Circulaire nr. Ci.RH.331/569.662 (AOIF 15/2005) dd. 14.04.2005

CIRC 14.04.05/1

Circulaire nr. Ci.RH.331/569.662 (AOIF 15/2005) dd. 14.04.2005


AANSLAG IN DE PB
Gemeenschappelijke aanslag
Individuele aanslag

BEREKENING VAN DE PB
Decumul van de inkomsten van de echtgenoten
Decumul van de inkomsten van de wettelijk samenwonenden

GEMEENSCHAPPELIJKE AANSLAG
Gemeenschappelijke aanslag voor echtgenoten
Gemeenschappelijke aanslag voor wettelijk samenwonenden

HERVORMINGSWET 2001
Hervorming van de PB

HUWELIJKSVERMOGENSSTELSEL
Stelsel van scheiding van goederen
Wettelijk stelsel

WETTELIJKE SAMENWONING
Stelsel van de wettelijke samenwoning


Circulaire m.b.t. :

  • de invoering van de mogelijkheid om voor het jaar van overlijden van een van de echtgenoten te kiezen voor een gemeenschappelijke aanslag (art. 19 A, W 10.08.2001);
  • de gelijkstelling van wettelijk samenwonenden met gehuwden en het begrip gemeenschappelijke aanslag (art. 2, W 10.08.2001);
  • de vestiging van een gemeenschappelijke aanslag voor gehuwden en wettelijke samenwonenden, de vaststelling van het belastbare inkomen van elk van hen en de afwijkingen op de regel van de gemeenschappelijke aanslag (art. 18, 19, B en C, 20 en 21, W 10.08.2001).
Aan alle ambtenaren.

INHOUDSOPGAVE

Nrs.
I.INLEIDING1
II.MOGELIJKHEID OM TE KIEZEN VOOR EEN GEMEENSCHAPPELIJKE AANSLAG VOOR HET JAAR VAN ONTBINDING VAN HET HUWELIJK DOOR OVERLIJDEN
A. Wettekst2
B. Inleiding3
C. Keuzestelsel4 tot 6
D. Inwerkingtreding7
III.GELIJKSTELLING VAN WETTELIJKE SAMENWONENDEN MET GEHUWDEN - GEMEENSCHAPPELIJKE AANSLAG - DECUMUL VAN DE INKOMSTEN VAN DE ECHTGENOTEN
A. Wetteksten8
B. Gelijkstelling van wettelijke samenwonenden met gehuwden
1. Algemeen9 tot 12
2. Het huwelijk
a)Algemeen13 en 14
b)De verschillende huwelijksvermogensstelsels15 tot 17
c)Het wettelijk stelsel
Principes18
Baten van het eigen vermogen van elke echtgenoot19 en 20
Lasten van het eigen vermogen van elke echtgenoot21
Baten van het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten22
Lasten van het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten23
d)Het stelsel van scheiding van goederen24 en 25
3. Wettelijke samenwoning
a)Algemeen26
b)De wettelijke samenwoning in de zin van de art. 1475 tot 1479,
BW27
Definitie28 tot 31
Procedure32
De goederen33 en 34
Einde van de wettelijke samenwoning35
C. Gemeenschappelijke aanslag
1. Definitie36
2. Afwijkingen37 en 38
3. Voorbeelden39 en 40
D. Decumul van de inkomsten van de echtgenoten
1. Inleiding41 en 42
2. Beroepsinkomsten43
3. Diverse inkomsten vermeld in art. 90, 1° tot 4°, WIB 9244 en 45
4. Andere inkomsten dan beroepsinkomsten en dan diverse inkomsten vermeld in art. 90, 1° tot 4°, WIB 92
a)Beoogde inkomsten46
b)Onroerende inkomsten, roerende inkomsten en in art. 90, 5° tot 10°, WIB 92 vermelde diverse inkomsten47 en 48
c)De inkomsten van de kinderen waarvan de ouders het wettelijk genot hebben
Beide echtgenoten hebben het wettelijk genot van de inkomsten49
Niet allebei de echtgenoten hebben het wettelijk genot van de inkomsten50 tot 52
5. Tabel die voor bepaalde inkomsten aangeeft bij welke echtgenoot die inkomsten belastbaar zijn wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd53
6. Inwerkingtreding54
I. INLEIDING
1. Deze circulaire bespreekt :

  • enerzijds, de vervanging van art.126, WIB 92 door art.19 A, W 10.8.2001 houdende hervorming van de personenbelasting (BS 20.9.2001, V 2971, Bull. 821), van toepassing vanaf aj. 2002 (invoering van de mogelijkheid om voor het jaar van overlijden van een van de echtgenoten te kiezen voor een gemeenschappelijke aanslag);
  • anderzijds, de hierna opgesomde wijzigingen, die van toepassing zijn met ingang van aj. 2005 :
  • wijzigingen aangebracht in art. 2, WIB 92, die betrekking hebben op de gelijkstelling van wettelijk samenwonenden met gehuwden en op het begrip gemeenschappelijke aanslag (art. 2, 2° en 3°, nieuw, WIB 92) (cf. art. 2, W 10.8.2001);
  • vervanging van het opschrift van Titel II, Hoofdstuk II, Afdeling VII "Aanslag van echtgenoten en hun kinderen", door het opschrift "Gemeenschappelijke aanslag voor echtgenoten en wettelijke samenwonenden" (cf. art. 18, W 10.8.2001);
  • wijzigingen aangebracht in de art. 126, §§ 1, 2, 3, eerste lid, en 127, WIB 92 en opheffing van art. 128, WIB 92 (gemeenschappelijke aanslag voor gehuwden en wettelijke samenwonenden, vaststelling van het belastbare inkomen van elk van hen en afwijkingen op de regel van de gemeenschappelijke aanslag) (cf. art. 19, B en C, 20 en 21, W 10.8.2001).
II. MOGELIJKHEID OM TE KIEZEN VOOR EEN GEMEENSCHAPPELIJKE AANSLAG VOOR HET JAAR VAN ONTBINDING VAN HET HUWELIJK DOOR OVERLIJDEN
A. Wettekst

