Circulaire AKRED nr. 4/2005 d.d. 05.04.2005 (Circ. AFZ nr. 7/2005)
Circulaire AKRED nr. 4/2005 d.d. 05.04.2005 (Circ. AFZ nr. 7/2005)
Brusselse registratie- en successierechten - Nieuw tarief voor schenkingen van roerende goederen - Schenkingen en legaten aan bijzondere rechtspersonen: nieuwe tarieven en wijziging toepassingsgebied - Wijziging regel progressievoorbehoud in het kader van de schenkings- en successierechten
|
WIJZIGING: § 8.4. « Toepassingsveld van de nieuwe fictiebepaling » werd gewijzigd op de datum van 08.11.2022 |
MINISTERIE VAN FINANCIËN
Brussel, 5 april 2005
Administratie van Fiscale Zaken
4de dienst - 3de directie
Dossier nr. 367
Patrimonium Documentatie
Kadaster, Registratie en Domeinen
Dienst I
Dossier nr. EE/L. 149
2 bijlagen
In het Belgisch Staatsblad van 9 maart 2005, eerste editie, (errata B.S. 15 maart 2005) werden bekendgemaakt:
- de ordonnantie van 24 februari 2005 tot vermindering van de registratierechten op de schenkingen van roerende goederen, hierna de 1ste ordonnantie genoemd;
- de ordonnantie van 24 februari 2005 tot wijziging van het Wetboek van successierechten, hierna de 2de ordonnantie genoemd.
Bij deze ordonnanties worden de volgende wijzigingen doorgevoerd:
a) aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten:
1. de schenkingen van roerende goederen worden aan een nieuw tarief onderworpen, dat echter niet van toepassing is op schenkingen van dergelijke goederen onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker (artikel 2 van de 1ste ordonnantie - artikel 131 Br.W.Reg.);
2. naar analogie met wat reeds bestond voor de onroerende goederen worden ook voor de roerende goederen bijzondere regels in het Wetboek ingeschreven voor de bepaling van de belastinggrondslag in geval van schenking van het vruchtgebruik of de blote eigendom (artikel 3 van de 1ste ordonnantie - art. 133 Br.W.Reg.);
3. om ontwijking van de progressieve rechten op schenkingen van onroerende goederen via de techniek van schenkingen met last tegen te gaan, wordt een nieuwe anti-misbruikbepaling ingevoerd (artikel 4 van de 1ste ordonnantie - artikel 134, laatste zin, Br.W.Reg.);
4. de vermindering van het schenkingsrecht ten voordele van de begiftigde met minstens drie kinderen vindt alleen nog toepassing in de mate dat de schenking betrekking heeft op onroerende goederen (artikel 5 van de 1ste ordonnantie - artikel 135, 1ste lid, Br.W.Reg.);
5. de regel van het progressievoorbehoud geldt voortaan alleen nog voor de schenkingen van onroerende goederen (artikelen 6 en 7 van de 1ste ordonnantie - artikelen 137 en 138^1 Br.W.Reg.);
6. het verlaagd schenkingsrecht van 6,60% wordt voortaan voorbehouden voor schenkingen aan bepaalde in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gevestigde gedecentraliseerde overheden en voor de schenkingen aan stichtingen van openbaar nut (artikel 8 van de 1ste ordonnantie - artikel 140, 1ste lid, 1°, Br.W.Reg.);
7. het bestaande tarief van 8,80 p.c. voor schenkingen aan V.Z.W.'s of aan daarmee op het vlak van het tarief gelijkgestelde rechtspersonen wordt verlaagd tot 7%, waarbij moet opgemerkt worden dat dit bijzonder tarief voortaan enkel nog toepassing vindt op schenkingen van onroerende goederen - dit verlaagde tarief geldt tevens voor schenkingen aan private stichtingen (artikel 8 van de 1ste ordonnantie - artikel 140, eerste lid, 2°, Br.W.Reg.);
8. er wordt een bijzonder vast recht van 100 EUR bepaald voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan stichtingen van openbaar nut, aan private stichtingen en aan bepaalde andere rechtspersonen, zo de schenker zelf een dergelijke stichting of een van die andere rechtspersonen is (artikel 8 van de 1ste ordonnantie - artikel 140, eerste lid, 3°, Br.W.Reg).
b) aan het Wetboek der successierechten:
1. schenkingen van roerende goederen onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker worden met legaten gelijkgesteld (artikel 2 van de 2de ordonnantie - artikel 4, 3°, Br.W.Succ.);
2. het vast successietarief van 6,60% wordt voortaan voorbehouden voor legaten aan bepaalde in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gevestigde gedecentraliseerde overheden en voor de legaten aan stichtingen van openbaar nut (artikel 3 van de 2de ordonnantie - artikel 59, 1°, eerste lid, Br.W.Succ.) ; ook de Gemeenschappen en hun openbare instellingen en bepaalde openbare wetenschappelijke en culturele instellingen van de federale Staat genieten dit vast successietarief (artikel 3 van de 2de ordonnantie - artikel 59, 1°, tweede lid, Br.W.Succ.).
3. legaten aan private stichtingen worden voortaan belast aan dezelfde tarieven (25 p.c. of 12,50 p.c.) als die welke gelden voor legaten aan verenigingen zonder winstoogmerk en bepaalde andere rechtspersonen (artikel 3 van de 2de ordonnantie - artikel 59, 2° en 3° Br.W.Succ.);
4. de regel inzake gecumuleerde progressie in geval van schenkingen binnen de drie jaar vóór het overlijden, wordt geneutraliseerd voor wat de roerende schenkingen betreft (artikel 4 van de 2de ordonnantie - artikel 66bis Br.W.Succ.).
Bij deze circulaire wordt bij die wijzigingen een eerste commentaar gegeven.
Krachtens artikel 9 van de 1ste ordonnantie en artikel 5 van de 2de ordonnantie treden bovenstaande maatregelen in werking op de dag van de bekendmaking van de ordonnanties in het Belgisch Staatsblad, zijnde 9 maart 2005. Bijlage 1 bevat de tekst van de ordonnanties. In een tweede bijlage gaat de gecoördineerde tekst van de gewijzigde bepalingen van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en van het Wetboek der successierechten.
INHOUDSOPGAVE VAN DE COMMENTAAR
COMMENTAAR
HOOFDSTUK I. REGISTRATIERECHTEN - WIJZIGINGEN IN DE ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE DE SCHENKINGSRECHTEN
Ingevolge de wijzigingen die bij de ordonnantie van 24 februari 2005, tot vermindering van de registratierechten op de schenkingen van roerende goederen, aan de algemene bepalingen [Titel I, Hoofdstuk IV, Afdeling XII, Onderafdeling I van het W.Reg - artikel 131-140 W.Reg.] inzake het schenkingsrecht zijn aangebracht, worden de schenkingen van roerende goederen enerzijds en van onroerende goederen anderzijds, voortaan fiscaal verschillend behandeld.
De verschillen situeren zich op de volgende vlakken:
- het tarief (zie randnummer 2);
- de vermindering van de rechten in geval de begiftigde minstens drie kinderen van minder dan 21 jaar heeft (zie randnummer 3);
- de regel van het progressievoorbehoud (zie randnummer 4).
Om praktische redenen worden in de algemene bepalingen inzake het schenkingsrecht nu ook bijzondere regels opgenomen - naar analogie met wat reeds bestond voor de onroerende goederen - voor de bepaling van de belastinggrondslag indien de schenking het vruchtgebruik of de blote eigendom van roerende goederen betreft (zie randnummer 5). De Brusselse ordonnantiegever verwacht immers een aanzienlijke toename van dergelijke schenkingen.
De verschillende fiscale behandeling van schenkingen van roerende en van onroerende goederen heeft bovendien aanleiding gegeven tot het inschrijven in het Wetboek van een nieuwe anti-misbruikmaatregel (zie randnummer 6).
De Brusselse ordonnantiegever heeft ten slotte van de gelegenheid ook gebruik gemaakt om artikel 140 W.Reg. inzake schenkingen aan bepaalde rechtspersonen te actualiseren en het tarief voor sommige van die rechtspersonen verder te verminderen; tegelijkertijd werd het ruimtelijk toepassingsgebied voor sommige van die rechtspersonen ingeperkt (zie randnummer 7).
2. Nieuw tarief inzake de schenkingen van roerende goederen
Artikel 131 Br.W.Reg., dat handelt over de heffingsgrondslag voor en het tarief van het schenkingsrecht, bevat voortaan twee paragrafen:
- § 1 regelt de principiële belastinggrondslag en het tarief toepasselijk op de onroerende componenten van de schenking;
- § 2 regelt de principiële belastinggrondslag en het tarief toepasselijk op de roerende componenten van de schenking.
Inzake de belastinggrondslag volgt uit de invoering van een onderscheiden tarief voor schenkingen van roerende en van onroerende goederen dat in voorkomend geval de voorheen enige belastinggrondslag per rechtverkrijgende, moet opgesplitst worden in twee afzonderlijke grondslagen per rechtverkrijgende [Zie ook artikel 137 (hierna onder randnummer 4)] .
Voorbeeld: een schenkingsakte bevat een schenking door X aan Y en Z, kinderen van X, van een onroerend goed [ander dan in artikel 131bis Br.W.Reg. bedoeld onroerend goed ] met een verkoopwaarde van € 200.000 en van een kunstwerk met een verkoopwaarde van € 100.000. Aandeel van Y en Z in de geschonken goederen: elk 1/2.
In het oude stelsel werd het enige tarief toegepast op het bruto- aandeel van elk der begiftigden dus:
- ten laste van Y:
€ 150.000 (bruto-aandeel in het onroerende goed en in het roerend goed) te belasten aan het enig tarief rechte lijn ;
- ten laste van Z:
idem als voor Y.
In het nieuwe stelsel moet men per begiftigde de - voorheen enige - belastinggrondslag opspitsen in een onroerende en een roerende grondslag, dus:
- ten laste van Y:
- € 100.000 (bruto-aandeel in het onroerend goed) te belasten aan het tarief rechte lijn voor onroerende goederen (artikel 131, § 1, Tabel I);
- € 50.000 (bruto-aandeel in het roerend goed) te belasten aan het tarief rechte lijn voor roerende goederen (artikel 131, § 2, 1°);
- ten laste van Z:
idem als voor Y.
Schenkingen van onroerende goederen zijn onderworpen aan het progressieve tarief bepaald in de tabellen I tot IV van § 1 van artikel 131 Br.W.Reg.
Op het bruto-aandeel van elk der begiftigden in de geschonken roerende goederen is voortaan geen progressief maar een vast tarief van toepassing. Het bedraagt (artikel 131, § 2):
- 3% voor schenkingen in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden;
- 7% voor schenkingen aan andere personen.
2.2. Uitzondering: schenkingen van roerende goederen gedaan onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker - Gelijkstelling met een legaat
Het laatste lid van § 2 van artikel 2 van de 1ste ordonnantie bepaalt uitdrukkelijk dat het evenredig recht van 3% of van 7% niet van toepassing is op de schenkingen van roerende goederen gedaan onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker (art. 131, § 2, laatste lid, Br.W.Reg.).
Deze uitzonderingsbepaling moet, voor een goed begrip, samen gelezen worden met de nieuwe fictiebepaling in artikel 4, 3° van het Br.W.Succ., ingevoegd bij artikel 2 van de 2de ordonnantie. De nieuwe fictiebepaling stelt, onder bepaalde voorwaarden, dergelijke schenkingen gelijk met legaten voor de toepassing van het Br.W.Succ.
Voor de bespreking van dit artikel wordt dan ook verwezen naar: hoofdstuk II, Successierechten, Afdeling 1.- Antimisbruikmaatregel: art. 4, 3° Br.W.Succ. - Schenkingen van roerende goederen onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker - Gelijkstelling met een legaat (nummer 8 van deze circulaire).
