Circulaire 2018/C/51 over de Vlaamse woonfiscaliteit
Commentaar op het Vlaamse decreet van 18.12.2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 en het Vlaamse decreet van 23.12.2016 houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen.
Bijzondere financieringswet ; bevoegdheid van de gewesten ; uitgaven die recht geven op een Vlaamse belastingvermindering ; hypothecaire leningen ; geïntegreerde woonbonus
FOD Financiën, 26.04.2018
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting en Belasting van niet-inwoners (natuurlijke personen)
BIJLAGEN: 5
I. Inleiding
II. De Vlaamse woonbonus
A. Beperking van de Vlaamse woonbonus
B. Fictiebepaling voor hypotheekoverdracht met pandwissel
1. Algemeen
2. Voorwaarden
3. Gevolgen
4. Cumulverbod
5. Voorbeelden
III. De geïntegreerde woonbonus
1. Bedoelde uitgaven
2. Bedoelde hypothecaire leningen
3. Bedoelde individuele levensverzekeringen
B. Fictiebepaling voor hypotheekoverdracht met pandwissel
C. Zorgwonen
D. Grensbedrag
1. Basisbedrag
2. Verhoging van het basisbedrag
3. Vrije verdeling van de uitgaven
E. Toepassingsmodaliteiten
F. Voorbeelden
IV. De Vlaamse vermindering voor het lange termijnsparen
V. De Vlaamse vermindering voor gewone interesten
VI. De Vlaamse belastingvermindering interesten KI (vermindering voor onroerende voorheffing)
VII. Bestaande keuzeregeling
VIII. Keuzeregeling voor hypothecaire leningen aangegaan vóór en vanaf 2016
IX. Belasting van niet-inwoners
X. Inwerkingtreding
XI. Bijlagen
I. Inleiding
1. De gewesten zijn vanaf aanslagjaar 2015 exclusief bevoegd voor de belastingverminderingen en belastingkredieten met betrekking tot de uitgaven die werden gedaan voor het verwerven of het behouden van de eigen woning (art. 5/5, § 4, eerste lid, 1°, van de bijzondere wet van 16.01.1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en gewesten (hierna 'BFW')).
De federale staat blijft bevoegd voor de fiscale voordelen betreffende een woning die op het moment van de uitgaven niet als eigen woning wordt aangemerkt.
Voor een algemene bespreking van de gevolgen van deze wijzigingen wordt verwezen naar de circulaire AAFisc Nr. 29/2014 (nr. Ci.RH.331/633.424) van 07.07.2014.
Voor een bespreking van de notie 'eigen woning' en de wet van 08.05.2014 (BS 28.05.2014, tweede editie) wordt verwezen naar de circulaire AAFisc Nr. 6/2015 (nr. Ci.RH.331/633.998) van 03.02.2015.
2. Deze circulaire bespreekt:
- het Vlaamse decreet van 18.12.2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 (zie bijlage 1);
- het Vlaamse decreet van 23.12.2016 houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen (zie bijlage 2).
3. De krachtlijnen van deze decreten zijn de volgende:
- de invoering van een nieuw stelsel voor hypothecaire leningen die vanaf 2016 specifiek werden aangegaan voor het verwerven of behouden van een woning (en de daarmee verband houdende individuele levensverzekeringen): de geïntegreerde woonbonus
- de beperking van:
* de Vlaamse vermindering voor het lange termijnsparen tot vóór 2016 aangegane hypothecaire leningen (en daarmee verband houdende individuele levensverzekeringen)
* de Vlaamse woonbonus tot vóór 2016 aangegane hypothecaire leningen (en daarmee verband houdende individuele levensverzekeringen)
* de Vlaamse vermindering voor gewone interesten en de Vlaamse vermindering onroerende voorheffing tot vóór 2016 aangegane leningen
- de invoering van een Vlaamse fictiebepaling voor hypotheekoverdracht met pandwissel en voor zorgwonen, wat betreft de Vlaamse woonbonus en de geïntegreerde woonbonus.
Deze wijzigingen zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2017.
4. Het Vlaamse decreet van 19.12.2014 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2015 (BS 30.12.2014) waardoor bijvoorbeeld de Vlaamse vermindering voor het bouwsparen en de Vlaamse vermindering voor bijkomende interesten werden beperkt tot vóór 2015 aangegane hypothecaire leningen en de grensbedragen voor vanaf 2015 aangegane leningen werden gewijzigd, wordt hier niet besproken.
II. De Vlaamse woonbonus
A. Beperking van de Vlaamse woonbonus
5. Artikel 145^37, § 1, eerste lid, WIB 92, werd gewijzigd waardoor de Vlaamse woonbonus wordt beperkt tot
- hypothecaire leningen die uiterlijk op 31.12.2015 werden aangegaan
en
- individuele levensverzekeringen die uitsluitend dienen voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een dergelijke lening.
6. Voor hypothecaire leningen die vanaf 2016 worden aangegaan en de daarmee verband houdende individuele levensverzekeringen wordt een nieuwe belastingvermindering ingevoerd: de geïntegreerde woonbonus (zie hoofdstuk III hierna).
7. Herfinancieringsleningen
Een vanaf 2016 aangegane lening die het openstaande saldo van een vóór 2016 aangegane hypothecaire lening aflost kan worden beschouwd als een verderzetting van de oorspronkelijke lening en kan, voor zover aan alle andere voorwaarden is voldaan, verder in aanmerking komen voor de Vlaamse woonbonus.
Indien het ontleende bedrag van de vanaf 2016 aangegane herfinancieringslening hoger is dan het openstaande saldo van de oorspronkelijke (geherfinancierde) lening wordt enkel het deel dat dient voor het aflossen van het openstaande saldo van de eerder gesloten lening geacht de oorspronkelijke lening verder te zetten.
Het surplus (bijvoorbeeld voor de financiering van verbouwingswerken aan de eigen woning) kan worden beschouwd als een nieuwe lening. In dat geval geldt het keuzestelsel zoals uiteengezet in hoofdstuk VIII. Het deel dat heeft gediend voor het financieren van kosten die geen rechtstreeks verband houden met het verwerven of behouden van de eigen woning (zoals bijvoorbeeld de wederbeleggingsvergoeding of kosten die verband houden met de eigenlijke hypothecaire lening) kan niet in aanmerking komen voor een fiscaal voordeel (zie circulaire AOIF 17/2008 (Ci.RH.26/582.830) van 16.05.2008).
B. Fictiebepaling voor hypotheekoverdracht met pandwissel
1. Algemeen
8. Als een belastingplichtige
- een hypothecaire lening aangaat die specifiek tot doel heeft om zijn woning te verwerven of te behouden,
- deze woning vervreemdt, maar
- zijn hypothecaire lening behoudt (dit heeft meestal tot gevolg dat de hypothecaire inschrijving wordt overgedragen naar een ander onroerend goed)
dan slaan de uitgaven die hij vanaf de vervreemding betaalt niet (meer) op zijn eigen woning en kan hij hiervoor geen gewestelijk belastingvoordeel (meer) vragen. De belastingplichtige kan hiervoor eventueel aanspraak maken op een federaal belastingvoordeel.
Voor een uitgebreide bespreking van deze algemene regel wordt verwezen naar de circulaire AAFisc Nr. 1/2015 (nr. Ci.RH.331/635.143) van 12.01.2015.
9. Belastingplichtigen die vanaf 2016 een 'pandwissel' doorvoeren (hiermee wordt bedoeld de vervreemding van de eigen woning (hierna 'woning A') om een andere eigen woning (hierna 'woning B') te verwerven of te behouden) en hun oorspronkelijke hypothecaire lening behouden:
- zouden de gewestelijke woonbonus verliezen (gezien het een andere woning dan de eigen woning betreft)
en
- zouden ook geen aanspraak meer kunnen maken op de federale woonbonus (art. 539, WIB 92, kan slechts van toepassing zijn als de woning waarvoor de lening werd aangegaan de eigen woning van de belastingplichtige is geweest en vervolgens vóór 2016 een andere dan de eigen woning is geworden).
