Circulaire 2020/C/40 betreffende verificatie van aan een douaneaangifte gebonden goederen

Deze circulaire wordt vervangen door Circulaire 2022/C/32

FOD Financiën, 09.03.2020
Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen

Inhoudstafel

I. Algemeen


I. Algemeen

I.1. Draagwijdte van deze circulaire

§ 1. In deze circulaire worden de rechten en de plichten opgenomen van zowel de aangever als de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen in verband met een aan een douaneaangifte gebonden goederencontrole die verricht wordt door de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen.

§ 2. Het betreft de opsomming van de wettelijke bepalingen opgenomen in de douanewetgeving met waar nodig voorzien van commentaar. Overeenkomstig artikel 5, § 2), a) van het Douanewetboek van de Unie wordt onder douanewetgeving verstaan: het geheel van wetgeving bestaande uit het wetboek en de op niveau van de Unie of op nationaal niveau vastgestelde bepalingen ter aanvulling of uitvoering ervan. De Uniewetgeving die in deze circulaire wordt behandeld is opgenomen in het douanewetboek van de Unie en de uitvoeringsverordening van het douanewetboek. De nationale wetgeving die in deze circulaire wordt behandeld is opgenomen in de Algemene Wet inzake Douane en Accijnzen en in bepaalde Koninklijke en Ministeriële besluiten genomen ter uitvoering ervan. Wat de in deze circulaire opgenomen artikelen van de Algemene Wet inzake Douane en Accijnzen betreft, valt er op te merken dat deze momenteel worden herwerkt ten einde in overeenstemming te zijn van de Uniewetgeving. De accijnswetgeving wordt dus niet behandeld in deze circulaire. Het is dus best mogelijk dat er voor specifieke accijnscontroles bepalingen gelden die afwijken van deze opgenomen in onderhavige circulaire. Onder punt V. 3.1.7 zijn wel enkele bepalingen opgenomen wanneer de accijnsdocumenten gelijktijdig met de douaneaangiften worden aangeboden. § 3. In deze circulaire worden vooreerst enkele wettelijke bepalingen opgenomen die betrekking hebben op alle douanecontroles en daarna de algemene wettelijke bepalingen inzake aan een douaneaangifte gebonden goederencontroles. Dit wil dus zeggen dat de in deze circulaire opgenomen wettelijke bepalingen van toepassing zijn op alle goederen en dit ongeacht de douaneregeling waarvoor en de soort aangifte (standaard of vereenvoudigd) waarmee ze worden aangegeven. § 4. Douanecontroles (miv goederencontroles) die specifiek betrekking hebben op de tijdelijke opslag of op één douaneregeling of op één vereenvoudigde aangifteprocedure zullen opgenomen worden in de circulaires die specifiek over die materie handelen. Als voorbeelden kunnen aangehaald worden: - De controlebepalingen opgenomen in art 39 DWU betreffende geautoriseerde marktdeelnemers (AEO) en de eventuele commentaar daarop zijn opgenomen in de circulaire AEO; - De controlebepalingen betreffende de inschrijving in de administratie van de aangever opgenomen in art 182 DWU en 233 DWU IA (controleprogramma) zijn opgenomen in de circulaire inschrijving in de administratie van de aangever (EIDR). - De controlebepalingen betreffende het binnenbrengen in het douanegebied van de Unie en de tijdelijke opslag van goederen, opgenomen in art 134 e.v. DWU, zijn opgenomen in de circulaire 2017/C/42 betreffende het binnenbrengen in het douanegebied van de Unie – Tijdelijke opslag van goederen van 1 juli 2017. - De controlebepalingen betreffende de plaatsing van goederen onder de regeling van actieve veredeling, opgenomen in artikel 211 e.v. DWU zijn uitgelegd in de circulaire 2018/C/.... betreffende AV van 2018 (in te vullen na publicatie) § 5. Specifieke douanecontroles (miv goederencontroles) die betrekking hebben op specifieke goederen, bijvoorbeeld landbouwgoederen en goederen waarop niet fiscale wetgeving ( zoals bv cites, afval, …) van toepassing is worden in deze circulaire niet behandeld.

I.2. Gebruikte initiaalwoorden

§ 6. Voor de toepassing van deze circulaire worden de volgend initiaalwoorden gebruikt:

a) DWU: douanewetboek van de Unie, gepubliceerd in Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PBEU L 269 van 10 oktober 2013); b) DWU IA: De Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PBEU L 343 van 29 december 2015); c) AWDA : Algemene wet inzake douane en accijnzen van 18 juli 1977; d) AAD : Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen .

II. Definitie douanecontroles

§ 7. De definitie van douanecontroles is te vinden in artikel 5, § 3 DWU. Deze definitie geeft een overzicht van de domeinen waarin de douane volgens het DWU bevoegd is om controle uit te voeren.

Artikel 5

Definities In dit wetboek wordt verstaan onder: 3) "douanecontroles": door de douaneautoriteiten verrichte specifieke handelingen voor het waarborgen van de naleving van de douanewetgeving en andere wetgeving betreffende het binnenbrengen, het uitgaan, de doorvoer, het overbrengen, de opslag en de bijzondere bestemming van goederen die tussen het douanegebied van de Unie en landen of gebieden daarbuiten worden vervoerd, en betreffende de aanwezigheid en het verkeer binnen het douanegebied van de Unie van niet-Uniegoederen en goederen die onder de regeling bijzondere bestemming zijn geplaatst.

III. Heffingen en kosten douanecontroles

Wettelijke bepalingen

§ 8. In artikel 52, § 1 DWU is voorzien dat in principe de douaneautoriteiten voor het verrichten van douanecontroles geen kosten aanrekenen. In lid 2 van dat artikel zijn de gevallen opgesomd waarin de douane wel een heffing kan opleggen of kosten in rekening kan brengen.

Artikel 52 DWU

Heffingen en kosten 1. De douaneautoriteiten leggen geen heffingen op voor het verrichten van douanecontroles dan wel het anderszins toepassen van de douanewetgeving tijdens de officiële openingsuren van hun bevoegde douanekantoren. 2. Douaneautoriteiten kunnen echter wel heffingen opleggen of kosten in rekening brengen voor met name de volgende specifieke diensten: a) de aanwezigheid, op verzoek, van douanepersoneel buiten de officiële kantooruren of op een andere plaats dan op een douanekantoor; b) analyses of deskundigenverslagen van goederen en portokosten voor het retourneren van de goederen aan de aanvrager, met name bij beschikkingen op grond van artikel 33 of de verstrekking van inlichtingen overeenkomstig artikel 14, lid 1; c) het onderzoek of de monsterneming van goederen voor controledoeleinden, of de vernietiging van goederen, indien andere kosten dan die voor de inzet van douanepersoneel zijn gemaakt; d) uitzonderlijke controlemaatregelen, indien de aard van de goederen of een potentieel risico zulks vereisen

§ 9. Op nationaal vlak is in art. 17, § 1 AWDA bepaald in welke van de in art. 52, § 2 DWU opgenomen gevallen de AAD een retributie heft:

Artikel 17 AWDA

§ 1. Wanneer de douane er, desgevraagd, in toestemt bijzondere prestaties te verstrekken, kan hiervoor, ter compensatie van de kosten van administratie en van bewaking, een retributie worden geheven ten bate van de Staat volgens de modaliteiten en volgens het tarief door de Minister van Financiën te bepalen.

Als bijzondere prestaties worden aangemerkt de prestaties die worden verstrekt ofwel buiten de gewone uren of buiten de gewone emplacementen van de normale werkzaamheden van de douane ten gerieve van de handel, ofwel wegens verrichtingen welke niet in de gebruikelijke voorwaarden geschieden of welke bijkomende werkzaamheden meebrengen.

Ter uitvoering van dit artikel werd het Ministerieel Besluit tot vaststelling van de retributies voor bijzondere prestaties van de ambtenaren van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen van 8 april 2014 uitgevaardigd (B.S. van 24 juni 2014).

Commentaar

§ 10. In België wordt door de AAD enkel kosten aangerekend bij toepassing van artikel 52, § 2 a DWU. Het principe is neergelegd in art 17, § 1 AWDA en verder wettelijk geregeld in voornoemd MB van 8 april 2014. De administratieve bepalingen wat betreft de toepassing van dit MB alsmede de tekst van dit MB zijn opgenomen in de Instructie Retributies 2014 (D.I. 587.11).

De gevallen opgenomen in art 52, § 2 b, c en d worden in België niet toegepast.

IV. Controle van de bescheiden

IV.1. Verstrekking van inlichtingen en bescheiden aan de douaneautoriteiten

Wettelijke bepalingen

§ 11. Ook bij aan een douaneaangifte gebonden goederencontroles is een van de belangrijkste manieren waarop de douane zijn controle uitvoert de controle van bescheiden (miv de douaneaangifte zelf).

In artikel 15 DWU is daartoe voorzien dat eenieder die direct of indirect bij het vervullen van de douaneformaliteiten of douanecontrole is betrokken, de douaneautoriteiten op hun verzoek en binnen de eventueel vastgestelde termijnen alle nodige bescheiden en inlichtingen dient te verstrekken en de douaneautoriteiten alle nodige bijstand moet verlenen voor het vervullen van deze formaliteiten of controles. Tevens bepaalt lid 2 van dat artikel dat de aangever en desgevallend zijn douane-vertegenwoordiger die een douaneaangifte indient, verantwoordelijk is voor de juistheid en de volledigheid van zijn aangifte en de echtheid, juistheid, en geldigheid van de stukken ter staving van die aangifte.