Art. 126, WIB 92 gewijzigd door art. 19 A, W 10.8.2001
en van toepassing met ingang van aj. 2002
2. § 1. Ongeacht het huwelijksvermogensstelsel, worden de andere inkomsten dan beroepsinkomsten van echtgenoten samengevoegd met de beroepsinkomsten van de echtgenoot die het meest zulke inkomsten heeft.
§ 2. De aanslag wordt op naam van beide echtgenoten gevestigd.
§ 3. Voor het jaar van ontbinding van het huwelijk of wettelijke samenwoning door overlijden [Lees "voor het jaar van ontbinding van het huwelijk door overlijden".], kan de overlevende echtgenoot, in afwijking van artikel 128, eerste lid, 3°, kiezen voor een aanslag gevestigd overeenkomstig de bepalingen van § 1. In dat geval wordt de aanslag gevestigd op naam van de overlevende en de overleden echtgenoot, vertegenwoordigd door de nalatenschap.
Wanneer beide echtgenoten zijn overleden, kan de keuze bedoeld in het eerste lid, worden gemaakt door de erfgenamen of de algemene legatarissen of begiftigden. De aanslag wordt in dat geval gevestigd op naam van de beide overleden echtgenoten, vertegenwoordigd door de nalatenschap.
§ 4. Inkomsten van kinderen worden bij de inkomsten van hun ouders gevoegd zolang de ouders het wettelijk genot daarvan hebben.
B. Inleiding

3. Tot en met aj. 2001 werden, voor het jaar van het overlijden van één van de echtgenoten, de overlevende echtgenoot en de nalatenschap van de overleden echtgenoot, op fiscaal vlak, behandeld als alleenstaanden. Bijgevolg kon geen huwelijksquotiënt meer toegekend worden.

In een eerste fase werd getracht het verlies van de toepassing van het huwelijksquotiënt enigszins te milderen door een toeslag op de belastingvrije som te verlenen, indien de bestaansmiddelen van één van de echtgenoten een bepaald bedrag niet overschreden.

Die verhoging van de belastingvrije som compenseerde evenwel niet steeds het wegvallen van het huwelijksquotiënt. Zij werd vervangen door een nieuwe toeslag op de belastingvrije som, ongeacht het bedrag van de nettobestaansmiddelen.

Die toeslag was gelijk aan het positieve verschil tussen enerzijds, 235.000 BEF (5.830 EUR) en anderzijds, het nettoberoepsinkomen van de andere echtgenoot.

Gelet op de talrijke problemen die zich hebben voorgedaan bij de toepassing van die regel, heeft de wetgever voor het jaar van overlijden een keuzemogelijkheid ingevoerd.

C. Keuzestelsel

4. Sinds aj. 2002 kan er voor het jaar van overlijden van één van de echtgenoten geopteerd worden voor een gemeenschappelijke aanslag op naam van beide echtgenoten.

Die keuze ligt bij de overlevende echtgenoot. Indien beide echtgenoten tijdens hetzelfde jaar overlijden, berust de keuze bij de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden van de laatst overleden echtgenoot, d.w.z. bij de personen die wettelijk verplicht zijn om de aangifte van de laatst overleden echtgenoot in te dienen (Kamer, doc. 50 1270/001, blz. 17).

5. De keuze wordt gemaakt in de aangifte in de personenbelasting.

De basisregel blijft de individuele aanslag, d.w.z. de aanslag van beide echtgenoten als alleenstaanden. Bijgevolg zal de administratie, indien de overlevende echtgenoot of indien de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden van de laatst overleden echtgenoot (in het geval dat beide echtgenoten tijdens hetzelfde jaar overlijden) verzuimen hun keuze uit te drukken, twee afzonderlijke aanslagen vestigen, namelijk een aanslag op naam van de nalatenschap van de overleden echtgenoot en een aanslag op naam van de overlevende echtgenoot (of een aanslag op naam van de nalatenschap van de eerst overleden echtgenoot en een aanslag op naam van de nalatenschap van de laatst overleden echtgenoot).

6. De overlevende echtgenoot of de erfgenamen, algemene legatarissen of begiftigden van de laatst overleden echtgenoot (in het geval dat beide echtgenoten tijdens hetzelfde jaar overlijden) kunnen evenwel niet opteren voor een gemeenschappelijke aanslag indien de echtgenoten als alleenstaanden moeten worden aangemerkt om een andere reden dan het overlijden van één van de echtgenoten (bijvoorbeeld omdat het jaar van overlijden van één van de echtgenoten samenvalt met het jaar van huwelijk).