10. Het Vlaams Gewest wil vermijden dat een belastingplichtige zijn woonbonus zou verliezen en pikt door het invoeren van een fictiebepaling dan ook in daar waar de hiervoor vermelde federale overgangsbepaling eindigt.
Door de toepassing van de fictiebepaling wordt, als aan alle voorwaarden is voldaan en wat de Vlaamse woonbonus (of de geïntegreerde woonbonus) betreft, de hypothecaire lening geacht specifiek te zijn aangegaan voor het verwerven of het behouden van woning B.
Een dergelijke fictiebepaling is niet voorzien voor de Vlaamse vermindering voor het lange termijnsparen, de Vlaamse vermindering voor het bouwsparen, de Vlaamse vermindering voor bijkomende interesten, de Vlaamse vermindering voor gewone interesten of de Vlaamse vermindering onroerende voorheffing.
2. Voorwaarden
11. De Vlaamse woonbonus kan door toepassing van art. 145^37, § 1, derde lid, WIB 92, ook na de vervreemding van woning A (de woning waarvoor de lening oorspronkelijk werd aangegaan) van toepassing blijven als aan alle hierna vermelde voorwaarden is voldaan.
a) een hypothecaire lening die vóór 2016 werd aangegaan om de enige en zelf betrokken woning te verwerven of te behouden
12. De fictiebepaling heeft tot doel om de woonbonus te kunnen behouden en kan dan ook slechts van toepassing zijn op de hypothecaire leningen (en de individuele levensverzekeringen die uitsluitend dienen voor het waarborgen of het wedersamenstellen van een dergelijke lening) die vóór 2016 specifiek werden aangegaan om de enige en zelf betrokken woning (op 31 december van het jaar van aangaan van de hypothecaire lening) te verwerven of te behouden.
13. Worden bijvoorbeeld niet bedoeld:
- de hypothecaire leningen die werden aangegaan voor het verwerven van woning A, die op 31 december van het jaar van aangaan van de hypothecaire lening niet de enige woning was of op die datum niet door de belastingplichtige zelf werd betrokken (in de veronderstelling dat de belastingplichtige geen aanspraak kan maken op één van de in art. 145^38, § 1, tweede lid, WIB 92, bedoelde uitzonderingen);
- de hypothecaire leningen die uitsluitend werden aangegaan voor het verwerven van een (bouw)grond;
- de niet-hypothecaire leningen.
b) woning A is bij authentieke akte, verleden vanaf 2016, vervreemd om een andere woning B te verwerven of te behouden
14. De fictiebepaling kan slechts van toepassing zijn wanneer de woning waarvoor de lening oorspronkelijk werd aangegaan (woning A), is vervreemd bij authentieke akte verleden vanaf 2016.
Voor de vervreemding is de datum van authentieke akte bepalend.
15. De fictiebepaling kan daarenboven pas van toepassing zijn wanneer aan alle voorwaarden is voldaan. Dit heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat zij ten vroegste van toepassing kan zijn vanaf de vervreemding van de woning waarvoor de lening oorspronkelijk werd aangegaan (voorbeeld: zie nr. 30).
16. De vervreemding (van woning A) moet gebeuren om een andere woning (woning B) te verwerven of te behouden. Die vereiste werd voorzien om te garanderen dat de uitgaven nog steeds betrekking hebben op het verwerven of behouden van een woning en niet op een doel dat de woonbonus niet voor ogen heeft (vb. aanleg van een zwembad, …).
Voor de notie 'verwerven of behouden' wordt verwezen naar art. 145^38, § 2, WIB 92.
Wat het vereiste oorzakelijk verband tussen de vervreemding van woning A en het verwerven of behouden van woning B betreft, moet uit de feiten blijken dat woning A werd vervreemd om woning B te verwerven of te behouden. De beoordeling hiervan gebeurt aan de hand van de feitelijke omstandigheden.
Dit oorzakelijke verband kan bijvoorbeeld blijken uit de opeenvolging van de verschillende verrichtingen. Hierbij wordt niet vereist dat de vervreemding van woning A de verwerving of het behoud van woning B voorafgaat. Wanneer uit de feiten blijkt dat woning A effectief werd vervreemd om woning B te verwerven of te behouden, vormt het feit dat de verwerving of het behoud van woning B vóór de vervreemding van woning A plaatsvond (en bijvoorbeeld werd gefinancierd door middel van een overbruggingskrediet) op zich geen belemmering voor de toepassing van de fictiebepaling (voorbeelden: zie nrs. 30 en 31).
De door een nieuwe lening gefinancierde uitgaven voor het verwerven of behouden van woning B worden uiteraard niet beoogd.
c) de hypothecaire inschrijving wordt overgedragen naar een ander onroerend goed
17. Een hypotheekoverdracht moet worden doorgevoerd. Dit betekent dat het onderpand van de hypothecaire lening wordt vervangen door een ander onroerend goed.
18. Het is niet vereist dat de belastingplichtige eigenaar is van het onroerend goed waarnaar de hypotheek wordt overgedragen. Het volstaat dat de lening gewaarborgd blijft door een hypothecaire inschrijving.
19. In geval de hypotheekoverdracht gepaard gaat met een herfinanciering bij een andere kredietgever is er strikt genomen geen hypotheekoverdracht (in dit geval wordt immers een nieuwe hypotheek gevestigd ten voordele van de nieuwe schuldeiser, in plaats van de overdracht van de bestaande inschrijving). Een dergelijke verrichting (met pandwissel) past evenwel volledig binnen het doel van de fictiebepaling. Bovendien is het niet de bedoeling om herfinancieringen bij een andere kredietgever te belemmeren. In die omstandigheden wordt de vestiging van een hypothecaire inschrijving dan ook aanvaard (in plaats van de overdracht van een bestaande inschrijving).
d) de hypothecaire lening blijft behouden
20. De hypothecaire lening (die oorspronkelijk was aangegaan om woning A te verwerven of te behouden) moet blijven lopen. Dit is logisch omdat er anders niet langer uitgaven worden gedaan die in aanmerking komen voor de woonbonus.
21. Een herfinancieringslening kan ook voor deze voorwaarde worden beschouwd als een verderzetting van de oorspronkelijke lening.
e) woning A was de eigen woning alvorens woning B de eigen woning van de belastingplichtige is geworden
22. Woning A moet de eigen woning zijn geweest alvorens woning B de eigen woning van de belastingplichtige is geworden. De bedoeling van deze fictiebepaling was immers om het verlies van de woonbonus te verhinderen.
Vormt op zich geen belemmering voor de toepassing van de fictiebepaling:
- het feit dat woning A niet de eigen woning is gebleven tot aan de vervreemding ervan (bv. omdat woning B reeds eerder de eigen woning is geworden) (voorbeeld: zie nr. 30)
- het feit dat woning B niet onmiddellijk na de vervreemding van woning A werd betrokken (bv. omdat woning A vóór de voltooiing van de verbouwingswerken aan woning B werd vervreemd) (voorbeeld: zie nr. 32).
f) de belastingplichtige houdt de akte van hypotheekoverdracht ter beschikking van de bevoegde federale administratie
23. De belastingplichtige moet de akte van hypotheekoverdracht ter beschikking houden van de FOD Financiën.
Deze voorwaarde laat toe de voorwaarde inzake hypotheekoverdracht te beoordelen. In geval van herfinanciering bij een andere instelling (zie nr. 19 hiervoor) moet niet de akte van hypotheekoverdracht, maar de akte van vestiging van de hypotheek ter beschikking worden gehouden.
De belastingplichtige moet daarnaast kunnen aantonen dat aan alle overige voorwaarden is voldaan. Dit bewijs kan hij leveren met alle middelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed.
3. Gevolgen
24. Wanneer cumulatief voldaan is aan alle voorwaarden, wordt voor de Vlaamse woonbonus bij toepassing van de fictiebepaling de hypothecaire lening geacht specifiek te zijn aangegaan voor het verwerven of behouden van woning B.
De toepassing van de fictiebepaling heeft geen invloed op:
- de datum waarop de hypothecaire lening is aangegaan (art. 145^37, § 1, vierde lid, WIB 92).