Artikel 15 DWU

Verstrekking van inlichtingen aan de douaneautoriteiten 1. Eenieder die direct of indirect bij het vervullen van douaneformaliteiten of douanecontroles is betrokken, dient de douaneautoriteiten op hun verzoek en binnen de eventueel vastgestelde termijnen in de passende vorm alle nodige bescheiden en inlichtingen te verstrekken en deze autoriteiten alle nodige bijstand te verlenen voor het vervullen van deze formaliteiten of controles. 2. Eenieder die een douaneaangifte, een aangifte tot tijdelijke opslag, een summiere aangifte bij binnenbrengen, een summiere aangifte bij uitgaan, een aangifte tot wederuitvoer of een kennisgeving van wederuitvoer bij de douaneautoriteiten indient, of een aanvraag voor een vergunning of enige andere beschikking indient, aanvaardt de aansprakelijkheid voor al het volgende: a) de juistheid en volledigheid van de in de aangifte, de kennisgeving of de aanvraag verstrekte inlichtingen; b) de echtheid, juistheid en geldigheid van de stukken ter staving van de aangifte, de kennisgeving of de aanvraag; c) in voorkomend geval, het nakomen van alle verplichtingen inzake de plaatsing van de betreffende goederen onder een douaneregeling of het verrichten van toegestane handelingen. De eerste alinea is ook van toepassing op alle inlichtingen die in enigerlei andere vorm door de douaneautoriteiten wordt verlangd of aan hen wordt verstrekt. Indien de aangifte, de kennisgeving of de aanvraag wordt ingediend, of de inlichtingen worden verstrekt door een douanevertegenwoordiger van de betrokken persoon, zoals bedoeld in artikel 18, gelden de in de eerste alinea van dit lid vastgestelde verplichtingen ook voor die douanevertegenwoordiger.

§ 12. De bepalingen zijn nationaal verder uitgewerkt in de artikelen 201, § 1 en § 2 en 203, §§ 1 en 2 AWDA.

Artikel 201, § 1 AWDA bepaalt dat bij de douaneaangifte de factuur en alle andere documenten die nodig zijn voor de betrokken douaneregeling moeten worden gevoegd. In art. 201, § 2 AWDA wordt bepaald dat de ambtenaar die het verzoek maakt tot overlegging van andere documenten dat deze bedoeld in paragraaf 1 een ambtenaar van de AAD moet zijn met ten minste de graad van financieel deskundige. Artikel 203, § 1 AWDA bepaalt dat alle andere personen die rechtstreeks of onrechtstreeks bij de invoer of de uitvoer van goederen belang hebben, zijn gehouden, op elke vordering van de ambtenaren der douane en accijnzen inzage te verlenen van hun stukken, waarvan het overleggen noodzakelijk wordt geacht. Artikel 203, § 2 AWDA ten slotte bepaalt dat de ambtenaren van de AAD zich ook afschriften of kopieën onder de door hen gewenste vorm kunnen eisen van die stukken mits het opmaken van een inventaris en het bezorgen van een door hen ondertekend afschrift daarvan aan de eigenaar of de houder.

Artikel 201 AWDA

§ 1. Behalve in de door de minister van Financiën bepaalde gevallen, moeten bij de douaneaangifte de factuur en alle andere documenten worden gevoegd, die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven. De Koning kan de minister van Financiën gelasten met de uitvoering ervan.

§ 2. Op verzoek van een ambtenaar der douane en accijnzen met ten minste de graad van financieel deskundige, moeten de aangever, de importeur, de exporteur en de geadresseerde van de voor een willekeurige douaneregeling aangegeven goederen alle documenten en correspondentie overleggen en mondeling of schriftelijk inlichtingen verstrekken betreffende die goederen, indien deze mededeling nodig wordt geacht voor de controle van de op de douaneaangifte vermelde gegevens. Wanneer de in het eerste lid bedoelde documenten door middel van een geïnformatiseerd systeem worden gehouden, opgemaakt, uitgereikt, ontvangen of bewaard, hebben die ambtenaren het recht zich de op informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm ter inzage te doen voorleggen. Die ambtenaren kunnen eveneens degene in het eerste lid bedoeld verzoeken om in hun bijzijn en op zijn uitrusting kopieën te maken onder de door hen gewenste vorm van het geheel of een deel van de voormelde gegevens, evenals om de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om de juiste heffing van de belasting na te gaan. § 3. Weigering de in § 1 en 2 bedoelde stukken en inlichtingen over te leggen of te verstrekken, wordt gestraft met geldboete van 25 EUR tot 250 EUR

Artikel 203

AWDA

§1. De importeurs, de exporteurs en alle andere personen die rechtstreeks of onrechtstreeks bij de invoer of de uitvoer van goederen belang hebben, zijn gehouden, op elke vordering van de ambtenaren der douane en accijnzen met ten minste de graad van financieel deskundige, zonder verplaatsing, inzage te verlenen van hun factuurboeken, facturen, kopieën van brieven, kasboeken, inventarisboeken en alle boeken, registers, documenten en correspondentie betreffende hun handels- of beroepsactiviteit, waarvan het overleggen noodzakelijk wordt geacht. Evenwel wat betreft de kredietinstellingen, de bankiers en de wisselagenten, kan de mededeling van vorenbedoelde stukken slechts worden gevorderd mits een bijzondere machtiging van de adviseur-generaal die aangewezen is voor de administratie bevoegd voor de geschillen.

§ 2. Die ambtenaren mogen ook afschrift nemen van de documenten en correspondentie of ze behouden, wanneer ze een inbreuk inzake douane of accijnzen bewijzen of tot het bewijs ervan bijdragen. Van de behouden stukken maken ze een inventaris op en zij bezorgen een door hen ondertekend afschrift daarvan aan de eigenaar of de houder. Wanneer de in het vorige lid bedoelde documenten door middel van een geïnformatiseerd systeem worden bewaard, hebben de ambtenaren het recht zich kopieën van die documenten te doen overhandigen onder de door hen gewenste vorm.

§ 13. Wat het begin van artikel 201 AWDA betreft, valt er op te merken dat art. 163 DWU nu voor standaarddouaneaangiften als principe vastlegt dat de bewijsstukken die nodig zijn voor de correcte toepassing van de douaneregeling niet meer samen met de aangifte aan de douane moeten worden voorgelegd maar wel in het bezit moeten zijn van de aangever en ter beschikking staan van de douane op het tijdstip dat de aangifte wordt ingediend.

Artikel 163 DWU

Bewijsstukken 1. De bewijsstukken die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven, zijn in het bezit van de aangever en staan ter beschikking van de douaneautoriteiten op het tijdstip waarop de douaneaangifte wordt ingediend. 2. De bewijsstukken worden aan de douaneautoriteiten verstrekt indien de Uniewetgeving dat vereist of indien dat met het oog op douanecontroles noodzakelijk is. 3. In specifieke gevallen kunnen marktdeelnemers de bewijsstukken opstellen, op voorwaarde dat zij daarvoor toestemming van de douaneautoriteiten hebben gekregen.

Commentaar

§ 14. Wat de hiervoor aangehaalde artikelen 201 en 203 AWDA betreft, wordt er opgemerkt dat voortaan overeenkomstig het DWU alle contacten tussen de douane en de marktdeelnemers elektronisch moeten verlopen. Daartoe moet de douane voor douanedoeleinden rechtstreeks toegang hebben tot de handelsboekhouding of de douanegeschriften van de economische operator die houder is van een douanevergunning of die een douaneaangifte heeft ingediend (zie ook § 16 hierna).

§ 15. Wat het hiervoor aangehaalde artikel 163 DWU betreft wordt er nog eens op gewezen dat deze bepaling enkel geldt voor standaarddouaneaangiften en dus niet voor douaneaangiften die ingediend worden via de inschrijving in de administratie van de aangever of mondeling of via enig andere act. In België moet elke douanevertegenwoordiger die een standaarddouaneaangifte indient verplicht instaan voor de zelfarchivering van de bewijsstukken die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven (zie ook § 18 hierna). § 16. Er zijn geen verdere wettelijke bepalingen gemaakt ter uitvoering van de bepalingen van artikel 201 AWDA.

IV.2. Bewaren van bescheiden en overige gegevens

Wettelijke bepalingen

§ 17. In artikel 51 DWU is voorzien dat de betrokken persoon de in artikel 15, § 1 DWU (zie § 11 hiervoor) bedoelde bescheiden ten minste drie jaren moet bewaren met het oog op douanecontroles. Verder wordt vermeld dat dit moet gebeuren op een wijze die toegankelijk en aanvaardbaar is voor de douaneautoriteiten. Tenslotte wordt ook het tijdstip waarop deze termijn aanvangt, verduidelijkt.

Artikel 51 DWU

Bewaren van bescheiden en overige gegevens 1. De betrokken persoon dient, met het oog op een douanecontrole, de in artikel 15, lid 1, bedoelde bescheiden en gegevens gedurende ten minste drie jaren te bewaren op een wijze die toegankelijk en aanvaardbaar is voor de douaneautoriteiten. Voor goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht in andere dan de in de derde alinea bedoelde gevallen of voor goederen die ten uitvoer zijn aangegeven, begint deze termijn aan het einde van het jaar waarin de douaneaangifte voor het vrije verkeer of de aangifte ten uitvoer is aanvaard. Voor goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht vrij van rechten dan wel met een verlaagd invoerrecht op grond van hun bijzondere bestemming, begint deze termijn aan het einde van het jaar waarin het douanetoezicht op de goederen is opgeheven. Voor goederen die onder een andere douaneregeling of in tijdelijke opslag zijn geplaatst, vangt deze termijn aan op het einde van het jaar waarin de betreffende douaneregeling is gezuiverd of de tijdelijke opslag is beëindigd. 2. Onverminderd artikel 103, lid 4, worden, indien uit een douanecontrole in verband met een douaneschuld blijkt dat de desbetreffende boeking moet worden herzien, en indien de betrokkene hiervan in kennis is gesteld, de bescheiden en de informatie na afloop van de in lid 1 van dit artikel bedoelde termijn nog drie jaar langer bewaard. Indien beroep is ingesteld of een gerechtelijke procedure is ingeleid, moeten de bescheiden en de informatie worden bewaard gedurende de in lid 1 vastgestelde termijn of totdat de beroeps- of rechtsprocedure is voltooid, naargelang welke datum het laatst valt.

