 januari 1993 afziet van de verleggingsregeling. Hij stuurt ter zake aan zijn hoofdcontroleur de aangetekende brief bedoeld in nr. 14 van de aanschr. 3/1973.

Het vooruitbetaalde bedrag bedraagt 7.500.000 frank.

De invoeren die hij in 1992 heeft verricht, zijn voor 60 % afkomstig uit derde landen en voor 40 % afkomstig uit Lid-Staten.

Hij stelt het document bepaald in bijlage van onderhavige aanschrijving op.

Het vooruitbetaalde bedrag wordt uitgesplitst in 4.500.000 frank voor zijn handelingen met derde landen (7.500.000 x 60 %) en 3.000.000 frank voor zijn handelingen met Lid-Staten (7.500.000 x 40 %).

Hij neemt het bedrag van 4.875.000 frank (4.500.000 + 1/8 van 3.000.000) op in kader IV, C, b, van zijn periodieke aangifte die betrekking heeft op zijn handelingen van de maand januari 1993, en die uiterlijk op 20 februari 1993 moet worden ingediend.

Hij voegt bij deze aangifte twee exemplaren van het document opgesteld conform de bijgevoegde bijlage.

Vervolgens neemt hij het bedrag van 375.000 frank (1/8 van 3.000.000) op in elke periodieke aangifte die betrekking heeft op de handelingen van de laatste maand van ieder van de zeven volgende kalenderkwartalen.



B.De belastingplichtige ziet niet af van de vergunning.
25. Wanneer de belastingplichtige na 31 december 1992 de verleggingsregeling wenst te behouden voor de invoeren uit derde landen, moet hij het vooruit te betalen bedrag vóór 20 april 1993 herzien op de wijze bepaald in de nrs. 7 en 8.

26. In het kader van die herziening moet de belastingplichtige in beginsel een uitsplitsing maken van de invoeren die hij in 1992 heeft verricht.

Indien hij zijn invoeren niet uitsplitst heeft dit voor de belastingplichtige de navolgende consequenties :

  • al de invoeren die hij in 1992 heeft verricht (dus ook die afkomstig uit Lid-Staten) moeten in aanmerking worden genomen voor de berekening van het in 1993 vooruit te betalen bedrag;
  • wanneer één of meerdere oorzaken van teruggaaf van belasting zich voordoen in de loop van het jaar 1993 als gevolg van een herziening van de vooruitbetaalde belasting, het afzien van de vergunning of de intrekking ervan, en het terug te geven bedrag per oorzaak meer dan 500.000 frank bedraagt, bekomt hij de teruggaaf door toerekening van een achtste per kalenderkwartaal, overeenkomstig de regels uiteengezet onder nr. 18.
27. De teruggaaf van de vooruitbetaalde belasting valt onder dezelfde regels als deze uiteengezet onder de nrs. 21 tot 23.

De navolgende voorbeelden illustreren de berekeningswijze in drie courante situaties.

28. Stel een belastingplichtige gehouden tot het indienen van maandelijkse aangiften die op 15 februari 1993 het in 1992 vooruitbetaalde bedrag van 2.800.000 frank herziet.

Het in 1993 vooruit te betalen bedrag berekend op basis van zijn invoeren die hij in 1992 heeft verricht vanuit derde landen (z. nrs. 7 en 8) bedraagt 1.900.000 frank.

De invoeren die hij in 1992 heeft verricht zijn voor 85 % afkomstig uit derde landen en voor 15 % uit Lid-Staten. Het reeds vooruitbetaalde bedrag wordt dan ook uitgesplitst in 2.380.000 frank (2.800.000 x 85 %) voor zijn handelingen met derde landen en 420.000 frank (2.800.000 x 15 %) voor zijn handelingen met Lid-Staten.

Hij stelt een document op conform de bijlage bij onderhavige aanschrijving.

In kader IV, C, b, van zijn periodieke aangifte die betrekking heeft op zijn handelingen van de maand januari 1993 en die uiterlijk op 20 februari 1993 moet worden ingediend, neemt hij het bedrag van 900.000 frank op, zijnde :
2.380.000 (deel van het in 1992 vooruitbetaalde bedrag dat betrekking heeft op de handelingen met derde landen) - 1.900.000 (vooruit te betalen bedrag voor het jaar 1993) + 420.000 (deel van het in 1992 vooruitbetaalde bedrag dat betrekking heeft op de handelingen met Lid-Staten; dit bedrag wordt in één maal teruggegeven vermits het niet meer dan 500.000 frank bedraagt) ----------- 900.000
Hij voegt bij deze aangifte twee exemplaren van het hierbovengenoemde document. 29. Stel een belastingplichtige gehouden tot het indienen van maandelijkse aangiften die op 8 april 1993 het in 1992 vooruitbetaalde bedrag van 5.600.000 frank herziet.

