Circulaire nr. AOIF 1/2008 (E.T.675.10) dd. 02.01.2008

CIRC 1/2008

Circulaire nr. AOIF 1/2008 (E.T.675.10) dd. 02.01.2008


AANSCHRIJVING NR. 3/1973 (BIJWERKING 2008)

BTW-EENHEID

INVERBRUIKSTELLING

INVOER

VERLEGGING VAN DE HEFFING

VOLDOENING VAN DE BELASTING


Aan alle diensten (sector BTW).

De aanschrijving nr. 3 van 11 januari 1973 (bijwerking 2006), handelt over de verlegging van de heffing van de ter zake van invoer verschuldigde BTW naar de periodieke BTW-aangifte van de belastingplichtigen die houder zijn van een vergunning om die bijzondere wijze van betalen toe te passen.

De publicatie van een nieuwe uitgave van die aanschrijving is noodzakelijk gebleken. Deze nieuwe uitgave, waarvan een exemplaar hierbij gaat, draagt onder de titel de vermelding "bijwerking 2008".

De toepassingsmodaliteiten van de bijzondere wijze van betalen van de bij invoer verschuldigde BTW die worden uiteengezet in deze aanschrijving veranderen niet ten opzichte van de bestaande regeling.

De bijwerking 2008 strekt er enkel toe de regels te verduidelijken die op het stuk van de verleggingsregeling bij invoer toepasselijk zijn op de BTW-eenheid als bedoeld in artikel 4, § 2, van het BTW-Wetboek. Daarbij wordt inzonderheid de toestand toegelicht die voortvloeit uit de vorming, de ontbinding en eventuele wijzigingen in de samenstelling van de leden van een BTW-eenheid.

Deze aanschrijving vervangt vanaf 1 januari 2008 de in 2006 bijgewerkte aanschrijving nr. 3 van 11 januari 1973 (z. circulaire AOIF nr. 1/2006 van 2 januari 2006), zoals die werd gewijzigd bij haar addendum van 20 november 2006 (z. circulaire AOIF nr. 41/2006).

NAMENS DE MINISTER :
Voor de administrateur Kleine
en Middelgrote Ondernemingen,

P. HAZEBROUCQ
Auditeur-generaal van financiën


INHOUDSTAFEL
A.VOORWERP
B. ALGEMEENHEDEN
Personen die de bijzondere wijze van betalen bij invoer kunnen aanvragen
Invoeren waarop deze wijze van betalen betrekking heeft
Maandelijkse globalisatie van de invoeraangiften
C.VERGUNNING
Aanvraag tot het bekomen van een vergunning
Weigering van de vergunning
Inwerkingtreding van de vergunning
Duur van de vergunning
Afzien van de vergunning
Ambtshalve verval van de vergunning
Wijziging of intrekking van de vergunning
D.WERKING VAN DE REGELING
E. VOORUIT TE BETALEN BTW
Bedrag van de vooruitbetaling bij de aanvraag
Wijze van betaling van de vooruit te betalen belasting
Herziening van het bedrag van de vooruit te betalen belasting
Teruggaaf van de vooruitbetaalde belasting
F.BIJ DE INVOER TE VERVULLEN FORMALITEITEN
Invoerdocument
G.BOEKHOUDKUNDIGE VERPLICHTINGEN
H.BIJZONDERHEDEN M.B.T. DE BTW-EENHEID
Algemeen
Vorming van een BTW-eenheid
Uittreding van een lid uit een BTW-eenheid
Toetreding van een nieuw lid tot een bestaande BTW-eenheid
Herziening van de vooruitbetaling door de BTW-eenheid
Ontbinding van een BTW-eenheid
Bijlage I : AANVRAAG OM VERGUNNING
Bijlage II : HERZIENING VAN DE VOORUITBETALING
Bijlage III : VERZAKING AAN DE VERGUNNING
Bijlage IV : VOORBEELDEN


Brussel, 11 januari 1973

Invoer - Bijzondere wijze van betalen
A. VOORWERP
1. Artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 m.b.t. de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, machtigt de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde, om aan belastingplichtigen die de in artikel 53, § 1, 2°, van het BTW-Wetboek bedoelde periodieke aangifte indienen, met uitsluiting van de belastingplichtigen bedoeld in artikel 55, § 3, laatste lid, van het BTW-Wetboek, een vergunning te verlenen om onder de daarin gestelde voorwaarden de wegens invoer verschuldigde BTW niet te voldoen op het tijdstip van de aangifte ten verbruik, mits die belasting als verschuldigde BTW wordt opgenomen in de vorenbedoelde periodieke aangifte.

Deze bepaling voert dus een regeling in waarbij de betaling van de bij invoer van goederen verschuldigde BTW wordt verlegd naar de periodieke BTW-aangifte, zodat die belasting niet meer aan de douane moet worden betaald.

B. ALGEMEENHEDEN
Personen die de bijzondere wijze van betalen bij invoer kunnen aanvragen
2. De verlegging van de heffing van de ter zake van invoer van goederen verschuldigde BTW kan worden aangevraagd door alle belastingplichtigen die de in artikel 53, § 1, 2°, van het BTW-Wetboek bedoelde BTW maand- of kwartaalaangiften indienen, met uitsluiting van de belastingplichtigen bedoeld in artikel 55, § 3, laatste lid, van het BTW-Wetboek.

Komen derhalve in aanmerking :

  1. de in België gevestigde belastingplichtigen (daaronder begrepen de BTW-eenheid als bedoeld in artikel 4, § 2, van het BTW-Wetboek) die periodieke aangiften indienen en die handelingen verrichten waarvoor recht op aftrek is ontstaan;
  2. de niet in België gevestigde belastingplichtigen die periodieke aangiften indienen en die handelingen verrichten waarvoor recht op aftrek is ontstaan. Het feit dat die belastingplichtige al dan niet een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen speelt daarbij geen rol.
Zijn daarentegen uitgesloten van de regeling, de niet in België gevestigde belastingplichtigen die in België niet over een individueel BTW-identificatienummer beschikken, doch die voor de invoeren die zij verrichten worden vertegenwoordigd door een persoon die vooraf werd erkend (globaal BTW-nummer met beginkenmerk BE 796.5) op grond van het bepaalde in artikel 55, § 3, laatste lid, van het BTW-Wetboek.

Invoeren waarop deze wijze van betalen betrekking heeft

3. De verlegging van de heffing van de ter zake van invoer verschuldigde BTW is toepasselijk op de invoeren van goederen die in België plaatsvinden in de zin van artikel 23 van het BTW-Wetboek en die de BTW opeisbaar maken.

Met de invoer van een goed wordt bedoeld, het binnenkomen in het BTW-gebied van de Gemeenschap van een goed uit een derde land of een derdelands gebied.