§ 18. In artikel 130 AWDA zijn ter zake specifieke bepalingen opgenomen voor de douanevertegenwoordiger. §§ 1 en 2 vermelden respectievelijk welke documenten en hoelang hij die moet bewaren. In § 3 is opgenomen dat hij gehouden is deze voor te leggen op het eerste verzoek van een ambtenaar met de graad van adviseur of ten minste de graad van attaché. In § 4 ten slotte zijn de strafbepalingen opgenomen bij weigering die stukken voor te leggen.

Artikel 130 AWDA

§ 1. De douanevertegenwoordiger houdt een jaarlijks repertorium in de door de minister van Financiën voorgeschreven vorm. Hij schrijft daarin afzonderlijk, volgens een doorlopende nummerreeks per aangifte waarvoor hij als indirecte vertegenwoordiger dan wel als directe vertegenwoordiger is opgetreden, al zijn verrichtingen zowel bij de invoer, als bij de uitvoer en douanevervoer.

Het nummer van de inschrijving wordt tegelijkertijd als het stamnummer van de douanevertegenwoordiger vermeld op de aan de douane afgegeven overeenstemmende documenten, op de handelsdocumenten en geschreven instructies afgegeven aan de douanevertegenwoordiger door zijn opdrachtgever, met het oog op de te vervullen douaneformaliteiten, en op de brieven, documenten en dossiers van douanevertegenwoordiger, uitgaande van of bewaard door hem, in verband met de door hem gedane of te verrichten douanewerkzaamheden. § 2. Het repertorium dient gedurende drie jaar na afsluiting ervan bewaard met, ter staving, alle stukken betreffende de lastgeving en de instructies gegeven door de klanten met het oog op de vervulling van de douaneformaliteiten en die betreffende de afrekeningen tussen douanevertegenwoordiger en klanten. § 3. Het repertorium en de in § 2 bedoelde stukken dienen overgelegd op het eerste aanzoek van de adviseur aangeduid door de administrateur-generaal van de douane en accijnzen of van een ambtenaar met minstens de graad van attaché. § 4. Weigering het repertorium of de in § 2 bedoelde bescheiden te verlenen, wordt aangezien als verhindering van werkzaamheden en met een geldboete van 125 EUR tot 625 EUR gestraft. De douanevertegenwoordiger wordt bovendien ontzet voor een tijdbestek van één tot zes maanden; bij herhaling wordt de geldboete verdubbeld en de douane-expediteur voorgoed uit het stamregister geschrapt.

Commentaar

§ 19. Uit het vorenstaande blijkt dus dat bescheiden voor douanecontroles drie jaar moeten bewaard worden op een wijze die toegankelijk en aanvaardbaar is voor de AAD Daar de communicatie tussen de aangever en de AAD volgens het DWU zoveel mogelijk elektronisch moet verlopen, houdt dit dus in dat de aangever deze bewijzen elektronisch moet bewaren en de AAD desgevallend toegang moet verlenen tot zijn geautomatiseerde boekhouding.

Het vorenstaande belet niet dat er ook andere termijnen van toepassing kunnen zijn voor andere doeleinden dan douanecontroles die de marktdeelnemers gehouden zijn te respecteren . In de accijnswetgeving zijn er bijvoorbeeld ook specifieke termijnen opgenomen met betrekking tot het bijhouden van bescheiden en overige gegevens (registers? enz.). Deze zijn niet meteen verbonden aan een douaneaangifte, maar zijn meer algemeen opgesteld.

V. Goederencontroles

V.1. Aard van de douanecontroles en risicobeheer

Wettelijke bepalingen

§ 20. In art 46 DWU is in lid 1 een opsomming gegeven van de goederencontroles die de douane kan uitvoeren en in § 2 is bepaald dat deze controles hoofzakelijk moeten gebaseerd zijn op risicoanalyse, tenzij het om steekproefcontroles gaat. De volgende leden (3 tot 7) van dat artikel gaan verder in op de voorwaarden waaraan het risicobeheer van de douane moet beantwoorden en dit met aandacht voor de op nationaal, Unie en internationaal niveau vastgestelde criteria.

Artikel 46 DWU

Risicobeheer en douanecontroles 1. De douaneautoriteiten kunnen elke controlemaatregel nemen die zij nodig achten.

De controlemaatregelen kunnen met name inhouden onderzoek van goederen, monsterneming, verificatie van de juistheid en volledigheid van de in het kader van een aangifte of een kennisgeving verstrekte informatie en de aanwezigheid, echtheid, juistheid of geldigheid van documenten, onderzoek van de bedrijfsboekhouding van marktdeelnemers en van andere bescheiden, controle van vervoermiddelen, controle van bagage en andere goederen die personen bij of op zich dragen, officieel onderzoek en soortgelijke handelingen.

2. Douanecontroles, andere dan steekproefcontroles, moeten hoofdzakelijk gebaseerd zijn op een met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken uitgevoerde risicoanalyse, die ertoe strekt om aan de hand van op nationaal, Unie- en indien beschikbaar internationaal niveau vastgestelde criteria de risico's in kaart te brengen en te evalueren alsmede de nodige tegenmaatregelen te ontwikkelen. 3. Douanecontroles worden uitgevoerd binnen een gemeenschappelijk kader voor risicobeheer, gebaseerd op de uitwisseling van informatie betreffende risico's en resultaten van risicoanalyse tussen de douanediensten, waarbij gemeenschappelijke risicocriteria en -normen, controlemaatregelen en prioritaire controlegebieden worden vastgesteld. Controles aan de hand van dergelijke informatie en criteria worden uitgevoerd onverminderd andere controles die worden uitgevoerd overeenkomstig lid 1 of andere vigerende bepalingen. 4. De douaneautoriteiten verrichten risicobeheer om een onderscheid te maken tussen de niveaus van risico verbonden aan goederen die aan douanecontrole of douanetoezicht zijn onderworpen en om te bepalen of de goederen aan bijzondere douanecontroles zullen worden onderworpen, en zo ja, waar. Dit risicobeheer omvat activiteiten zoals het verzamelen van gegevens en informatie, het analyseren en beoordelen van risico's, het voorschrijven en ondernemen van actie, en het regelmatig toezien op en herzien van dat proces en de resultaten ervan, op basis van internationale, Unie- en nationale bronnen en strategieën. 5. De douaneautoriteiten wisselen informatie betreffende risico's en resultaten van risicoanalyses uit indien: a) een douaneautoriteit oordeelt dat de risico's significant zijn en een douanecontrole noodzakelijk is, en bij de controle blijkt dat de gebeurtenis die de risico's veroorzaakt, zich heeft voorgedaan; of b) bij de controle blijkt niet dat de gebeurtenis die de risico's veroorzaakt, zich heeft voorgedaan, maar de betrokken douaneautoriteit oordeelt dat de dreiging elders in de Unie een hoog risico vormt. 6. Voor de vaststelling van de gemeenschappelijke risicocriteria en -normen, de controlemaatregelen en de prioritaire controlegebieden als bedoeld in lid 3 wordt rekening gehouden met al het volgende: a) de evenredigheid met het risico; b) de dringendheid van de uit te voeren controles; c) de waarschijnlijke gevolgen voor het handelsverkeer, de afzonderlijke lidstaten en de beschikbare controlemiddelen. 7. De in lid 3 bedoelde gemeenschappelijke risicocriteria en -normen omvatten al het volgende: a) een beschrijving van de risico's; b) de te gebruiken risicofactoren of -indicatoren om goederen of marktdeelnemers voor douanecontroles te selecteren; c) de aard van de door de douaneautoriteiten uit te voeren douanecontroles; d) de toepassingsduur van de onder c) bedoelde douanecontroles. 8. Prioritaire controlegebieden omvatten bepaalde douaneregelingen, soorten goederen, vervoerstrajecten, vervoerswijzen of marktdeelnemers die gedurende een bepaalde periode in hogere mate aan risicoanalyses en douanecontroles worden onderworpen, onverminderd andere controles die de douaneautoriteiten doorgaans verrichten.

§ 21. In artikel 48 DWU is voorzien dat de douanecontrole ook een controle na vrijgave van de goederen kan inhouden en dat dit naast een controle van documenten ook een onderzoek van de goederen en het nemen van monsters, zolang daartoe de mogelijkheid bestaat, kan inhouden. De tweede alinea bepaalt dat deze controles niet noodzakelijk bij de houder van de goederen of zijn vertegenwoordiger kunnen worden verricht, maar ook bij elke persoon die beroepshalve direct of indirect bij deze transacties is betrokken en bij elke andere persoon die beroepshalve over die documenten beschikt.

Artikel 48 DWU

Controle na vrijgave Ten behoeve van douanecontrole kunnen de douaneautoriteiten de juistheid en de volledigheid van de informatie die is verstrekt in een douaneaangifte, aangifte tot tijdelijke opslag, summiere aangifte bij binnenbrengen, summiere aangifte bij uitgaan, aangifte tot wederuitvoer of kennisgeving van wederuitvoer, en het bestaan, de echtheid, de juistheid en de geldigheid van bewijsstukken controleren, alsook de bedrijfsboekhouding van de aangever en andere bescheiden betreffende deze goederen of betreffende voorafgaande of latere handelstransacties met deze goederen, na de vrijgave daarvan, onderzoeken. Die autoriteiten kunnen eveneens overgaan tot onderzoek van de goederen en/of tot het nemen van monsters, zolang zij daartoe nog de mogelijkheid hebben. Deze controles kunnen worden verricht bij de houder van de goederen of zijn vertegenwoordiger, bij elke persoon die beroepshalve direct of indirect bij deze transacties is betrokken, en bij elke andere persoon die beroepshalve over die documenten en gegevens beschikt.

Commentaar

§ 22. De bepalingen van deze controles na vrijgave zijn per douaneregeling vastgelegd. Zelfs bij het in het vrije verkeer brengen of het in het verbruik stellen betekent de vrijgave van de goederen niet dat deze automatisch ontsnappen aan elke douanecontrole. Zo voert de AAD controles na vrijgave van de goederen uit op goederen die met vrijstelling van rechten en belastingen bij invoer zijn toegelaten om na te gaan of de voorwaarden van de vrijstelling wel degelijk binnen de in de Uniewetgeving vastgelegde bepalingen zijn nageleefd.