3. Vermindering van de rechten in geval de begiftigde minstens drie kinderen van minder dan 21 jaar in leven heeft
Omdat roerende goederen al genieten van een voordelig tarief heeft de Brusselse ordonnantiegever beslist dat de rechtenvermindering wegens kinderlast van artikel 135 Br.W.Reg., voortaan nog enkel toegepast zal worden op de rechten die bij toepassing van artikel 131, § 1, Br.W.Reg. verschuldigd zijn.
Opmerking. De uitdrukkelijke verwijzing in de nieuwe redactie van artikel 135 Br.W.Reg. naar "het bedrag van het bij artikel 131, § 1, vastgestelde recht", brengt niet alleen mee dat onderhavige rechtenvermindering niet meer van toepassing is op de rechten verschuldigd op schenkingen van roerende goederen (art. 131, § 2, Br.W.Succ.), maar ook dat ze niet meer van toepassing is op de rechten verschuldigd op de onroerende schenkingen die belast worden met het preferentieel tarief van artikel 131bis Br.W.Reg. (schenking van het deel in VE van de schenker in een geheel of gedeeltelijk tot bewoning bestemd en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen onroerend goed).
Voorbeeld
Hernemen we het voorbeeld onder punt 2 (zie blz. 6) met dien verstande dat Z op het ogenblik van de schenking 4 kinderen van minder dan 21 jaar heeft.
Onder het nieuwe stelsel zal de heffing als volgt worden gedaan:
- ten laste van Y:
- € 100.000 (bruto-aandeel in het onroerend goed) te belasten aan het tarief rechte lijn voor onroerende goederen (artikel 131, § 1, Tabel I):
€ 50.000 x 3 t.h. = | € 1.500 |
€ 50.000 x 8 t.h. = | € 4.000 |
€ 100.000 | € 5.500 |
- € 50.000 (bruto-aandeel in het roerend goed) te belasten aan het tarief rechte lijn voor roerende goederen (artikel 131, § 2, 1°):
€ 50.000 x 3 t.h. = | € 1.500 |
- totaal: € 5.500 + € 1.500 = € 7.000
- ten laste van Z:
- idem als voor Y maar met rechtenvermindering artikel 135 Br.W.Reg.
- rechtenvermindering: € 5.500 (rechten verschuldigd door Z uit hoofde van de door hem verkregen onroerende goederen) x 8 t.h. = € 440 maar maximum van € 62 x 4 = € 248
- totaal: (€ 5.500 - € 248) + € 1.500 = € 6.752
4. Regel van het progressievoorbehoud
Artikel 137 Br.W.Reg. brengt mee dat de regel van het progressievoorbehoud voortaan enkel nog van toepassing is bij kort opeenvolgende schenkingen van onroerende goederen of daarmee gelijkgestelde goederen (*) die onderworpen zijn hetzij aan het tarief van artikel 131 § 1 Br.W.Reg., hetzij aan het tarief van artikel 131bis (**) Br.W.Reg.
----------
[(*) Bedoeld wordt het deel van de last dat bij toepassing van artikel 134 Br.W.Reg. belast werd volgens de in artikel 131, § 1, geldende tarieven (zie verder punt 6, anti-misbruikmaatregel).
(**) In tegenstelling met wat het geval is bij de schenkingen van roerende goederen heeft de Brusselse ordonnantiegever wat de schenkingen van de in artikel 131bis Br.W.Reg. bedoelde onroerende goederen betreft niet voorzien in een neutralisering van de progressiviteitsregel - zie de ordonnantie van 20 december 2002 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten - circulaire nr. 4/2003 van 24 februari 2003 - Rep. RJ, R 131bis, 01-01]
Voorbeeld
Binnen de drie jaar na de schenking in het voorbeeld onder punt 2 van deze circulaire (zie blz. 6) doet X aan Y een nieuwe schenking van de volgende goederen:
- een onroerend goed met een verkoopwaarde van € 50.000
- een schilderij met een verkoopwaarde van eveneens € 50.000
Deze nieuwe schenking geeft aanleiding tot de volgende heffing:
- op het onroerend goed:
* belastinggrondslag: € 50.000 (bruto-aandeel van Y in het nieuw verkregen onroerend goed) + € 100.000 (toepassing artikel 137 - bruto-aandeel van Y in het bij de vorige schenking verkregen onroerend goed) = € 150.000
De belastinggrondslag mag niet verhoogd worden met:
- het bruto-aandeel van Y in het bij de vorige schenking ontvangen roerend goed;
- het bruto-aandeel van Y in het bij de nieuwe schenking ontvangen roerend goed
omdat artikel 137 niet meer van toepassing is op schenkingen van roerende goederen.
* heffing:
€ 100.000 - reeds belast
€ 50.000 x 9 t. h. = € 4.500
- op het schilderij:
* belastinggrondslag: € 50.000 - niet te verhogen omdat artikel 137 W.Reg. niet meer van toepassing is op de schenkingen van roerende goederen.
* heffing:
€ 50.000 x 3 t.h. (vast tarief rechte lijn) = € 1.500
- totaal: € 4.500 + € 1.500 = € 6.000
5. Bijzondere regels inzake de belastinggrondslag indien de schenking het vruchtgebruik of de blote eigendom van roerende goederen betreft (artikel 133, vierde tot zevende lid, Br.W.Reg.)
Vanuit de verwachting dat er door de maatregelen opgenomen in de 1ste ordonnantie meer schenkingen van roerende goederen zullen voorkomen, heeft de ordonnantiegever het nuttig geoordeeld bijzondere regels vast te stellen inzake de belastinggrondslag indien de schenking het vruchtgebruik of de blote eigendom van roerende goederen betreft. Doel van deze bijzondere regels is het vermijden van moeilijkheden en betwistingen bij de raming van de verkoopwaarde van het vruchtgebruik en van blote eigendom van roerende goederen.
Deze "forfaitaire" belastinggrondslagen voor de schenkingen van het vruchtgebruik of de blote eigendom van roerende goederen zijn nagenoeg - dus niet volledig - gelijk aan deze voor de schenkingen van het vruchtgebruik of de blote eigendom van onroerende goederen. Aldus geldt als belastinggrondslag:
5.1. in geval van schenking van een levenslang vruchtgebruik op roerende goederen:
de jaarlijkse opbrengst van de betrokken goederen vermenigvuldigd met het getal dat in artikel 47, eerste lid, vermeld wordt tegenover de leeftijdsklasse waartoe, op datum van de schenking, diegene behoort op wiens leven het vruchtgebruik is gevestigd |
De jaarlijkse opbrengst van de goederen wordt op zijn beurt forfaitair vastgesteld op 4% van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de betrokken goederen [Bij onroerende goederen wordt de eerste factor in het product gevormd door de werkelijke - niet forfaitair vastgestelde - jaarlijkse opbrengst (of bij gebreke daarvan de huurwaarde)].
M.a.w. de forfaitaire waarde van het levenslang vrg. van roerende goederen = 4% x (verkoopwaarde V.E. geschonken r.g.) x leeftijdscoëfficiënt.
Opmerking 1: zelfs al zouden de roerende goederen bijvoorbeeld verhuurd zijn en zouden ze aldus een precies bepaalbare jaarlijkse opbrengst genereren, dan nog moet hier de jaarlijkse opbrengst bepaald worden aan de hand van de forfaitaire regel. De forfaitaire bepaling van de jaarlijkse opbrengst geldt dus in alle gevallen.
Opmerking 2: in geval van schenking van het levenslang vruchtgebruik van onroerende goederen geldt een maximum belastinggrondslag van 4/5 van de volle eigendom van de onroerende goederen. Dat maximum komt niet voor bij de schenking van het levenslang vruchtgebruik van roerende goederen. Ingevolge de forfaitair vastgestelde jaarlijkse opbrengst, kan de forfaitair vastgestelde belastinggrondslag voor roerende goederen bij levenslang vruchtgebruik immers nooit uitstijgen boven 72% van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de roerende goederen.
5.2. in geval van schenking van een voor bepaalde tijd gevestigd vruchtgebruik:
het bedrag verkregen door kapitalisatie van de jaarlijkse opbrengst aan 4% over de duur van het vruchtgebruik bepaald in de schenkingsakte |
Ook hier wordt de jaarlijkse opbrengst in alle gevallen forfaitair vastgesteld op 4% van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de betrokken goederen.
Er is echter in één maximum voorzien. Het aldus verkregen bedrag van de belastinggrondslag mag niet uitgaan boven de waarde berekend als onder 5.1 indien het vruchtgebruik gevestigd is ten bate van een natuurlijke persoon.
Opmerking: in geval van schenking van een voor bepaalde tijd gevestigd vruchtgebruik van onroerende goederen, geldt nog een tweede maximum (nml. het maximum van 4/5 van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de onroerende goederen). Bij schenking van een voor bepaalde tijd gevestigd vruchtgebruik van roerende goederen, werd dat tweede maximum niet hernomen, omdat de voorziene maximumregel gecombineerd met de forfaitaire bepaling van de jaarlijkse opbrengst van de goederen op 4% van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, het reeds onmogelijk maakt dat de belastinggrondslag 4/5 van de verkoopwaarde van de volle eigendom van de betrokken goederen zou overschrijden.
5.3. in geval van schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker is voorbehouden:
de verkoopwaarde van de volle eigendom van de betrokken goederen |
5.4. in geval van schenking van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik niet door de schenker is voorbehouden:
de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik, berekend volgens 5.1 of 5.2 naargelang het geval |
De Brusselse ordonnantiegever heeft zich niet beperkt tot het invoegen in artikel 133 W.Reg. van de nieuwe regels inzake de forfaitaire grondslagen in geval van schenkingen van het vruchtgebruik of de blote eigendom van roerende goederen, maar heeft het volledige artikel 133 W.Reg. herschreven. Daarmee had hij niet de bedoeling de bestaande regels in artikel 133 W.Reg. inhoudelijk te wijzigen, maar enkel die regels in hedendaags Nederlands te stellen. De nieuwe redactie van die voorheen reeds bestaande regels brengt dus geen enkele wijziging mee in de draagwijdte ervan en dus evenmin in de toepassing ervan door de fiscale administratie.
Voorbeeld ter illustratie van de problematiek.
X schenkt aan Y (zoon van X) een onroerend goed (verkoopwaarde € 200.000) op last voor Y aan Z (dochter van X) een som van € 100.000 te geven.
Bij ongewijzigd artikel 134 W.Reg. zou de heffing als volgt geschieden:
- op de verkrijging door Y:
* heffingsgrondslag = € 100.000
→ de door Y aan Z te betalen som van € 100.000 wordt van het bruto-aandeel van Y in de schenking afgetrokken en in hoofde van Z als schenking belast.
* heffing: € 100.000 x X t.h. = € 5.500
- op de verkrijging door Z:
* heffingsgrondslag = € 100.000
* heffing
→ vermits Z een geldsom verkrijgt is het tarief voor de verkrijging van roerende goederen in de rechte lijn van toepassing dus:
€ 100.000 x 3% = € 3.000
Mocht X het onroerend goed aan Y en Z in onverdeeldheid hebben geschonken dan zou voor die schenking verschuldigd zijn geweest: € 5.500 x 2 = € 11.000. De techniek van de schenking met last zou hier dus, ingevolge de verschillende tarieven voor schenkingen van onroerende en van roerende goederen, een belastingvoordeel opleveren van € 2.500.
Om deze mogelijkheid om op een eenvoudige wijze de normale belasting deels te ontwijken tegen te gaan, werd een nieuwe zin aan artikel 134 toegevoegd. Die zin luidt: " In de mate dat de schenking betrekking heeft op onroerende goederen, wordt de last in hoofde van de derde als schenking belast volgens de in artikel 131 § 1 geldende tarieven".