Het jaar waarin de hypothecaire lening werd aangegaan (en niet het jaar van de hypotheekoverdracht) bepaalt tot welk grensbedrag (zoals bedoeld in art. 145^37, § 2 of § 3, WIB 92) de uitgaven in aanmerking kunnen komen en doet de 10-jarige periode van de verhoging van het basisbedrag aanvangen.
- de eenmalig te beoordelen voorwaarden van de woonbonus.
De (in principe) eenmalig te beoordelen voorwaarden (vb. voorwaarde van 'enige' woning op 31 december van het jaar van aangaan van de hypothecaire lening, de op die datum zelf te betrekken woning, verhoging voor kinderen ten laste, …) moeten en mogen naar aanleiding van de toepassing van de fictiebepaling niet opnieuw worden beoordeeld.
De andere voorwaarden (vb. 10-jarige looptijd van de hypothecaire lening…) worden uiteraard onverminderd beoordeeld.
- het recht op de verhoging van het basisbedrag.
De verhoging(en) kan (kunnen) slechts van toepassing zijn gedurende de eerste tien jaar vanaf het jaar waarin de lening werd aangegaan en wordt (worden) niet toegepast vanaf het eerste belastbaar tijdperk waarin de belastingplichtige eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker wordt van een tweede woning.
De fictiebepaling heeft niet tot gevolg dat een nieuwe termijn van 10 jaar aanvangt.
Bij een pandwissel kan de belastingplichtige voor die lening het recht op de verhogingen wel verliezen, omdat hij eigenaar is geworden van een tweede woning (voorbeeld zie nr. 31).
4. Cumulverbod
25. Als de belastingplichtige voor de uitgaven die in aanmerking komen voor de fictiebepaling de toepassing vraagt van één van de belastingvoordelen, vermeld in art. 14 (federale interestaftrek), 145^1, 2° en 3°, WIB 92 (federale vermindering voor het lange termijnsparen) en art. 539 (federale woonbonus), dan wordt de Vlaamse woonbonus voor die uitgaven niet toegepast (art. 145^38, § 1, vijfde lid, WIB 92).
26. De keuze voor die federale belastingvoordelen is definitief, onherroepelijk en bindend voor de belastingplichtige (art. 145^38, § 1, zesde lid, WIB 92). Deze keuze geldt ook voor de volgende aanslagjaren.
Het voorgaande wordt schematisch voorgesteld in bijlage 4.
27. De belastingplichtige maakt slechts een dergelijke keuze, wanneer die uitgaven naast de federale belastingvoordelen ook voor de Vlaamse woonbonus (op basis van de fictiebepaling) in aanmerking kunnen komen.
Voorbeeld
Kaat en Niko gaan in 2009 voor hun woning A een hypothecaire lening aan die in aanmerking komt voor de woonbonus. In 2016 vervreemden ze woning A om woning B te verwerven.
Voor de vanaf de vervreemding betaalde uitgaven vragen zij de Vlaamse woonbonus (ze maken toepassing van de fictiebepaling).
In 2020 verhuizen zij naar hun woning C en verhuren zij woning B (de uitgaven kunnen enkel in aanmerking komen voor een federaal belastingvoordeel want woning B is niet meer de eigen woning).
In 2022 betrekken zij woning B opnieuw. De fictiebepaling kan vanaf dan opnieuw van toepassing zijn. Het feit dat gedurende enige tijd een federaal voordeel werd verkregen vormt hier dus geen belemmering voor de verdere toepassing van de Vlaamse woonbonus op basis van de fictiebepaling.
28. Als een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, maken beide belastingplichtigen dezelfde keuze (art. 145^38, § 1, zevende lid, WIB 92).
Echtgenoten (en wettelijk samenwonende partners) moeten niet 'dezelfde' keuze maken, wanneer slechts één van hen die mogelijkheid heeft.
Voorbeeld
Een echtpaar gaat in 2012 een hypothecaire lening aan om hun eigen woning A te verwerven. Eén van beide echtgenoten is echter eigenaar van een tweede woning en voldoet niet aan de voorwaarden van de woonbonus.
In 2016 vervreemden zij woning A om hun woning B te verwerven.
In dergelijk geval kan enkel de echtgenoot (die voldoet aan de voorwaarden van de woonbonus) aanspraak maken op de fictiebepaling (deze geldt immers enkel voor de Vlaamse woonbonus en niet voor de Vlaamse vermindering voor het lange termijnsparen of de Vlaamse vermindering voor gewone interesten).
De andere echtgenoot kan eventueel aanspraak maken op de federale belastingvermindering voor het lange termijnsparen (mits is voldaan aan alle wettelijke en reglementaire voorwaarden en binnen de wettelijke grenzen). Dit belet de keuze voor de Vlaamse woonbonus (op basis van de fictiebepaling) door de eerste echtgenoot niet.
5. Voorbeelden
29. Voorbeeld 1
Karel gaat in 2014 voor zijn woning A een hypothecaire lening aan die in aanmerking komt voor de Vlaamse woonbonus.
Hij vervreemdt in 2017 woning A om woning B aan te kopen.
De hypothecaire lening blijft verder lopen en de hypothecaire inschrijving wordt overgebracht naar een ander onroerend goed. Karel houdt de akte van de hypotheekoverdracht ter beschikking.
Volgende gebeurtenissen vinden plaats:
- Karel verkoopt woning A op 05.09.2017
- Karel koopt woning B aan op 05.09.2017
- Karel betrekt woning B vanaf 05.09.2017.
Karel betrekt woning A tot en met 04.09.2017. De tot dan betaalde uitgaven kunnen in aanmerking komen voor de Vlaamse woonbonus.
De vanaf 05.09.2017 betaalde uitgaven kunnen door toepassing van de fictiebepaling in aanmerking komen voor de Vlaamse woonbonus.
De in art. 145^37, § 2, tweede lid, WIB 92, bedoelde verhoging van de Vlaamse woonbonus kan verder van toepassing zijn (woning B is op 31.12.2017 immers nog steeds de enige woning en de 10-jarige termijn voor de verhoging vangt aan in 2014).
De voor de Vlaamse woonbonus in aanmerking komende uitgaven worden begrensd tot 3.040 euro (2.280 euro + 760 euro).
Indien Karel niet kiest voor de fictiebepaling, kunnen de vanaf 05.09.2017 betaalde kapitaalaflossingen eventueel in aanmerking komen voor de federale belastingvermindering voor het lange termijnsparen, mits is voldaan aan alle wettelijke en reglementaire voorwaarden en binnen de wettelijke grenzen.
De vanaf dan betaalde interesten komen in dat geval niet in aanmerking voor een federaal belastingvoordeel, daar woning A geen onroerend inkomen meer oplevert.
30. Voorbeeld 2
Idem als voorbeeld 1.
Volgende gebeurtenissen vinden plaats in 2017:
- Karel koopt woning B: 05.09.2017 (gefinancierd met een niet-hypothecair overbruggingskrediet)
- Karel verhuist naar woning B: op 05.09.2017
- Karel verkoopt woning A: 10.12.2017.
De uitgaven worden als volgt gesplitst, volgens de datum waarop zij worden betaald:
- tot en met 04.09.2017
Karel betrok woning A. De in deze periode betaalde uitgaven kunnen in aanmerking komen voor de Vlaamse woonbonus.
- vanaf 05.09.2017 tot en met 09.12.2017
De in deze periode betaalde uitgaven kunnen niet in aanmerking komen voor de fictiebepaling (woning A is (nog) niet vervreemd). De kapitaalaflossingen kunnen eventueel in aanmerking komen voor de federale belastingvermindering voor het lange termijnsparen.
- vanaf 10.12.2017
Karel kan door de Vlaamse fictiebepaling opnieuw aanspraak maken op de Vlaamse woonbonus, als aan alle voorwaarden is voldaan.
Woning B is op 31.12.2017 nog steeds de enige woning. De verhoging van de Vlaamse woonbonus kan dus nog steeds van toepassing zijn. De tienjarige termijn vangt aan in 2014.
31. Voorbeeld 3
Idem als voorbeeld 1.