V.2. Samenwerking met andere controleautoriteiten

Wettelijke bepalingen

§ 23. In art 47 DWU is voorzien dat indien dezelfde goederen moeten onderworpen worden aan andere controles dan douanecontroles, de douanecontroles in de mate van het mogelijke moeten gebeuren in nauwe samenwerking met die andere autoriteiten. Dit heeft voor gevolg dat gegevens en resultaten van controles tussen de douane en de andere bevoegde diensten alsmede de Commissie kunnen worden uitgewisseld.

Artikel 47 DWU

Samenwerking tussen autoriteiten 1. Indien dezelfde goederen moeten worden onderworpen aan andere controles dan douanecontroles door andere bevoegde autoriteiten dan de douaneautoriteiten, trachten de douaneautoriteiten deze controles in nauwe samenwerking met die andere autoriteiten te verrichten, waar mogelijk op dezelfde plaats en op hetzelfde tijdstip als de douanecontroles (one-stop-shop); de douaneautoriteiten vervullen in dit verband de rol van coördinator. 2. In het kader van de in deze afdeling bedoelde controlemaatregelen kunnen de douaneautoriteiten en andere bevoegde autoriteiten, indien dit vereist is om de risico's zoveel mogelijk te beperken en fraude te bestrijden, de door hen ontvangen gegevens betreffende het binnenbrengen, het uitgaan, de doorvoer, het overbrengen, de opslag en de bijzondere bestemming van goederen, met inbegrip van het postverkeer, die tussen het douanegebied van de Unie en landen of gebieden buiten het douanegebied van de Unie worden vervoerd, betreffende de aanwezigheid en het verkeer binnen het douanegebied van de Unie van niet-Uniegoederen en goederen die onder de regeling bijzondere bestemming zijn geplaatst, alsmede de resultaten van eventuele controles, met elkaar en met de Commissie uitwisselen. De douaneautoriteiten en de Commissie kunnen zulke gegevens ook uitwisselen om ervoor te zorgen dat de douanewetgeving uniform wordt toegepast.

Commentaar

§ 24. Het betreft hier voornamelijk de controle van goederen waarvoor verbods- en beperkingsmaatregelen gelden bij het binnenbrengen, bij uitvoer en doorvoer.

Voor bepaalde goederen dient de controle door de andere bevoegde autoriteiten te gebeuren vooraleer de goederen bij de douane onder een douaneregeling kunnen geplaatst worden. De resultaten van dergelijke controles worden door de bevoegde autoriteiten vermeld in daarvoor specifiek voorziene certificaten of vergunningen die gelden voor de invoer, uitvoer of doorvoer van die bepaalde goederen. De douane controleert of het afgegeven certificaat of vergunning betrekking heeft op de aangeboden goederen en gaat na of de goederen tot de gevraagde douaneregeling kunnen toegelaten worden op basis van de controleresultaten vermeld in de certificaten of vergunningen.

V.3. Verificatie en vrijgave van goederen

V.3.1. Verificatie

§ 25. Onder dit punt worden de verschillende mogelijkheden aangehaald waarover de douane beschikt om over te gaan tot de verificatie van een door de douane aanvaarde douaneaangifte alsmede de rechten en plichten van zowel de douane als de aangever bij deze verificatie.

V.3.1.1. Verificatie van een douaneaangifte

Wettelijke bepalingen

§ 26. In artikel 188 DWU wordt een opsomming gegeven van de verschillende mogelijkheden die de douane heeft om een verificatie van een douaneaangifte te verrichten. Deze zijn vooreerst een controle van de aangifte en de bijgevoegde documenten, het eisen van andere documenten aan de aangever, de goederen aan een onderzoek onderwerpen en tenslotte het nemen van monsters voor analyse of voor grondige controle van de goederen.

Artikel 188 DWU

Verificatie van een douaneaangifte Met het oog op de verificatie van de juistheid van de in de aanvaarde douaneaangifte vermelde gegevens kunnen de douaneautoriteiten: a) de aangifte en de bij te voegen documenten aan een onderzoek onderwerpen; b) van de aangever eisen dat andere documenten worden overgelegd; c) de goederen aan een onderzoek onderwerpen; d) monsters nemen voor een analyse of grondige controle van de goederen.

§ 27. Het principe dat de douane de aangifte en de bijgevoegde documenten kan onderzoeken is ook opgenomen in de nationale wetgeving en wel in artikel 70/11 § 2 AWDA voor wat het in het vrije verkeer brengen betreft en artikel 78/7 § 2 AWDA voor wat de uitvoer betreft.

Artikel 70/11 AWDA

§ 2. Telkens wanneer zij zulks noodzakelijk acht gaat de douane over tot verificatie van de aangifte en de documenten die daarbij zijn gevoegd, ten einde na te gaan of de vermeldingen in de documenten overeenstemmen met de in de aangifte vervatte vermeldingen.

Artikel 78/7 AWDA

§ 2. Telkens wanneer zij zulks noodzakelijk acht gaat de douane over tot verificatie van de aangifte en de documenten die daarbij zijn gevoegd, ten einde na te gaan of de vermeldingen in die documenten overeenstemmen met de in die aangifte vervatte vermeldingen.

Commentaar

§ 28. Uit artikel 188 DWU blijkt dus duidelijk dat de douane slechts kan overgaan tot de verificatie van een douaneaangifte, indien die aangifte door de AAD is aanvaard. De bepalingen opgenomen in punt V.3.1.1 tot en met V 3.2. van deze circulaire zijn dus enkel van toepassing op douaneaangiften die door de AAD zijn aanvaard.

Er wordt op gewezen dat volgens artikel 70/11 LGDA de douaneaangifte onmiddellijk moet worden aanvaard, mits deze voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 70/4 en 70/6 LGDA. Volgens artikel 226 CDU-IA (en met de in datzelfde artikel genoemde uitzonderingen) moeten de douaneautoriteiten de aangever in kennis stellen van de aanvaarding van de douaneaangifte. Zij verstrekken hem ook een MRN (movement reference number) voor de douaneaangifte en de datum van aanvaarding van de aangifte. Zie ook de paragrafen 17 tot en met 19 van de instructie enige document over dit onderwerp. § 29. In de circulaires en instructies van de AAD worden voor de mogelijkheden voorzien in artikel 188 DWU waardoor de douane beschikt om een douaneaangifte te verifiëren meestal de volgende termen gebruikt: 1. Artikel 188 a)+b): documentaire controle; 2. Artikel 188 c): fysieke controle; 3. Artikel 188 d): monsters voor analyse: monsterneming ; 4. Artikel 188 d): monsters voor grondige controle : monsterneming. § 30. In het DWU en de AWDA wordt niet verder meer ingegaan op de eerste twee verificatiemogelijkheden van een douaneaangifte (onderzoek van de aangifte en de bij te voegen documenten en het eisen van de aangever dat andere documenten worden overgelegd) die opgesomd zijn in artikel 188 DWU. Op deze twee mogelijkheden van verificatie zijn dan ook de bepalingen opgenomen in punt IV “Controle van de bescheiden” hiervoor van toepassing. In de volgende punten wordt verder ingegaan op de laatste twee mogelijkheden van verificatie van een douaneaangifte, namelijk het onderzoek van de goederen en de monsterneming .
V.3.1.2. Onderzoek en monsterneming van goederen

Wettelijke bepalingen

§ 31. De unie voorschriften betreffende de rechten en plichten van de douane en de aangever bij onderzoek en monsterneming van goederen (sub c en d van artikel 188 DWU) zijn opgenomen in artikel 189 DWU.

Zo bepaalt lid 1 dat het vervoer van de goederen naar de plaats van het onderzoek en alle handelingen die noodzakelijk zijn voor het onderzoek verricht worden door de aangever of onder zijn verantwoordelijkheid en dat de met dit vervoer en deze handelingen verbonden kosten ten laste zijn van de aangever. Lid 2 bepaalt dat de aangever steeds het recht heeft aanwezig te zijn of zich te laten vertegenwoordigen. In bepaalde gevallen kan de douane eisen dat de aangever aanwezig is of zich laat vertegenwoordigen of de nodige bijstand verleent. Lid 3 tenslotte bepaalt dat de monsterneming in principe geen aanleiding geeft tot enige vergoeding door de douane maar dat de kosten wel ten laste van de douane vallen.

Artikel 189 DWU

Onderzoek en monsterneming van goederen 1. Het vervoer van de goederen naar de plaats waar het onderzoek en de monsterneming dienen plaats te vinden, alsmede alle handelingen die voor dit onderzoek of deze monsterneming noodzakelijk zijn, worden door de aangever of onder zijn verantwoordelijkheid verricht. De hieraan verbonden kosten komen ten laste van de aangever. 2. De aangever heeft het recht bij het onderzoek van de goederen en bij de monsterneming aanwezig te zijn of te worden vertegenwoordigd. Indien zij daartoe gegronde redenen hebben, kunnen de douaneautoriteiten van de aangever eisen dat hij bij het onderzoek van de goederen of de monsterneming aanwezig is of zich daarbij laat vertegenwoordigen dan wel dat hij hun de noodzakelijke bijstand verleent om dit onderzoek of deze monsterneming te vergemakkelijken. 3. Indien de monsterneming volgens de geldende bepalingen plaatsvindt, geeft dit geen aanleiding tot enige vergoeding door de douaneautoriteiten, maar de kosten van analyse of controle komen wel ten laste van hem.

§ 32. In artikel 238 DWU IA zijn nadere bepalingen opgenomen in verband met de plaats en het tijdstip van onderzoek van de goederen. De eerste alinea bepaalt dat het bevoegde douanekantoor de plaats en het tijdstip ervan aanwijst en de aangever daarvan in kennis stelt. De tweede alinea bepaalt dat op verzoek van de aangever een andere plaats dan een douanekantoor of een tijdstip buiten de openingstijden van het douanekantoor kan aangewezen worden.