In het gegeven voorbeeld betekent dit dat Z, hoewel ze via de last een geldsom verkrijgt, over die geldsom geheel belast zal worden aan het tarief rechte lijn voor onroerende goederen. Vermits de rechtstreekse schenking aan Y voor de geheelheid onroerende goederen betreft, moet de last hier niet omgedeeld worden over de roerende en onroerende goederen. De last wordt volledig aan het tarief voor onroerende goederen belast. Z zal dus ook € 5.500 aan rechten verschuldigd zijn.
Indien de rechtstreekse schenking zowel onroerende als roerende goederen omvat, moet de last over beide types van goederen omgedeeld worden. Het tarief voor onroerende goederen is immers maar op de last toepasselijk "in de mate" dat de (rechtstreekse) schenking betrekking heeft op onroerende goederen.
Voorbeeld:
Hernemen we het bovenstaande voorbeeld met dien verstande dat X naast het onroerend goed (€ 200.000) ook nog een schilderij (€ 100.000) schenkt aan Y, op last voor Y aan Z een som van € 150.000 te betalen.
* omdeling van de last over de onroerende goederen en de roerende goederen:
€ 100.000 ten laste van de onroerende goederen (2/3)
€ 50.000 ten laste van de roerende goederen (1/3)
* belasting verkrijging door Y
- onroerende verkrijging:
* heffingsgrondslag: € 200.000 - € 100.000 (deel van de af te trekken last in verhouding tot het aandeel van de onroerende goederen in de schenking) = € 100.000
* heffing: (tarief rechte lijn voor onroerende goederen)
€ 100.000 x X t.h. = € 5.500
- roerende verkrijging
* heffingsgrondslag: € 100.000 - € 50.000 ( deel van de af te trekken last in verhouding tot het aandeel van de roerende goederen in de schenking) = € 50.000
* heffing: (tarief rechte lijn voor roerende goederen)
€ 50.000 x 3% = € 1.500
- totaal: € 5.500 + € 1.500 = € 7.000
* belasting onrechtstreekse verkrijging (€ 150.000) door Z
- deel te belasten volgens het tarief voor onroerende verkrijgingen in de rechte lijn:
€ 100.000 (deel van de verkregen geldsom in verhouding tot het aandeel van de onroerende goederen in de totaliteit van de rechtstreekse schenking)
heffing: € 100.000 x X t. h. = € 5.500
-
deel te belasten volgens het tarief voor roerende verkrijgingen in de rechte lijn:
€ 50.000 (deel van de verkregen geldsom in verhouding tot het aandeel van de roerende goederen in de totaliteit van de rechtstreekse schenking)
heffing: € 50.000 x 3% = € 1.500
- totaal: € 5.500 + € 1.500 = € 7.000
Quid indien Z naast de onrechtstreekse bevoordeling via de aan Y opgelegde last, in de schenking ook rechtstreeks begiftigd wordt ?
Voorbeeld: X vader van Y en Z doet de volgende schenking:
- een onroerend goed (€ 200.000) voor 3/4 aan Y en voor 1/4 aan Z;
- een schilderij (€ 100.000) voor 1/1 aan Y;
- op last voor Y een geldsom van € 100.000 aan Z te geven.
* Verdeling van de last over de door Y verkregen goederen:
o.g.: 150.000/250.000 = 3/5 → € 60.000
r.g.: 100.000/250.000 = 2/5 → € 40.000
* Heffing lastens Y:
- tarief rechte lijn onroerende goederen
heffingsgrondslag: € 150.000 - € 60.000 = € 90.000
toepassing tarief:
€ 50.000 x 3 t.h. = € 1.500
€ 40.000 x 8 t.h. = € 3.200
€ 4.700
- tarief rechte lijn roerende goederen
heffingsgrondslag: € 100.000 - € 40.000 = € 60.000
toepassing tarief:
€ 60.000 x 3% = € 1.800
- totaal: € 4.700 + € 1.800 = € 6.500
* Heffing lastens Z:
- tarief rechte lijn onroerende goederen
- heffingsgrondslag 1: € 60.000 (deel van de last dat verband houdt met het onroerend aandeel van Y in de schenking)
- heffingsgrondslag 2: € 50.000 (rechtstreeks schenking aan Z)
- toepassing tarief samengevoegde grondslagen:
€ 100.000 x X t.h. = € 5.500
€ 10.000 x 9 t.h. = € 900
€ 6.400
- tarief rechte lijn roerende goederen
- heffingsgrondslag: € 40.000 (deel van de last dat verband houdt met het roerend aandeel van Y in de schenking)
- toepassing tarief:
€ 40.000 x 3% = € 1.200
- totaal: € 6.400 + € 1.200 = € 7.600
7. Bijzondere tarieven voor schenkingen aan bepaalde publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen
7.1. Gunsttarieven voor sommige schenkingen aan bepaalde rechtspersonen
In principe zijn de schenkingen aan rechtspersonen onderworpen aan de gewone tarieven d.w.z.:
- wat de geschonken onroerende goederen betreft: het tarief "tussen alle andere personen" neergelegd in Tabel IV van § 1 van het nieuwe artikel 131 Br.W.Reg.;
- wat de geschonken roerende goederen betreft: het tarief van 7% voor schenkingen aan andere personen dan in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden, zoals bepaald in 2° van § 2 van het nieuwe artikel 131 Br.W.Reg.
Artikel 140, eerste lid Br.W.Reg. beperkt de gewone rechten voor sommige schenkingen aan bepaalde rechtspersonen. De gewone rechten worden gebracht op:
- 6,6 pct. voor roerende en onroerende schenkingen aan de in het eerste lid, 1°, van dat artikel vermelde rechtspersonen, waaronder de stichtingen van openbaar nut ;
- 7 pct. voor onroerende schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan de onder het eerste lid, 2°, van dat artikel vermelde rechtspersonen (de schenkingen - van zowel roerende als onroerende goederen - aan deze rechtspersonen waren, met uitzondering van die aan een private stichting, onderworpen aan het tarief van 8,80 pct.);
Opmerking: Deze rechtspersonen zijn op grond van artikel 131, § 2, 2°, Br.W.Reg. voor aan hen gedane schenkingen van roerende goederen al onderworpen aan het "gewone" tarief van 7%.
- 100 euro voor roerende en onroerende schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan de rechtspersonen bedoeld in het eerste lid, 2°, van dat artikel, alsook aan de stichtingen van openbaar nut, indien de schenker zelf één dezer rechtspersonen of stichtingen is;
- 1,10 pct. voor roerende en onroerende schenkingen, inclusief inbrengen om niet, door de gemeenten aan pensioenfondsen in het geval omschreven in het eerste lid, 4° van dat artikel.
7.2. Vergelijking oud artikel 140, eerste lid W.Reg. - nieuw artikel 140, eerste lid Br.W.Reg. wat de begunstigde instellingen betreft
7.2.1. Instellingen vermeld in 1° van het eerste lid
a) territoriaal gedecentraliseerde overheden
Alle Belgische provincies, gemeenten, provinciale en gemeentelijke openbare instellingen genoten onder het oude artikel een verlaging tot 6,60 t.h. In het nieuwe artikel geldt de verlaging van het schenkingsrecht tot 6,60 pct. enkel voor de in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen gemeenten en gemeentelijke openbare instellingen.
b) instellingen van openbaar nut
In het oude artikel 140, eerste lid, 1° W.Reg. werd onder "instellingen van openbaar nut" verstaan, de instellingen opgericht overeenkomstig de bepalingen van titel II van de oude V.Z.W.-wet [Zie de artikelen 27 tot 43 van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend]. Zij genoten, zoals de provincies en de gemeenten, van het verlaagd recht van 6,60 t.h.
Onder de nieuwe V.Z.W.-wet [Zie artikel 40 van de wet van 2 mei 2002 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen in bijlage 1 van de circulaire 17/2003] worden de vroegere "instellingen van openbaar nut" aangeduid met de nieuwe benaming "stichtingen van openbaar nut". De stichtingen van openbaar nut zijn dus onderworpen aan het tarief van 6,60 t.h. (art. 140, eerste lid, 1° Br.W.Reg.) terwijl de private stichtingen (artikel 140, eerste lid, 2° Br.W.Reg.) onderworpen zijn aan het tarief van 7 t.h. (zie verder punt 7.2.2).
c) instellingen actief in de huisvestingsector
Krachtens het oude artikel 140, eerste lid, 1° W.Reg. genoten de volgende publieke of private instellingen het verminderd recht van 6,60 t.h.:
1. de Nationale Maatschappij voor de huisvesting, de Nationale Landmaatschappij en de door hen erkende maatschappijen;
2. de samenwerkende vennootschap "Woningfonds van de bond der grote gezinnen van België", de C.V. "Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen", de C.V. "Woningfonds van de Kroostrijke Gezinnen van Wallonië" en de C.V. "Woningfonds van de gezinnen van het Brusselse Gewest";
3. de naamloze of samenwerkende maatschappijen die uitsluitend tot doel hebben leningen te doen met het oog op het bouwen, het aankopen of het inrichten van volkswoningen, kleine landeigendommen of daarmee gelijkgestelde woningen, alsmede de uitrusting ervan met geschikt meubilair.
In het nieuwe artikel 140, eerste lid, 1° Br.W.Reg. wordt de vermindering tot 6,60 t.h. enkel nog toegekend voor schenkingen aan:
1. de door de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij erkende maatschappijen;
Opmerking:
In artikel 140, eerste lid, 1°, Br.W.Reg. is er dus nog enkel sprake van de door de Brusselse Gewestelijke huisvestingsmaatschappij erkende maatschappijen. De Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij zelf, geniet kosteloze registratie voor de aan haar gedane en in het Brussels Hoofdstedelijke Gewest te lokaliseren schenkingen. Het betreft immers een openbare instelling in de zin van artikel 161, 1°, eerste en achtste lid Br.W.Reg. (cf. de vermelding ervan als Brusselse openbare instelling in de lijst van openbare instellingen in Repertorium RJ, Bijlage II, Lijst I) [Hetzelfde geldt niet voor de in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te lokaliseren schenkingen aan bijvoorbeeld "de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij", of aan "la Société wallonne du logement" (Waalse maatschappij voor Huisvesting). Laatstbedoelde maatschappijen zijn immers geen openbare instellingen van de in artikel 161, 1°, achtste lid, bedoelde lichamen. De in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te lokaliseren schenkingen aan "de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij" of aan "la Société wallonne du logement" ondergaan dus het gewone schenkingsrecht van artikel 131 Br.W.Reg. (zie circulaire nr. 4/2003, blz. 37 en vergelijk met de opmerking op bladzijde 19 en de bijhorende voetnoot nr. 14 van de circulaire 5/2004)].
2. de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest". De andere nog bestaande woningfondsen vermeld in het oude artikel 140, eerste lid, 1° W.Reg. vallen dus voor de aan hen gedane en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te lokaliseren schenkingen onder het gewone Brusselse schenkingstarief "tussen anderen".
d) de Nationale Maatschappij der waterleidingen
Vermits deze nationale maatschappij niet meer bestaat, komt haar vermelding niet meer voor in het nieuwe artikel 140 Br.W.Reg.
e) de intercommunales
In de tekst van het oude artikel 140, eerste lid, 1°, werd met "verenigingen gesticht volgens het geen voorzien is bij de wetten van 18 augustus 1907 en 1 maart 1922" de intercommunales bedoeld. Het statuut van de intercommunales wordt nu beheerst door recentere wetgeving (*). De Brusselse ordonnantiegever beperkt nu het toepassingsgebied van de verminderingsbepaling die vroeger gold voor alle Belgische intercommunales tot de intercommunales van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
----------
[(*) Wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft: zie de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales, gewijzigd bij de ordonnantie van 19 juli 2001 houdende regeling van het administratief toezicht op de intercommunales van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de ordonnantie van 11 maart 2004 tot verruiming van de nationaliteitsvoorwaarden voor de toegang tot betrekkingen in het gemeentelijk openbaar ambt en de Intercommunales]
Intercommunale samenwerkingsverbanden waarvan het ambtsgebied niet volledig binnen de grenzen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest valt, kunnen de rechtenvermindering niet genieten. Zijn dus voortaan van de rechtenvermindering uitgesloten wat de in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te lokaliseren schenkingen betreft:
-
de schenkingen aan volledig Vlaamse en Waalse "intercommunales" en aan de gemengd Vlaams-Waalse "intercommunales";
- de "intercommunales" waarin weliswaar gemeenten gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betrokken zijn, maar ook gemeenten van een ander Gewest.