Volgende gebeurtenissen vinden plaats:
- Karel koopt woning B: 05.09.2017 (gefinancierd met een niet-hypothecair overbruggingskrediet)
- Karel verkoopt woning A: 10.02.2018
- Karel verhuist naar woning B: op 10.02.2018
De uitgaven worden als volgt gesplitst, volgens de datum waarop zij werden betaald:
- tot en met 09.02.2018
Karel betrok woning A. De in deze periode betaalde uitgaven kunnen in aanmerking komen voor de Vlaamse woonbonus.
De verhoging kan niet meer van toepassing zijn. Karel is op 31.12.2017 eigenaar van twee woningen en kan vanaf het belastbaar tijdperk 2017 geen aanspraak meer maken op de verhoging.
- vanaf 10.02.2018
Karel kan door de Vlaamse fictiebepaling aanspraak maken op de Vlaamse woonbonus, als aan alle voorwaarden is voldaan.
Hij kan geen aanspraak meer maken op de verhoging(en).
32. Voorbeeld 4
Fien gaat in 2011 een hypothecaire lening aan voor het verwerven van haar enige en eigen woning A.
In maart 2016 wordt Fien door een schenking eigenaar van woning B.
Zij vervreemdt woning A om haar woning B te verbouwen en zelf te betrekken. Woning A wordt op 03.06.2016 verkocht, maar de verbouwingswerken aan woning B zijn pas voltooid in 2017, zodat zij vanaf 03.06.2016 huurwoning C zelf betrok. Op 17.03.2017 betrekt zij haar woning B.
De uitgaven worden als volgt gesplitst, volgens de datum waarop zij werden betaald:
- tot en met 02.06.2016
Fien betrekt woning A. De in deze periode betaalde uitgaven kunnen in aanmerking komen voor de Vlaamse woonbonus.
Zij kan aanspraak maken op de verhoging(en).
- vanaf 03.06.2016
Woning B wordt vanaf 03.06.2016 tot 16.03.2017 niet zelf betrokken omwille van de stand van de verbouwingswerkzaamheden en kan in die periode als eigen woning worden aangemerkt.
Woning B kan vanaf de verhuis naar woning B als eigen woning worden aangemerkt.
Fien kan door de Vlaamse fictiebepaling aanspraak blijven maken op de woonbonus, als aan alle voorwaarden betreffende de fictiebepaling en de woonbonus is voldaan.
Zij kan nog steeds aanspraak maken op de verhoging(en).
C. Zorgwonen
1. Algemeen
33. Als de belastingplichtige zijn woning maar gedeeltelijk zelf betrekt, wordt het gedeelte van de woning dat wordt betrokken door personen die geen deel uitmaken van zijn gezin, niet als de eigen woning van de belastingplichtige beschouwd (art. 5/5, § 4, derde lid, b, BFW). De uitgaven die op dat deel slaan, kunnen eventueel in aanmerking komen voor een federaal belastingvoordeel.
34. De woonbonus wordt niet beperkt als de belastingplichtige zijn woning omvormt tot een zorgwoning en mits aan alle voorwaarden is voldaan (art. 145^37, § 1, vijfde lid, WIB 92).
Art. 4.1.1, 18°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15.05.2009 stelt dat zorgwonen een vorm van wonen is, waarbij voldaan is aan alle hiernavolgende voorwaarden:
a) in een bestaande woning wordt één ondergeschikte wooneenheid gecreëerd,
b) ondergeschikte wooneenheid vormt één fysiek geheel met de hoofdwooneenheid,
c) de ondergeschikte wooneenheid, daaronder niet begrepen de met de hoofdwooneenheid gedeelde ruimten, maakt ten hoogste één derde uit van het bouwvolume van de volledige woning,
d) de creatie van de ondergeschikte wooneenheid gebeurt met het oog op het huisvesten van:
1) hetzij ten hoogste twee personen van 65 jaar of ouder,
2) hetzij ten hoogste twee hulpbehoevende personen, zijnde personen met een handicap, personen die in aanmerking komen voor een zorgverzekeringstegemoetkoming, een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden of een basisondersteuningsbudget als vermeld in artikel 4, eerste lid, van het decreet van 24.06.2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming, alsmede personen met een nood aan ondersteuning om zich in het thuismilieu te kunnen handhaven,
3) hetzij de zorgverlener indien de personen, vermeld in punt 1 of 2, gehuisvest blijven in de hoofdwooneenheid.
e) de eigendom, of ten minste de blote eigendom, op de hoofd- en de ondergeschikte wooneenheid berust bij dezelfde titularis of titularissen.
35. Voorbeeld
Fien en Peter gaan in 2009 een hypothecaire lening aan voor de aankoop van hun enige en eigen woning. In 2016 vormen ze hun woning om tot een zorgwoning (zie nr. 34) om in een deel ervan de 83-jarige ouder van Fien te huisvesten.
Fien en Peter kunnen ook voor het gedeelte van hun woning dat door de ouder wordt betrokken aanspraak maken op de Vlaamse woonbonus (mits is voldaan aan alle wettelijke voorwaarden).
2. Cumulverbod
36. Als de belastingplichtige voor de uitgaven die in aanmerking komen voor de fictiebepaling de toepassing vraagt van één van de belastingvoordelen, vermeld in art. 14 (federale interestaftrek), 145^1, 2° en 3°, WIB 92 (federale vermindering voor het lange termijnsparen) en art. 539 (federale woonbonus), dan wordt de Vlaamse woonbonus voor die uitgaven niet toegepast (art. 145^38, § 1, vijfde lid, WIB 92).
37. Deze keuze voor die federale belastingvoordelen is definitief, onherroepelijk en bindend voor de belastingplichtige (art. 145^38, § 1, zesde lid, WIB 92). Deze keuze geldt ook voor de volgende aanslagjaren.
38. Als een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, maken beide belastingplichtigen dezelfde keuze (art. 145^38, § 1, zevende lid, WIB 92).
III. De geïntegreerde woonbonus
39. De geïntegreerde woonbonus (zoals bedoeld in art. 145^38/1 en 145^38/2, WIB 92) is van toepassing op vanaf 2016 aangegane hypothecaire leningsovereenkomsten (en daarmee verband houdende individuele levensverzekeringen).
De geïntegreerde woonbonus is een integratie van drie bestaande Vlaamse belastingvoordelen voor de eigen woning:
- de woonbonus
- de belastingvermindering voor het lange termijnsparen
- de belastingvermindering voor de gewone interesten.
A. Toekenningsvoorwaarden
1. Bedoelde uitgaven
40. De geïntegreerde woonbonus wordt volgens art. 145^38/2, § 1, eerste lid, WIB 92, verleend voor de volgende uitgaven die tijdens het belastbaar tijdperk werkelijk zijn betaald:
- de interesten en de betalingen voor de aflossing of de wedersamenstelling van een hypothecaire lening die vanaf 2016 werd aangegaan
- de definitief betaalde bijdragen voor een levensverzekering voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij overlijden, beperkt tot het gedeelte dat dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening als vermeld in het eerste streepje.
41. De uitgaven moeten zijn betaald voor de woning die op het ogenblik van de uitgaven de eigen woning van de belastingplichtige is.
Als maar één van beide echtgenoten of partners eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is van de woning, kan de andere echtgenoot of partner geen aanspraak maken op de geïntegreerde woonbonus, tenzij de inkomsten van de woning volgens het burgerlijk recht gemeenschappelijk zijn en aan alle overige voorwaarden is voldaan. Dit is het geval bij echtgenoten die samen worden belast en gehuwd zijn volgens het wettelijk huwelijksvermogensstelsel.
42. Voor de geïntegreerde woonbonus is niet vereist dat de woning waarvoor de lening werd aangegaan op 31 december van het jaar van aangaan van de lening zijn enige en zelf betrokken woning is.
Wanneer de belastingplichtige bijvoorbeeld een lening aangaat, maar de woning pas later zelf betrekt (en de woning pas vanaf dan als eigen woning kan worden aangemerkt) kan hij voor de vanaf dan betaalde uitgaven aanspraak maken op de geïntegreerde woonbonus, mits aan alle overige wettelijke en reglementaire voorwaarden is voldaan.