Artikel 238 DWU IA

Plaats en tijdstip van onderzoek van de goederen (Artikel 189 van het wetboek) Wanneer het bevoegde douanekantoor heeft besloten de goederen aan een onderzoek te onderwerpen in overeenstemming met artikel 188, onder c), van het wetboek, of monsters te nemen in overeenstemming met artikel 188, onder d), van het wetboek, wijst het hiervoor het tijdstip en de plaats aan en stelt het de aangever hiervan in kennis. Op verzoek van de aangever kan het bevoegde douanekantoor een andere plaats aanwijzen dan een douanekantoor of een tijdstip buiten de officiële openingstijden van dat douanekantoor.

§ 33. In artikel 70/13 tot artikel 70/15 (bij het in het vrije verkeer brengen) en in artikel 78/10 (bij uitvoer) zijn de nationale wettelijke voorschriften in verband met deze Unie bepalingen opgenomen.

Zo bepaalt artikel 70/13 dat de douane alle of een deel van de goederen aan een onderzoek kan onderwerpen. Verder wordt bepaald dat het onderzoek gebeurd op de door de douane aangewezen plaats en gedurende de door de douane vastgestelde uren. Op verzoek van de aangever kan daarvan worden afgeweken maar de eventuele daaraan verbonden kosten komen dan ten laste van de aangever.

Artikel 70/13 AWDA

De douane kan, indien zij het nuttig acht, alle of een deel van de goederen aan een onderzoek onderwerpen.

Het onderzoek van de goederen geschiedt op de daartoe aangewezen plaats of in de daartoe aangenomen magazijnen en gedurende de daartoe vastgestelde uren. De douane kan, op verzoek van de aangever, toestaan dat de goederen op een andere plaats of gedurende andere uren dan bedoeld in lid 2 worden onderzocht. De eventuele hieraan verbonden kosten komen ten laste van de aangever. De Minister van Financiën stelt de bepalingen vast betreffende het onderzoek van de goederen.

Artikel 70/14 geeft een verduidelijking van welke behandelingskosten bedoeld in artikel 189, § 1 DWU ten laste vallen van de aangever.

Artikel 70/14 AWDA

Het vervoer van de goederen naar de plaats waar zij zullen worden onderzocht, het uitpakken, het weder inpakken en alle andere bewerkingen welke nodig zijn voor het onderzoek, worden door de aangever of onder zijn verantwoordelijkheid verricht. In alle gevallen, komen de hieraan verbonden kosten ten laste van de aangever.

Artikel 70/15 is een herhaling van de bepalingen opgenomen in art 189, § 2 in verband met de al dan niet verplichte aanwezigheid van de aangever bij het onderzoek van de goederen.

Artikel 70/15 AWDA

De aangever heeft het recht bij het onderzoek van de goederen aanwezig te zijn of zich erbij te laten vertegenwoordigen. De douane kan, indien zij dit nuttig acht, van de aangever eisen dat hij bij het onderzoek aanwezig is of zich erbij laat vertegenwoordigen ten einde haar de nodige bijstand ter vergemakkelijking van dit onderzoek te verlenen.

Artikel 78/10 AWDA bepaalt ten slotte dat de artikelen 70/13 tot 70/15 ook van toepassing zijn op de uitvoer.

Art 78/10 AWDA

De artikelen 70/13, 70/14, 70/15 en 70/16, zijn van toepassing op de uitvoer.

§ 34. Verder mogen ook artikel 158 AWDA en artikel 184 AWDA niet uit het oog worden verloren.

Artikel 158 AWDA bepaalt dat met het oog op het verzekeren van de rechten en de accijns een grondige verificatie kan worden uitgevoerd. Deze verificatie moet worden uitgevoerd door twee ambtenaren en bestaat volgend de aard van de producten uit het wegen ervan, het peilen ervan of uit het overgaan tot elke nuttige handeling.

Artikel 158 AWDA

Bij de invoer of de uitvoer met afschrijving of teruggave van accijns en in alle door deze wet of door specifieke wetten inzake accijns voorziene gevallen of nog met het oog op het verzekeren van de rechten en de accijns, wordt een grondige verificatie uitgevoerd. Deze verificatie wordt uitgevoerd door twee ambtenaren, waarvan ten minste een daartoe uitdrukkelijk moet zijn aangesteld en bestaat, volgens de aard van de producten, uit het wegen ervan, het peilen ervan of uit het overgaan tot elke nuttige handeling.

Wat artikel 189, al. 3 DWU betreft, bepaalt artikel 184, § 1 AWDA dat de aangever een verzoek tot schadevergoeding kan indienen indien bij het onderzoek van de goederen schade zou ontstaan zijn aan de goederen

Artikel 184 AWDA

§ 1. Bij alle visitaties of onderzoek van de hoeveelheid en de aard of de soort der goederen, zullen de daartoe aangewezen ambtenaren, de colli's mogen openen, hun inhoud nagaan, en gehouden zijn, om, desgevorderd, de geopende verpakkingen terstond weder toe te maken. In alle gevallen zorgen zij, dat de goederen bij de verificatie en visitatie geen schade ondervinden, op straf van schadevergoeding, volgens de schatting van de adviseur-generaal aangeduid door de administrateur-generaal van de douane en accijnzen in wiens gebied de schade is toegebracht, of, desnoods, van de administratie, en behoudens wederzijds beroep op een nadere rechterlijke beslissing.

§ 2. Indien de ambtenaren, bij visitatie onderweg van verzegelde goederen, de opening der verpakkingen, wegens bijzondere redenen of ernstige vermoedens, nodig achten, zullen zij, wegens de kosten der daarna opnieuw te gebruiken zegels, niets aan de vervoerder mogen aanrekenen.

Commentaar

§ 35. Voor wat de kosten betreft die ten laste komen van de aangever wanneer het onderzoek plaatsvindt op een andere plaats en buiten de openingsuren van het kantoor wordt verwezen naar punt III ( heffingen en kosten douanecontroles) hiervoor.

§ 36. Voor wat de laatste alinea van artikel 70/13 AWDA betreft, valt er op te merken dat de Minister van Financiën geen bepalingen heeft vastgesteld in verband met het onderzoek van de goederen.
V.3.1.3. Gedeeltelijk onderzoek en monsterneming van goederen

Wettelijke bepalingen

§ 37. In artikel 190, § 1 DWU wordt bepaald dat wanneer slechts een gedeelte van de goederen van één douaneaangifte, wordt onderzocht of monsters daarvan worden genomen, dit resultaat in principe geldt voor alle goederen van die aangifte. De aangever kan echter om een aanvullend onderzoek verzoeken indien hij van mening is dat de resultaten van de verificatie niet gelden voor de rest van de goederen en dit voor zover de goederen niet zijn vrijgegeven of dat hij kan aantonen dat de goederen niet gewijzigd zijn.

In artikel 190, § 2 DWU wordt gesteld dat elk artikel van de aangifte voor de toepassing van lid 1 geacht wordt een afzonderlijke aangifte te vormen

Artikel 190 DWU

Gedeeltelijk onderzoek en monsterneming van goederen 1. Indien slechts een gedeelte van de goederen waarop een douaneaangifte betrekking heeft, wordt onderzocht, of daarvan monsters worden genomen, gelden de resultaten van het gedeeltelijke onderzoek, of van de analyse of het onderzoek van de monsters, voor alle goederen van deze aangifte. De aangever kan evenwel om een aanvullend onderzoek of aanvullende monsterneming van de goederen verzoeken indien hij van mening is dat de resultaten van het gedeeltelijke onderzoek, of van de analyse of het onderzoek van de genomen monsters, niet voor de rest van de aangegeven goederen gelden. Dit verzoek wordt ingewilligd mits de goederen nog niet zijn vrijgegeven of, indien zij reeds zijn vrijgegeven, dat de aangever aantoont dat zij op generlei wijze zijn gewijzigd. 2. Voor de toepassing van lid 1 worden de gegevens in een douaneaangifte, wanneer deze betrekking heeft op goederen die verscheidene artikelen omvat, met betrekking tot elk artikel, geacht een afzonderlijke aangifte te vormen

Commentaar

§ 38. Uit alinea 2 volgt dus dat wanneer een aangifte zou bestaan uit verschillende artikels (bijvoorbeeld 4 artikels), de resultaten van de verificatie enkel van toepassing zijn op het artikel van de aangifte waarvan de goederen aan een onderzoek zijn onderworpen of monsters zijn genomen (bijvoorbeeld artikel 2). Dit betekent dus dat voor de artikelen 1, 3 en 4 de resultaten van deze verificatie niet van toepassing zijn.

V.3.1.4. Nadere bepalingen in verband met het (gedeeltelijk) onderzoek van goederen

Wettelijke bepalingen

§ 39. In artikel 239 DWU IA zijn nadere bepalingen opgenomen in verband met het onderzoek van goederen.

Zo stelt lid 1 dat wanneer de douane slechts een gedeelte van de goederen wenst te onderzoeken ze zelf de aangever in kennis moet stellen van de goederen dat ze wenst te onderzoeken. Lid 2 bepaalt dat wanneer de aangever weigert aanwezig te zijn of de vereiste noodzakelijke bijstand te verlenen, de douane een termijn moet vaststellen voor zijn aanwezigheid en bijstand. Gaat hij hierop niet in, dan gaat de douane over tot onderzoek van de goederen voor risico en kosten van de aangever en desgevallend kan de douane, indien nodig, ook beroep doen op een deskundige.