Het toepassingsgebied van de vroegere vrijstelling voor alle Belgische intercommunales is dus duidelijk ingeperkt.
f) de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen
De Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen komt niet meer voor in het nieuwe artikel 140 Br.W.Reg. Dit brengt mee dat in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te lokaliseren schenkingen aan de N.M.B.S. voortaan onderworpen zijn aan het Brussels gewone tarief .
7.2.2. Instellingen vermeld in 2° van het eerste lid
a) verenigingen zonder winstoogmerk en beroepsverenigingen
Geen wijziging.
b) aangenomen mutualiteitsverenigingen
De Brusselse ordonnantiegever heeft de oude benaming "aangenomen mutualiteitsverenigingen" vervangen door "ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen". Het betreft hier enkel een updating van de terminologie. Naar inhoud verandert er dus niets aan het 2° van het eerste lid, ten aanzien van deze rechtspersonen.
c) internationale verenigingen met wetenschappelijk doel
De "internationale verenigingen met wetenschappelijk doel" werden bij de wet van 2 mei 2002 [Wet van 2 mei 2002 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen] omgedoopt tot "internationale verenigingen zonder winstoogmerk" (zie circulaire nr. 17/2003). De Brusselse ordonnantiegever heeft in het nieuwe artikel 140, eerste lid, 2° Br.W.Reg. de oorspronkelijke benaming van deze verenigingen aangepast aan de huidige wetsterminologie.
d) private stichtingen
De private stichting is een nieuwe rechtspersoonsvorm die werd ingevoerd bij de wet van 2 mei 2002 [Zie voetnoot 16 en circulaire 17/2003]. Bij genoemde wet werd de private stichting niet opgenomen in de lijst van de onder artikel 140, eerste lid, 2° W.Reg. ressorterende rechtspersonen, zodat het bestemmen bij akte onder de levenden van een deel van iemands vermogen voor de oprichting of de werking van een private stichting het gewoon schenkingsrecht tegen het tarief "tussen alle andere personen" opvorderbaar maakte [Zie Circulaire nr. 17/2003, punt 3.1.2., opmerking 1, blz. 8]. Deze regel geldt nog steeds voor schenkingen aan private stichtingen door personen die hun fiscale woonplaats hebben in het Waals Gewest.
Bij onderhavig 1ste ordonnantie heeft de Brusselse ordonnantiegever de private stichtingen nu wel opgenomen in de lijst van onder artikel 140, eerste lid, 2° Br.W.Reg. vermelde rechtspersonen. Dit betekent dat de oprichting van een stichting bij akte onder de levenden onderworpen is aan een eenvormig (d.w.z. zowel voor de aan de stichting overgedragen roerende als voor de aan de stichting overgedragen onroerende goederen) (*) schenkingstarief van 7% wanneer alle door de oprichters- natuurlijke personen (**) aan de stichting gedane schenkingen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te lokaliseren zijn. Dit geldt natuurlijk ook voor de na de oprichting aan de stichting gedane schenkingen.
----------
[(*) Voor de aan de private stichting overgedragen roerende goederen op grond van het nieuwe artikel 131, § 2, 2° Br.W.Reg. en voor de overgedragen onroerende goederen op grond van het nieuwe artikel 140, eerste lid, 2° Br.W.Reg.
(**) Indien bij de oprichting of later een schenking/inbreng om niet gedaan wordt door een rechtspersoon dient in voorkomend geval het vast recht van 100 EUR bepaald in artikel 140, eerste lid, 3° Br.W.Reg. toegepast te worden (zie punt 7.2.3. hierna)]
Zijn niet alle door de oprichters gedane schenkingen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te lokaliseren, dan zullen de niet in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te lokaliseren schenkingen uiteraard onderworpen zijn aan het tarief dat geldt in het Gewest waaraan de betreffende schenkingsrechten zijn toegewezen.
Voorbeeld: X (66 jaar) en Y (63 jaar), gescheiden ouders van Z (dochter met een zware handicap) richten een private stichting bij akte onder de levenden op, met de bedoeling om Z na hun overlijden een inkomen te waarborgen uit de exploitatie door de stichting van een te Brussel gelegen opbrengsthuis ( flatgebouw met een verkoopwaarde van € 1.200.000). Het opbrengsthuis, dat hun onverdeelde eigendom is, wordt door X en Y (elk eigenaar voor de helft) aan de stichting overgedragen met voorbehoud, elk wat zijn deel betreft, van het levenslange vruchtgebruik. De bruto jaarlijkse opbrengst van het huis bedraagt € 108.000. X en Y dragen voor toekomstige onderhoudswerken aan het opbrengsthuis en voor de kosten van de exploitatie ervan, bovendien elk nog een geldsom van € 125.000 over aan de stichting, eveneens met voorbehoud, elk wat de door hem overgedragen geldsom betreft, van het vruchtgebruik hun leven lang. X heeft ten tijde van de oprichting zijn fiscale woonplaats al meer dan vijf jaar in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Y al meer dan vijf jaar in het Waals Gewest. De akte van oprichting van de private stichting waarin de overdrachten van het opbrengsthuis en van de geldsommen vervat zijn, wordt verleden voor een notaris met standplaats te Schaarbeek en op het bevoegde Schaarbeekse registratiekantoor ter registratie aangeboden.
1) rechten verschuldigd voor de overdrachten door X aan de stichting
Vermits X op het ogenblik van de schenking aan de stichting al meer dan vijf jaar zijn fiscale woonplaats in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft, zijn de "Brusselse" schenkingsrechten van toepassing.
a) Bepaling belastinggrondslag:
a.1. voor de schenking van zijn helft in het opbrengsthuis met voorbehoud van het levenslang vruchtgebruik
€ 600.000 (nieuw art. 133, derde lid Br.W.Reg. en art. 48 W.Reg: verkoopwaarde volle eigendom van zijn helft)
a.2. voor de schenking van de geldsom met voorbehoud van het levenslang vruchtgebruik
€ 125.000 (nieuw artikel 133, zesde lid Br.W.Reg.: verkoopwaarde van de volle eigendom van de roerende goederen)
b) Heffing:
(€ 600.000 + € 125.000) x 7% = € 50.750
2) rechten verschuldigd voor de overdrachten door Y aan de stichting
Vermits Y op het ogenblik van de schenking al meer dan vijf jaar haar fiscale woonplaats in het Waalse Gewest heeft, zijn de "Waalse" schenkingsrechten van toepassing.
a) Bepaling van de belastinggrondslag
a.1. schenking van haar helft in het opbrengsthuis met voorbehoud van het levenslang vruchtgebruik:
€ 600.000 (art. 133, derde lid Wa.W.Reg. en art. 48 W.Reg.)
a.2. schenking van de geldsom met voorbehoud van het levenslang vruchtgebruik:
Vermits er voor de schenkingsrechten die aan het Waals Gewest zijn toegewezen geen bijzondere regels inzake de belastinggrondslag bij schenking van roerende goederen bestaan, moet de verkoopwaarde van de geschonken blote eigendom van de geldsom gewaardeerd worden op zijn economische waarde. Onderstellen we dat in de akte die waarde is bepaald op € 55.000 en dat die waardering door de ontvanger wordt aanvaard.
a.3. globale belastinggrondslag: € 600.000 + € 55.000 = € 655.000
b) heffing (tarief tussen alle andere personen)
€ 175.000 x X% = € 118.125
€ 480.000 x 90% = € 432.000
€ 550.125
3) Totaal van de rechten verschuldigd op de oprichting van de private stichting:
€ 600.875 waarvan:
- € 50.750 toekomt aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
- € 550.125 toekomt aan het Waals Gewest
7.2.3. Instellingen vermeld in 3° van het eerste lid - schenkingen en inbrengen om niet
Het Arbitragehof heeft bij arrest nr. 45/2004 van 17 maart 2004 - wegens schending door de federale wetgever van de bevoegdheidsverdelende regels - artikel 43 van de wet van 2 mei 2002 [Wet van 2 mei 2002 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen]vernietigd. Terzelfdertijd heeft het Arbitragehof beslist dat de gevolgen van de vernietigde bepaling binnen een Gewest moeten gehandhaafd blijven zolang het betreffende Gewest geen eigen gewestelijke regeling in de plaats van de vernietigde bepaling heeft gesteld. Bij voornoemd artikel 43 heeft de federale wetgever artikel 140, eerste lid, 3°, W.Reg. gewijzigd en in dat lid een nieuw 3°bis ingevoegd teneinde de fiscale kost van de inbrengsten om niet van 1,1% terug te brengen tot € 25 voor de inbrengen om niet aan stichtingen van openbaar nut, private stichtingen, of de in art. 140, eerste lid, 2° W.Reg. bedoelde rechtspersonen, wanneer de inbrenger zelf een stichting van openbaar nut of een van deze rechtspersonen is.
Het 3° van het eerste lid van artikel 140 Br.W.Reg bepaalt dat voortaan voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan stichtingen van openbaar nut of aan rechtspersonen bedoeld in het 2° van hetzelfde lid een recht van € 100 verschuldigd is, wanneer de schenker of inbrenger zelf een stichting van openbaar nut of een in het 2° van hetzelfde lid bedoelde rechtspersoon is.
Door de rubriek 3° van het eerste lid van artikel 140 W.Reg aldus te wijzigen, heeft de Brusselse ordonnantiegever voor wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft een einde gesteld aan de hiervoren bedoelde periode van handhaving van de gevolgen van het vernietigde federale artikel 43 van de wet van 2 mei 2002.
Dit brengt mee dat voortaan de in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te lokaliseren inbrengen om niet met zekerheid onderworpen zijn aan:
- 7 pct. voor inbrengen om niet, aan verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, beroepsverenigingen en internationale verenigingen zonder winstoogmerk, aan de private stichtingen, wanneer de inbrengen om niet gedaan worden door andere personen dan de genoemde stichtingen of rechtspersonen;
- 100 euro voor inbrengen om niet, gedaan aan stichtingen van openbaar nut of aan rechtspersonen bedoeld in 2° van het eerste lid van artikel 140 Br.W.Reg., zo de inbrenger om niet zelf een stichting van openbaar nut of een dezer rechtspersonen is;
- 1,1 pct. voor inbrengen om niet door de gemeenten aan de pensioenfondsen die zij onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk hebben opgericht in uitvoering van een door de voogdijoverheid goedgekeurd saneringsplan.
7.2.4. Instellingen vermeld in 4° van het eerste lid.
Dit artikelonderdeel werd niet gewijzigd.
HOOFDSTUK II. SUCCESSIERECHTEN
8. Afdeling 1. - Antimisbruikregel: art. 4, 3°, Br.W.Succ. - schenkingen van roerende goederen onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker - gelijkstelling met een legaat
Krachtens het eerste lid van het nieuwe 3° van artikel 4 van het Br.W.Succ. worden "met het oog op de heffing van het successierecht" als legaten beschouwd: "alle schenkingen onder de levenden van roerende goederen die de overledene heeft gedaan onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, wanneer de schenker zowel op het ogenblik van de schenking als op het ogenblik van zijn overlijden gewestinwoner van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest was".