2. Bedoelde hypothecaire leningen
43. De hypothecaire leningsovereenkomst moet:
- hypothecair zijn gewaarborgd (art. 145^38/1, eerste lid, 1°, WIB 92).
Het aangaan van een hypothecaire lening is vereist. Het aangaan van een lening die is gewaarborgd door een hypothecair mandaat volstaat niet.
- aangegaan zijn vanaf 2016 (art. 145^38/2, § 1, eerste lid, 1°, WIB 92).
Een vanaf 2016 aangegane lening die dient voor het herfinancieren van een vóór 2016 aangegane lening kan niet in aanmerking komen voor de geïntegreerde woonbonus (zie ook nr. 7 hiervoor).
- een looptijd van ten minste 10 jaar hebben (art. 145^38/1, eerste lid, 1°, WIB 92)
- door de belastingplichtige bij een in de Europese Economische Ruimte (EER) gevestigde instelling zijn aangegaan en specifiek tot doel hebben om in een lidstaat van de EER een woning te verwerven of te behouden (art. 145^38/1, eerste lid, 1°, WIB 92).
44. In principe kunnen enkel de belastingplichtigen die een hypothecaire lening hebben aangegaan om een woning te verwerven of te behouden aanspraak maken op de geïntegreerde woonbonus.
Wanneer een echtgenoot of een wettelijk samenwonende partner vóór het huwelijk of vóór de verklaring van wettelijke samenwoning een hypothecaire lening specifiek heeft aangegaan voor het verwerven of behouden van een woning waarvan hij alleen de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker was, wordt evenwel, zoals dit ook het geval is voor de Vlaamse woonbonus (PV nr. 291 van 11.01.2010, gesteld door mevr. Claes, QRVA 52 97, blz. 84), aanvaard dat de andere echtgenoot of partner ook aanspraak kan maken op de geïntegreerde woonbonus op voorwaarde dat:
- de woning waarvoor de lening werd gesloten tot de huwelijksgemeenschap behoort of in onverdeeldheid aan beide echtgenoten of wettelijk samenwonende partners toebehoort
en
- de kredietovereenkomst werd aangepast zodat de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner ten opzichte van de kredietverstrekkende instelling dezelfde plichten heeft als de oorspronkelijke kredietnemer
en aan alle overige in de wet gestelde voorwaarden is voldaan.
De in artikel 145^38/2, § 2, tweede lid, WIB 92, bedoelde voorwaarde inzake enige woning wordt in dat geval beoordeeld op de datum dat de andere echtgenoot voor het eerst aan beide bovenvermelde voorwaarden voldoet. De aldaar vermelde tienjarige termijn start evenwel in het jaar van aangaan van de hypothecaire lening.
Ook de in artikel 145^38/2, derde lid, WIB 92, bedoelde verhoging voor kinderen ten laste wordt in dat geval bij die partner of echtgenoot beoordeeld op 1 januari van het jaar na het jaar waarin aan beide voorwaarden voor het eerst is voldaan.
Voorbeeld
Joris ging in 2016 een hypothecaire lening aan voor het verwerven van zijn enige en eigen woning.
Op 07.03.2020 huwt hij met Lien. De woning wordt dan in de huwelijksgemeenschap gebracht. De hypothecaire lening wordt op 27.04.2020 aangepast (Lien wordt als ontlener toegevoegd, waardoor ze dezelfde plichten ten opzichte van de kredietgever heeft als Joris).
Lien bezit op 27.04.2020 geen andere woningen. De uitgaven die bij haar in aanmerking komen voor de geïntegreerde woonbonus worden derhalve begrensd tot 2.280 euro (de tienjarige termijn start in 2016).
45. Onder het verwerven of het behouden van een woning als hiervoor vermeld, wordt volgens art. 145^38/1, derde lid, WIB 92, het volgende verstaan:
- een onroerend goed aankopen
- een onroerend goed bouwen
- een onroerend goed volledig of gedeeltelijk vernieuwen
Onder de hiervoor vermelde vernieuwing worden de dienstverrichtingen begrepen vermeld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven (art. 145^38/1, zesde lid, WIB 92).
- de erfbelasting, het successierecht, de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van onroerende goederen te betalen, met uitzondering van de nalatigheidsinteresten verschuldigd bij laattijdige betaling.
Deze bepaling werd in overeenstemming gebracht met de nieuwe begrippen uit de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Naast de gekende termen successierecht en registratierecht op de schenkingen onder de levenden van onroerende goederen is er derhalve ook sprake van de erf- en schenkbelasting, begrippen die in het Vlaamse Gewest worden gehanteerd. Dit is een louter terminologische wijziging en geen inhoudelijke wijziging (Parl. St. Vlaams Parlement 2015-2016, nr. 544, blz.32).
46. De kapitaalaflossingen en interesten (of een gedeelte ervan) van een vanaf 2016 aangegane lening die niet aan alle hiervoor vermelde voorwaarden voldoet komen niet in aanmerking voor een fiscaal voordeel.
Voorbeeld
Els gaat in 2016 een lening aan van 200.000 euro om haar eigen woning te verwerven. Daarbij wordt 150.000 euro gewaarborgd door een hypothecaire inschrijving, het resterende bedrag van 50.000 euro wordt gewaarborgd door een hypothecair mandaat.
In 2016 betaalde Els 3.000 euro aan kapitaalaflossingen en 2.000 euro aan interesten voor deze lening.
Het bedrag van de uitgaven (kapitaalaflossingen en interesten) dat vóór toepassing van enige begrenzing in aanmerking komt voor de geïntegreerde woonbonus bedraagt:
5.000 euro x150.000 euro = 3.750 euro
200.000 euro
De niet-hypothecaire interesten (500 euro) en kapitaalaflossingen (750 euro) komen niet in aanmerking voor een fiscaal voordeel. De vermindering voor gewone interesten is immers slechts van toepassing op interesten van schulden, aangegaan vóór 2016 (zie hoofdstuk V hierna).
3. Bedoelde individuele levensverzekeringen
47. De levensverzekering moet volgens art. 145^38/1, eerste lid, 2°, WIB 92:
- een aanvullende verzekering zijn tegen ouderdom en vroegtijdige dood tot uitvoering van een individueel gesloten levensverzekeringscontract voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden dat dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een lening, vermeld in punt 2 hiervoor.
Als een levensverzekering vóór 2016 werd aangegaan en nadien wordt gewijzigd zodat ze tot waarborg of wedersamenstelling dient van een in punt 2 hiervoor bedoelde hypothecaire lening, kunnen de bijdragen vanaf dan in aanmerking komen voor de geïntegreerde woonbonus, mits is voldaan aan alle wettelijke en reglementaire bepalingen. De bijdragen komen dus niet meer in aanmerking voor de in artikel 145^37, WIB 92, bedoelde woonbonus, hoewel de verzekering zelf vóór 2016 werd aangegaan.
- zijn aangegaan in een lidstaat van de EER
- door de belastingplichtige zijn aangegaan die daarbij alleen zichzelf heeft verzekerd
- zijn aangegaan vóór de leeftijd van 65 jaar.
Levensverzekeringen die tot na de oorspronkelijk bepaalde termijn worden verlengd, opnieuw van kracht gemaakt, gewijzigd of verhoogd wanneer de verzekerde de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, worden geacht niet vóór die leeftijd te zijn aangegaan
- een minimumlooptijd van 10 jaar hebben als het in voordelen bij leven voorziet
- de voordelen bij leven moeten toekomen aan de belastingplichtige vanaf de leeftijd van 65 jaar
- de voordelen bij overlijden moeten zijn bedongen:
* ten belope van het verzekerde kapitaal dat dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van de lening, ten gunste van de personen die ingevolge het overlijden van de verzekerde de volle eigendom of het vruchtgebruik van dat onroerend goed verkrijgen
* ten belope van het verzekerde kapitaal dat niet dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van de lening, ten gunste van de echtgenoot of de bloedverwanten tot de tweede graad van de belastingplichtige.