Artikel 239 DWU IA

Onderzoek van de goederen (Artikelen 189 en 190 van het wetboek) 1. Wanneer het douanekantoor besluit slechts een gedeelte van de goederen te onderzoeken stelt het de aangever in kennis van de artikelen die het wenst te onderzoeken. 2. Wanneer de aangever weigert bij het onderzoek van de goederen aanwezig te zijn of verzuimt de door de douaneautoriteiten vereiste noodzakelijke bijstand te verrichten, stellen zij een termijn vast voor zijn aanwezigheid of bijstand. Wanneer de aangever bij het verstrijken van de termijn niet heeft voldaan aan de vereisten van de douaneautoriteiten, gaan de douaneautoriteiten over tot het onderzoek van de goederen voor risico en op kosten van de aangever. Indien nodig kunnen de douaneautoriteiten een beroep doen op de diensten van een deskundige die is aangewezen in overeenstemming met het recht van de betrokken lidstaat, voor zover er geen bepalingen in de Uniewetgeving gelden.

Commentaar

§ 40. Wat de nationale wetgeving betreft kan verwezen worden naar de artikel 70/13 tot artikel 70/15 en 78/10 AWDA die reeds opgenomen zijn in punt V.3.1.2. hiervoor

V.3.1.5. Nadere bepalingen in verband met de monsterneming van goederen

Wettelijke bepalingen

§ 41. In de artikelen 240 tot en met 242 DWU IA zijn nadere bepalingen opgenomen in verband met de monsterneming van goederen.

§ 42. Artikel 240, § 1 DWU IA schrijft voor dat wanneer de douane beslist monsters te nemen ze de aangever in kennis moet stellen van haar besluit om monsters te nemen. Artikel 240, § 2 DWU IA bepaalt dat wanneer de aangever weigert aanwezig te zijn of verzuimt de nodige bijstand te verlenen, de douane een termijn vaststelt voor zijn aanwezigheid of bijstand. Wanneer de aangever daaraan niet voldoet, gaat de douane over tot monsterneming voor risico en kosten van de aangever. Artikel 240, § 3 DWU IA schrijft voor dat de monsters in principe door de douane zelf worden genomen. De douane kan echter eisen dat de monsters door de aangever worden genomen of beroep doen op een deskundige om monsters te nemen onder haar toezicht. Artikel 240, § 4 DWU IA bepaalt dat de bij monsterneming genomen hoeveelheden niet groter mogen zijn dan noodzakelijk voor de analyse of voor het onderzoek, met inbegrip van een eventuele volgende analyse, te verrichten. Artikel 240, §§ 5 en 6 DWU IA ten slotte schrijven voor dat de bij monsterneming genomen hoeveelheden niet in mindering mogen worden gebracht van de aangegeven hoeveelheden. Bij uitvoer of passieve veredeling mogen de genomen hoeveelheden vervangen worden door identieke goederen om de zending aan te vullen.

Artikel 240 CDU IA

Monsterneming (Artikelen 189 en 190 van het wetboek) 1. Wanneer het douanekantoor besluit monsters te nemen van de goederen, stelt het de aangever daarvan in kennis. 2. Wanneer de aangever weigert aanwezig te zijn wanneer de monsters worden genomen of verzuimt de door de douaneautoriteiten vereiste noodzakelijke bijstand te verrichten, stellen zij een termijn vast voor zijn aanwezigheid of bijstand. Wanneer de aangever bij het verstrijken van de termijn niet heeft voldaan aan de vereisten van de douaneautoriteiten, gaan de douaneautoriteiten over tot het nemen van de monsters voor risico en op kosten van de aangever. 3. Het nemen van monsters geschiedt door de douaneautoriteiten zelf. Zij kunnen evenwel eisen dat de monsters door de aangever worden genomen, of een beroep doen op een deskundige om onder hun toezicht de monsters te nemen. De deskundige wordt aangewezen in overeenstemming met het recht van de betrokken lidstaat, voor zover er geen bepalingen in de Uniewetgeving gelden. 4. De bij de monsterneming te nemen hoeveelheden zijn niet groter dan noodzakelijk is om de analyse of het grondige onderzoek, met inbegrip van een eventuele volgende analyse, te kunnen verrichten. 5. De bij de monsterneming genomen hoeveelheden kunnen niet op de aangegeven hoeveelheid in mindering worden gebracht. 6. Wanneer het een aangifte tot uitvoer of een aangifte voor passieve veredeling betreft, kan de aangever de als monsters genomen hoeveelheden goederen vervangen door identieke goederen om de zending aan te vullen.

§ 43. Art 241, § 1 DWU IA bepaalt dat wanneer het onderzoek van monsters van dezelfde goederen leidt tot verschillende resultaten, indien mogelijk extra monsters moeten worden genomen.

Artikel 241, § 2 DWU IA bepaalt dat wanneer het onderzoek van de extra monsters de verschillende resultaten bevestigen, de goederen geacht worden uit verschillende goederen te bestaan. Verder bepaalt dit lid dat de goederen ook geacht worden uit verschillende goederen te bestaan indien er geen extra monsters kunnen worden genomen.

Artikel 241 DWU IA

Onderzoek van monsters (Artikelen 189 en 190 van het wetboek) 1. Wanneer het onderzoek van monsters van dezelfde goederen tot verschillende resultaten leidt waarvoor een verschillende douanebehandeling is vereist, moeten indien mogelijk extra monsters worden genomen. 2. Wanneer de resultaten van het onderzoek van de extra monsters de verschillende resultaten bevestigen, worden de goederen geacht uit verschillende goederen te bestaan die in hoeveelheden overeenstemmen met de resultaten van het onderzoek. Hetzelfde geldt wanneer het niet mogelijk is om extra monsters te nemen.

§ 44. Artikel 242 DWU IA en slotte gaat over de teruggave of verwijdering van de monsters. Lid 1 haalt het principe aan dat de genomen monsters op verzoek van de aangever worden teruggegeven, behalve in geval de monsters alsnog door de douane moeten bewaard worden of indien ze zijn vernietigd door de analyse of het onderzoek. Lid 2 schrijft voor dat de douane in bepaalde gevallen dat de aangever niet verzoekt tot teruggave, de aangever kan verplichten de monsters weg te voeren of te verwijderen.

Artikel 242 DWU IA

Teruggave of verwijdering van de genomen monsters (Artikelen 189 en 190 van het wetboek) 1. De genomen monsters worden teruggegeven aan de aangever op diens verzoek, behalve in de volgende gevallen: a) wanneer de monsters door de analyse of het onderzoek vernietigd zijn; b) wanneer de monsters door de douaneautoriteiten moeten worden bewaard ten behoeve van een van de volgende zaken: i) verder onderzoek; ii) beroeps- of rechtsprocedures. 2. Wanneer de aangever niet om teruggave van de monsters verzoekt, kunnen de douaneautoriteiten de aangever verplichten om eventuele overgebleven monsters in overeenstemming met artikel 198, lid 1, onder c), van het wetboek, weg te voeren of deze te verwijderen.

§ 45. In de nationale wetgeving is het principe van de monsterneming voorgeschreven in artikel 70/16 (in vrij verkeer brengen) en artikel 78/10 (uitvoer) en artikel 206 ( goederen onder douane- of accijnsverband) AWDA.

Artikel 70/16 AWDA bepaalt dat de douane monsters kan nemen en dat de kosten ten laste van de AAD zijn. Artikel 78/10 AWDA bepaalt dat artikel 70/16 AWDA ook van toepassing is bij uitvoer. Artikel 206, § 1 AWDA bepaalt dat de ambtenaren kosteloos monsters kunnen nemen bij verificatie van goederen onder douane- en accijnsverband en zelfs van de grondstoffen, van de in bewerking zijnde stoffen en van de bekomen producten in de aan hun toezicht onderworpen fabrieken. Artikel 206, § 2 bepaalt dat op vraag de aangevers of de fabrikanten kosteloos de recipiënten moeten leveren waarin de monsters dienen te worden vervat. Artikel 206, § 3 ten slotte bepaalt dat bij geschil over de wijze van monsterneming of de hoeveelheid te nemen monsters de AAD beslist.

Artikel 70/16 AWDA

De douane kan bij het onderzoek van de goederen monsters nemen ten behoeve van een analyse of andere controle. De aan deze analyse of controle verbonden kosten komen ten laste van de administratie.

De Minister van Financiën bepaalt de voorwaarden welke van toepassing zijn voor de monsterneming door de douane.

Artikel 78/10 AWDA

De artikelen 70/13, 70/14, 70/15 en 70/16, zijn van toepassing op de uitvoer.

Artikel 206 AWDA

§ 1. De ambtenaren mogen bij de verificatie van goederen onder douane- of accijnsverband kosteloos monsters nemen. Eveneens mogen zij, in de aan hun toezicht onderworpen fabrieken, kosteloos monsters nemen van de grondstoffen, van de in bewerking zijnde stoffen en van de bekomen producten

§ 2. De aangevers en de fabrikanten moeten, indien zij daarom verzocht worden, kosteloos de recipiënten leveren waarin die monsters dienen vervat. § 3. Bij geschil over de wijze van monsterneming of over de hoeveelheid ervan beslissen de daartoe door de Minister van Financiën aangewezen ambtenaren.

Commentaar:

§ 46. De verwijzing in artikel 242, § 2 DWU IA naar artikel 198, § 1 c) DWU houdt in dat de douane alle nodige maatregelen kan treffen, inclusief verbeurdverklaring en verkoop, of vernietiging, voor de verwijdering van die monsters indien deze niet binnen een redelijke termijn zijn weggevoerd.

§ 47. Voor wat de laatste alinea van artikel 70/16 AWDA betreft, valt er op te merken dat de Minister van Financiën geen bepalingen heeft vastgesteld in verband met de monsterneming. § 48. Zie ook circulaire betreffende verificatie en monsterneming.
V.3.1.6. Resultaten van de verificatie

Wettelijke bepalingen

§ 49. Artikel 191, § 1 DWU bepaalt dat die resultaten dienen als grondslag voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waaronder de goederen worden geplaatst.

Artikel 191, § 2 DWU schrijft voor dat indien de aangifte niet is geverifieerd, de gegevens van de aangifte als grondslag dienen voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waaronder de goederen worden geplaatst. Artikel 191, § 3 DWU ten slotte schrijft voor dat de resultaten van de verificatie in het gehele douanegebied van de Unie dezelfde bindende kracht hebben.