Onder derde landen en derdelands gebieden wordt verstaan de Staten die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap alsmede de hierna bedoelde nationale gebieden van bepaalde lidstaten die buiten de werkingssfeer van de BTW vallen :

  • Koninkrijk Denemarken :
    • de Faeröer-eilanden;
    • Groenland;
  • Bondsrepubliek Duitsland :
    • het eiland Helgoland;
    • het grondgebied van Büsingen;
  • Koninkrijk Spanje :
    • Ceuta;
    • Melilla;
    • de Canarische eilanden;
  • Italiaanse Republiek :
    • Livigno;
    • Campione d'Italia;
    • de nationale wateren van het meer van Lugano;
  • Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland :
    • De overzeese gebieden;
    • Gibraltar;
    • de Anglo-Normandische eilanden;
  • Franse Republiek :
    • de overzeese gebieden;
    • het eiland Mayotte;
    • het eiland St. Pierre en Miquelon;
    • de overzeese departementen;
  • Helleense Republiek :
    • de Berg Athos;
  • Republiek Finland :
    • de Åland-Eilanden;
  • Koninkrijk der Nederlanden :
    • de overzeese gebieden;
  • Republiek Cyprus :
    • de zones waarover de regering niet feitelijk het gezag uitoefent.
Er wordt evenwel opgemerkt dat voor de toepassing van de BTW worden geacht deel uit te maken :

a) van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland : het eiland Man;

b) van de Franse Republiek : het Vorstendom Monaco;

c) van de Republiek Cyprus : Akrotiri en Dhekelia, zijnde de zones die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen.

4. De invoer van een goed vindt plaats in België wanneer dat goed het BTW-gebied van de Gemeenschap binnenkomt via België of in België onttrokken wordt aan één van de opschortende regelingen bedoeld in artikel 23, §§ 4 en 5 van het BTW-Wetboek.

5. De belastingplichtigen die de vergunning hebben verkregen om de bijzondere wijze van betalen toe te passen, moeten deze toepassen voor alle invoeren die zij in België verrichten en waarvoor de BTW opeisbaar is bij het indienen van de aangifte ten verbruik. Tijdens de geldigheidsduur van de vergunning mogen zij dus de normale wijze van betalen van de bij invoer verschuldigde BTW, namelijk de betaling van die belasting aan de douane, niet meer toepassen.

Maandelijkse globalisatie van de invoeraangiften
6. Overeenkomstig artikel 5, § 4, van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, kan de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde bepalen dat de belasting volgens de verleggingsregeling moet worden voldaan wanneer de ingevoerde goederen overeenkomstig de geldende communautaire douanereglementering met één globale aangifte voor het verbruik worden aangegeven.

Krachtens die bepaling wordt de uitreiking door de Administratie der douane en accijnzen van een vergunning tot maandelijkse globalisatie van de invoeraangiften, afhankelijk gesteld van het feit dat de aanvrager houder moet zijn van een vergunning die hem toelaat de BTW bij invoer te voldoen met verlegging van de heffing. De verleggingsregeling is dan ook verplicht van toepassing in geval van maandelijkse globalisatie van de invoeraangiften.

C. VERGUNNING
Aanvraag tot het bekomen van een vergunning
7. Om de verleggingsregeling van de wegens invoer verschuldigde BTW te mogen toepassen moet de belastingplichtige een vergunning hebben bekomen die door of vanwege de Minister van Financiën wordt uitgereikt.

De belastingplichtige moet die vergunning aanvragen bij de centrale diensten van de AOIF gevestigd op volgend adres :

Federale Overheidsdienst Financiën
Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit
Centrale diensten - Sector BTW
Dienst I - Directie 10
Koning Albert II-laan 33 bus 25
1030 BRUSSEL

De aanvraag moet in tweevoud worden ingediend op briefpapier van de aanvrager en volgens het model in bijlage I van onderhavige aanschrijving. De aanvrager kan ook op de website www.finform.fgov.be van de FOD Financiën een formulier downloaden dat hij zelf moet invullen en in duplo moet toesturen aan voornoemd adres.

Weigering van de vergunning
8. De administratie weigert de vergunning te verlenen wanneer de op het spel zijnde belangen miniem zijn. Zo wordt de vergunning hoe dan ook niet uitgereikt wanneer het bedrag dat overeenkomstig het bepaalde in de nrs. 16 en 20 als BTW moet worden vooruitbetaald, minder bedraagt dan 250 EUR.

Zij reikt de vergunning evenmin uit wanneer de betrokkene zijn verplichtingen inzake BTW niet nauwgezet naleeft, onder meer wat betreft het indienen van zijn periodieke aangiften en het betalen van de belasting waarvan de opeisbaarheid uit die aangiften blijkt binnen de termijnen gesteld bij het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 of wanneer inbreuken werden vastgesteld op de BTW-wetgeving of op de ter uitvoering ervan gegeven regelen.

9. De toepassing van de regeling vereist bovendien het bestaan van een regelmatige invoeractiviteit. De occasionele invoer van bedrijfsmiddelen bijvoorbeeld, laat niet toe een gunstig gevolg te geven aan de aanvraag.

Inwerkingtreding van de vergunning
10. De vergunning is toepasselijk vanaf de datum waarop ze werd verleend voor alle aangiften voor het verbruik die vanaf die datum worden gevalideerd en die de opeisbaarheid van de belasting vaststellen.

Duur van de vergunning
11. De vergunning wordt verleend voor onbepaalde duur.

Afzien van de vergunning
12. De vergunninghouder mag op ieder ogenblik afzien van de vergunning. In dat geval moet hij dit melden aan de administratie. Hij stelt daartoe een brief ter verzaking op, conform aan het model in bijlage III bij deze aanschrijving. Deze verzaking stuurt hij in twee exemplaren per aangetekend schrijven naar het BTW-controlekantoor waaronder hij ressorteert.

De belastingplichtige heeft eveneens de mogelijkheid om op de website www.finform.fgov.be van de FOD Financiën een formulier te downloaden dat hij zelf moet invullen en in duplo per aangetekend schrijven moet toesturen aan voornoemd controlekantoor.

Het afzien van de vergunning is in principe definitief en doet het recht ontstaan op teruggaaf van de reeds vooruitbetaalde belasting (z. nr. 30 e.v.).

Ambtshalve verval van de vergunning
13. De vergunning vervalt ambtshalve wanneer de vergunninghouder :

  • geen maand- of kwartaalaangiften bedoeld in artikel 53, § 1, 2°, van het BTW-Wetboek meer indient (stopzetting van activiteit, faillissement, fusie, toetreding tot een BTW-eenheid, ontbinding van een BTW-eenheid);
  • de in nr. 16 hierna bedoelde vooruitbetaling volledig heeft teruggevorderd.
Wijziging of intrekking van de vergunning
14. De Minister van Financiën of zijn afgevaardigde behoudt zich het recht voor om op gelijk welk tijdstip de voorwaarden of de formaliteiten waarvan de vergunning afhankelijk wordt gesteld geheel of gedeeltelijk te wijzigen of om de vergunning in te trekken. Zo zal de vergunning worden ingetrokken indien de houder de daarin opgelegde voorwaarden niet naleeft.

Onverminderd, in voorkomend geval, de bij de wet uitgevaardigde straffen, zal de vergunning onmiddellijk worden ontnomen aan iedere persoon die er misbruik van maakt of tracht te maken of die op gelijk welke wijze de controleopdracht van de ambtenaren van de administratie belemmert.

De vergunning kan tevens worden ingetrokken wanneer de vergunninghouder de bepalingen van het BTW-Wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regels niet naleeft.

Iedere intrekking van vergunning wordt gemotiveerd en per aangetekende brief aan de belastingplichtige genotificeerd door de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controlekantoor waaronder hij ressorteert. De afgifte van de brief aan de post geldt als notificatie vanaf de volgende dag.

Vanaf de dag die op deze notificatie volgt, kan van de vergunning geen gebruik meer worden gemaakt.

D. WERKING VAN DE REGELING
15. Belastingplichtigen die goederen invoeren en de BTW daarbij volgens de normale wijze voldoen aan de douane, ondergaan een voorfinanciering van die belasting omdat de BTW steeds op een vroeger tijdstip moet worden voldaan dan het tijdstip waarop die belasting kan worden afgetrokken.