48. De individuele levensverzekering moet bij de geïntegreerde woonbonus, in tegenstelling tot de woonbonus, niet uitsluitend dienen voor het waarborgen of wedersamenstellen van de hypothecaire lening.
Dit betekent dat als er een levensverzekering wordt aangegaan die zowel betrekking heeft op een hypothecaire lening als op een gewone lening (eventueel gewaarborgd met een hypothecair mandaat), de bijdragen pro rata recht geven op de geïntegreerde woonbonus, ten belope van het aandeel van de hypothecaire lening ten opzichte van het totale bedrag van de lening (Parl. St. Vlaams Parl., 2015-2016, nr. 544/1, blz.33).
Voorbeeld
Een echtpaar gaat in 2016 een lening aan van 250.000 euro om hun eigen woning te verwerven. Daarbij wordt 150.000 euro gewaarborgd door een hypothecaire inschrijving, het resterende bedrag van 100.000 euro door een hypothecair mandaat.
Zij sluiten ieder een levensverzekering af die voormelde lening waarborgt. De in 2016 betaalde bijdragen bedragen 2.000 euro per echtgenoot.
Het bedrag van de bijdragen dat in aanmerking komt voor de geïntegreerde woonbonus bedraagt per persoon:
2.000 euro x150.000 euro= 1.200 euro
250.000 euro
Het resterende bedrag (800 euro) komt niet in aanmerking voor een fiscaal voordeel.
49. De premies voor een aanvullend pensioen voor zelfstandigen (als bedoeld in art. 52, 7°bis, WIB 92) komen niet in aanmerking voor de geïntegreerde woonbonus (art. 145^38/1, eerste lid, 2°, f, WIB 92).
B. Fictiebepaling voor hypotheekoverdracht met pandwissel
50. Een hypothecaire lening (als bedoeld in art. 145^38/1, eerste lid, 1°, WIB 92), oorspronkelijk en specifiek aangegaan voor woning A, wordt volgens art. 145^38/1, vierde lid, WIB 92, geacht specifiek te zijn aangegaan voor het verwerven of behouden van de andere woning B, als cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de woning waarvoor de hypothecaire lening oorspronkelijk en specifiek is aangegaan ('woning A'), is bij authentieke akte vervreemd om een andere woning ('woning B') te verwerven of te behouden;
2°de hypothecaire inschrijving van de hypothecaire lening wordt overgedragen naar een ander onroerend goed;
3° de hypothecaire lening blijft behouden;
4° woning A was de eigen woning alvorens de andere woning B de eigen woning van de belastingplichtige is geworden;
5° de belastingplichtige houdt de akte van hypotheekoverdracht ter beschikking van de bevoegde federale administratie.
De voorwaarden voor de toepassing van de fictiebepaling voor de Vlaamse woonbonus worden besproken onder de nrs. 11-23 en zijn mutatis mutandis van toepassing op de geïntegreerde woonbonus.
51. Als de fictiebepaling wordt toegepast, wordt de datum waarop de hypothecaire lening is aangegaan, niet geacht te zijn gewijzigd ten gevolge van de hypotheekoverdracht (art. 145^38/1, vijfde lid, WIB 92).
52. Als de belastingplichtige voor de uitgaven die in aanmerking komen voor de fictiebepaling de toepassing vraagt van één van de belastingvoordelen, vermeld in art. 14 (federale interestaftrek) en art. 145^1, 2° en 3°, WIB 92 (federale vermindering voor het lange termijnsparen), dan wordt de geïntegreerde woonbonus voor die uitgaven niet toegepast (art. 145^38/2, § 1, tweede lid, WIB 92).
53. Deze keuze voor die federale belastingvoordelen is definitief, onherroepelijk en bindend voor de belastingplichtige (art. 145^38/2, § 1, derde lid, WIB 92). Deze keuze geldt ook voor de volgende aanslagjaren.
Het voorgaande wordt schematisch voorgesteld in bijlage 4.
C. Zorgwonen
54. Als voldaan is aan de voorwaarden van zorgwonen, worden de personen die de belastingplichtige conform art. 4.1.1, 18° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15.05.2009 huisvest, voor de toepassing van de geïntegreerde woonbonus geacht deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige waardoor de geïntegreerde woonbonus van toepassing kan blijven voor dat gedeelte van de woning (art. 145^38/2, § 1, vijfde lid, WIB 92).
De voorwaarden en gevolgen van de Vlaamse fictiebepaling voor de Vlaamse woonbonus worden besproken onder de nrs. 33-38 en zijn mutatis mutandis van toepassing op de geïntegreerde woonbonus.
D. Grensbedrag
55. Onderstaande tabel vermeldt de grensbedragen en het fiscaal voordeel vanaf het aanslagjaar 2017 (inkomsten 2016) van de geïntegreerde woonbonus (art. 145^38/2, § 2, WIB 92). De grensbedragen gelden per belastingplichtige en per belastbaar tijdperk en worden niet geïndexeerd.
1. Basisbedrag
56. De uitgaven die in aanmerking komen voor de geïntegreerde woonbonus worden beperkt tot een maximum basisbedrag van 1.520 euro per belastingplichtige en per belastbaar tijdperk.
Dit basisbedrag wordt niet verhoogd wanneer de woning op 31 december van het belastbaar tijdperk waarin de lening werd aangegaan niet de enige woning van de belastingplichtige is (zie nrs. 57 en 58 hierna).
2. Verhoging van het basisbedrag
a) voorwaarde voor de toekenning van de verhoging(en)
57. Als de woning op 31 december van het belastbaar tijdperk waarin de hypothecaire lening wordt aangegaan de enige woning is van de belastingplichtige, kan hij aanspraak maken op een verhoging van het basisbedrag met 760 euro (art. 145^38/2, § 2, tweede lid, WIB 92).
De uitgaven die in aanmerking komen voor de geïntegreerde woonbonus worden dan beperkt tot een bedrag van 2.280 euro (zijnde 1.520 euro + 760 euro).
58. Bij de beoordeling of de woning de enige woning van de belastingplichtige is op 31 december van het belastbaar tijdperk waarin de hypothecaire lening werd aangegaan, wordt volgens art. 145^38/2, § 2, vijfde lid, WIB 92, geen rekening gehouden met:
1° andere woningen waarvan hij door een erfenis
- mede-eigenaar
- blote eigenaar
of
- vruchtgebruiker is
2° andere woningen die op 31 december van het belastbaar tijdperk waarin de hypothecaire lening werd aangegaan op de vastgoedmarkt te koop zijn aangeboden en die uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het belastbaar tijdperk waarin de hypothecaire werd aangegaan ook daadwerkelijk zijn verkocht.
b) bijkomende verhoging voor 3 of meer dan 3 kinderen ten laste
59. De belastingplichtige kan aanspraak maken op een bijkomende verhoging van 80 euro als hij op 1 januari van het jaar dat volgt op het belastbaar tijdperk waarin de hypothecaire lening werd aangegaan 3 of meer dan 3 kinderen ten laste heeft (art. 145^38/2, § 2, derde lid, WIB 92).
Voor de toepassing van de bijkomende verhoging worden als gehandicapt aangemerkte kinderen ten laste voor twee gerekend (art. 145^38/2, § 2, vierde lid, WIB 92).
c) behoud van de verhoging(en)
60. De verhoging(en) kan (kunnen) maar worden toegepast tijdens de eerste 10 belastbare tijdperken vanaf het belastbaar tijdperk waarin de hypothecaire lening werd aangegaan.
61. De verhoging(en) wordt (worden) niet langer toegepast vanaf het eerste belastbaar tijdperk waarin de belastingplichtige op 31 december van dat belastbaar tijdperk volle eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is van een andere woning dan de woning waarvoor de uitgaven werden betaald (art. 145^38/2, § 2, zesde lid, WIB 92).
De verwerving van de naakte eigendom van een andere woning heeft echter geen invloed op de verhoging(en).
De uitzonderingen waarvan sprake onder nr. 58 gelden hier niet.
3. Vrije verdeling van de uitgaven
62. Als een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd en beide echtgenoten aanspraak maken op de geïntegreerde woonbonus, dan mogen zij de uitgaven vrij verdelen binnen de hiervoor vermelde grenzen (art. 145^38/2, § 3, tweede lid, WIB 92).