D. Inwerkingtreding

7. De mogelijkheid om voor het jaar van overlijden van één van de echtgenoten te opteren voor een gemeenschappelijke aanslag is van toepassing vanaf aj. 2002 (cf. art. 65, eerste lid, W 10.8.2001).

III. GELIJKSTELLING VAN WETTELIJKE SAMENWONENDEN MET GEHUWDEN - GEMEENSCHAPPELIJKE AANSLAG - DECUMUL VAN DE INKOMSTEN VAN DE ECHTGENOTEN
A. Wetteksten

Art. 2, 2° en 3°, 126, 127 en 128, WIB 92, gewijzigd door de
art. 2, 18, 19, B en C, 20 en 21, W 10.8.2001 en van toepassing
met ingang van aj. 2005
Art. 2, 2° en 3°, WIB 92
8. Voor de toepassing van dit Wetboek, van de bijzondere wetsbepalingen op het stuk van de inkomstenbelastingen en van de tot uitvoering ervan genomen besluiten hebben de volgende termen de betekenis die is bepaald in dit artikel.

2° Gehuwden en echtgenoten - wettelijk samenwonenden
De wettelijk samenwonenden worden gelijkgesteld met gehuwden, en een wettelijk samenwonende wordt gelijkgesteld met een echtgenoot.
3° Gemeenschappelijke aanslag
Onder gemeenschappelijke aanslag wordt verstaan de vestiging van één aanslag ten name van de beide echtgenoten of de beide wettelijk samenwonenden.


Afdeling VII
Gemeenschappelijke aanslag voor echtgenoten en wettelijke
samenwonenden
Art. 126, WIB 92
§ 1. In geval van huwelijk of wettelijke samenwoning wordt een gemeenschappelijke aanslag op naam van de beide echtgenoten gevestigd. Deze gemeenschappelijke aanslag belet niet dat het belastbare inkomen van elke echtgenoot afzonderlijk wordt vastgesteld.
§ 2. In de volgende gevallen is § 1 niet van toepassing :
1° voor het jaar van het huwelijk of de verklaring van wettelijke samenwoning;
2° vanaf het jaar na dat waarin de feitelijke scheiding heeft plaatsgevonden, voor zover die scheiding in het belastbare tijdperk niet ongedaan is gemaakt;
3° voor het jaar van de ontbinding van het huwelijk of van de scheiding van tafel en bed of van de beëindiging van de wettelijke samenwoning;
4° wanneer een echtgenoot beroepsinkomsten heeft van meer dan 6.700 EUR die bij overeenkomst zijn vrijgesteld en die niet in aanmerking komen voor de berekening van de belasting op zijn andere inkomsten.
Voor het jaar waarin de wettelijk samenwonenden met elkaar in het huwelijk treden, blijft § 1 echter van toepassing tenzij de verklaring van wettelijke samenwoning tijdens hetzelfde jaar is afgelegd.
In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, worden de twee aanslagen op naam van beide echtgenoten ingekohierd.
§ 3. Voor het jaar van ontbinding van het huwelijk of de wettelijke samenwoning door overlijden, kan de overlevende echtgenoot kiezen voor een aanslag gevestigd overeenkomstig de bepalingen van § 1. In dat geval wordt de aanslag gevestigd op naam van de overlevende en de overleden echtgenoot, vertegenwoordigd door de nalatenschap.
Wanneer beide echtgenoten zijn overleden, kan de keuze bedoeld in het eerste lid, worden gemaakt door de erfgenamen of de algemene legatarissen of begiftigden. De aanslag wordt in dat geval gevestigd op naam van de beide overleden echtgenoten, vertegenwoordigd door de nalatenschap.
§ 4. Inkomsten van kinderen worden bij de inkomsten van hun ouders gevoegd zolang de ouders het wettelijk genot daarvan hebben.
Art. 127, WIB 92
Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt bij de vaststelling van het totale netto-inkomen van elke belastingplichtige rekening gehouden met :
1° het deel van zijn beroepsinkomsten zoals bepaald na toepassing van de artikelen 86 tot 89;
2° de door hem behaalde of aan hem toegekende inkomsten vermeld in artikel 90 1° tot 4°;
3° de niet in 1° en 2° vermelde inkomsten die eigen zijn op grond van het vermogensrecht;
4° 50 pct. van de totaliteit van alle andere inkomsten van beide belastingplichtigen.
Art. 128, WIB 92
…(opgeheven).

B. Gelijkstelling van wettelijke samenwonenden met gehuwden

1. Algemeen

9. Art. 2, 2°, WIB 92, zoals van toepassing met ingang van aj. 2005, bepaalt dat de wettelijke samenwonenden worden gelijkgesteld met gehuwden en dat een wettelijke samenwonende wordt gelijkgesteld met een echtgenoot.

10. Daaruit volgt dat de bepalingen van titel II, WIB 92, die gelden voor gehuwden, voortaan ook van toepassing zijn op wettelijke samenwonenden, zelfs indien die bepalingen dit niet uitdrukkelijk voorzien. Met het begrip "echtgenoot" wordt dus, naargelang het geval, de gehuwde of de wettelijke samenwonende aangegeven.