16. In de regeling waarbij de voldoening van de ter zake van invoer verschuldigde BTW wordt verlegd naar de periodieke BTW-aangifte, verdwijnt dit tijdsverschil aangezien de BTW in dezelfde aangifte als verschuldigde en als aftrekbare belasting wordt opgenomen. Om dit verschil in behandeling te vermijden, moeten de belastingplichtigen die de verleggingsregeling willen toepassen, vooraf een bedrag aan BTW vooruitbetalen op hun invoeren. Dit bedrag vormt het equivalent van de voorfinanciering van de belasting. Het stemt momenteel overeen met een BTW-voorfinanciering van een halve maand.

17. In de logische gedachtegang van de regeling ontslaat de vooruitbetaling de belastingplichtige niet van de verplichting om in rooster 57 van de maand- of kwartaalaangifte, als verschuldigde belasting, een bedrag op te nemen dat overeenstemt met het bedrag van de BTW bij invoer dat voorkomt op de aangiften voor het verbruik die werden gevalideerd tijdens de maand of het kwartaal waarop die periodieke BTW-aangifte betrekking heeft.

18. De belastingplichtigen die de verlegging van de heffing toepassen, moeten ieder jaar het vooruitbetaalde bedrag herzien. Die herziening gebeurt op basis van de belasting die ze hebben voldaan voor de invoeren gedaan tijdens het voorgaande kalenderjaar.

Wanneer die herziening een bedrag geeft dat groter is dan hetgeen effectief bij wijze van vooruitbetaling werd gestort, moet een bijkomende betaling worden gedaan. In het tegenovergestelde geval wordt het te veel betaalde bedrag teruggegeven.

19. Wanneer, om gelijk welke reden, een einde wordt gesteld aan de bijzondere wijze van betalen, moet de belastingplichtige de belasting bij invoer voldoen volgens de normale regeling bedoeld in artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992, met name door de betaling ervan aan de douane. Hij kan evenwel teruggaaf bekomen van de BTW die hij als vooruitbetaling heeft gestort.

E. VOORUIT TE BETALEN BTW
Bedrag van de vooruitbetaling bij de aanvraag
20. Het bedrag van de vooruitbetaling moet bij de aanvraag om vergunning (1) door de aanvrager zelf berekend worden. Dat bedrag is gelijk aan één vierentwintigste van het totaalbedrag van de wegens invoer verschuldigde BTW (2) zoals die bedragen zijn vermeld in vak 47 van de aangiften voor het verbruik (3) die werden gevalideerd tijdens de vier kalenderkwartalen die de aanvraag om vergunning voorafgaan (z. eerste voorbeeld in bijlage IV).

Wanneer de aanvrager tijdens de voornoemde periode geen invoeren heeft verricht of wanneer zijn invoeractiviteit zich niet uitstrekt over de vier kalenderkwartalen voorafgaand aan zijn aanvraag, vermeldt hij de bedragen van de invoeren die hij, volgens zijn vooruitzichten, zal doen tijdens de volgende twaalf maanden; op de aanvraag moet uitdrukkelijk worden vermeld dat het vooruitzichten betreft (z. tweede voorbeeld in bijlage IV). In dit geval dient de aanvraag te zijn vergezeld van een bijlage waarin een beschrijving wordt gegeven van de goederen, het toepasselijk BTW-tarief alsmede de vermoedelijke frequentie van de invoeren.

[(1) De regels die uiteengezet zijn in het nr. 20 zijn niet van toepassing bij de jaarlijkse herziening van de vooruit te betalen som (z. hiervoor nrs. 25 en volgende).
(2) Er moet dus geen rekening worden gehouden met goederen die zich onder een regeling bevinden bedoeld in artikel 23, §§ 4 of 5, van het BTW-Wetboek of die bij hun invoer vrijstelling van belasting hebben genoten.
(3) Er wordt in dit verband opgemerkt dat krachtens artikel 34 van het BTW-Wetboek dat de maatstaf van heffing van de ingevoerde goederen bepaalt, de BTW niet louter over de aankoopprijs van de ingevoerde goederen verschuldigd is.
]

Wijze van betaling van de vooruit te betalen belasting
21. Het bedrag van de vooruit te betalen belasting moet in eenmaal worden volstort op het BTW-kantoor waarvan de benaming en het rekeningnummer aan betrokkene worden medegedeeld na goedkeuring van de aanvraag tot verkrijging van de vergunning. Het mag in geen geval gestort worden op rekening nr. 679-2003000-47 van de BTW-ontvangsten te Brussel.
22. De storting moet verricht zijn binnen de drie maanden na het verzenden van de brief waarbij de administratie de belastingplichtige uitnodigt de vooruitbetaling te doen.

23. De vooruit te betalen som vertegenwoordigt de BTW bij invoer die op voorhand wordt betaald (z. nr. 16). Zij heeft dus niet het karakter van een garantie of van een borg en kan bijgevolg nooit worden vervangen door een gelijkaardige akte of door een pand (bijvoorbeeld een bankgarantie).

24. Het betalingsdocument moet verplicht de volgende gegevens bevatten : de naam en het adres van de belastingplichtige, evenals de gestructureerde mededeling die wordt opgegeven in de brief waarbij de administratie de belastingplichtige verzoekt de eerste vooruitbetaling te doen.

Herziening van het bedrag van de vooruit te betalen belasting
25. De houder van de vergunning is ertoe gehouden ieder jaar uiterlijk op 20 april het bedrag van de vooruitbetaalde belasting te herzien en de administratie op de hoogte te brengen van het resultaat van die herziening. Wanneer de vergunning werd verleend tussen 1 januari en 20 april, moet de eerste herziening evenwel slechts gebeuren in de loop van het daaropvolgende jaar, uiterlijk op 20 april.

26. De berekening wordt verricht op basis van het vierentwintigste deel van het totale bedrag van de wegens invoer verschuldigde BTW (1) zoals die bedragen vermeld zijn in vak 47 van de aangiften voor het verbruik (2) die werden gevalideerd tijdens het verlopen kalenderjaar (3).

[ (1) Er moet dus geen rekening worden gehouden met de goederen die zich onder een regeling bevinden bedoeld in artikel 23, §§ 4 of 5, van het BTW-Wetboek of die bij hun invoer vrijstelling van belasting hebben genoten.
(2) Er wordt in dit verband opgemerkt dat krachtens artikel 34 van het BTW-Wetboek dat de maatstaf van heffing van de ingevoerde goederen bepaalt, de BTW niet louter over de aankoopprijs van de ingevoerde goederen verschuldigd is.
(3) Wanneer de aangiften voor het verbruik maandelijks worden geglobaliseerd, komen de invoeren die in de maand december van een kalenderjaar hebben plaatsgevonden en waarvoor de douane een invoeraangifte heeft gevalideerd in de maand januari van het daarop volgende kalenderjaar, slechts in aanmerking voor de herziening m.b.t. de invoeren die in laatstgenoemd kalenderjaar hebben plaatsgevonden en die moet worden verricht uiterlijk op 20 april van het daarop volgende kalenderjaar (vb. goederen worden ingevoerd in december 2007, de desbetreffende aangifte wordt gevalideerd in januari 2008; met deze invoeren dient rekening te worden gehouden voor de herziening m.b.t. de invoeren verricht in het jaar 2008, die uiterlijk op 20 april 2009 dient te geschieden).
]

Bij de berekening van de eerste herziening dient evenwel niet alleen rekening te worden gehouden met de invoeren waarvoor de verlegging van de heffing bij invoer werd toegepast maar eveneens met die welke hebben plaatsgevonden met effectieve betaling van de BTW op het douanekantoor van invoer.