E. Toepassingsmodaliteiten
63. Om van de geïntegreerde woonbonus te kunnen genieten houdt de belastingplichtige een attest ter beschikking, uitgereikt door de instelling die de lening heeft toegestaan of door de verzekeraar bij wie hij de levensverzekering aanging.
Hierbij wordt verwezen naar de modellen van attesten die werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 23.06.2016 (Franstalig en Nederlandstalig bericht) en 17.08.2016 (Duitstalig bericht).
F. Voorbeelden
64. Voorbeeld 1
Kelly (alleenstaande belastingplichtige en inwoner van het Vlaams Gewest) gaat op 12.04.2016 een hypothecaire lening aan voor de aankoop van haar enige woning, die in 2016 ook haar eigen woning is. Op 01.01.2017 heeft ze 2 kinderen ten laste. De lening is volledig gewaarborgd door een hypothecaire inschrijving.
De in 2016 betaalde interesten en kapitaalaflossingen voor deze lening bedragen 7.600 euro.
Kelly kan aanspraak maken op het verhoogde basisbedrag van 2.280 euro (zijnde 1.520 euro + 760 euro). Omdat Kelly op 01.01.2017 minder dan 3 kinderen ten laste heeft, maakt ze geen aanspraak op de bijkomende verhoging voor kinderen ten laste van 80 euro.
De voor de geïntegreerde woonbonus in aanmerking komende uitgaven (7.600 euro) worden derhalve begrensd tot 2.280 euro.
De belastingvermindering bedraagt: 2.280 euro x 40 % = 912 euro.
65. Voorbeeld 2
Op 15.09.2016 gaan Els en Frank (gehuwd koppel en inwoners van het Vlaams Gewest) een hypothecaire lening aan voor de verbouwing van een woning die in 2016 hun eigen woning is. Els en Frank zijn op 31.12.2016 eigenaar van een andere woning die ze verhuren. Op 01.01.2017 hebben ze 3 kinderen ten laste.
De in 2016 betaalde interesten en kapitaalaflossingen voor deze lening bedragen 5.000 euro.
Voor deze hypothecaire lening hebben Els en Frank elk recht op een maximum basisbedrag van 1.520 euro. De lening werd aangegaan voor een woning die voor ieder van hen niet de enige woning is. De uitgaven van deze lening moeten dan ook steeds begrensd worden tot 1.520 euro, ook al wordt de woning nadien wel de enige woning.
Ze mogen de uitgaven die in aanmerking komen voor de geïntegreerde woonbonus vrij onder hen verdelen.
De belastingvermindering bedraagt: 1.520 euro x 40 % = 608 euro per echtgenoot.
IV. De Vlaamse vermindering voor het lange termijnsparen
66. De artikelen 145^39 en 145^40, WIB 92, werden gewijzigd zodat de Vlaamse belastingvermindering voor het lange termijnsparen wordt beperkt tot:
- hypothecaire leningen die vóór 2016 zijn aangegaan, en
- bijdragen voor levensverzekeringen die dienen tot waarborg van hypothecaire leningen die vóór 2016 zijn aangegaan.
Een vanaf 2016 aangegane hypothecaire lening (en de daarmee verband houdende individuele levensverzekering(en)) kan dus niet meer in aanmerking komen voor de Vlaamse vermindering voor het lange termijnsparen (tenzij het een herfinancieringslening betreft, waarvoor het in nr. 7 uiteengezette principe geldt).
V. De Vlaamse vermindering voor gewone interesten
67. Het artikel 145^43, eerste lid, WIB 92, werd vervangen waardoor de Vlaamse vermindering voor gewone interesten slechts van toepassing kan zijn op interesten van schulden, die vóór 2016 zijn aangegaan.
Een vanaf 2016 aangegane lening kan dus niet meer in aanmerking komen voor de Vlaamse vermindering voor gewone interesten (tenzij het een herfinancieringslening betreft, waarvoor het in nr. 7 uiteengezette principe geldt).
68. De in art. 145^43, WIB 92, bedoelde vermindering dooft echter niet uit voor betaalde erfpacht- en opstalvergoedingen of gelijkaardige vergoedingen voor onroerende goederen betreffende de eigen woning.
VI. De Vlaamse belastingvermindering interesten KI (vermindering voor onroerende voorheffing)
69. Het art. 145^44, § 1, WIB 92, wijzigde waardoor de Vlaamse vermindering voor onroerende voorheffing wordt beperkt tot de leningen die specifiek zijn gesloten om de eigen woning te verwerven of te behouden en die zijn aangegaan:
- vóór 2005;
- vanaf 2005 en vóór 2016 terwijl op het moment van afsluiting voor dezelfde woning nog een lening van vóór 2005 in aanmerking komt voor de federale gewone interestaftrek of de (Vlaamse) belastingvermindering voor onroerende voorheffing.
VII. Bestaande keuzeregeling
70. De aan artikel 145^46, § 2, WIB 92, aangebrachte wijzigingen zijn van technische aard en dienen ter verduidelijking.
Deze paragraaf legt een keuzeregeling op wanneer:
- de belastingplichtige vanaf 2014 een hypothecaire lening aangaat, die in aanmerking komt voor de gewestelijke woonbonus,
- terwijl er op dat moment voor diezelfde woning nog een lening is die in aanmerking komt voor het 'oude' stelsel dat in principe slechts van toepassing is op vóór 2005 aangegane leningen en daarmee verband houdende individuele levensverzekeringen (de (gewestelijke of federale) vermindering bouwsparen, de (gewestelijke of federale) vermindering voor bijkomende interesten en de gewestelijke vermindering voor gewone interesten of de federale gewone interestaftrek voor leningen die in principe vóór 2005 werden aangegaan).
Bij een letterlijke lezing van die paragraaf, zouden ook leningen die enkel in aanmerking komen voor de toepassing van de Vlaamse belastingvermindering voor gewone interesten (art. 145^43, WIB 92) maar die vanaf 2005 zijn aangegaan (zonder dat er op dat ogenblik nog een lening aangegaan vóór 2005 in aanmerking kwam voor een belastingvoordeel) meegenomen worden. Nochtans werden die leningen niet beoogd.
71. Door de aangebrachte wijzigingen wordt verduidelijkt dat de in art. 145^43, WIB 92, bedoelde leningen die hier worden beoogd, de leningen zijn die werden aangegaan om de betrokken woning te verwerven of te behouden en aangegaan:
- vóór 2005;
- vanaf 2005 terwijl er op dat moment voor dezelfde woning nog een lening als vermeld in het eerste streepje hiervoor, in aanmerking kwam voor de Vlaamse vermindering voor gewone interesten of de federale gewone interestaftrek.
72. Voorbeeld
Joris ging in 2010 een lening aan voor het financieren van verbouwingswerken aan zijn eigen woning. De lening is niet gewaarborgd door een hypothecaire inschrijving, maar door een hypothecair mandaat. De interesten komen in aanmerking voor de Vlaamse vermindering voor gewone intresten.
In 2014 gaat hij voor dezelfde woning een hypothecaire lening aan. De lening komt in aanmerking voor de Vlaamse woonbonus.
De keuzeregeling geldt bij combinatie van de woonbonus en het 'oude stelsel' dat in principe slechts van toepassing is op vóór 2005 aangegane leningen en daarmee verband houdende individuele levensverzekeringen.
Gezien de in 2010 aangegane lening hier niet onder valt, is de keuzeregeling niet van toepassing en kunnen de intresten van de in 2010 aangegane lening in aanmerking komen voor de Vlaamse vermindering voor gewone intresten. De intresten en kapitaalsaflossingen van de in 2014 aangegane lening komen tevens in aanmerking voor de Vlaamse woonbonus.