11. Voortaan worden de wettelijke samenwoning en het huwelijk dus op gelijke voet behandeld, net zoals de beëindiging van de wettelijke samenwoning wegens overlijden gelijkgesteld wordt met de ontbinding van het huwelijk wegens overlijden, de beëindiging van de wettelijke samenwoning wegens een andere oorzaak dan overlijden gelijkgesteld wordt met echtscheiding en de feitelijke scheiding van twee wettelijke samenwonenden gelijkgesteld wordt met de feitelijke scheiding van twee gehuwden.

12. Die "gelijkstelling" heeft als gevolg dat de fiscale voordelen die gehuwden hadden, nu ook verleend worden aan de wettelijke samenwonenden, zoals inzonderheid het huwelijksquotiënt, de toekenning van een meewerkinkomen, de aanrekening van de verliezen van de echtgenoot enz. De premies van individuele levensverzekeringscontracten die voordelen bedingen bij overlijden ten gunste van de wettelijke samenwonende partner, kunnen voortaan in aanmerking worden genomen voor de belastingvermindering voor het lange termijnsparen of voor het bouwsparen.

2. Het huwelijk

a) Algemeen

13. De W 13.2.2003 tot openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht en tot wijziging van een aantal bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (BS 28.2.2003), in werking getreden op 1.6.2003, beoogt de gelijke behandeling van homosexuele en heterosexuele paren inzake het huwelijk te waarborgen.

De regels met betrekking tot de voltrekking, de ontbinding en de gevolgen van het huwelijk zijn van toepassing op een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht (opmerking : dit huwelijk heeft evenwel geen enkel gevolg op het vlak van de afstamming - zie omzendbrief terzake van de FOD Justitie, BS 16.05.2003, Ed. 4).

14. Voor de toepassing van de bepalingen van het WIB 92 moet er onder "huwelijk" derhalve worden verstaan zowel het huwelijk tussen personen van verschillend geslacht, als dat tussen personen van hetzelfde geslacht.

b) De verschillende huwelijksvermogensstelsels

15. Die materie is volledig gewijzigd door de W 14.7.1976 betreffende de wederzijdse rechten en verplichtingen van echtgenoten en de huwelijksvermogensstelsels (BS 18.9.1976, V 1436, Bull. 547).

16. De echtgenoten die gehuwd waren vóór de inwerkingtreding van de voormelde wet, namelijk 28.9.1976, konden, gedurende een termijn van een jaar te rekenen vanaf die datum, ten overstaan van een notaris verklaren dat zij hun wettelijk of bedongen huwelijksvermogensstelsel ongewijzigd wensten te handhaven. Indien een dergelijke verklaring niet werd afgelegd, zijn de echtgenoten die geen huwelijksvoorwaarden hadden gemaakt of het stelsel van wettelijke gemeenschap hadden aangenomen, onderworpen aan de bepalingen van het wettelijk stelsel (met dien verstande dat de nieuwe regels niet met terugwerkende kracht van toepassing zijn; aan voorheen verworven rechten wordt dus niet geraakt). Voor de echtgenoten die gehuwd zijn onder het stelsel van bedongen gemeenschap van aanwinsten, blijven de oude bepalingen van toepassing, behalve wat sommige regels (zoals die betreffende de gemeenschappelijke schulden) betreft.

De vermogenstoestand van echtgenoten die gehuwd zijn onder een stelsel van scheiding van goederen ondergaat geen verandering.

17. De W 14.7.1976 voorziet slechts twee huwelijksvermogensstelsels : het wettelijk stelsel en het stelsel van scheiding van goederen, maar art. 1387, BW laat toe dat de echtgenoten hun huwelijksovereenkomsten regelen naar goeddunken, mits zij daarin niets bedingen dat strijdig is met de openbare orde of de goede zeden.

c) Het wettelijk stelsel

Principes
18. Het wettelijk stelsel (art. 1398 - 1450, BW) is het huwelijksvermogensstelsel van de echtgenoten die huwen hetzij zonder contract, hetzij met een contract waarin geen ander stelsel wordt aangeduid. Het blijft eveneens van toepassing wanneer de bepalingen van het huwelijkscontract er niet van afwijken en wanneer de bedongen bepalingen onvolledig, dubbelzinnig of tegenstrijdig zijn.

Het wettelijk stelsel omvat 3 vermogens :

  • het eigen vermogen van elke echtgenoot;
  • het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten.
Iedere echtgenoot heeft gelijke rechten om het gemeenschappelijk vermogen te besturen in het belang van het gezin. Daarenboven heeft elke echtgenoot het recht om zijn eigen goederen te beheren.

Baten van het eigen vermogen van elke echtgenoot
19. De eigen goederen van elke echtgenoot (art. 1399 tot 1401, BW) :