Wanneer de vergunninghouder slechts in de loop van het kalenderjaar dat de eerste herziening voorafgaat, gestart is met invoeren, mag de berekening niet worden verricht op basis van één vierentwintigste, maar op basis van een breuk waarvan de teller één bedraagt en de noemer gelijk is aan het dubbel van het aantal maanden van dat kalenderjaar te rekenen vanaf de maand waarin de eerste invoer heeft plaatsgevonden. Voor de bepaling van deze maand dient geen onderscheid te worden gemaakt tussen invoeren met betaling en invoeren met verlegging van de heffing. Een toepassing van deze berekeningswijze is terug te vinden in het tweede voorbeeld van de bijlage IV.

27. Indien het resultaat van de herziening een bedrag geeft dat groter is dan de reeds vooruitbetaalde belasting, moet de belastingplichtige ten laatste op 20 april, op de rekening van het BTW-kantoor waarvan sprake in het nr. 21, een bijkomend bedrag voldoen gelijk aan het verschil tussen beide bedragen. Het betalingsdocument moet de volgende gegevens bevatten : de naam en het adres van de belastingplichtige, evenals de gestructureerde mededeling opgegeven in de brief waarbij de administratie bij de aanvang van elk jaar de aandacht van de belastingplichtige vestigt op zijn verplichting inzake de herziening van de vooruit te betalen som.

Hij moet bovendien, op dat ogenblik, aan het BTW-controlekantoor waaronder hij ressorteert een brief met kennisgeving van de herziening zenden, in twee exemplaren, conform het model van bijlage II. Hij kan dat document ook downloaden op de website www.finform.fgov.be van de FOD Financiën.

28. Indien het resultaat van de herziening een bedrag geeft dat kleiner is dan het bedrag van de reeds vooruitbetaalde belasting, dan heeft de belastingplichtige de keuze om al of niet teruggaaf te vragen van het verschil.

Wanneer hij om welke reden ook, geen teruggaaf vraagt van het verschil, dan zendt hij uiterlijk op 20 april aan de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controlekantoor waaronder hij ressorteert een brief in twee exemplaren conform het model van bijlage II. De belastingplichtige kan dat document ook downloaden op de website www.finform.fgov.be van de FOD Financiën.

Wanneer hij de teruggaaf wel vraagt, moet hij handelen op de wijze uiteengezet in de nrs. 30 en volgende.

29. Voorbeelden van herzieningen van de vooruit te betalen belasting zijn opgenomen in bijlage IV.

Teruggaaf van de vooruitbetaalde belasting
30. De vooruitbetaalde belasting wordt geheel of gedeeltelijk aan de belastingplichtige teruggegeven wanneer :

  1. hij van de vergunning afziet (z. nr. 12);
  2. de vergunninghouder om welke reden ook geen BTW maand- of kwartaalaangiften meer indient (z. nr. 13);
  3. de vergunning wordt ingetrokken (z. nr. 14);
  4. teveel werd betaald (z. nr. 28).
31. De teruggaaf van de vooruitbetaalde belasting is een terugbetaling van een als BTW ontvangen bedrag, dat groter is dan het wettelijk verschuldigde zoals bedoeld in artikel 77, § 1bis, 1°, van het BTW-Wetboek. De teruggaaf wordt gedaan met inachtneming van het bepaalde in het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde.

De belastingplichtige bekomt de teruggaaf door toerekening; hij neemt de voor teruggaaf vatbare belasting op in rooster 62 van zijn periodieke maand- of kwartaalaangifte, die betrekking heeft op de periode waarin de oorzaak van teruggaaf zich voordoet.

De oorzaak van teruggaaf van de vooruitbetaalde belasting doet zich voor :

  1. op de datum waarop de belastingplichtige aan de vergunning verzaakt;
  2. op de datum waarop van de vergunning geen gebruik meer mag worden gemaakt. Dat is inzonderheid het geval wanneer de houder van de vergunning geen BTW maand- of kwartaalaangiften meer indient;
  3. op de datum waarop de vergunning wordt ingetrokken;
  4. op 1 januari van het jaar waarin de herziening van het vooruitbetaalde bedrag uitwijst dat er teveel werd betaald.
32. Om zijn vordering tot teruggaaf te kunnen uitoefenen moet de belastingplichtige, overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969, een document opstellen dat overeenstemt met het in bijlage II van de onderhavige aanschrijving gegeven model en het inschrijven in het register van teruggaaf. De belastingplichtige kan dat document ook downloaden op de website www.finform.fgov.be van de FOD Financiën.

Twee exemplaren ervan moeten worden toegezonden aan het BTW-controlekantoor waaronder de belastingplichtige ressorteert vóór het verstrijken van de wettelijk voorziene termijn betreffende de indiening van de periodieke aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belastingplichtige zijn recht op teruggaaf uitoefent.

33. Wanneer, in het geval bedoeld in nr. 30, b, de betrokkene geen teruggaaf door toerekening heeft bekomen in de laatste periodieke aangifte die hij heeft ingediend, dan kan hij, vóór het verstrijken van de verjaringstermijn van zijn vordering tot teruggaaf, een aanvraag tot teruggaaf indienen bij de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controlekantoor waaronder hij ressorteert.

F. BIJ DE INVOER TE VERVULLEN FORMALITEITEN
Invoerdocument
34. De belastingplichtigen die een vergunning hebben verkregen, moeten voor elke invoer waarvoor de BTW opeisbaar is, op het bevoegde douanekantoor (1) een Enig document indienen dat als aangifte ten verbruik wordt gebezigd (2).

De aangever moet op eigen verantwoordelijkheid de code "G" aanbrengen in de kolom "WB" (wijze van betaling) van vak 47 van het Enig document. Bovendien moet vak 48 van dat document worden aangevuld met het nummer van de uitgereikte vergunning.

[ (1) Het Enig kantoor van de Administratie der douane en accijnzen wanneer de aangifte elektronisch wordt ingediend of het hulpkantoor van dat Enig kantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen worden aangeboden wanneer de aangifte op papier wordt ingediend.
(2) Voor de regels die bij het gebruik van het Enig document moeten worden in acht genomen wordt verwezen naar de Instructie Enig document - 1999 (D.I. 530.11) van de Administratie der douane en accijnzen.
]

G. BOEKHOUDKUNDIGE VERPLICHTINGEN
35. De als aangiften ten verbruik gebezigde Enige documenten moeten worden ingeschreven in het boek voor inkomende facturen.

36. Het bedrag van de BTW, waarvan het als aangifte ten verbruik gebezigde Enig document de verschuldigdheid vaststelt en voorkomt in vak 47, moet worden opgenomen in rooster 57 van de maand- of kwartaalaangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de aangifte ten verbruik van de ingevoerde goederen werd geldig gemaakt (1).

Datzelfde bedrag mag worden opgenomen in rooster 59 van dezelfde aangifte, voor het gedeelte waarvan de aftrek bij toepassing van de artikelen 45 en 46 van het BTW-Wetboek is toegestaan.

Het rooster 57 mag niet verminderd worden met een bedrag van de belasting met betrekking tot invoeren waarvoor een creditnota werd ontvangen.