Vermits dergelijke schenkingen als legaten worden beschouwd - maar volgens de tekst van artikel 4 W.Succ. alleen "met het oog op de heffing van het successierecht" -, zouden op het ogenblik van het overlijden zowel successie- als schenkingsrechten over de verkoopwaarde van de geschonken roerende goederen kunnen worden geheven. Door de toevoeging van het laatste lid aan artikel 131, § 2, Br.W.Reg. (artikel 2, § 2, van de 1ste ordonnantie) heeft de Brusselse ordonnantiegever uitdrukkelijk te kennen gegeven dat dit niet de bedoeling is [Uitdrukkelijke toepassing van de non bis in idem-regel]: over de verkoopwaarde van de geschonken goederen zullen alleen nog successierechten verschuldigd zijn (*). Wat de registratierechten betreft zullen de met een legaat gelijk te stellen schenkingen dus enkel nog aanleiding geven tot de heffing van het algemeen vast recht (**) bij de registratie van het document dat titel ervan vormt; bij de vervulling van de opschortende voorwaarde (overlijden van de schenker) is geen evenredig registratierecht verschuldigd.
-----------
[(*) Uiteraard impliceert dit dat de nalatenschap onderhevig moet zijn aan het recht van successie. Een schenking van roerende goederen gelijk stellen met een legaat van roerende goederen wanneer het recht van overgang van overlijden van toepassing is, zou meebrengen dat de combinatie van de hier besproken nieuwe bepalingen zou leiden tot een dubbele vrijstelling van belasting, dus zowel op het vlak van de registratie- als op het vlak van de successierechten. Dat was vanzelfsprekend niet de bedoeling.
(**) Alles wel beschouwd is het nieuwe artikel 131, § 2, tweede lid geen afwijking van de regel neergelegd in artikel 16 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten. De bedoelde schenkingen zijn immers niet aan een evenredig recht onderworpen. De heffing van het algemeen vast recht geschiedt met andere woorden bij toepassing van artikel 11, tweede lid, en niet bij toepassing van artikel 16, eerste lid van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten]
De bepalingen van artikel 4, 3°, Br.W.Succ. en artikel 131, § 2, laatste lid, Br.W.Reg. zijn complementaire bepalingen in die zin dat ze op een schenking onder opschortende voorwaarde van (voor)overlijden van de schenker ofwel beide toepassing vinden ofwel beide niet van toepassing zijn. Indien ze niet van toepassing zijn, dan valt de schenking onder de opschortende voorwaarde die vervuld wordt door het overlijden van de schenker uiteraard onder de gewone regels geldend voor een met een evenredig recht belastbare rechtshandeling onder opschortende voorwaarde (artikel 16 W.Reg.). Daarover meer bij de bespreking van de voorwaarden voor toepassing van artikel 4 Br.W.Succ. (zie verder punt 8.3).
De reden waarom dergelijke schenkingen van roerende goederen met een legaat worden gelijkgesteld, houdt rechtstreeks verband met de reden waarom het voordelig tarief van het registratierecht op de schenkingen van roerende goederen werd ingevoerd bij de 1ste ordonnantie. Bedoeling van dat voordeeltarief was een fiscale hinderpaal (hoge tarieven), die het doorgeven van roerende vermogens tussen generaties tijdens het leven van de overdrager bemoeilijkte, weg te nemen. Door de oudere generatie aan te moedigen om aan de jongere generatie vervroegd een deel van hun patrimonium over te dragen, kan een niet te veronachtzamen positief effect gegenereerd worden: de jongere generatie kan sneller en met minder eigen middelen beginnen aan de uitbouw van een eigen zaak, aan de bouw van een eigen gezinswoning, … In die zin liet de bevoordeling van de roerende schenkingen zich dan ook verantwoorden.
Wellicht zullen sommigen trachten die bedoeling van aanmoediging van vervroegde patrimoniumoverdracht te omzeilen door de schenking van de roerende goederen te doen onder de opschortende voorwaarde van het overlijden of het vooroverlijden van de schenker. Aldus zou de schenker een - vanuit zijn standpunt - dubbel voordeel kunnen binnenhalen: hij blijft tot zijn dood eigenaar van de geschonken goederen en de goederen gaan bij zijn dood naar de begiftigde over tegen een veel lagere fiscale kost dan het geval zou zijn wanneer ze via zijn nalatenschap zouden worden overgedragen. Naar de feitelijke patrimoniale gevolgen is er weinig verschil tussen een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van de schenker en een legaat van diezelfde goederen. Vandaar dat de Brusselse ordonnantiegever ze fiscaal op gelijke voet stelt: ze worden voor de heffing van de successierechten beide beschouwd als een legaat.
8.3. Voorwaarden waaronder een schenking met een legaat wordt gelijkgesteld
Uit de lezing van de tekst van artikel 4, 3° van het Br.W.Succ. blijkt dat er voor de gelijkstelling van de schenking met een legaat onderscheid moet worden gemaakt tussen twee categorieën van voorwaarden. De eerste categorie voorwaarden betreft de schenking zelf en de tweede categorie betreft de fiscale woonplaats van de schenker op datum van de schenking en op datum van zijn overlijden.
8.3.1.- Voorwaarden betreffende de schenking
Het moet gaan om een schenking
1. onder de levenden
2. van roerende goederen
3. door de overledene gedaan
4. onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.
De eerste drie voorwaarden behoeven geen bijzondere commentaar.
De vierde voorwaarde behoeft dat wel.
Volgens artikel 894 van het Burgerlijk Wetboek is een schenking onder de levenden een akte waarbij de schenker zich dadelijk en onherroepelijk van de geschonken zaak ontdoet, ten voordele van de begiftigde die ze aanneemt. Het woord "dadelijk" wordt in de rechtspraak en rechtsleer geïnterpreteerd in de zin dat de begiftigde een onmiddellijk werkelijk recht op de geschonken zaak moet verkrijgen, zonder dat er evenwel vereist wordt dat hij dadelijk in het bezit van de geschonken zaak moet worden gesteld. Een schenking onder opschortende voorwaarde belet niet dat de begiftigde dadelijk een recht verkrijgt. Traditioneel [Werdefroy nr. 1116 met verwijzing naar De Page, VIII, nr. 237] wordt dan ook aanvaard dat ze al evenmin de opeisbaarheid verhindert van het registratierecht, gebeurlijk met inachtneming van artikel 16 W.Reg.
De combinatie van de nieuwe artikelen 4, 3° Br.W.Succ. en 131, § 2, laatste lid Br.W.Reg. maken dat bepaalde schenkingen onder opschortende voorwaarde niet meer aan het registratierecht maar aan het successierecht worden onderworpe
De omschrijving «alle schenkingen onder de levenden van roerende goederen die de overledene heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker» in artikel 4, 3°, Br.W.Succ. beoogt bijvoorbeeld volgende situaties te dekken:
- de schenking onder de opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker;
- de schenking onder de opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van de schenker;
- de schenking onder de opschortende voorwaarde van het overleven van de begiftigde.
Artikel 4, 3° Br.W.Succ. houdt uiteraard geen stellingname in van de Brusselse ordonnantiegever ten aanzien van de burgerrechtelijke geldigheid van schenkingen onder de opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker. Dat is niet zijn bevoegdheid. De ordonnantiegever heeft enkel bepaald dat de waarde van de roerende goederen die bij een akte van schenking onder dergelijke voorwaarde worden overgedragen, niet met het schenkingsrecht maar met het successierecht wordt belast. Voor het overige speelt hier ook de regel dat de administratie geen rechter is over de geldigheid van de overeenkomst en dus ook niet over de geldigheid van de modaliteiten van de overeenkomst.
In het verleden heeft de administratie beslist dat wanneer twee of meer personen samen goederen schenken met voorbehoud van vruchtgebruik ten bate van de langstlevende, er mag aangenomen worden dat, behalve wanneer de partijen daaromtrent uitdrukkelijk anders hebben bedongen, de overlevende het vruchtgebruik bekomt ingevolge een last door hem aan de begiftigde opgelegd als tegenprestatie van de door hem overgedragen goederen. De verkrijging van het vruchtgebruik die in dit geval bij het overlijden van een der schenkers plaatsvindt, is als afhankelijke bepaling niet aan het evenredig recht onderworpen (zie Aanschr. van 9 augustus 1941, nr. 76 in Rep RJ, R 14, nrs. 01-01 en 02-01). Dit standpunt is zowel van toepassing op schenkingen van onroerende goederen als op schenkingen van roerende goederen.
Het beding in een schenkingsakte waarbij de schenker zich het vruchtgebruik voorbehoudt en bedingt dat bij zijn overlijden dit vruchtgebruik overgaat op een derde, die aanvaardt, m.a.w. het beding van terugvalling, wordt in beginsel beschouwd als een schenking onder opschortende voorwaarde van het vooroverlijden van de schenker.
Op de terugvaling van het vruchtgebruik bij het overlijden van de schenker is artikel 4, 3° Br.W.Succ. van toepassing.
8.3.2. Voorwaarden betreffende de fiscale woonplaats van de schenker.
De voorwaarden met betrekking tot de fiscale woonplaats zijn geïnspireerd door de voorwaarden bepaald in de bijzondere financieringswet van 16 januari 1989 om het schenkingsrecht en het recht van successie te lokaliseren
a) De schenker dient, op het ogenblik van de schenking, "gewestinwoner van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest" te zijn .
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, 3°, tweede lid, a) Br.W.Succ., is de schenker op het ogenblik van de schenking gewestinwoner van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wanneer hij:
"op dat ogenblik zijn fiscale woonplaats had in dat Gewest; als hij zijn fiscale woonplaats op meer dan één plaats in België heeft gehad tijdens de vijf jaar vóór de schenking, wanneer hij zijn fiscale woonplaats in de voormelde periode het langst in dat Gewest had.".
Het komt er gewoon op neer dat de schenking principieel - dit wil zeggen mocht ze niet fiscaal geherkwalificeerd worden tot een legaat - met het Brussels schenkingsrecht belastbaar moet zijn.
b) De schenker dient bovendien op het ogenblik van zijn overlijden "gewestinwoner van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest" te zijn.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, 3°, tweede lid, b) Br.W.Succ., is de schenker op het ogenblik van zijn overlijden gewestinwoner van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wanneer hij:
" op dat ogenblik zijn fiscale woonplaats had in dat Gewest; als hij zijn fiscale woonplaats op meer dan één plaats in België heeft gehad tijdens de vijf jaar vóór zijn overlijden, wanneer hij zijn fiscale woonplaats in de voormelde periode het langst in dat Gewest had.".
Het komt er gewoon op neer dat de nalatenschap van de schenker met het Brussels successierecht belastbaar moet zijn.
Uiteraard kan artikel 4, eerste lid, 3°, Br.W.Succ. niet van toepassing zijn wanneer de schenker van de roerende goederen op het ogenblik van de schenking wel "gewestinwoner van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest" was, maar dat niet meer is op het ogenblik van zijn overlijden, omdat hij bij voorbeeld al meer dan tweeëneenhalf jaar in het Vlaamse of het Waals Gewest zijn fiscale woonplaats had. In dat geval wordt de nalatenschap van de schenker beheerst door het recht van successie geldend in het Vlaams Gewest respectievelijk dat geldend in het Waals Gewest. Op de schenking is dan artikel 131, § 2, laatste lid, van het Brussels Wetboek der registratierechten niet van toepassing. De heffing van het Brussels schenkingsrecht zal geschieden overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van het Wetboek der registratierechten (initieel - bij de registratie van de schenkingsakte - het algemeen vast recht ; bij de realisatie van de opschortende voorwaarde: het evenredig schenkingsrecht met toerekening van het betaalde A.V.R.).