  • eigen wegens herkomst : zijn eigen de roerende en onroerende goederen en de schuldvorderingen die aan elk van de echtgenoten toebehoren op de dag van het huwelijk en die welke ieder van hen tijdens het stelsel verkrijgt door schenking, erfenis of testament (art. 1399, BW);
  • eigen wegens hun aard of door de zaak waarop ze betrekking hebben : krachtens de art. 1400 en 1401, BW, zijn eveneens eigen, onder meer :
  • het toebehoren van eigen onroerende goederen, van eigen onroerende rechten of van eigen waardepapieren;
  • het aandeel door één van de echtgenoten verkregen in een roerend of onroerend goed waarvan hij reeds mede-eigenaar is;
  • de gereedschappen en werktuigen die dienen tot het uitoefenen van het beroep;
  • de lidmaatschapsrechten (bijvoorbeeld het recht om daar mee te stemmen) verbonden aan gemeenschappelijke aandelen in vennootschappen waarin alle aandelen op naam zijn, indien die toebedeeld zijn aan of ingeschreven zijn op naam van één echtgenoot alleen;
  • enz.;
  • eigen door wederbelegging : zijn eigen de goederen en rechten, die, ten gevolge van zaakvervanging in de plaats treden van eigen goederen, alsook die goederen verkregen uit belegging of wederbelegging (art. 1400, 5°, BW); m.a.w. de goederen verworven met geld dat een echtgenoot bezat voor het huwelijk of dat hij geërfd of ontvangen heeft tijdens het huwelijk of verworven met de opbrengst van de verkoop van een eigen goed.
20. Alle goederen waarvan het eigen karakter niet kan bewezen worden, zullen als gemeenschappelijke goederen beschouwd worden. Dat bewijs kan geleverd worden :

  • tussen de echtgenoten : door alle middelen, met inbegrip van getuigenissen, vermoedens en algemene bekendheid;
  • t.o.v. derden : door het persoonlijk karakter van de goederen, door een inventaris, door het bezit ter goeder trouw van roerende goederen en door stukken met een vaste datum (zie bankrekeninguittreksels, facturen, enz.).
Lasten van het eigen vermogen van elke echtgenoot
21. Eigen zijn onder meer (art. 1406 en 1407, BW) :

  • de schulden van de echtgenoten die dagtekenen van vóór het huwelijk en de schulden ten laste van erfenissen en giften die hun toevallen tijdens het huwelijk;
  • de schulden door een van de echtgenoten aangegaan in het uitsluitend belang van zijn eigen vermogen;
  • de schulden ontstaan uit een persoonlijke of zakelijke zekerheid door een van de echtgenoten gesteld in een ander belang dan dat van het gemeenschappelijk vermogen;
  • de schulden ontstaan uit een strafrechtelijke veroordeling of uit een onrechtmatige daad begaan door een van de echtgenoten.
Baten van het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten
22. Maken deel uit van het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten (art. 1405, BW) :

  • de inkomsten uit de beroepsbezigheden van elk der echtgenoten, alle inkomsten of vergoedingen die ze vervangen of aanvullen, evenals de inkomsten uit openbare of particuliere mandaten;
  • de vruchten, inkomsten, interesten van hun eigen goederen;
  • de goederen geschonken of vermaakt aan de twee echtgenoten samen of aan een van hen onder beding dat die goederen gemeenschappelijk zullen zijn;
  • alle goederen waarvan niet bewezen is dat zij aan een van de echtgenoten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling.
Lasten van het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten
23. Gemeenschappelijk zijn (art. 1408, BW) :

  • de schulden aangegaan door beide echtgenoten, gezamenlijk of hoofdelijk;
  • de schulden aangegaan door een van de echtgenoten ten behoeve van de huishouding en de opvoeding van de kinderen;
  • de schulden door een van de echtgenoten aangegaan in het belang van het gemeenschappelijk vermogen;
  • de schulden ten laste van giften, aan de twee echtgenoten gezamenlijk of aan een van hen gedaan onder beding dat de gegeven of vermaakte goederen gemeenschappelijk zullen zijn;
  • de interesten die een bijzaak vormen van de eigen schulden van een van de echtgenoten;
  • de onderhoudsschulden jegens bloedverwanten in de nederdalende lijn van een van de echtgenoten;
  • de schulden waarvan niet bewezen is dat zij aan een der echtgenoten eigen zijn ingevolge enige wetsbepaling.
d) Het stelsel van scheiding van goederen

24. Dit stelsel (art. 1466 - 1474, BW) is van toepassing :

  • indien het gekozen wordt in een huwelijkscontract of indien het in de loop van het huwelijk aangenomen wordt (dit is de bedongen scheiding van goederen);
  • indien de scheiding van goederen wordt uitgesproken door de rechtbank (dit is de gerechtelijke scheiding van goederen);
  • wanneer de scheiding van tafel en bed door de rechtbank werd uitgesproken en definitief is geworden.
25. In het stelsel van de scheiding van goederen bestaat er geen gemeenschappelijk vermogen; ieder van de echtgenoten behoudt de eigendom van al zijn goederen; de goederen die beide echtgenoten samen aankopen, zijn principieel eigen aan ieder voor de helft (gewone onverdeeldheid).

3. Wettelijke samenwoning

a) Algemeen

26. De wettelijke samenwoning wordt, net zoals het huwelijk, verder in het WIB 92 niet uitdrukkelijk gedefinieerd. Dit betekent dat in principe de definitie van het gemeen recht, in casu het Burgerlijk Wetboek, geldt. Voor niet-inwoners of inwoners die in het buitenland een samenlevingscontract hebben afgesloten, geldt de gelijkschakeling eveneens wanneer dat samenlevingscontract aan dezelfde voorwaarden voldoet dan die in het Belgisch recht (Kamer, doc 50 1270/001, blz. 8).

b) De wettelijke samenwoning in de zin van de art. 1475 tot 1479, BW

27. De W 23.11.1998 tot invoering van de wettelijke samenwoning (BS 12.1.1999, V 2646, Bull. 791), in werking getreden op 1.1.2000 (cf. KB 14.12.1999 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de Wet van 23.11.1998 tot invoering van de wettelijke samenwoning, BS 23.12.1999, V 2780, Bull. 801), heeft de art. 1475 tot 1479 ingevoegd in Boek III van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot "Op welke wijze eigendom verkregen wordt", onder een Titel V bis, met als opschrift "Wettelijke samenwoning".