De overeenkomstig artikel 34 van het BTW-Wetboek bepaalde maatstaf van heffing bij invoer die voorkomt in het vak 47 van het Enig document, wordt opgenomen in rooster 87 van de periodieke BTW-aangifte alsook, naargelang de aard der ingevoerde goederen, in rooster 81, 82 of 83.

[ (1) In geval van maandelijkse globalisatie van de aangiften, wordt de invoeraangifte geldig gemaakt in de loop van de maand volgend op die waarin de invoeren werden verricht. De wegens invoer verschuldigde BTW moet dan ook slechts worden opgenomen in de periodieke BTW-aangifte met betrekking tot de periode waarin die validatie heeft plaatsgevonden.]

H. BIJZONDERHEDEN M.B.T. DE BTW-EENHEID
Algemeen
37. Sinds 1 april 2007 kunnen in België gevestigde belastingplichtigen die financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar zijn verbonden, worden aangemerkt als één belastingplichtige voor de toepassing van de BTW, de zogenaamde BTW-eenheid.

Een belastingplichtige die deel uitmaakt van een BTW-eenheid wordt lid van een BTW-eenheid genoemd. De leden van een BTW-eenheid duiden één van hen aan om in hun naam en voor hun rekening de rechten uit te oefenen die aan de BTW-eenheid zijn verleend en de verplichtingen na te komen die haar zijn opgelegd door of ter uitvoering van het BTW-Wetboek. Dit lid wordt vertegenwoordiger van de BTW-eenheid genoemd.

38. De BTW-eenheid wordt als één enkele belastingplichtige aangemerkt zowel vanuit het oogpunt van de goederen die haar door derden worden geleverd, als vanuit het oogpunt van de levering van goederen tussen de leden onderling.

Daaruit volgt dat de invoeren van goederen verricht door een lid, geacht worden door de BTW-eenheid zelf te zijn verwezenlijkt. De regeling van de verlegging van heffing bij invoer moet dan ook worden toegepast in hoofde van de BTW-eenheid en niet in hoofde van haar leden afzonderlijk.

39. In de hierna volgende nummers worden de regels toegelicht die voor de toepassing van het stelsel van de verlegging van de heffing bij invoer in acht moeten worden genomen bij de vorming, tijdens het bestaan en bij de ontbinding van een BTW-eenheid alsmede bij de eventuele wijzigingen in de samenstelling van de leden van die eenheid. Tenzij daarin uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de regels uiteengezet in de nrs. 1 tot en met 36 van onderhavige aanschrijving van overeenkomstige toepassing op de BTW-eenheid.

Vorming van een BTW-eenheid
a) Gevolgen voor de BTW-eenheid
40. Wanneer de BTW-eenheid de verlegging van de heffing bij invoer wil toepassen, moet haar vertegenwoordiger daartoe een aanvraag indienen op de wijze uiteengezet in nr. 7. De BTW-eenheid kan geen gebruik maken van de vergunning om de ter zake van invoer verschuldigde BTW te verleggen waarvan één van haar leden in voorkomend geval titularis was vóór zijn toetreding tot de BTW-eenheid (z. nr. 44).

41. De voorwaarden die in deze circulaire zijn gesteld voor het bekomen van de vergunning, moeten zijn voldaan in hoofde van de BTW-eenheid. Daaruit volgt onder meer dat een BTW-eenheid de vergunning slechts kan bekomen wanneer ze gehouden is tot het indienen van periodieke BTW-aangiften bedoeld in artikel 53, § 1, 2°, van het BTW-Wetboek (z. nr. 2).

42. De BTW-eenheid moet het bedrag aan BTW dat ze moet vooruitbetalen om de vergunning te verkrijgen (z. nr. 16), berekenen op de wijze uiteengezet in nr. 20. Ze moet daarbij rekening houden met de invoeren van al haar leden, dus in voorkomend geval ook met de invoeren verricht door een lid wiens activiteit is vrijgesteld bij toepassing van artikel 44 van het BTW-Wetboek.

43. De vergunning om de BTW bij invoer te voldoen met verlegging van de heffing wordt aan de BTW-eenheid uitgereikt en draagt een eigen nummer. Dit nummer moet gebruikt worden door elk lid van de BTW-eenheid dat invoeren verricht die de BTW in België opeisbaar maken.

b) Gevolgen voor het toetredend lid
44. Wanneer een belastingplichtige die houder is van een vergunning om de BTW bij invoer te voldoen met verlegging van de heffing tot een BTW-eenheid toetreedt, vervalt die vergunning ambtshalve op het tijdstip van zijn toetreding (z. nr. 13).

De vervallen vergunning kan derhalve niet meer rechtsgeldig worden ingeroepen door het betrokken lid of door de BTW-eenheid voor een invoer die een lid van de BTW-eenheid zou verrichten.

45. Ingevolge het ambtshalve verval van de vergunning kan het toetredend lid met inachtneming van het bepaalde in nr. 32 teruggaaf bekomen van de vooruitbetaling die in het kader van de vervallen vergunning werd gedaan, door het vooruitbetaalde bedrag op te nemen in rooster 62 van de laatste BTW-aangifte die dat lid als individueel geregistreerde belastingplichtige moet indienen.

Wanneer het toetredend lid zijn recht op teruggaaf niet in die laatste aangifte heeft uitgeoefend, kan het vóór het verstrijken van de verjaringstermijn van zijn vordering tot teruggaaf, een aanvraag tot teruggaaf indienen bij het BTW-controlekantoor waaronder dat lid ressorteerde vóór zijn toetreding tot de BTW-eenheid.

46. Wanneer de BTW-eenheid waartoe dat lid is toegetreden een vergunning op haar naam aanvraagt om de verleggingsregeling bij invoer toe te passen, aanvaardt de administratie dat het vooruitbetaalde bedrag van de ambtshalve vervallen vergunning(en) van één of meerdere leden van die eenheid, zoals dat bedrag op het tijdstip van de toetreding was vooruitbetaald, mag aangewend worden voor de samenstelling van het bedrag dat de BTW-eenheid moet vooruitbetalen om de vergunning te bekomen. Deze keuze kan uitsluitend worden uitgeoefend door het toetredend lid dat de over te dragen vooruitbetaling heeft gedaan en dus niet door de vertegenwoordiger van de BTW-eenheid zelf. Ze moet door het lid dat houder was van de vervallen vergunning met een aangetekende brief worden genotificeerd aan de administratie op het adres vermeld in nr. 7. In de brief waarin die optie wordt gelicht, moet het toetredend lid uitdrukkelijk en definitief afzien van zijn recht op teruggaaf van de vooruitbetaling die in het kader van de vervallen vergunning werd gedaan en dient het tevens de BTW-eenheid te identificeren (naam, adres en BTW-identificatienummer) die het vooruitbetaalde bedrag zal aanwenden ter verkrijging van een op haar naam uitgereikte vergunning om de BTW bij invoer te verleggen.

De aldus overgedragen vooruitbetaling wordt vervolgens geacht door de BTW-eenheid te zijn aangewend in het kader van de jaarlijks te verrichten herzieningen bedoeld in de nrs. 25 e.v.. Wanneer zich achteraf een oorzaak van teruggaaf voordoet als bedoeld in nr. 30, is de rechthebbende op teruggaaf de BTW-eenheid en niet het lid dat zijn vooruitbetaling aan de BTW-eenheid heeft overgedragen.