Artikel 191 DWU

Resultaten van de verificatie 1. De resultaten van de verificatie van de douaneaangifte dienen als grondslag voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst. 2. Indien de douaneaangifte niet wordt geverifieerd, is lid 1 van toepassing op basis van de in die aangifte vermelde gegevens. 3. De resultaten van de verificatie door de douaneautoriteiten hebben in het gehele douanegebied van de Unie dezelfde bindende kracht.

§ 50. In de artikelen 243 en 244 DWU IA zijn uitvoeringsbepalingen opgenomen in verband met de resultaten van de verificatie.

Zo schrijft artikel 243, § 1 DWU IA voor dat bij verificatie de douane vastlegt dat een verificatie is uitgevoerd en dat zij de resultaten van die verificatie vermeldt. Verder bepaalt dit lid dat de douane in voorkomend geval de afwezigheid van de aangever noteert en wanneer ze slechts een gedeelte van de goederen onderzoekt, de onderzochte goederen registreert. Artikel 243, § 2 DWU IA schrijft voor dat de douane de aangever in kennis stelt van de resultaten van de verificatie. Artikel 243, § 3 DWU IA stelt dat wanneer de resultaten van de verificatie van de douaneaangifte niet in overeenstemming zijn met de gegevens in de douaneaangiften de douane die niet overeenstemming vaststelt en registreert met welke gegevens er wel rekening moet worden gehouden. Artikel 243, § 4 DWU IA ten slotte bepaalt hoe voor de berekening van het bedrag aan invoer of uitvoerrechten en aan andere heffingen moet gehandeld worden wanneer blijkt dat de aangegeven niet-preferentiële oorsprong onjuist is . Artikel 244 DWU IA bepaalt dat wanneer de douane van oordeel is dat de verificatie kan leiden tot een hoger bedrag aan invoer of uitvoerrechten of aan andere verschuldigde heffingen dan het bedrag dat voortvloeit uit de gegevens van de douaneaangifte, de goederen pas kunnen worden vrijgegeven mits het stellen van een zekerheid die het verschil dekt. De aangever heeft echter ook de mogelijkheid om te verzoeken om de onmiddellijke mededeling van de douaneschuld die uiteindelijk op de goederen van toepassing kan zijn.

Artikel 243 DWU IA

Resultaten van de verificatie van de douaneaangifte en van het onderzoek van de goederen (Artikel 191 van het wetboek) 1. Wanneer de douaneautoriteiten de juistheid van de gegevens in een douaneaangifte verifiëren, leggen zij vast dat een verificatie is uitgevoerd en vermelden zij de resultaten van deze verificatie. Wanneer slechts een gedeelte van de goederen is onderzocht, worden de onderzochte goederen geregistreerd. Wanneer de aangever afwezig was, wordt zijn afwezigheid genoteerd. 2. De douaneautoriteiten stellen de aangever van de resultaten van de verificatie in kennis. 3. Wanneer de resultaten van de verificatie van de douaneaangifte niet in overeenstemming zijn met de gegevens in de aangifte, stellen de douaneautoriteiten vast en registreren zij met welke gegevens rekening moet worden gehouden met het oog op het volgende: a) de berekening van het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten en andere heffingen op de goederen; b) de berekening van restituties of andere bedragen of financiële voordelen bij uitvoer in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; c) de toepassing van andere bepalingen van de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst. 4. Wanneer de aangegeven niet-preferentiële oorsprong onjuist blijkt te zijn, wordt de oorsprong waarmee voor de toepassing van lid 3, onder a), rekening moet worden gehouden vastgesteld op basis van het door de aangever overgelegde bewijs of, indien dit niet volstaat of toereikend is, op basis van alle beschikbare informatie. Artikel 244 DWU IA Zekerheidstelling (Artikel 191 van het wetboek) Wanneer de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat de verificatie van de douaneaangifte kan leiden tot een hoger bedrag aan invoer- of uitvoerrechten of andere verschuldigde heffingen dan het bedrag dat voortvloeit uit de gegevens van de douaneaangifte, kunnen de goederen pas worden vrijgegeven bij een zekerheidstelling die het verschil dekt tussen het bedrag van de douaneaangifte en het bedrag dat uiteindelijk verschuldigd kan zijn. De aangever heeft echter de mogelijkheid om in plaats van het stellen van deze zekerheid te verzoeken om de onmiddellijke mededeling van de douaneschuld die uiteindelijk op de betrokken goederen van toepassing kan zijn.

§ 51. De bepalingen van artikelen 191, §§ 1 en 2 DWU en artikel 243 DWU-IA zijn nationaal overgenomen in art 70/17 (voor het in het vrije verkeer brengen) en 78/11 (voor de uitvoer) AWDA.

Daarenboven bepaalt lid 4 van beide artikelen dat de resultaten van de verificatie geen beletsel vormen voor een eventuele latere controle door de douane. Artikel 78/11, § 5 tenslotte schrijft voor dat de douane het door haar vastgestelde bedrag aan rechten bij uitvoer moet meedelen aan de aangever. Voor de rechten bij invoer is deze laatste verplichting opgenomen in art 70/18 dat verder onder punt 3.2 wordt besproken

Artikel 70/17 AWDA

§ 1. De resultaten van de verificatie van de aangifte en de daarbij gevoegde documenten, al dan niet gepaard gaande met een onderzoek van de goederen, dienen als grondslag voor de berekening van de rechten bij invoer en de toe te kennen bedragen bij invoer en voor de toepassing van de andere bepalingen die gelden voor het in het vrije verkeer brengen van de goederen.

§ 2. Wanneer de douane tot de verificatie en het onderzoek bedoeld in § 1 overgaat, vermeldt zij de gecontroleerde gegevens en de resultaten in detail overeenkomstig de door de Minister van Financiën voorgeschreven regels. § 3. Indien de douane noch tot de verificatie van de aangifte en de bijgevoegde documenten, noch tot het onderzoek van de goederen overgaat, gebeurt de berekening van de rechten bij invoer en de toe te kennen bedragen bij invoer en de toepassing van de bepalingen voorzien in § 1 volgens de vermeldingen op de aangifte. § 4. De bepalingen van § 1 vormen geen beletsel voor een eventuele latere controle door de douane, noch voor de gevolgen die hieruit zouden kunnen voortvloeien, inzonderheid wat betreft de aanpassing van het bedrag van de toegepaste rechten bij invoer en de toe te kennen bedragen bij invoer.

Artikel 78/11 AWDA

§ 1. De resultaten van de verificatie van de aangifte en de daarbij gevoegde documenten, al dan niet gepaard gaande met een onderzoek van de goederen, dienen als grondslag voor de berekening van de rechten bij uitvoer of de toe te kennen bedragen bij uitvoer en voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de uitvoer van de goederen.

§ 2. Wanneer de douane overgaat tot de in § 1 bedoelde verificatie of onderzoek, vermeldt zij de gecontroleerde gegevens en de resultaten hiervan in detail, overeenkomstig de door de Koning voorgeschreven regels. De Koning kan de minister van Financiën gelasten met de uitvoering ervan. voorgeschreven regels. § 3. Indien de douane noch tot de verificatie van de aangifte en de bijgevoegde documenten, noch tot het onderzoek van de goederen overgaat, gebeurt de berekening van de rechten bij uitvoer of de toe te kennen bedragen bij uitvoer en de toepassing van de bepalingen die gelden voor de uitvoer van de goederen volgens de vermeldingen op de aangifte. § 4. De bepalingen van § 1 vormen geen beletsel voor een eventuele latere controle door de douane, noch voor de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien namelijk wat betreft een wijziging van de rechten bij uitvoer of de toe te kennen bedragen bij uitvoer. § 5. Het bedrag van de rechten bij uitvoer, bedoeld in artikel 1, 4°, b, 1, vastgesteld door de douane wordt meegedeeld aan de aangever.

Commentaar

§ 52. Er zijn momenteel geen bepalingen door de Minister van Financiën uitgevaardigd ter uitvoering van artikel 70/17, § 2 en door de Koning ter uitvoering van artikel 78/11, § 2.

Wat betreft de uitvoering van de artikelen 70/12, § 2 en 78/11, § 2 wordt verwezen naar paragraaf 121/4 van de instructie op het enig document.
V.3.1.7. Bijzondere bepalingen betreffende accijnsgoederen

§ 53. Alhoewel in punt I.1 (draagwijdte van deze circulaire) werd aangegeven dat deze geen bepalingen inzake accijnsdocumenten zou bevatten, zijn onder dit punt toch enkele artikelen van de AWDA opgenomen die betrekking hebben op accijnsdocumenten die worden voorgelegd samen met douanedocumenten.

Wettelijke bepalingen

§ 54. In artikel 80 AWDA is voorgeschreven dat de ambtenaren op zicht van het accijnsdocument en de uitvoeraangifte kunnen over gaan tot een verificatie van onder accijnsverband overgebrachte goederen.

In artikel 81 AWDA is bepaald dat na verificatie de ambtenaren het accijnsdocument zuiveren en hun bevindingen noteren op de uitvoeraangifte en dat vanaf dat moment de goederen zich bevinden onder een douaneregeling In artikel 159 en artikel 160 AWDA is bepaald dat indien de belanghebbende zich benadeeld voelt bij een grondige verificatie bij uitvoer van accijnsgoederen of indien de ambtenaar of één van zijn meerderen oordeelt dat de belangen van de schatkist in gevaar is, op kosten van de in het ongelijk gestelde partij, de verificatie wordt hernomen maar dat dan het geheel worden gewogen, gemeten, gepeild of het onderwerp uitmaakt van elke nuttige handeling voor de verificatie. Deze nieuwe handeling zal uitgevoerd moeten worden door een andere ambtenaar, tenzij het een verschil in alcoholgehalte zou betreffen.

Artikel 80 AWDA

Op het douanekantoor kunnen de ambtenaren op zicht van het accijnsdocument en van de aangifte ten uitvoer inzake douane, overgaan tot een grondige verificatie van de onder accijnsverband overgebrachte goederen.