Definitie
28. Overeenkomstig art. 1475, § 1, BW, wordt onder "wettelijke samenwoning" verstaan de toestand van samenleven van twee (natuurlijke) personen die een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeenschappelijke woonplaats.

29. De wettelijke samenwoning vereist dus de instemming van de twee betrokken personen.

30. Alleen personen die bekwaam zijn om contracten aan te gaan overeenkomstig de art. 1123 en 1124, BW, en die niet verbonden zijn door een huwelijk of door een andere wettelijke samenwoning, kunnen een verklaring van wettelijke samenwoning afleggen (art. 1475, § 2, BW).

31. Kunnen bijgevolg beoogd zijn : twee personen verbonden door een band van verwantschap, adoptie, voogdij of elke andere band van verwantschap of van genegenheid die niet noodzakelijk een affectief of sexueel element impliceert (vader en zoon, broer en zus, samenwonenden enz.).

Procedure
32. Om hun wettelijke samenwoning tot stand te brengen, moeten de twee partijen zich aanbieden bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeenschappelijke woonplaats teneinde een schriftelijke verklaring af te leggen waarbij hen een ontvangstbewijs wordt overhandigd. De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt melding van de verklaring in het bevolkingsregister.

De goederen
33. Art. 1478, eerste lid, BW, bepaalt dat de vermogens gescheiden blijven. Nochtans worden de goederen en de inkomsten welke die goederen opbrengen en waarvan geen van de wettelijke samenwonenden de eigendom kan bewijzen, geacht in onverdeeldheid te zijn.

34. Het stelsel van de wettelijke samenwoning is gelijkaardig aan dat van gehuwden onder het stelsel van de scheiding van goederen.

Einde van de wettelijke samenwoning
35. De wettelijke samenwoning houdt op (art. 1476, § 2, eerste lid, BW) :

  • wanneer één van de partijen in het huwelijk treedt of overlijdt;
  • wanneer er een einde aan wordt gemaakt, hetzij in onderlinge overeenstemming door de samenwonenden, hetzij eenzijdig door één van de samenwonenden, door middel van een schriftelijke verklaring die tegen ontvangstbewijs wordt overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand.
C. Gemeenschappelijke aanslag

1. Definitie

36. Onder gemeenschappelijke aanslag wordt verstaan de vestiging van één aanslag ten name van de beide echtgenoten of de beide wettelijk samenwonenden (art. 2, 3°, WIB 92).

Art. 126, § 1, WIB 92, zoals gewijzigd door de W 10.8.2001 houdende hervorming van de personenbelasting en van toepassing vanaf aj. 2005, bepaalt dat er in geval van huwelijk of wettelijke samenwoning een gemeenschappelijke aanslag op naam van beide echtgenoten wordt gevestigd. Evenwel zijn in § 2 van die wetsbepaling enkele afwijkingen op die regel opgenomen.

2. Afwijkingen

37. Overeenkomstig art. 126, § 2, WIB 92, worden er individuele aanslagen gevestigd :

  • voor het jaar van het huwelijk of de verklaring van wettelijke samenwoning. Indien echter twee wettelijke samenwonenden met elkaar in het huwelijk treden, blijven de regels van de gemeenschappelijke aanslag van toepassing voor het jaar van het huwelijk, tenzij de verklaring van wettelijke samenwoning en het huwelijk tijdens hetzelfde kalenderjaar vallen. In dit laatste geval is voor dat jaar het stelsel van de individuele aanslag van toepassing;
  • vanaf het jaar na dat waarin de feitelijke scheiding van de echtgenoten of van de wettelijke samenwonenden heeft plaatsgevonden, voor zover die scheiding in het belastbare tijdperk niet ongedaan is gemaakt;
  • voor het jaar van de ontbinding van het huwelijk of van de wettelijke samenwoning door overlijden. In dat geval kan de overlevende echtgenoot echter opteren voor een gemeenschappelijke aanslag (zie hierna). Wanneer beide echtgenoten overleden zijn, kan die keuze gemaakt worden door de erfgenamen of de algemene legatarissen of begiftigden van de laatst overledene. De overlevende echtgenoot of de erfgenamen, de algemene legatarissen of begiftigden van de laatst overledene (indien beide echtgenoten tijdens hetzelfde jaar overlijden) kunnen evenwel niet opteren voor een gemeenschappelijke aanslag indien de echtgenoten als alleenstaanden moeten worden aangemerkt om een andere reden dan het overlijden van één van de echtgenoten;
  • voor het jaar van de echtscheiding, de scheiding van tafel en bed of de beëindiging van de wettelijke samenwoning;
  • wanneer een echtgenoot of één van de wettelijke samenwonenden beroepsinkomsten heeft van meer dan 6.700 EUR (te indexeren bedrag) die bij overeenkomst zijn vrijgesteld en die niet in aanmerking komen voor de berekening van de belasting op zijn andere inkomsten (internationale ambtenaren).
38. In die gevallen worden er twee individuele aanslagen gevestigd en wordt de belasting voor elke echtgenoot berekend op grond van zijn eigen inkomsten en van de inkomsten van zijn kinderen waarvan hij het wettelijk genot heeft.