Uittreding van een lid uit een BTW-eenheid
a) Gevolgen voor de BTW-eenheid
47. Ingevolge de uittreding van een lid kunnen zich op het niveau van de BTW-eenheid twee situaties voordoen.

1. De BTW-eenheid doet nog invoeren en ziet niet af van haar vergunning om de BTW bij invoer te voldoen met verlegging van de heffing
48. Wanneer de BTW-eenheid niet verzaakt aan haar vergunning om de ter zake van invoer verschuldigde BTW te voldoen met verlegging van de heffing maar die regeling verder blijft toepassen, kan ze in het kalenderjaar waarin de uittreding heeft plaatsgevonden geen teruggaaf bekomen van het gedeelte van de vooruitbetaling dat betrekking heeft op de invoeren die door het uittredend lid werden verricht.

Wat betreft de gevolgen voor de herziening die de BTW-eenheid moet verrichten overeenkomstig nr. 25, wordt verwezen naar nr. 65.

2. De BTW-eenheid verzaakt aan haar vergunning
49. Wanneer de uittreding van een lid voor gevolg heeft dat de BTW-eenheid verzaakt aan haar vergunning om de BTW bij invoer te voldoen met verlegging van de heffing, kan enkel de BTW-eenheid, met inachtneming van het bepaalde in nr. 32, teruggaaf bekomen van het bedrag dat ze als vooruitbetaling heeft gestort. Dat bedrag kan dus niet worden teruggegeven aan het uittredend lid.

b) Gevolgen voor het lid
50. Het lid dat uit een BTW-eenheid uittreedt kan zich vanaf het tijdstip van de uittreding niet meer beroepen op de vergunning om de BTW bij invoer te voldoen volgens de verlegging van de heffing waarvan de BTW-eenheid in voorkomend geval houder is.

51. Het lid heeft ingevolge zijn uittreding evenmin recht op de gehele of gedeeltelijke teruggaaf ten aanzien van de Schatkist van de vooruitbetaling die de BTW-eenheid heeft gedaan in het kader van voornoemde vergunning.

52. In de mate dat het invoeren verricht, kan het uittredend lid desgewenst een nieuwe vergunning op zijn naam aanvragen om de bijzondere wijze van betalen bij invoer in zijnen hoofde te kunnen toepassen (z. nr. 7).

53. Het bedrag van de vooruitbetaling dat het uittredend lid moet storten om de vergunning te bekomen, moet overeenkomstig het onderscheid gemaakt in nr. 20, zijn gebaseerd op:

  • ofwel, de BTW vermeld in vak 47 van de aangiften voor het verbruik die het heeft laten valideren tijdens de vier kalenderkwartalen die zijn aanvraag om vergunning voorafgaan ongeacht of het uittredend lid daarbij heeft gehandeld als lid van een BTW-eenheid dan wel als individueel geregistreerde belastingplichtige na zijn uittreding uit die eenheid;
  • ofwel, zijn vooruitzichten voor de volgende twaalf maanden.
54. De vooruitbetaling die de BTW-eenheid heeft gedaan voor het bekomen van haar vergunning om de verlegging van de heffing bij invoer toe te passen, kan niet worden aangewend, noch geheel noch gedeeltelijk, om de vooruitbetaling samen te stellen die het lid moet doen om een gelijkaardige vergunning op zijn naam te bekomen.

55. Bij de herziening van de vooruitbetaling die voor de toepassing van die nieuwe vergunning uiterlijk moet worden verricht op 20 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarin die vergunning werd uitgereikt, moet het uittredend lid rekening houden met alle invoeren waarvoor het in laatstgenoemd kalenderjaar aangiften voor het verbruik heeft laten valideren die de BTW opeisbaar hebben gemaakt, ongeacht of het uittredend lid daarbij heeft gehandeld als lid van de BTW-eenheid dan wel als individueel geregistreerde belastingplichtige.

Toetreding van een nieuw lid tot een bestaande BTW-eenheid
a) De BTW-eenheid is houder van een vergunning om de verlegging van de heffing bij invoer toe te passen
1. Gevolgen voor de BTW-eenheid
56. De toetreding van een nieuw lid tot een bestaande BTW-eenheid heeft enkel gevolgen voor de herzieningen die de BTW-eenheid overeenkomstig het nr. 25 moet verrichten. Daarbij wordt verwezen naar de nrs. 63 en 66.

2. Gevolgen voor het toetredend lid
57. Wanneer een nieuw lid toetreedt tot een bestaande BTW-eenheid die houder is van een vergunning om de BTW bij invoer te voldoen volgens de verlegging van de heffing, moet dat lid zich vanaf de datum van toetreding beroepen op die vergunning voor al zijn invoeren die de BTW in België opeisbaar maken.

58. In geval dat toetredend lid zelf houder is van een vergunning om de bijzondere wijze van betalen bij invoer toe te passen, vervalt die vergunning ambtshalve op het tijdstip van de toetreding van dat lid tot de BTW-eenheid. Ter zake zijn de regels uiteengezet in de nrs. 44 en 45 van overeenkomstige toepassing.

b) De BTW-eenheid is geen houder van een vergunning om de verlegging van de heffing bij invoer toe te passen
1. Gevolgen voor de BTW-eenheid
59. Wanneer de BTW-eenheid geen houder is van een vergunning om de ter zake van invoer te voldoen met verlegging van de heffing, kan ze die vergunning desgewenst aanvragen.

60. Bij de berekening van het bedrag aan BTW dat de BTW-eenheid overeenkomstig de nrs. 16 en 20 moet vooruitbetalen om de vergunning te verkrijgen, moet rekening worden gehouden met de in deze aanschrijving bedoelde invoeren die werden verricht door alle leden van die eenheid, dus ook met de invoeren verricht door het toetredend lid.

2. Gevolgen voor het toetredend lid
61. Zoals aangegeven in het nr. 58 vervalt de vergunning om de BTW bij invoer te voldoen met verlegging van de heffing waarvan het toetredend lid eventueel houder is, ambtshalve op het tijdstip van de toetreding van dat lid tot de BTW-eenheid.

62. Het toetredend lid kan teruggaaf bekomen van de vooruitbetaling die in het kader van de vervallen vergunning werd voldaan op de wijze uiteengezet in nr. 45.

Wanneer de BTW-eenheid, ingevolge de toetreding van het nieuw lid, een vergunning op haar naam aanvraagt om de BTW bij invoer te voldoen met verlegging van de heffing, kan dat toetredend lid ervoor opteren om geen teruggaaf te vragen van de vooruitbetaling van zijn ambtshalve vervallen vergunning, en het bedrag ervan aanwenden om de vooruitbetaling samen te stellen die de BTW-eenheid moet doen voor het verkrijgen van een gelijkaardige vergunning. Het toetredend lid moet deze keuze aan de administratie notificeren op de wijze bedoeld in nr. 46.

Herziening van de vooruitbetaling door de BTW-eenheid
a) Algemeen
63. Overeenkomstig het bepaalde in nr. 25 moet de BTW-eenheid het bedrag dat ze heeft vooruitbetaald ter verkrijging van de vergunning om de BTW bij invoer te voldoen met verlegging van de heffing, ieder jaar uiterlijk op 20 april herzien.