Quid wanneer de schenker op het ogenblik van de schenking van de roerende goederen wel "gewestinwoner van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest" was, maar op het ogenblik van zijn overlijden zelfs geen rijksinwoner meer is ? In het kader van de Brusselse regeling is het zonder meer duidelijk [Vergelijk met de Vlaamse regeling circulaire nr. 3/2005, nr. 30] - gelet op het bepaalde in artikel 4, 3°, tweede lid, b) Br.W.Succ.- dat artikel 4, eerste lid, 3° Br.W.Succ. alsdan geen toepassing kan vinden. Op de schenking is dan artikel 131, § 2, laatste lid, Br.W.Reg. evenmin van toepassing. Ook in dat geval zal de heffing van het Brussels schenkingsrecht geschieden overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van het Wetboek der registratierechten (initieel - bij de registratie van de schenkingsakte - het algemeen vast recht ; bij de realisatie van de opschortende voorwaarde: het evenredig schenkingsrecht met toerekening van het betaalde A.V.R.).
Het is evident dat pas op het ogenblik van het overlijden van de schenker zal kunnen worden uitgemaakt of hij op dat ogenblik al of niet "gewestinwoner van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest" is. Voor de initiële heffing op de ter registratie aangeboden schenkingsake heeft dit geen belang, omdat in iedere hypothese het algemeen vast recht verschuldigd is.
Voorbeeld: A, "gewestinwoner van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest", doet op 1/1/2005 een schenking van roerende goederen ter waarde van 500.000 € aan B, onder de opschortende voorwaarde van vooroverlijden van A.
Tien jaar later overlijdt A. B is dan nog in leven.
De roerende goederen zijn dan 600.000 € waard. Op de datum van zijn overlijden is A:
- hypothese 1: "gewestinwoner van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest"
- hypothese 2: geen "gewestinwoner van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest" meer.
Heffingen:
Bij de registratie van de schenkingsakte | Ingevolge het overlijden van A | |
Hypothese 1 | A.V.R. |
- Geen registratierecht bij toepassing van artikel 131, § 2, laatste lid Br.W.Reg. - Belasting als legaat in het kader van de Brusselse successierechten bij toepassing van artikel 4, eerste lid, 3° Br.W.Succ. (belastbare waarde in de nalatenschap: 600.000 €.). - Geen aanrekening van het betaald A.V.R. bij de registratie van de schenkingsakte |
Hypothese 2 | A.V.R. | Heffing Brussels evenredig schenkingsrecht voor roerende goederen (belastbare grondslag 600.000 €) met aanrekening betaald A.V.R, . bij toepassing van artikel 16, tweede lid Br.W.Reg. |
8.4 Toepassingsveld van de nieuwe fictiebepaling
[Tekst van toepassing vanaf 08.11.2022]
De maatregel is gerechtvaardigd door het feit dat een “schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden, van de schenker […] burgerrechtelijk quasi dezelfde gevolgen [heeft] als een legaat. Fiscaalrechtelijk zouden ze echter vanaf de inwerkingtreding van de ordonnantie tot vermindering van de registratierechten op de schenkingen van roerende goederen aan een sterk verschillend tarief onderworpen zijn.
Het lijkt dan ook logisch dat een schenking van roerende goederen onder opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker, fiscaalrechtelijk gelijk wordt geschakeld met een legaat. Zo voorkomt men een ongelijke behandeling ten opzichte van die erflater die een legaat van roerende goederen vermaakt, dat, per definitie, slechts uitwerking krijgt op het ogenblik van zijn overlijden. Dit artikel voorziet in dergelijke fictiebepaling” (Ontwerp van ordonnantie tot wijziging van het Wetboek van successierechten, Memorie van Toelichting, Parl.St. Br.Parl. 2004-05, A-104/1, blz. 2-3).
De administratie neemt bijgevolg aan - en dit standpunt wordt bevestigd door de Minister van Financiën van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en maakt het onderwerp uit van een publicatie in het Repertorium RJ - dat de nieuwe wettelijke fictie van toepassing is op alle schenkingen, zonder onderscheid of beperking in de tijd, van roerende goederen onder de bedoelde opschortende voorwaarde, of ze vrijwillig door partijen ter registratie worden aangeboden, verplicht registreerbaar zijn (bijv. schenkingen bij Belgische notariële akte) of niet ter registratie worden aangeboden.
Hou er rekening mee dat de niet geregistreerde schenkingen pas vanaf 1 januari 2023 worden geviseerd.
Opmerking. Wanneer de partijen een schenking die niet verplichtend te registreren is, niet vrijwillig ter registratie hebben aangeboden vóór 1 januari 2023 [maar waarbij die schenking wel een vaste datum (anders dan diegene door registratie) verkregen heeft vóór 1 januari 2023], is die wettelijke fictiebepaling niet van toepassing doch blijft artikel 7 W.Succ. van toepassing: de geschonken goederen worden geacht deel uit te maken van de nalatenschap en worden onderworpen aan de successierechten indien de schenking gedaan werd binnen de drie jaar voorafgaand aan het overlijden van de schenker; indien de schenking dagtekent van meer dan drie jaar voor het overlijden van de schenker, valt zij, zoals ook het geval is bij een handgift, niet onder de wettelijke fictie en al evenmin onder de toepassing van artikel 7 W.Succ.
Er is, in uitvoering van artikel 42, VI en VIIIbis Br.W.Succ., een aangifteverplichting voor de schenkingen van roerende goederen waarop de in artikel 4, eerste lid, 3° Br.W.Succ. bedoelde fictie wordt toegepast.
----------
[Tekst van toepassing vóór 08.11.2022:
De ratio legis van de maatregel is het vermijden van misbruik van de nieuwe verlaagde tarieven voor schenkingen van 3 en 7 pct. Van bedoeld misbruik kan maar sprake zijn indien het gaat om geregistreerde of verplicht te registreren schenkingen.
De administratie neemt bijgevolg aan - en dit standpunt zal bevestigd worden door de Minister van Financiën van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en zal het onderwerp uitmaken van een publicatie in het Repertorium RJ - dat de nieuwe wettelijke fictie van toepassing is op alle schenkingen, zonder onderscheid of beperking in de tijd, van roerende goederen die gedaan zijn onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt door het overlijden van de schenker, die, voor zover de onder punt 8.3. hiervoor uiteengezette voorwaarden zijn vervuld,
- vastgesteld zijn bij een door een Belgische notaris verleden authentieke akte (verplicht te registreren akte)
- vastgesteld zijn bij een onderhandse akte of bij een notariële akte verleden door een buitenlandse notaris (niet verplicht te registreren akten) die door de partijen vrijwillig ter registratie werd aangeboden in een Belgisch registratiekantoor.
Opmerking. De wettelijke fictie zal niet van toepassing zijn wanneer de partijen een niet verplicht te registreren schenking niet vrijwillig aan de registratie onderwerpen. Artikel 7 W.Succ. kan dan echter wel van toepassing zijn: de geschonken goederen zullen geacht worden deel uit te maken van de nalatenschap en onderworpen worden aan het successierecht indien de schenking dagtekent van niet meer dan drie jaar voor het overlijden van de schenker ; wanneer de schenking dagtekent van meer dan drie jaar voor het overlijden van de schenker, zal zij, zoals ook het geval is bij een handgifte, niet vallen onder de wettelijke fictie en al evenmin vallen onder toepassing van artikel 7 van het W.Succ.
Bij toepassing van artikel 42, VI W.Succ. moeten de roerende goederen waarop de in artikel 4, eerste lid, 3° W.Succ. bedoelde fictie van toepassing is, in de aangifte worden vermeld.]
----------
9. Afdeling 2. Wijziging aan de regel inzake gecumuleerde progressie
De regel van gecumuleerde progressie van de successierechten in geval van schenkingen binnen de drie jaar voor het overlijden (artikel 66bis, Br.W.Succ.), kende tot nog toe geen uitzondering.
De 2de ordonnantie wijzigt artikel 66bis Br.W.Succ. derwijze dat die regel in één geval wordt geneutraliseerd, namelijk in geval van een schenking van roerende goederen waarop het in artikel 131, § 2, Br.W.Reg. bepaalde evenredig recht werd geheven (artikel 4 van de ordonnantie);
Voorbeeld:
1 mei 2004: schenking bij notariële akte door X (natuurlijke persoon met fiscale woonplaats sedert meer dan vijf jaar ononderbroken in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest) aan Y (vennootschap met sociaal oogmerk - afgekort VSO) van:
- geldsom van € 50.000;
- onroerend goed met een verkoopwaarde van € 100.000
1 mei 2005: X overlijdt (nog steeds zijn fiscale woonplaats in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest); bij legaat heeft X een geldsom van € 25.000 vermaakt aan de VSO Y.
De VSO Y is een rechtspersoon die niet van een bijzonder vast tarief geniet (*). Hij wordt belast aan het progressief successietarief "tussen anderen". Enkel de heffingsgrondslag voor de schenking van het onroerend goed - en, bij toepassing van het tweede lid van artikel 66bis Br.W.Succ. dus niet die voor de schenking van de geldsom - moet bij deze van het legaat van de geldsom worden gevoegd om uiteindelijk over het samengevoegd bedrag van de verkrijgingen door alle personen behorende tot dezelfde tariefcategorie het progressief tarief "tussen anderen" toe te passen.
----------
[(*) Mocht in plaats van een VSO bijvoorbeeld een private stichting begiftigde en legataris geweest zijn van X, dan zou artikel 66bis Br.W.Succ. niet toepasselijk zijn, omdat een legaat aan een private stichting nu wordt belast aan een vast tarief van 25 pct of 12,50 pct]
10. Afdeling 3. Legaten aan bijzondere rechtspersonen
10.1. Terminologische aanpassingen
Mutatis mutandis werden in artikel 59 Br.W.Succ. dezelfde terminologische aanpassingen van de benaming van bepaalde bijzondere rechtspersonen doorgevoerd als in artikel 140 Br.W.Reg.
10.2. Inhoudelijke wijzigingen
Inhoudelijk werd artikel 59 Br.W.Succ op twee vlakken gewijzigd.
10.2.1. Het in het 1°, eerste lid, van artikel 59 Br.W.Succ. bepaalde vast tarief van 6,60 pct, zal voortaan enkel nog van toepassing zijn op de gemeenten (inclusief hun openbare instellingen) en intercommunales van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en op de uitdrukkelijk in dat lid vermelde dienstgewijze gedecentraliseerde instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Opmerking. Dat tarief blijft zoals in het verleden tevens van toepassing op de stichtingen van openbaar nut (vroegere instellingen van openbaar nut).
10.2.2. De legaten aan private stichtingen worden aan hetzelfde tarief onderworpen als de legaten aan Verenigingen zonder winstoogmerk en daarmee op het vlak van het tarief gelijkgestelde verenigingen. Naargelang van het geval is dat het vlak tarief van 25% (artikel 59, 2°, Br.W.Succ.) of dat van 12,50% (artikel 59, 3°, Br.W.Succ.).
Opmerking. Legaten aan stichtingen van openbaar nut zijn daarentegen onderworpen aan het in artikel 59, 1°, eerste lid, bepaalde tarief van 6,60 pct. (zie opmerking onder punt 10.2.1.)
HOOFDSTUK III. INWERKINGTREDING
Artikel 9 van de 1ste ordonnantie en artikel 5 van de 2de ordonnantie bepalen dat de hiervoor besproken bepalingen in werking treden op de dag van de publicatie van de ordonnanties in het Belgisch Staatsblad, met andere woorden op 9 maart 2005.
a) inzake registratierechten
Opdat een schenking van roerende goederen onder de toepassing van de 1ste ordonnantie valt, is vereist dat de schenking wordt gelokaliseerd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest én dat het belastbaar feit zich na 8 maart 2005 situeert.
1. Lokalisatie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Voor wat de toepasselijke principes inzake de lokalisatie van een schenking betreft wordt verwezen naar de circulaire AKRED nr. 7/2002 (z. onder II op blz. 9 van bedoelde circulaire).
Welke datum dient voor de toepassing van het lokalisatiecriterium in aanmerking genomen te worden?
Indien het een schenking bij authentieke akte betreft of een handgift die nadien door de partijen bevestigd wordt in een notariële akte, is de datum van de schenking de datum van de authentieke akte. De notaris moet de bij artikel 170bis W.Reg. voorziene verklaring in de akte opnemen.