VIII. Keuzeregeling voor hypothecaire leningen aangegaan vóór en vanaf 2016
73. Als een belastingplichtige de toepassing van de geïntegreerde woonbonus vraagt, worden de artikelen 145^37 (Vlaamse woonbonus) en 145^39 tot en met 145^45, WIB 92 (Vlaamse vermindering voor het lange termijnsparen, Vlaamse vermindering voor het bouwsparen, Vlaamse vermindering voor gewone interesten, Vlaamse vermindering bijkomende interesten en Vlaamse vermindering onroerende voorheffing) niet langer toegepast voor de uitgaven met betrekking tot de voorheen aangegane schulden en leningen en voor de levensverzekeringen die die leningen waarborgen (art. 145^46, § 2/1, WIB 92).
Het voorgaande wordt schematisch voorgesteld in bijlage 5.
74. Artikel 145^46, § 2/1, WIB 92, bepaalt, in tegenstelling tot de andere keuzeregelingen van artikel 145^46, WIB 92, niet dat de uitgaven verband moeten houden met dezelfde woning (dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer voor woning A, die gedurende het eerste deel van het jaar de eigen woning was, een vóór 2016 aangegane lening werd afgelost en voor woning B, die gedurende het tweede deel van het jaar de eigen woning was een andere, vanaf 2016 aangegane lening werd afgelost).
De uitgaven moeten wel verband houden met de eigen woning. De belastingplichtige moet dus geen keuze maken als bijvoorbeeld de vanaf 2016 aangegane lening verband houdt met de eigen woning en de vóór 2016 aangegane lening verband houdt met een andere woning, die niet de eigen woning van de belastingplichtige is.
75. De keuze voor de geïntegreerde woonbonus is definitief, onherroepelijk en bindend voor de belastingplichtige.
Als een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, maken beide belastingplichtigen dezelfde keuze (artikel 145^46, § 3, WIB 92).
Echtgenoten (en wettelijk samenwonende partners) moeten niet 'dezelfde' keuze maken, wanneer slechts één van hen die mogelijkheid heeft.
Eens de belastingplichtige de toepassing van de geïntegreerde woonbonus heeft gevraagd, kunnen vanaf dat belastbaar tijdperk de oude Vlaamse belastingvoordelen (woonbonus, vermindering voor het lange termijnsparen, …) niet meer van toepassing zijn op alle voorheen aangegane schulden en leningen en evenmin voor de levensverzekeringen die die leningen waarborgen.
De belastingplichtige kan echter zelf kiezen of en vanaf welk belastbaar tijdperk hij die overstap naar de geïntegreerde woonbonus maakt.
De keuze voor de geïntegreerde woonbonus belemmert de toekenning van een federaal belastingvoordeel niet (zo mag de belastingplichtige bijvoorbeeld nog steeds een federale belastingvermindering vragen voor de bijdragen van een individuele levensverzekering die geen verband houdt met een lening).
76. Voorbeeld
Leen gaat in 2007 een hypothecaire lening aan voor de aankoop van haar enige en eigen woning. Op 01.01.2008 heeft ze geen kinderen ten laste. Voor de uitgaven van deze lening maakt Leen tot nu toe aanspraak op de (Vlaamse) woonbonus.
Leen gaat in 2016 een andere hypothecaire lening aan voor de verbouwing van haar enige en eigen woning. Ze heeft 3 kinderen ten laste op 01.01.2017.
In 2016 betaalde zij volgende uitgaven:
- voor haar in 2007 aangegane hypothecaire lening: 6.500 euro
- voor haar in 2016 aangegane hypothecaire lening: 2.500 euro.
Alle uitgaven houden verband met de eigen woning. Leen moet derhalve een keuze maken.
Aanslagjaar 2017 (inkomsten 2016)
- Eerste mogelijkheid: keuze woonbonus
De voor de woonbonus in aanmerking komende uitgaven (6.500 euro) worden begrensd tot 3.040 euro (zijnde 2.280 euro + 760 euro).
De belastingvermindering bedraagt: 3.040 euro x 35 % (we veronderstellen een marginale aanslagvoet van 35 %) = 1.064 euro.
- Tweede mogelijkheid: keuze geïntegreerde woonbonus
De voor de geïntegreerde woonbonus in aanmerking komende uitgaven (2.500 euro) worden begrensd tot 2.360 euro (1.520 euro + 760 euro + 80 euro).
De belastingvermindering bedraagt: 2.360 euro x 40 % = 944 euro.
Voor aanslagjaar 2017 kiest Leen voor de woonbonus.
Aanslagjaar 2018 (inkomsten 2017)
In 2017 betaalde zij volgende uitgaven:
- voor haar in 2007 aangegane hypothecaire lening: 6.000 euro
- voor haar in 2016 aangegane hypothecaire lening: 5.000 euro.
- Eerste mogelijkheid: keuze woonbonus
Deze keuze is slechts mogelijk wanneer Leen de geïntegreerde woonbonus nooit heeft gevraagd.
De voor de woonbonus in aanmerking komende uitgaven (6.000 euro) worden begrensd tot 2.280 euro (de tienjarige termijn voor de verhoging is immers verstreken).
De belastingvermindering bedraagt: 2.280 euro x 35 % (we veronderstellen een marginale aanslagvoet van 35 %) = 798 euro.
- Tweede mogelijkheid: Leen kiest voor de geïntegreerde woonbonus
De voor de geïntegreerde woonbonus in aanmerking komende uitgaven (5.000 euro) worden begrensd tot 2.360 euro (1.520 euro + 760 euro + 80 euro).
De belastingvermindering bedraagt: 2.360 euro x 40 % = 944 euro.
Voor aanslagjaar 2018 kiest Leen voor de geïntegreerde woonbonus.
Leen kan vanaf dan geen aanspraak meer maken op een Vlaams belastingvoordeel voor de in 2007 aangegane lening.
IX. Belasting van niet-inwoners
77. Zoals voor de andere gewestelijke belastingvoordelen, zijn de bepalingen van de woonbonus, de geïntegreerde woonbonus, de vermindering voor het lange termijnsparen, de vermindering voor het bouwsparen, de vermindering voor gewone interesten, de vermindering voor bijkomende interesten en de vermindering voor onroerende voorheffing in de belasting van niet-inwoners (natuurlijke personen) van toepassing bij de belastingplichtigen die aan de volgende twee bijkomende voorwaarden voldoen:
- hun belasting moet zijn berekend volgens art. 244, WIB 92
en
- ze moeten zijn gelokaliseerd in het Vlaams Gewest.
78. De belastingplichtigen moeten aan deze twee bijkomende voorwaarden voldoen voor het aanslagjaar of de aanslagjaren waarvoor zij deze belastingverminderingen vragen. Praktisch gezien moeten ze voor het (de) betreffende aanslagjaar(en) de code 1093-71 van hun aangifte in die belasting hebben aangekruist.
79. De belasting van niet-inwoners (natuurlijke personen) wordt volgens art. 244, WIB 92, berekend, als de belastingplichtige:
- tijdens het belastbaar tijdperk in België belastbare beroepsinkomsten heeft verkregen die ten minste 75 % bedragen van het geheel van zijn in dat belastbaar tijdperk verkregen beroepsinkomsten van Belgische en buitenlandse oorsprong
en
- een fiscaal inwoner was van een lidstaat van de EER, andere dan België.
80. De lokalisatie van een niet-inwoner in het Vlaams Gewest hangt niet af van de ligging van zijn werkelijke verblijfplaats of van de ligging van zijn eigen woning. De lokalisatie wordt immers vastgesteld volgens het gewest waar hij zijn hoogste in België belastbare beroepsinkomsten heeft behaald, of bij een gelijk hoogste netto beroepsinkomen in twee of drie gewesten, waar het hoogste aantal effectief gewerkte dagen werd gepresteerd (zie in dit verband de art. 248/2 en 248/3, WIB 92).
Deze bepalingen vallen echter buiten het bestek van de huidige circulaire.
X. Inwerkingtreding
81. Treden in werking vanaf het aanslagjaar 2017:
- art. 81 tot en met 88 van het decreet van 18.12.2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016;
- art. 4 tot en met 9 van het decreet van 23.12.2016 houdende diverse fiscale bepalingen en bepalingen omtrent de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen.
XI. Bijlagen
Bijlage 3: Gecoördineerde teksten Vlaams Gewest – aanslagjaar 2017.
Interne ref.: 705.285