Artikel 81 AWDA

Na verificatie zuiveren de ambtenaren het accijnsdocument en tekenen terzelfdertijd hun bevindingen aan in het vak ad hoc van de aangifte ten uitvoer. Vanaf dat ogenblik bevinden de goederen zich onder douaneregeling.

Artikel 159 AWDA

De bepalingen van artikel 160 zijn enkel van toepassing op de uitvoer van accijnsgoederen met afschrijving van rechten

Artikel 160 AWDA

In het geval de belanghebbende zich benadeeld acht door de weging, meting, peiling of elke nuttige handeling met het oog op de verificatie van de goederen of wanneer een ambtenaar of één van zijn meerderen oordeelt dat de belangen van de Schatkist in gevaar zijn, kan de weging, meting, peiling of elke nuttige handeling met het oog op de verificatie herbegonnen worden, op kosten van de in het ongelijk gestelde partij, maar in dat geval zal het geheel worden gewogen, gemeten, gepeild of het onderwerp uitmaken van elke nuttige handeling voor de verificatie. Deze nieuwe handeling zal uitgevoerd moeten worden door een andere ambtenaar, tenzij het een verschil in alcoholgehalte zou betreffen.

Commentaar

§ 55. Voor wat deze bepalingen betreft wordt ook verwezen naar de handleiding EMCS (Excise Movement control system) voor accijnsdocumenten waar de koppeling voorzien is met ECS (Export Control System) voor douaneaangiften.

V.3.2. Vrijgave van de goederen

Wettelijke bepalingen

§ 56. In artikel 194, § 1 DWU wordt onder meer voorgeschreven dat de goederen slechts kunnen worden vrijgegeven van zodra de vermeldingen op de douaneaangifte zijn geverifieerd of zonder verificatie zijn aanvaard. Lid 2 bepaalt dat de goederen ook worden vrijgegeven indien de verificatie niet binnen een redelijke termijn kan worden beëindigd en de goederen niet meer aanwezig behoeven te zijn met het oog op de verificatie.

Artikel 194, § 2 DWU bepaalt dat alle goederen waarop een aangifte betrekking heeft, tegelijkertijd worden vrijgegeven, met dien verstande dat indien de goederen onder twee of meer artikelen behoren, de gegevens die onder hetzelfde artikel vallen, geacht worden een afzonderlijke aangifte te vormen.

Artikel 194 DWU

Vrijgave van de goederen 1. Mits is voldaan aan de voorwaarden voor de plaatsing van de goederen onder de betrokken regeling en voor zover er geen beperking op de goederen is gesteld en de goederen niet onder een verbod vallen, geven de douaneautoriteiten de goederen vrij zodra de vermeldingen op de douaneaangifte zijn geverifieerd of zonder verificatie zijn aanvaard. De eerste alinea is tevens van toepassing indien een in artikel 188 bedoelde verificatie niet binnen een redelijke termijn kan worden beëindigd en de goederen niet meer aanwezig behoeven te zijn met het oog op de verificatie. 2. Alle goederen waarop een aangifte betrekking heeft, worden tegelijkertijd vrijgegeven. Voor de toepassing van de eerste alinea worden in een douaneaangifte die betrekking heeft op goederen die onder twee of meer artikelen vallen, de gegevens inzake goederen die onder hetzelfde artikel vallen, geacht een afzonderlijke douaneaangifte te vormen.

§ 57. In artikelen 245 en 246 DWU IA zijn uitvoeringsbepalingen opgenomen in verband met de vrijgave van goederen na verificatie.

Zo bepaalt artikel 245, § 1 DWU IA dat wanneer de douane op basis van de verificatie een ander bedrag aan invoer of uitvoerrechten vaststelt dan het bedrag dat voortvloeit uit de gegevens van de aangifte, de goederen slechts kunnen worden vrijgegeven indien het met de douaneschuld overeenkomende bedrag aan invoer- of uitvoerrechten is betaald of indien daarvoor zekerheid is gesteld. Artikel 245, § 2 DWU-IA schrijft voor dat de goederen niet kunnen worden vrijgegeven in het geval de douane twijfelt of verboden of beperkingen van toepassing zijn en die twijfel slechts kan worden weggenomen na het verkregen van de resultaten van de door de douane verrichte controles. Artikel 246 DWU-IA bepaalt dat de douane de aangever in kennis stelt van de vrijgave van de goederen met mededeling van de referentie van de douaneaangifte en de datum van vrijgave.

Artikel 245 DWU IA

Vrijgave van de goederen na verificatie (Artikel 191 en artikel 194, lid 1, van het wetboek) 1. Wanneer de douaneautoriteiten op basis van de verificatie van de douaneaangifte een ander bedrag aan invoer- of uitvoerrechten vaststellen dan het bedrag dat voortvloeit uit de gegevens in de aangifte, is artikel 195, lid 1, van het wetboek van toepassing op het aldus vastgestelde bedrag. 2. Wanneer de douaneautoriteiten twijfelen of verboden of beperkingen van toepassing zijn en die twijfel slechts kan worden weggenomen na het verkrijgen van de resultaten van de door de douaneautoriteiten verrichte controles, worden de betreffende goederen niet vrijgegeven. Artikel 246 DWU IA Registratie en kennisgeving van de vrijgave van de goederen (Artikel 22, lid 3, van het wetboek) De douaneautoriteiten stellen de aangever van de vrijgave van de goederen in kennis en vermelden de vrijgave van de goederen voor de betrokken douaneregeling, waarbij ten minste de referentie van de douaneaangifte of de kennisgeving en de datum van vrijgave van de goederen wordt vermeld

§ 58. De nationale bepalingen zijn opgenomen in artikelen 70/18 en 70/19 (voor het vrije verkeer) en 78/12 (voor de uitvoer) van de AWDA.

Zo schrijft artikel 70/18 voor dat de douane het door haar vastgestelde bedrag aan rechten bij invoer, eventueel gewijzigd ingevolge haar verificatie, meedeelt aan de aangever. Artikelen 70/19, § 1 en 78/12, § 1 herhalen het principe dat goederen slechts kunnen worden vrijgegeven indien de rechten bij invoer of uitvoer zijn betaald of er zekerheid is voor gesteld of er uitstel van betaling is verleend. Artikelen 70/19, § 2 en 78/12, § 2 schrijven voor dat de vorm van het vrijgegeven van de goederen of de toestemming tot het uitvoeren van de goederen afhankelijk is van de plaats waar de goederen zich bevinden en de bijzondere bepalingen volgens dewelke de douane toezicht uitoefent op de goederen. Artikel 70/19, § 3 schrijft voor dat zolang de goederen niet zijn vrijgegeven ze zonder toestemming van de douane, niet mogen worden verplaatst of enigerlei behandeling ondergaan. Artikel 78/12, § 3 AWDA tenslotte schrijft voor dat goederen die bij uitvoer zijn vrijgegeven onder douanecontrole blijven tot het tijdstip dat ze het douanegebied van de Gemeenschap verlaten.

Artikel 70/18 AWDA

Onverminderd een eventuele wijziging krachtens artikel 70/17, § 4, wordt het door de douane vastgestelde bedrag van de rechten bij invoer bedoeld in artikel 1, 4°, a, 1 door haar geboekt en aan de aangever medegedeeld. De boeking moet zo gauw mogelijk plaatsvinden nadat een aan te rekenen bedrag werd vastgesteld.

Artikel 70/19 AWDA

§ 1. Onverminderd de bij invoer voor de goederen geldende verbodsbepalingen, beperkende- of controlemaatregelen, kan de douane de goederen slechts vrijgeven indien de rechten bij invoer zijn betaald of hiervoor zekerheid is gesteld of uitstel van betaling is verleend.

§ 2. Het vrijgeven van de goederen door de douane geschiedt op de wijze, vastgesteld door de Minister van Financiën, rekening houdende met de plaats waar de goederen zich bevinden en met de bijzondere regeling volgens welke de douane toezicht op de goederen uitoefent. § 3 Zolang de goederen niet zijn vrijgegeven, mogen zij zonder toestemming van de douane niet worden verplaatst noch enigerlei behandeling ondergaan.

Artikel 78/12 AWDA

§ 1. Onverminderd de toepassing van de verbodsbepalingen of beperkende maatregelen die eventueel voor de ten uitvoer aangegeven goederen gelden, geeft de douane slechts toestemming tot het uitvoeren van de goederen nadat zij zich er in voorkomend geval van heeft vergewist dat de rechten bij uitvoer zijn betaald of dat hiervoor zekerheid is gesteld of uitstel van betaling is verleend.

§ 2. De vorm waarin de douane de toestemming tot het uitvoeren van de goederen verleent, wordt door de Koning vastgesteld, rekening houdend met de plaats waar de goederen zich bevinden en met de bijzondere bepalingen volgens welke de douane toezicht op de goederen uitoefent. De Koning kan de minister van Financiën gelasten met de uitvoering ervan. § 3. De goederen, waarvoor toestemming tot uitvoer is verleend, blijven onder douanecontrole tot het tijdstip waarop zij het douanegebied van de Gemeenschap verlaten.

Commentaar

§ 59. De vermeldingen van de aangifte zijn door de douane aanvaard zonder verificatie (zie art 194, § 1, al. 1) wanneer in PLDA de goederen de status vrijgegeven hebben gekregen en de aangever het ter zake voorzien bericht heeft gekregen.

Er wordt op gewezen dat de voorwaarden opgenomen in art 194, § 1, al. 2 DWU cumulatief zijn. Het is dus niet voldoende dat de verificatie niet binnen een redelijke termijn is beëindigd, de goederen behoeven ook niet meer aanwezig te zijn met het oog op de verificatie. § 60. Uitstel van betaling waarvan sprake in art. artikel 70/19, § 1 en 78/12, § 1 AWDA maakt het voorwerp uit van artikel 110 DWU en wordt behandeld in een aparte circulaire.