Het bedrag van de herziening dient te worden berekend op de wijze uiteengezet in nr. 26. De BTW-eenheid moet daarbij in de regel rekening houden met de invoeren verricht door al haar leden.

b) Bijzondere gevallen
1. Herziening volgend op de vorming van een BTW-eenheid
64. Bij de herziening die de BTW-eenheid moet verrichten uiterlijk op 20 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarin ze werd gevormd, moet ze rekening houden met alle aangiften voor het verbruik die haar leden in laatstgenoemd kalenderjaar hebben laten valideren ter voldoening van de ter zake van invoer verschuldigde BTW, ongeacht of die leden daarbij hebben gehandeld als lid van de BTW-eenheid dan wel dan wel als individueel geregistreerde belastingplichtige vóór de vorming van die eenheid.

2. Herziening volgend op de uittreding van een lid
65. Bij de herziening van de vooruitbetaling die de BTW-eenheid moet verrichten uiterlijk op 20 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarin een lid is uitgetreden, moet ze geen rekening houden met de invoeren die het uittredend lid in laatstgenoemd jaar heeft verricht.

3. Herziening volgend op de toetreding van een nieuw lid
66. Wanneer een nieuw lid toetreedt tot een bestaande BTW-eenheid, moet die eenheid bij de herziening van de vooruitbetaling die zij moet verrichten uiterlijk op 20 april van het jaar volgend op kalenderjaar waarin die toetreding heeft plaatsgevonden, ook rekening houden met alle aangiften voor het verbruik die dat toetredend lid in laatstgenoemd kalenderjaar heeft laten valideren ter voldoening van de ter zake van invoer verschuldigde BTW, ongeacht of dat lid daarbij heeft gehandeld als lid van de BTW-eenheid dan wel als individueel geregistreerde belastingplichtige vóór de toetreding.

Ontbinding van een BTW-eenheid
a) Gevolgen voor de BTW-eenheid
67. Bij de ontbinding van een BTW-eenheid die houder is van een vergunning om de bij invoer verschuldigde BTW te voldoen met verlegging van de heffing, vervalt die vergunning ambtshalve op de datum van de ontbinding (z. nr. 13).

68. In dat geval kan de BTW-eenheid met inachtneming van het bepaalde in nr. 32 teruggaaf bekomen van de vooruitbetaling die zij heeft gedaan in het kader van de vervallen vergunning door het bedrag ervan op te nemen in het rooster 62 van haar laatst in te dienen periodieke BTW-aangifte. Het recht op teruggaaf dat ingevolge de ontbinding van de BTW-eenheid ontstaat kan dus niet worden uitgeoefend door één of meerdere leden van die eenheid ook niet ten aanzien van hun deel in die vooruitbetaling.

69. Wanneer de BTW-eenheid haar recht op teruggaaf niet in die laatste aangifte heeft uitgeoefend, kan ze vóór het verstrijken van de verjaringstermijn van haar vordering tot teruggaaf, een aanvraag tot teruggaaf indienen bij het BTW-controlekantoor waaronder ze ressorteerde.

b) Gevolgen voor de leden
70. Vanaf de datum van de ontbinding van de BTW-eenheid kunnen de leden zich niet meer beroepen op de (vervallen) vergunning van de BTW-eenheid.

71. De leden die dat wensen kunnen overeenkomstig het bepaalde in nr. 7 een aanvraag indienen om een vergunning op hun naam te bekomen om de bijzondere wijze van betalen bij invoer toe te passen.

Het bedrag van de vooruitbetaling dat de aanvrager moet storten om de vergunning te bekomen, moet overeenkomstig het onderscheid gemaakt in nr. 20, zijn gebaseerd op:

  • ofwel, de BTW vermeld in vak 47 van de aangiften voor het verbruik die hij heeft laten valideren tijdens de vier kalenderkwartalen die zijn aanvraag voorafgaan, ongeacht of hij daarbij heeft gehandeld als lid van de ontbonden BTW-eenheid dan wel als individueel geregistreerde belastingplichtige na de ontbinding;
  • ofwel, zijn vooruitzichten voor de volgende twaalf maanden.
NAMENS DE MINISTER :
Voor de administrateur Kleine
en Middelgrote Ondernemingen,

P. HAZEBROUCQ
Auditeur-generaal van financiën



BIJLAGE I

AANVRAAG OM VERGUNNING
(in tweevoud in te dienen bij de Centrale diensten van de AOIF)

Federale Overheidsdienst Financiën
Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit
Centrale diensten - Sector BTW
Dienst I - Directie 10
Koning Albert II-laan 33 bus 25
1030 Brussel
Ik, ondergetekende
Naam
Adres
BTW-identificatienummer
vraag de vergunning aan om de belasting over de toegevoegde waarde, verschuldigd ter zake van de invoer van goederen, te voldoen volgens de wijze van betalen ingesteld bij artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde. Ik verbind er mij toe de voorwaarden van die vergunning uiteengezet in de aanschrijving nr. 3 van 11 januari 1973 (bijwerking 2008) na te leven en onder meer jaarlijks het bedrag te herzien van de als BTW vooruit te betalen som.

Ik verklaar :

a) dat het totaal van de maatstaven van heffing van de BTW betreffende de invoeren bedoeld in de aanschrijving
- gedaan tijdens de vier voorbije kalenderkwartalen (1)
- volgens de vooruitzichten voor de volgende twaalf maanden (1) (2)
................................................................................ ...............................................................
................................................................................ .............. EUR (3) bedraagt;

b) dat het overeenkomstig bedrag aan BTW
................................................................................ ...............................................................
................................................................................ .............. EUR (3) bedraagt;

c) dat de vooruit te betalen som
................................................................................ ...............................................................
................................................................................ .............. EUR (3) bedraagt.

Opgemaakt in twee exemplaren,
te...................................., ....................................................... (Handtekening, naam en hoedanigheid) (4)



[ (1) Alleen de passende melding kopiëren, zie het onderscheid gemaakt in nr. 20.
(2) Bij de opgave van vooruitzichten dient een beschrijving te worden gevoegd (z. nr. 20).
(3) Voluit geschreven.
(4) Wanneer de ondertekenaar handelt als lasthebber van de aanvrager, dient bij de aanvraag een fotokopie van de volmacht te worden gevoegd, die het mandaat bevestigt en er de draagwijdte van bepaalt. In ieder geval moet de ondertekenaar gemachtigd zijn de belastingplichtige financieel te verbinden voor onbeperkte bedragen.
]



BIJLAGE II

HERZIENING VAN DE VOORUITBETALING
(in tweevoud toe te sturen aan het BTW-controlekantoor)

Ik, ondergetekende
Naam
Adres
BTW-identificatienummer
breng U ter kennis dat de herziening van de BTW die vooruit werd betaald op grond van de vergunning die mij werd uitgereikt op......................................, onder het nr. E.T.14000/.., als volgt plaatsvindt.
Ik verklaar dat deze herziening gebaseerd is op alle invoeren bedoeld in de aanschrijving nr. 3/1973 (bijwerking 2008) gedaan tijdens het kalenderjaar ...... Het bedrag van de verschuldigde belasting over deze invoeren bedraagt : .....EUR.
Vooruit te betalen belasting voor het jaar ... :
Reeds vooruitbetaalde belasting :
................ EUR
................ EUR
Verschil :................ EUR
(1) Ik betaal ..................EUR, op ................., op rekeningnr. 679-2003005-52 ten gunste van Invoer - BTW Mechelen. (1) Ik vraag geen teruggaaf van dit verschil.

(1) Ik heb het bedrag van ..........................EUR opgenomen in rooster 62 van mijn maand/kwartaalaangifte met betrekking tot de handelingen van de maand/het kwartaal .....

Te ...................................., ............................................................
(Handtekening, naam en hoedanigheid)


[ (1) Alleen de passende melding kopiëren.]