Het bedrag dat hij in 1993 moet vooruitbetalen op basis van de invoeren die hij in 1992 heeft verricht vanuit derde landen (z. nrs. 7 en 8) bedraagt 3.000.000 frank.

De invoeren die hij in 1992 heeft verricht, zijn voor 35 % afkomstig uit derde landen en voor 65 % uit Lid-Staten. Het reeds vooruitbetaalde bedrag wordt dan ook uitgesplitst in 1.960.000 frank (5.600.000 x 35 %) voor zijn handelingen met derde landen en 3.640.000 frank (5.600.000 x 65 %) voor zijn handelingen met Lid-Staten.

Hij stelt een document op conform de bijlage bij onderhavige aanschrijving.

In kader IV, C, b, van zijn periodieke aangifte die betrekking heeft op zijn handelingen van de maand maart 1993 en die uiterlijk op 20 april 1993 moet worden ingediend, neemt hij het bedrag van 325.000 frank op, zijnde :
3.000.000 (vooruit te betalen bedrag voor het jaar 1993) - 1.960.000 (deel van het in 1992 vooruitbetaalde bedrag dat betrekking heeft op de handelingen met derde landen) ----------- 1.040.000 (saldo) 3.640.000 (deel van het in 1992 vooruitbetaalde bedrag dat betrekking heeft op de handelingen met Lid-Staten) - 1.040.000 (toerekening van het saldo) ----------- 2.600.000 (vermits het terug te geven bedrag meer dan 500.000 frank bedraagt, wordt de teruggaaf bekomen door toerekening van een achtste per kalenderkwartaal) x 1/8 = 350.000
Hij voegt bij deze aangifte twee exemplaren van het hierbovengenoemde document. Hij neemt het bedrag van 325.000 frank op in elke periodieke aangifte die betrekking heeft op de laatste maand van ieder van de zeven volgende kalenderkwartalen.

30. Wanneer, in het onder nr. 29 gegeven voorbeeld, het in 1993 vooruit te betalen bedrag slechts 1.500.000 frank bedraagt, neemt de belastingplichtige in zijn periodieke aangifte die betrekking heeft op de handelingen van de maand maart 1993 het bedrag van 915.000 frank op, zijnde :
1.960.000 (deel van het in 1992 vooruitbetaalde bedrag dat betrekking heeft op de handelingen met derde landen) - 1.500.000 (vooruit te betalen bedrag voor het jaar 1993) ----------- 460.000 (1) (saldo in één keer terug te geven) 3.640.000 (deel van het in 1992 vooruitbetaalde bedrag dat betrekking heeft op de handelingen met Lid-Staten; vermits dit bedrag meer dan 500.000 frank bedraagt, wordt de teruggaaf bekomen door toerekening van een achtste per kalenderkwartaal) ----------- x 1/8 = 455.000 (2) (1) + (2) = 915.000
Hij neemt het bedrag van 455.000 frank op in elke periodieke aangifte die betrekking heeft op de laatste maand van ieder van de zeven volgende kalenderkwartalen. Bijzondere gevallen.

31. De belanghebbende verkrijgt de teruggaaf van de vooruitbetaalde belasting of, in geval van gespreide terugbetaling, van het deel van die belasting waarvan hij de teruggaaf nog niet heeft bekomen, door toerekening in zijn laatste periodieke aangifte die hij moet indienen wanneer hij :

1° de hoedanigheid van belastingplichtige verliest;

2° onderworpen wordt aan een regeling die hem ontslaat van het indienen van periodieke aangiften;

3° een buitenlandse belastingplichtige is die hier te lande geen vaste inrichting heeft en hier te lande ook geen aansprakelijke vertegenwoordiger meer heeft voor de toepassing van de BTW.

32. Wanneer de betrokkene die zich in één van de in nr. 31 bedoelde situaties bevindt geen teruggaaf heeft bekomen door toerekening dan moet hij een aanvraag tot teruggaaf indienen bij de hoofdcontroleur van het BTW-kantoor waaronder hij ressorteert overeenkomstig artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969.

  • ADDENDUM I dd. 10.12.1992
betreffende de aanschrijving nr. 3 van 11 januari 1973 bijgewerkt bij de aanschrijving nr. 10 van 24 november 1988 en gewijzigd bij de aanschrijving nr. 14 van 22 september 1992.