3. Voorbeelden

39. Georges en Luc zijn wettelijke samenwonenden sedert 25/7/2001. Zij huwen op 28/9/2004. Georges overlijdt op 29/12/2004.

In zijn aangifte in de PB voor aj. 2005 kan Luc opteren voor de vestiging van een gemeenschappelijke aanslag op naam van hemzelf en van de nalatenschap van zijn overleden echtgenoot.

Indien Georges en Luc daarentegen wettelijke samenwonenden waren sedert 28/9/2004 (en niet sedert 25/7/2001), kan Luc niet opteren voor de vestiging van een gemeenschappelijke aanslag voor aj. 2005.

40. Danielle en Jos zijn gehuwd sedert 1990. Danielle overlijdt op 6/2/2004. Jos hertrouwt op 14/11/2004 met Francine.

Jos kan niet opteren voor de vestiging van een gemeenschappelijke aanslag op naam van hemzelf en van zijn overleden echtgenoot.

D. Decumul van de inkomsten van de echtgenoten

1. Inleiding

41. Tot en met aj. 2004 (inkomsten van het jaar 2003) werden de andere inkomsten dan beroepsinkomsten (d.w.z. onroerende, roerende en diverse inkomsten) van echtgenoten (gehuwden) samengevoegd met de beroepsinkomsten van de echtgenoot die het meest zulke inkomsten had (art. 126, § 1, oud, WIB 92).

42. In het nieuwe stelsel van de volledige decumul van de inkomsten van de echtgenoten (gehuwden of wettelijke samenwonenden), dat van toepassing is vanaf aj. 2005 (inkomsten van het jaar 2004), wordt bij de vaststelling van het totale netto-inkomen van elke echtgenoot rekening gehouden met de volgende inkomsten en dit overeenkomstig art.127 WIB 92, zoals vervangen door art. 20, W 10.8.2001 houdende hervorming van de personenbelasting :

  • het deel van zijn beroepsinkomsten zoals bepaald na de toekenning van het meewerkinkomen en de toerekening van het huwelijksquotiënt (art. 86 tot 89, WIB 92);
  • de door hem behaalde of aan hem toegekende diverse inkomsten vermeld in art. 90, 1° tot 4°, WIB 92 (occasionele winst of baten, prijzen, subsidies, renten en pensioenen aan geleerden, schrijvers of kunstenaars, onderhoudsuitkeringen en terugwerkend gedeelte van onderhoudsuitkeringen);
  • de andere dan de hierboven beoogde inkomsten die eigen zijn op grond van het vermogensrecht;
  • 50 pct. van de totaliteit van alle andere inkomsten van beide belastingplichtigen.
2. Beroepsinkomsten

43. Overeenkomstig art. 127, 1°, WIB 92, wordt er bij de vaststelling van het totale netto-inkomen van elke echtgenoot rekening gehouden met het deel van zijn beroepsinkomsten zoals bepaald na de toekenning van een meewerkinkomen aan de meewerkende echtgenoot en de toerekening van het huwelijksquotiënt.

3. Diverse inkomsten vermeld in art. 90, 1° tot 4°, WIB 92

44. Het betreft occasionele winst of baten, prijzen, subsidies, renten en pensioenen toegekend aan geleerden, schrijvers of kunstenaars, onderhoudsuitkeringen en terugwerkend gedeelte van onderhoudsuitkeringen.

45. Krachtens art. 127, 2°, WIB 92, zijn die inkomsten belastbaar bij de echtgenoot die ze heeft behaald of aan wie ze zijn toegekend.

4. Andere inkomsten dan beroepsinkomsten en dan diverse inkomsten vermeld in art. 90, 1° tot 4°, WIB 92

a) Beoogde inkomsten

46. Worden hier beoogd, de onroerende inkomsten, de roerende inkomsten en de in art. 90, 5° tot 10°, WIB 92 vermelde diverse inkomsten van de belastingplichtigen zelf, alsook de inkomsten van de kinderen waarvan de ouders het wettelijke genot hebben.

b) Onroerende inkomsten, roerende inkomsten en in art. 90, 5° tot 10°, WIB 92 vermelde diverse inkomsten

47. Wanneer die inkomsten in het eigen vermogen van één van de echtgenoten vallen - wat steeds het geval zal zijn voor wettelijke samenwonenden en voor personen die gehuwd zijn in het stelsel van scheiding van goederen - zijn die inkomsten belastbaar bij die echtgenoot (cf. art. 127, 3°, WIB 92).

48. Wanneer die inkomsten in het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten vallen, is de helft ervan belastbaar bij elke echtgenoot (cf. art. 127, 4°, WIB 92).

c) De inkomsten van de kinderen waarvan de ouders het wettelijk genot hebben

Beide echtgenoten hebben het wettelijk genot van de inkomsten
49. Wanneer beide echtgenoten samen het wettelijk genot van de inkomsten hebben, wat meestal het geval zal zijn wanneer het de vader en de moeder van de kinderen betreft, zijn die inkomsten voor de helft belastbaar bij elke echtgenoot.