Betreft het een schenking bij onderhandse akte of een handgift die nadien door de partijen bevestigd wordt in een onderhandse akte, dient de fiscale woonplaats van de schenker bepaald te worden rekening houdend met het moment waarop de registratierechten op de schenking opeisbaar worden, m.a.w. de datum van de aanbieding ter registratie van de onderhandse akte. De schenker moet in een aanvullende verklaring, overeenkomstig artikel 168 W.Reg., het adres, de datum en de duur van de vestiging van de verschillende fiscale woonplaatsen vermelden die hij gehad heeft in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de registratie van de onderhandse akte.
2. Situering van het belastbaar feit na 8 maart 2005.
Welke datum dient in aanmerking genomen te worden om uit te maken of de nieuwe ordonnantie toepasselijk is?
Opdat een schenking, die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelokaliseerd wordt, onderworpen is aan het nieuwe tarief is vereist dat het belastbaar feit zich situeert na 8 maart 2005.
In geval van een schenking van roerende goederen bij notariële akte verleden voor een Belgische notaris dient de datum van de notariële akte in aanmerking genomen te worden.
In geval van een schenking van roerende goederen bij onderhandse akte of bij een in het buitenland verleden notariële akte, is het belastbaar feit de aanbieding ter registratie.
Wanneer een handgift nadien door de partijen bevestigd wordt in een notariële akte verleden voor een Belgische notaris, in een onderhandse akte of in een akte verleden voor een buitenlandse notaris dient respectievelijk de datum van de Belgische notariële akte of de datum van aanbieding ter registratie in aanmerking genomen te worden.
Voorbeeld:
Op 31 december 1998 werd door A aan B een handgift van een geldsom van € 50.000 gedaan. A heeft op dat ogenblik meer dan vijf jaar zijn fiscale woonplaats in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Op 10 maart 2005 bieden A en B een door hen ondertekend geschrift ter registratie aan waarin ze verklaren dat B van A bij handgift de geldsom heeft gekregen op 31 december 1998. A heeft op 10 maart 2005 zijn fiscale woonplaats meer dan drie jaar in het Waals Gewest.
De administratie plaatst zich voor de toepassing van het lokalisatiecriterium op de datum van de aanbieding ter registratie van de onderhandse akte. De registratie geschiedt volgens de tarieven die op 10 maart 2005 in het Waals Gewest van toepassing zijn.
b) inzake successierechten
De wijzigingen aan het Wetboek der successierechten zijn van toepassing op de vanaf 9 maart 2005 opengevallen nalatenschappen.
NAMENS DE MINISTER:
De adjunct-administrateur-generaal,
Paul NECKEBROECK
----------
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 9 maart 2005, eerste editie (errata van 15 maart 2005)
BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK PARLEMENT
24 FEBRUARI 2005 - Ordonnantie tot vermindering van de registratierechten op de schenkingen van roerende goederen
Het Brussels Hoofdstedelijk Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt:
Artikel 1. Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.
Art. 2. § 1. De huidige tekst van artikel 131 van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten, gewijzigd bij de ordonnantie van 20 december 2002, wordt de eerste paragraaf, beginnend met het teken « § 1. » en de woorden « roerende of onroerende » worden er vervangen door het woord « onroerende ».
§ 2. Aan artikel 131 van hetzelfde Wetboek, wordt een tweede paragraaf toegevoegd, luidend:
« § 2. Voor de schenkingen onder de levenden van roerende goederen wordt over het bruto-aandeel van elk der begiftigden een recht geheven van:
1° 3% voor schenkingen in de rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden;
2° 7% voor schenkingen aan andere personen.
Dit tarief is evenwel niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen gedaan onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, en die krachtens artikel 4, 3°, van het Wetboek van successierechten als legaten worden beschouwd voor de heffing van het recht van successie. »
Art. 3. Artikel 133 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling:
« Art. 133. Het recht wordt vereffend op de verkoopwaarde van de geschonken goederen, zonder aftrek van lasten.
Evenwel, voor schenkingen van ter beurze genoteerde publieke effecten geldt als belastinggrondslag de waarde volgens de laatste prijscourant op last van de regering bekendgemaakt vóór de datum waarop het recht opeisbaar is geworden.
Voor de schenking van het vruchtgebruik of de blote eigendom van een onroerend goed wordt de belastinggrondslag vastgesteld zoals in de artikelen 47 tot 50 is bepaald.
Voor de schenkingen van het op het leven van de schenker, een begiftigde of een derde gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen geldt als heffingsgrondslag het bedrag verkregen door de vermenigvuldiging van de jaarlijkse opbrengst van de goederen, forfaitair vastgesteld op 4% van de volle eigendom van de goederen, met het getal dat in artikel 47, eerste lid, wordt aangegeven tegenover de leeftijdsklasse waartoe diegene op wiens leven het vruchtgebruik gevestigd is, behoort op de datum van de schenking.
Voor de schenkingen van het voor een bepaalde tijd gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen geldt als heffingsgrondslag het bedrag verkregen door kapitalisatie van de jaarlijkse opbrengst tegen 4% over de duur van het vruchtgebruik bepaald in de schenkingsakte. De jaarlijkse opbrengst van de roerende goederen wordt forfaitair vastgesteld op 4% van de volle eigendom van die goederen. Het aldus verkregen bedrag van de heffingsgrondslag mag evenwel niet gaan boven de waarde berekend volgens het vierde lid indien het vruchtgebruik gevestigd is ten bate van een natuurlijk persoon.
Voor de schenkingen van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker is voorbehouden, is de heffingsgrondslag de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen.
Voor de schenkingen van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker niet is voorbehouden, is de heffingsgrondslag de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik, berekend volgens het vierde of vijfde lid.
Voor schenkingen van een lijfrente of een levenslang pensioen wordt het recht berekend over het jaarlijkse bedrag van de uitkering, vermenigvuldigd met de leeftijdscoëfficiënt die volgens de tabel in artikel 47 op de begiftigde moet worden toegepast.
Voor schenkingen van een altijddurende rente wordt het recht berekend over het jaarlijkse bedrag van de rente vermenigvuldigd met twintig. ».
Art. 4. Aan artikel 134 van hetzelfde Wetboek wordt de volgende zin toegevoegd:
« In de mate dat de schenking betrekking heeft op onroerende goederen, wordt de last in hoofde van de derde als schenking belast volgens de in artikel 131, § 1, geldende tarieven. »
Art. 5. In de eerste zin van artikel 135, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden « bij artikel 131, § 1, vastgestelde » ingevoegd tussen de woorden « Het bedrag van het » en « recht ».
Art. 6. In artikel 137 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « van onroerende goederen » ingevoegd tussen de woorden « schenking » en « toepasselijk tarief » en tussen de woorden « heffing op de schenkingen » en « welke reeds ».
Art. 7. In artikel 138/1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden « van onroerende goederen » ingevoegd tussen de woorden « de akten van schenking » en « vermelding » en tussen de woorden « één of meer schenkingen » en « zijn voorgekomen».
Art. 8. Artikel 140, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling:
« Art. 140. De bij artikel 131 vastgestelde rechten worden beperkt tot:
1° 6,6% voor schenkingen aan gemeenten gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en hun openbare instellingen, aan de door de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij erkende maatschappijen, aan de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, aan de intercommunales van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en aan stichtingen van openbaar nut;
2° 7% voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, van onroerende goederen aan verenigingen zonder winstoogmerk, aan ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, aan beroepsverenigingen, aan internationale verenigingen zonder winstoogmerk en aan private stichtingen;
3° 100 EUR voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan stichtingen van openbaar nut of aan rechtspersonen bedoeld in 2°, zo de schenker zelf een dezer stichtingen of rechtspersonen is;
4° 1,10% voor de schenkingen met inbegrip van de inbrengen om niet, gedaan door de gemeenten aan de pensioenfondsen die zij onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk hebben opgericht in uitvoering van een door de voogdijoerheid goedgekeurd saneringsplan. »
Art. 9. Deze ordonnantie treedt in werking op de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing, Huisvesting, Openbare Netheid en Ontwikkeling-samenwerking,
Ch. PICQUE
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting, Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen,
G. VANHENGEL
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Tewerkstelling, Economie, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
B. CEREXHE
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Mobiliteit en Openbare Werken,
P. SMET
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu, Energie en Waterbeleid,
Mevr. E. HUYTEBROECK
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 9 maart 2005, eerste editie (errata van 15 maart 2005)
BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK PARLEMENT
24 FEBRUARI 2005 - Ordonnantie tot wijziging van het Wetboek van successierechten
Het Brussels Hoofdstedelijk Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt:
Artikel 1. Deze ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.
Art. 2. Artikel 4 van het Wetboek van successierechten wordt aangevuld als volgt:
« 3° alle schenkingen onder de levenden van roerende goederen die de overledene heeft gedaan onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, wanneer de schenker zowel op het ogenblik van de schenking als op het ogenblik van zijn overlijden gewestinwoner van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest was.
Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder gewestinwoner van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verstaan:
a) op het ogenblik van de schenking: de persoon die op dat ogenblik zijn fiscale woonplaats had in dat Gewest; als hij zijn fiscale woonplaats op meer dan één plaats in België heeft gehad tijdens de vijf jaar vóór de schenking, de persoon die zijn fiscale woonplaats in de voormelde periode het langst in dat Gewest had;
b) op het ogenblik van zijn overlijden: de persoon die op dat ogenblik zijn fiscale woonplaats had in dat Gewest; als hij zijn fiscale woonplaats op meer dan één plaats in België heeft gehad tijdens de vijf jaar vóór zijn overlijden, de persoon die zijn fiscale woonplaats in de voormelde periode het langst in dat Gewest had. »
Art. 3. Artikel 59 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij ordonnantie van 20 december 2002 en bij ordonnantie van 29 april 2004, wordt vervangen als volgt:
« Art. 59. De rechten van successie en van overgang bij overlijden worden verlaagd:
1° tot 6,6% voor de legaten aan gemeenten gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en hun openbare instellingen, aan de door de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij erkende maatschappijen, aan de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, aan de intercommunales van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en aan de stichtingen van openbaar nut;
tot 6,6% voor de legaten aan de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, hun openbare instellingen en de openbare wetenschappelijke en culturele instellingen van de federale Staat bedoeld in artikel 6bis, § 2, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus1980 tot hervorming van de instellingen;
2° tot 25% voor de legaten aan verenigingen zonder winstoogmerk, aan ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, aan beroepsverenigingen, aan internationale verenigingen zonder winstoogmerk en aan private stichtingen;
3° tot 12,5% voor de legaten aan verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen zonder winstoogmerk die de federale erkenning kregen bedoeld in artikelen 104 en 110 van het Wetboek der Inkomstenbelastingen, tenzij ze een voordeliger tarief genieten overeenkomstig dit Wetboek. »
Art. 4. Artikel 66bis van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een tweede lid, luidend als volgt:
« Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor schenkingen van roerende goederen waarop het in artikel 131, § 2, van het Wetboek van registratie-, griffie- en hypotheekrechten bepaalde evenredig recht werd geheven. »
Art. 5. Deze ordonnantie treedt in werking op de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
De Minister-President van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing, Huisvesting, Openbare Netheid en Ontwikkelingssamenwerking,
Ch. PICQUE
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting, Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen,
G. VANHENGEL
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Tewerkstelling, Economie, Wetenschappelijk Onderzoek, Brandbestrijding en Dringende Medische Hulp,
B. CEREXHE
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Mobiliteit en Openbare Werken,
P. SMET
De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Leefmilieu, Energie en Waterbeleid,
Mevr. E. HUYTEBROECK
Gecoördineerde teksten
1. Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten
Art. 131
§ 1. Voor de schenkingen onder de levenden van onroerende goederen wordt over het bruto-aandeel van elk der begiftigden een evenredig recht geheven volgens het in de onderstaande tabellen vermelde tarief.