34. De verwezenlijking, op 1 januari 1993, van de gemeenschappelijke Europese markt, die inzonderheid de afschaffing behelst van de fiscale grenzen tussen de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap, heeft tot gevolg dat het stelsel van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde wordt gewijzigd.

Die wijzigingen hebben voor gevolg dat de bijzondere wijze van betalen van de ter zake van invoer verschuldigde BTW ingesteld bij de aanschrijving nr. 3 van 11 januari 1973 (bijwerking 1988) nog slechts toepasselijk is op de invoer van goederen afkomstig uit derde landen.

Onder derde landen wordt verstaan de Staten die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap alsmede bepaalde nationale gebieden die, alhoewel zij deel uitmaken van een Lid-Staat van die Gemeenschap, toch uitgesloten zijn van de werkingssfeer van de BTW.

Heden zijn de Lid-Staten en hun gebieden die uitgesloten zijn van de werkingssfeer van de BTW :

1) Duitsland (met inbegrip van de Länder van de voormalige Duitse Democratische Republiek) met uitsluiting van

  • het eiland Helgoland
  • het grondgebied van Büsingen
2) België

3) Denemarken

4) Spanje met uitsluiting van

  • Ceuta
  • Melilla
  • de Canarische Eilanden
5) Frankrijk met uitsluiting van de overzeese departementen

6) Groothertogdom Luxemburg

7) Griekenland met uitsluiting van de Berg Athos

8) Ierland

9) Italië met uitsluiting van

  • Livigno
  • Campione d'Italia
  • de nationale wateren van het meer van Lugano
10) Nederland

11) Portugal

12) Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland met uitsluiting van

  • Gibraltar
  • de Kanaaleilanden
De aanvragen om vergunning die worden ingediend vanaf 1 januari 1993, dienen derhalve, in afwijking van nr. 18 van de aanschrijving nr. 3 van 11 januari 1973 (bijwerking 1988), uitsluitend de bedragen te vermelden van de invoeren uit derde landen die werden verricht gedurende de vier kalenderkwartalen die de aanvraag voorafgaan of, wanneer de aanvrager tijdens de bedoelde periode geen invoeren heeft verricht, de bedragen van de invoeren uit derde landen die de aanvrager volgens zijn vooruitzichten zal doen tijdens de volgende twaalf maanden.

Verder wordt het in de nrs. 3, 18, 23/2 en 23/3 van voornoemde aanschrijving bedoelde bedrag dat als vooruitbetaling moet worden gestort voor het verkrijgen van de regeling, vanaf 1 januari 1993 verminderd tot één vierentwintigste van de belasting die werd of moet worden betaald voor de invoeren van goederen afkomstig uit derde landen die werden verricht in de loop van de in die nrs. bedoelde periodes.

De bepalingen in cijfer IV van dezelfde aanschrijving vervallen wegens de afschaffing van artikel 43 van het BTW-Wetboek.

Deze regels zijn van toepassing vanaf 1 januari 1993 op de nieuwe aanvragen om vergunning, alsook op de herzieningen van het bedrag van de vooruit te betalen belasting, die zullen gebeuren in de loop van het jaar 1993 en volgende.

De belastingplichtigen die de vergunning bekomen in de loop van het eerste trimester 1993 en die niet van deze nieuwe bepalingen konden genieten, mogen de eerste herziening van de vooruit te betalen belasting verrichten in de loop van het jaar 1993.

  • ADDENDUM II dd. 01.02.1995
Betreffende de aanschrijving nr. 3 van 11 januari 1973 bijgewerkt bij de aanschrijving nr. 10 van 24 november 1988 en gewijzigd bij de aanschrijving nr. 14 van 22 september 1992. Toetreding per 1 januari 1995 van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

De verwezenlijking, op 1 januari 1993, van de gemeenschappelijke Europese markt, heeft voor gevolg gehad dat de bijzondere wijze van betalen van de ter zake van invoer verschuldigde BTW ingesteld bij de aanschrijving nr. 3 van 11 januari 1973 (bijwerking 1988) nog slechts toepasselijk is op de invoer van goederen afkomstig uit derde landen.

Onder derde landen wordt verstaan de Staten die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap alsmede bepaalde nationale gebieden die, alhoewel zij deel uitmaken van een Lid-Staat van die Gemeenschap, toch uitgesloten zijn van de werkingssfeer van de BTW.