Niet allebei de echtgenoten hebben het wettelijk genot van de inkomsten
50. Wanneer slechts één van de echtgenoten het genot heeft van hetzij de helft, hetzij het geheel van de inkomsten (bijvoorbeeld wanneer één van de ouders hertrouwt na een echtscheiding of na het overlijden van de andere ouder), moet er onderscheid worden gemaakt naargelang de inkomsten deel uitmaken van het eigen vermogen of van het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten.

51. Wanneer die inkomsten in het eigen vermogen van één van de echtgenoten vallen - wat altijd het geval zal zijn voor wettelijke samenwonenden en personen die gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen - zijn de inkomsten belastbaar bij de echtgenoot die het wettelijk genot van de inkomsten heeft (cf. art. 127, 3°, WIB 92).

52. Wanneer die inkomsten in het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten vallen, zijn zij voor de helft belastbaar bij elke echtgenoot (cf. art. 127, 4°, WIB 92).

5. Tabel die voor bepaalde inkomsten aangeeft bij welke echtgenoot die inkomsten belastbaar zijn wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd

53.

Personen gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen en wettelijke
samenwonenden
Personen gehuwd onder het wettelijk stelsel
Beroepsinkomsten
(art. 23, § 1, WIB 92)
Elke echtgenoot is belastbaar op het deel van zijn beroepsinkomsten zoals bepaald na toekenning van een meewerkinkomen aan de meewerkende echtgenoot en de toerekening van het huwelijksquotiëntElke echtgenoot is belastbaar op het deel van zijn beroepsinkomsten zoals bepaald na toekenning van een meewerkinkomen aan de meewerkende echtgenoot en de toerekening van het huwelijksquotiënt
Onroerende inkomsten (art. 7, WIB 92)Belastbaar bij de eigenaar van het goedBelastbaar voor de helft bij elke echtgenoot
Inkomsten van roerende goederen en kapitalen (art. 17, WIB 92)Belastbaar bij de eigenaar van de goederen en kapitalenBelastbaar voor de helft bij elke echtgenoot (1)
Diverse inkomsten van roerende aard (art. 90, 5° tot 7°, WIB 92)Belastbaar bij de eigenaar van de kapitalen of bij degene die de in art. 90, 5° tot 7°, WIB 92 bedoelde onderverhuring, overdracht, concessie of verhuring verricht heeftVoor de helft belastbaar bij elke echtgenoot (1)
Occasionele winst en baten (art. 90, 1°, WIB 92)Belastbaar bij degene die ze heeft behaaldBelastbaar bij degene die ze heeft behaald
Priizen, subsidies, renten of pensioenen aan geleerden, schrijvers of kunstenaars (art. 90, 2°, WIB 92)Belastbaar bij degene aan wie ze zijn toegekendBelastbaar bij degene aan wie ze zijn toegekend
Onderhoudsuitkeringen en aanvullende onderhoudsuitkeringen (art. 90, 3° en 4°, WIB 92)Belastbaar bij degene aan wie ze zijn toegekend (2)Belastbaar bij degene aan wie ze zijn toegekend (2)
Meerwaarden op ongebouwde onroerende goederen (art. 90, 8°, WIB 92)Belastbaar bij de eigenaars van de ongebouwde onroerende goederenBelastbaar bij de eigenaars van de ongebouwde onroerende goederen (3)
Meerwaarden op belangrijke deelnemingen (art. 90, 9°, WIB 92)Belastbaar bij de eigenaars van de deelnemingenBelastbaar bij de eigenaars van de deelnemingen (4)
Meerwaarden op gebouwde onroerende goederen (art. 90, 10°, WIB 92)Belastbaar bij de eigenaars van de gebouwde onroerende goederenBelastbaar bij de eigenaars van de gebouwde onroerende goederen (3)
Inkomsten van de kinderen waarvan beide echtgenoten het wettelijk genot hebbenBelastbaar voor de helft bij elke echtgenootBelastbaar voor de helft bij elke echtgenoot
Inkomsten van de kinderen waarvan één van de echtgenoten het wettelijk genot heeftBelastbaar bij de echtgenoot die het wettelijk genot van de inkomsten heeftBelastbaar voor de helft bij elke echtgenoot
(1) Behalve indien de inkomsten een toebehoren van eigen roerende goederen of kapitalen uitmaken, in welk geval zij belastbaar zijn bij de eigenaar van die goederen of kapitalen (bv.: terugbetalingspremies, loten van effecten van leningen).
(2) De onderhoudsuitkeringen die aan beide echtgenoten zijn toegekend, zijn voor de helft belastbaar bij elk van hen.
(3) Belastbaar voor de helft bij elke echtgenoot indien de goederen deel uitmaken van het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten.
(4) Belastbaar voor de helft bij elke echtgenoot indien de deelnemingen deel uitmaken van het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten.

6. Inwerkingtreding

54. De nieuwe regels met betrekking tot de gelijkstelling van wettelijke samenwonenden met gehuwden, de gemeenschappelijke aanslag en de decumul van de inkomsten van de echtgenoten, treden in werking vanaf aj. 2005 (cf. art. 65, vijfde lid, W 10.8.2001).

NAMENS DE MINISTER :
Voor de Administrateur generaal van
de Belastingen en de Invordering :
De Directeur,

Stany QUINTENS