Hierin wordt vermeld:
onder a: het percentage dat toepasselijk is op het overeenstemmende gedeelte; onder b: het totale bedrag van de belasting over de voorgaande gedeelten.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder samenwonende verstaan, de persoon die zich in de toestand van wettelijke samenwoning bevindt in de zin van titel Vbis van boek III van het Burgerlijk Wetboek.
Tabel I
Tarief in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden
Gedeelte van de schenking | a | b | |
van | tot inbegrepen | ||
0,01 EUR | 50.000 EUR | 3% | |
50.000 EUR | 100.000 EUR | 8% | 1.500 EUR |
100.000 EUR | 175.000 EUR | 9% | 5.500 EUR |
175.000 EUR | 250.000 EUR | 18% | 12.250 EUR |
250.000 EUR | 500.000 EUR | 24% | 25.750 EUR |
boven de 500.000 EUR | 30% | 85.750 EUR | |
Tabel II
Tarief tussen broers en zussen
Gedeelte van de schenking | a | b | |
van | tot inbegrepen | ||
0,01 EUR | 12.500 EUR | 20% | |
12.500 EUR | 25.000 EUR | 25% | 2.500 EUR |
25.000 EUR | 50.000 EUR | 30% | 5.625 EUR |
50.000 EUR | 100.000 EUR | 40% | 13.125 EUR |
100.000 EUR | 175.000 EUR | 55% | 33.125 EUR |
175.000 EUR | 250.000 EUR | 60% | 74.375 EUR |
boven de 250.000 EUR | 65% | 119.375 EUR | |
Tabel III
Tarief tussen ooms of tantes en neven of nichten
Gedeelte van de schenking | A | b | |
van | tot inbegrepen | ||
0,01 EUR | 50.000 EUR | 35% | |
50.000 EUR | 100.000 EUR | 50% | 17.500 EUR |
100.000 EUR | 175.000 EUR | 60% | 42.500 EUR |
boven de 175.000 EUR | 70% | 87.500 EUR | |
Tabel IV
Tarief tussen alle andere personen
Gedeelte van de schenking | A | b | |
van | tot inbegrepen | ||
0,01 EUR | 50.000 EUR | 40% | |
50.000 EUR | 75.000 EUR | 55% | 20.000 EUR |
75.000 EUR | 175.000 EUR | 65% | 33.750 EUR |
boven de 175.000 EUR | 80% | 98.750 EUR | |
§ 2. Voor de schenkingen onder de levenden van roerende goederen wordt over het bruto-aandeel van elk der begiftigden een recht geheven van:
1° 3% voor schenkingen in de rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden;
2° 7% voor schenkingen aan andere personen.
Dit tarief is evenwel niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen gedaan onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, en die krachtens artikel 4, 3°, van het Wetboek van successierechten als legaten worden beschouwd voor de heffing van het recht van successie.
Art. 133
Het recht wordt vereffend op de verkoopwaarde van de geschonken goederen, zonder aftrek van lasten.
Evenwel, voor schenkingen van ter beurze genoteerde publieke effecten geldt als belastinggrondslag de waarde volgens de laatste prijscourant op last van de regering bekendgemaakt vóór de datum waarop het recht opeisbaar is geworden.
Voor de schenking van het vruchtgebruik of de blote eigendom van een onroerend goed wordt de belastinggrondslag vastgesteld zoals in de artikelen 47 tot 50 is bepaald.
Voor de schenkingen van het op het leven van de schenker, een begiftigde of een derde gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen geldt als heffingsgrondslag het bedrag verkregen door de vermenigvuldiging van de jaarlijkse opbrengst van de goederen, forfaitair vastgesteld op 4% van de volle eigendom van de goederen, met het getal dat in artikel 47, eerste lid, wordt aangegeven tegenover de leeftijdsklasse waartoe diegene op wiens leven het vruchtgebruik gevestigd is, behoort op de datum van de schenking.
Voor de schenkingen van het voor een bepaalde tijd gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen geldt als heffingsgrondslag het bedrag verkregen door kapitalisatie van de jaarlijkse opbrengst tegen 4% over de duur van het vruchtgebruik bepaald in de schenkingsakte. De jaarlijkse opbrengst van de roerende goederen wordt forfaitair vastgesteld op 4% van de volle eigendom van die goederen. Het aldus verkregen bedrag van de heffingsgrondslag mag evenwel niet gaan boven de waarde berekend volgens het vierde lid indien het vruchtgebruik gevestigd is ten bate van een natuurlijk persoon.
Voor de schenkingen van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker is voorbehouden, is de heffingsgrondslag de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen.
Voor de schenkingen van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker niet is voorbehouden, is de heffingsgrondslag de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik, berekend volgens het vierde of vijfde lid.
Voor schenkingen van een lijfrente of een levenslang pensioen wordt het recht berekend over het jaarlijkse bedrag van de uitkering, vermenigvuldigd met de leeftijdscoëfficiënt die volgens de tabel in artikel 47 op de begiftigde moet worden toegepast.
Voor schenkingen van een altijddurende rente wordt het recht berekend over het jaarlijkse bedrag van de rente vermenigvuldigd met twintig.
Art. 134
Voor de toepassing van artikelen 131 tot 133, wordt de last, bestaande uit een som, een rente of een pensioen onder kosteloze titel bedongen ten bate van een derde die aanneemt, in hoofde van deze derde als schenking belast en van het aandeel van de hoofdbegiftigde afgetrokken. In de mate dat de schenking betrekking heeft op onroerende goederen, wordt de last in hoofde van de derde als schenking belast volgens de in artikel 131, § 1, geldende tarieven.
Art. 135
Het bedrag van het bij artikel 131, § 1, vastgestelde recht vereffend ten laste van de begiftigde, die op het tijdstip waarop het recht aan de Staat verworven is minstens drie kinderen in leven heeft die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hadden bereikt, wordt verminderd met 2 pct. voor elk van deze kinderen, zonder dat de vermindering 62 EUR per kind mag overschrijden.
Deze vermindering wordt ten gunste van de begiftigde echtgenoot of de begiftigde samenwonende gebracht op 4 pct. per kind dat de leeftijd van eenentwintig jaar niet had bereikt, zonder dat de vermindering 124 EUR per kind mag overschrijden.
Voor de toepassing van dit artikel wordt het ontvangen kind voor zover het levensvatbaar geboren wordt, gelijkgesteld met het geboren kind.
Art. 137
Ter bepaling van het op een schenking van onroerende goederen toepasselijk tarief, wordt de desbetreffende belastbare grondslag gevoegd bij de som die heeft gediend tot grondslag van heffing op de schenkingen van onroerende goederen welke reeds tussen dezelfde partijen zijn voorgekomen en vastgesteld werden door akten die dagtekenen van minder dan drie jaar vóór de datum der nieuwe schenking en vóór laatstbedoelde datum geregistreerd werden of verplicht registreerbaar geworden zijn.
Art. 138^1
Ongeacht of zij verplicht registreerbaar zijn dan wel vrijwillig tot de formaliteit worden aangeboden, moeten de akten van schenking van onroerende goederen vermelding houden of er reeds tussen dezelfde partijen één of meer schenkingen van onroerende goederen zijn voorgekomen welke vastgesteld werden door akten die dagtekenen van minder dan drie jaar vóór de datum der nieuwe schenking en vóór dezelfde datum geregistreerd werden of verplicht registreerbaar geworden zijn.
Zo ja, moeten zij de datum dier akten vermelden, zomede de grondslag waarop de belasting werd of dient geheven.
De in dit artikel voorziene opgaven en vermeldingen mogen gedaan worden onderaan de akte in een verklaring vóór de registratie ondertekend en echt bevestigd door de begiftigde of, in zijn naam, door de werkende notaris.
Indien bewuste opgaven en vermeldingen ontbreken of indien zij onjuist of onvolledig zijn, verbeuren de partijen ondeelbaar een geldboete ten bedrage van het ontdoken recht, zonder dat ze lager dan 25 EUR mag zijn.
Art. 140
De bij artikel 131 vastgestelde rechten worden beperkt tot:
1° 6,6% voor schenkingen aan gemeenten gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en hun openbare instellingen, aan de door de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij erkende maatschappijen, aan de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, aan de intercommunales van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en aan stichtingen van openbaar nut;
2° 7% voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, van onroerende goederen aan verenigingen zonder winstoogmerk, aan ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, aan beroepsverenigingen, aan internationale verenigingen zonder winstoogmerk en aan private stichtingen;
3° 100 EUR voor schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan stichtingen van openbaar nut of aan rechtspersonen bedoeld in 2°, zo de schenker zelf een dezer stichtingen of rechtspersonen is;
4° 1,10% voor de schenkingen met inbegrip van de inbrengen om niet, gedaan door de gemeenten aan de pensioenfondsen die zij onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk hebben opgericht in uitvoering van een door de voogdijoerheid goedgekeurd saneringsplan.
De verlagingen vermeld sub 2° en 3° zijn enkel toepasselijk op de Belgische rechtspersonen en op gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere lid-Staat van de Europese Economische Ruimte, en die hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben.
2. Wetboek der successierechten
Art. 4
Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
1° alle schulden alleenlijk bij uiterste wil erkend;
2° alle schuldbekentenissen van sommen die een bevoordeling vermommen onder het voorkomen van een contract ten bezwarenden titel, en niet aan het voor de schenkingen gevestigd registratierecht werden onderworpen;
3° alle schenkingen onder de levenden van roerende goederen die de overledene heeft gedaan onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, wanneer de schenker zowel op het ogenblik van de schenking als op het ogenblik van zijn overlijden gewestinwoner van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest was.
Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder gewestinwoner van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verstaan:
a) op het ogenblik van de schenking: de persoon die op dat ogenblik zijn fiscale woonplaats had in dat Gewest; als hij zijn fiscale woonplaats op meer dan één plaats in België heeft gehad tijdens de vijf jaar vóór de schenking, de persoon die zijn fiscale woonplaats in de voormelde periode het langst in dat Gewest had;
b) op het ogenblik van zijn overlijden: de persoon die op dat ogenblik zijn fiscale woonplaats had in dat Gewest; als hij zijn fiscale woonplaats op meer dan één plaats in België heeft gehad tijdens de vijf jaar vóór zijn overlijden, de persoon die zijn fiscale woonplaats in de voormelde periode het langst in dat Gewest had.
Art. 59
De rechten van successie en van overgang bij overlijden worden verlaagd:
1° tot 6,6% voor de legaten aan gemeenten gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en hun openbare instellingen, aan de door de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij erkende maatschappijen, aan de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, aan de intercommunales van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en aan de stichtingen van openbaar nut;
tot 6,6% voor de legaten aan de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, hun openbare instellingen en de openbare wetenschappelijke en culturele instellingen van de federale Staat bedoeld in artikel 6bis, § 2, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus1980 tot hervorming van de instellingen;
2° tot 25% voor de legaten aan verenigingen zonder winstoogmerk, aan ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, aan beroepsverenigingen, aan internationale verenigingen zonder winstoogmerk en aan private stichtingen;
3° tot 12,5% voor de legaten aan verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen zonder winstoogmerk die de federale erkenning kregen bedoeld in artikelen 104 en 110 van het Wetboek der Inkomstenbelastingen, tenzij ze een voordeliger tarief genieten overeenkomstig dit Wetboek.
Art. 66bis
Zo er schenkingen onder levenden bedoeld in artikel 42, nummer VIIIbis, bestaan, wordt de basis waarop het registratierecht werd of dient geheven uit hoofde van die schenkingen, gevoegd bij het erfelijk emolument der belanghebbenden om het op dit emolument toepasselijk progressief recht van successie of van overgang bij overlijden te bepalen.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor schenkingen van roerende goederen waarop het in artikel 131, § 2, van het Wetboek van registratie-, griffie- en hypotheekrechten bepaalde evenredig recht werd geheven.