Ingevolge de toetreding per 1 januari 1995 van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie zijn de Lid-Staten (en hun gebieden die uitgesloten zijn van de werkingssfeer van de BTW) heden de volgende :

1) Duitsland (met inbegrip van de Länder van de voormalige Duitse Democratische Republiek) met uitsluiting van

  • het eiland Helgoland
  • het grondgebied van Büsingen
2) België

3) Denemarken

4) Spanje met uitsluiting van

  • Ceuta
  • Melilla
  • de Canarische Eilanden
5) Frankrijk met uitsluiting van de overzeese departementen

6) Groothertogdom Luxemburg

7) Griekenland met uitsluiting van de Berg Athos

8) Ierland

9) Italië met uitsluiting van

  • Livigno
  • Campione d'Italia
  • de nationale wateren van het meer van Lugano
10) Nederland

11) Portugal

12) Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland met uitsluiting van

  • Gibraltar
  • de Kanaaleilanden
13) Oostenrijk

14) Finland met uitsluiting van de Aland-eilanden

15) Zweden

De verruiming van de Europese Unie heeft dan ook voor gevolg dat de bijzondere wijze van betalen bij invoer automatisch vervalt voor communautaire goederen die vanaf 1 januari 1995 uit de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden (hierna nieuwe Lid-Staten genaamd) naar België worden verzonden of vervoerd.

Dit addendum bepaalt de bijzondere regels die voor de toepassing van de verleggingsregeling bij invoer moeten worden in acht genomen ingevolge de toetreding van de nieuwe Lid-Staten.

Herziening van de vooruitbetaalde belasting

Bij de herziening van het bedrag van de vooruit te betalen belasting die in de loop van het jaar 1995, doch vóór 20 april, dient te geschieden, moet geen rekening worden gehouden met de totale belasting die werd of moet worden betaald voor de invoeren van goederen afkomstig uit de nieuwe Lid-Staten die werden verricht in het kalenderjaar 1994.

Belastingplichtigen die uitsluitend invoeren uit de nieuwe Lid-Staten hebben verricht in 1994

De belastingplichtige, die uitsluitend invoeren uit de nieuwe Lid-Staten heeft verricht in 1994 wordt geacht ambtshalve van de regeling af te zien per 1 januari 1995 voor zover hij dit niet reeds vóór die datum heeft gedaan met inachtneming van de vormvoorwaarde waarin nr. 14 van de aanschrijving nr. 3/73 voorziet.

Hij kan alsdan teruggaaf bekomen van het totaal bedrag van de vooruitbetaalde belasting op de wijze uiteengezet in de nrs. 25 en 26 van dezelfde aanschrijving. Bovenaan het document dat overeenkomstig voornoemd nr. 26 moet worden opgesteld om het recht op teruggaaf te staven dient volgende melding te worden aangebracht "ambtshalve verval - addendum van 1 februari 1995".

Wanneer hij de regeling evenwel verder wil toepassen in 1995 voor de handelingen met derde landen die hij voornemens is te verrichten, moet hij een nieuwe aanvraag tot het bekomen van de vergunning indienen. Overeenkomstig nr. 18 van de aanschrijving nr. 3/73 moet die aanvraag de bedragen van de invoeren uit die landen vermelden die de belastingplichtige, volgens zijn vooruitzichten zal doen tijdens de volgende twaalf maanden. Bovendien moet hij het bedrag van de vooruit te betalen belasting storten dat in het kader van zijn aanvraag is verschuldigd.

Het bedrag dat de betrokkene heeft vooruitbetaald voor de in 1994 verrichte invoeren zal daarbij, voor zover hij ervan nog geen teruggaaf heeft bekomen, worden toegerekend op het bedrag van de vooruit te betalen belasting dat moet worden gestort voor het bekomen van de nieuwe vergunning om de verlegging van de heffing toe te passen.

In weerwil van hetgeen voorafgaat dient de belastingplichtige die geacht wordt per 1 januari 1995 ambtshalve te hebben afgezien van de verleggingsregeling, niet terug te komen op de invoeren die hij met verlegging van de heffing heeft verricht tussen 1 januari 1995 en de eerste van de maand volgend op de datum van publikatie van dit addendum.

Aanvragen om vergunning ingediend vanaf 1 januari 1995

De aanvragen om vergunning die worden ingediend vanaf 1 januari 1995 en gebaseerd zijn op invoeren die werden verricht gedurende de vier kalenderkwartalen die de aanvraag voorafgaan, dienen, in afwijking van nr. 18 van de aanschrijving nr. 3/73, uitsluitend de bedragen te vermelden van de invoeren uit andere derde landen dan de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden.

De belastingplichtigen die de vergunning bekomen in de loop van het eerste trimester 1995 en die niet van deze nieuwe bepalingen konden genieten, mogen de eerste herziening van de vooruit te betalen belasting verrichten in de loop van het jaar 1995.