BIJLAGE III

VERZAKING AAN DE VERGUNNING
(in tweevoud toe te sturen aan het BTW-controlekantoor)
AANGETEKEND

Ik, ondergetekende
Naam
Adres
BTW-identificatienummer
breng U ter kennis dat ik verzaak aan de vergunning die mij werd uitgereikt op......................................, onder het nr. E.T.14000/... Ik heb het bedrag van ..........................EUR opgenomen in rooster 62 van mijn maand/kwartaalaangifte met betrekking tot de handelingen van de maand/het kwartaal .....

Te ...................................., ...............................................................

(Handtekening, naam en hoedanigheid)



BIJLAGE IV

VOORBEELDEN
1ste voorbeeld
Peeters, een in België gevestigde belastingplichtige, gehouden tot het indienen van maandelijkse BTW-aangiften, vraagt op 5 april 2006 de regeling aan van de verlegging van de heffing van de BTW bij invoer.

Voor de invoeren die hij heeft gedaan tijdens de vier kwartalen die zijn aanvraag voorafgaan (periode vanaf 1 april 2005 tot 31 maart 2006) heeft Peeters 108.000 EUR aan BTW voldaan.

Theoretisch schema van de door Peeters in de loop van de jaren 2006, 2007 en 2008 gedane handelingen.
5.4.2006Aanvraag om vergunning toegestuurd in twee exemplaren aan de centrale administratie van de AOIF. Berekening door de belastingplichtige van de vooruit te betalen som 108.000 EUR : 24 = 4.500 EUR.
17.4.2006De centrale administratie nodigt Peeters uit het bedrag van de vooruitbetaling te storten.
29.4.2006

Betaling door Peeters van de som van 4.500 EUR op de rekening van het BTW-kantoor medegedeeld door de centrale administratie.
7.5.2006Uitreiking van de vergunning door de centrale administratie. Peeters dient vanaf nu zijn goederen in te voeren volgens de wijze van betalen ingesteld door deze aanschrijving.
10.4.2007Peeters herziet het bedrag van de vooruitbetaalde som.
Gedurende het kalenderjaar 2006 heeft Peeters invoeren gedaan bedoeld in de aanschrijving en heeft hij 120.000 EUR BTW over deze invoeren voldaan, waarvan 20.000 EUR aan de douane (vóór de uitreiking van de vergunning) en 100.000 EUR in rooster 57 van zijn maandaangiften (vanaf de uitreiking van de vergunning).
Vooruit te betalen belasting voor het jaar 2007 : 120.000 EUR : 24 =
Reeds vooruitbetaalde belasting :
Verschil :
5.000 EUR
4.500 EUR
500 EUR
13.4.2007Peeters betaalt de som van 500 EUR op de rekening van het BTW-kantoor en stuurt de bijlage II in twee exemplaren aan zijn bevoegd BTW-controlekantoor.
12.4.2008Peeters herziet het bedrag van de vooruitbetaalde som.
Gedurende het kalenderjaar 2007 heeft Peeters in de aanschrijving bedoelde invoeren gedaan, waarvoor hij in rooster 57 van zijn maandaangiften 84.000 EUR BTW heeft voldaan.
Vooruit te betalen belasting voor het jaar 2008 : 84.000 EUR : 24 =
Reeds vooruitbetaalde belasting :
Verschil :
3.500 EUR
5.000 EUR
1.500 EUR
20.4.2008Peeters mag het bedrag van 1.500 EUR opnemen in het rooster 62 van zijn aangifte met betrekking tot de handelingen van de maand maart 2008 en dient het document in bijlage II in twee exemplaren toe te sturen aan zijn bevoegd BTW-controlekantoor.
2de voorbeeld
Janssens, een in België gevestigde belastingplichtige, gehouden tot het indienen van kwartaal BTW-aangiften, voert in het kader van zijn economische activiteit geregeld meubelen in uit Thailand en vraagt op 12 juli 2006 de regeling aan van de verlegging van de heffing van de BTW bij invoer.

Aangezien Janssens pas in de loop van de maand mei 2006 gestart is met invoeren kan hij zich bij de aanvraag niet baseren op zijn invoeren gedaan tijdens de vier voorbij kalenderkwartalen, maar dient hij zijn invoervooruitzichten op te geven voor de komende twaalf maanden.

Janssens geeft in zijn aanvraag een maatstaf van heffing op van 260.000 EUR waarover 21 % BTW verschuldigd is, nl. 54.600 EUR. In zijn aanvraag vergeet hij bovendien niet te vermelden dat het vooruitzichten betreft van de meubelen die hij de komende twaalf maanden zal invoeren a rato van gemiddeld twee invoeren per maand.

Theoretisch schema van de door Janssens in de loop van de jaren 2006, 2007 en 2008 gedane handelingen
12.7.2006Aanvraag om vergunning toegestuurd in twee exemplaren aan de centrale administratie van de AOIF. Berekening door de belastingplichtige van de vooruit te betalen som
54.600 EUR : 24 = 2.275 EUR
25.7.2006De centrale administratie nodigt Janssens uit het bedrag van de vooruitbetaling te storten.
10.8.2006

Betaling door Janssens van de som van 2.275 EUR op de rekening van het BTW-kantoor medegedeeld door de centrale administratie.
15.8.2006Uitreiking van de vergunning door de centrale administratie. Janssens moet vanaf nu zijn goederen invoeren volgens de wijze van betalen ingesteld door deze aanschrijving.
10.4.2007Janssens herziet het bedrag van de vooruitbetaalde som.
Gedurende het kalenderjaar 2006 heeft Janssens invoeren gedaan bedoeld in de aanschrijving en heeft hij 50.400 EUR BTW voldaan over deze invoeren, waarvan 10.400 EUR aan de douane (vóór de uitreiking van de vergunning) en 40.000 EUR in rooster 57 van zijn kwartaalaangiften (vanaf de uitreiking van de vergunning).
Aangezien Janssens slechts gestart is met invoeren in mei 2006 mag hij de verschuldigde BTW niet delen door vierentwintig maar door het dubbel van het aantal maanden te rekenen vanaf de maand waarin zijn eerste invoer heeft plaatsgevonden. Dit is 8 maanden x 2 = 16.
Vooruit te betalen belasting voor het jaar 2007 : 50.400 EUR : 16 =
Reeds vooruitbetaalde belasting :
Verschil :
3.150 EUR
2.275 EUR
875 EUR
11.4.2007Janssens betaalt de som van 875 EUR op de rekening van het BTW-kantoor en stuurt de bijlage II in twee exemplaren aan zijn bevoegd BTW-controlekantoor.
12.4.2008Janssens herziet het bedrag van de vooruitbetaalde som.
Gedurende het kalenderjaar 2007 heeft Janssens in de aanschrijving bedoelde invoeren gedaan, waarvoor hij in rooster 57 van zijn kwartaalaangiften 108.000 EUR BTW heeft voldaan.
Voortaan kan Janssens zijn vooruitbetaling berekenen volgens de gewone regels.
Vooruit te betalen belasting voor het jaar 2008 : 108.000 EUR : 24 =
Reeds vooruitbetaalde belasting :
Verschil :
4.500 EUR
3.150 EUR
1.350 EUR
14.4.2008Janssens betaalt de som van 1.350 EUR op de rekening van het BTW-kantoor en stuurt de bijlage II in twee exemplaren aan zijn bevoegd BTW-controlekantoor.